Nederlandsche Volkskunde

Chapter 16

Chapter 163,661 wordsPublic domain

Haentien op 'n stokkien, Biet moar van mien brokkien, Biet moar van mien stukkien brood, Morgen is mien haentien dood.

Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalve _palmpaasch_ en _palmpaschen_, vindt men de benamingen _palmstok, palmpaascheistok, palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje, zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik, eendje, kukelehaantje_ enz. Dr. C. V. D. Graft onderscheidt twee hoofdtypen: 1e De lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort, het Friesche type; en 2e De vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk "krakeling", maar ook wel "rad" of "wiel" genoemd: het Saksische type. Wat hiervan zij,--indien het waar is, dat men de palmpaasch als een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond hebben, te weten: _stam_ (stok), _krans_ en _haan_. De krans is nagebootst in koekdeeg--ten onrechte spreekt Höfler van "haaroffer in deegvorm",--terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom troont ook een haan op den nok van vele Westfaalsche huizen en doet daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst, dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard, als stormdier, weert onheil af.-- Aldus verklaart men de gewoonte, den top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren, terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan, als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.

Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamde _aeremstokjes_, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag, en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen:

Aerem stokje Turf in je rokje, Turf in je staart, Aerem stokje is geen oortje meer waard.

Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België, Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het lezen van 't Sint Jans evangelie.

Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook Volkskunde XII, bl. 229, waar Dr. A. Beets een oproep richtte tot de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend; Beets gaf ook den stoot tot de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: Volkskunde XIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40; XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40; De Cock, Volkskunde, bl. 241; V. D. Graft, Palmpaasch; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 202.

Over _Kalfdag_, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam, geplaagd en uitgelachen werd; hij werd "kalf" genoemd. Men vergelijke verder de gebruiken op den 1sten Meidag.--

Met dezen dag is de _Goede Week_ begonnen, ook wel de _Heilige-, Pilatus-, Judas-, Duivelsweek_, in protestantsche streken de _Stille Week_ genoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.

_Witte of Groene Donderdag_ dankt zijn naam waarschijnlijk aan de witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei groenten. Men noemt ze _discipelen_- of _apostelensoep_. Hij, die het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In Vlaanderen at men dien dag _weitene weggen_ of wittebrood met _mede_; dit heette _soppen_, vanwaar _Soppendonderdag_.

Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld het _apostelbrokken-rapen_ te Rupelmonde, vlak onder de vensters van 't stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.

Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden gezegend.

Op Witte Donderdag Gaan de klokken naar Roomen, Al over hagen en boomen, En Paaschavond komen ze thuis.

Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen:

Den Donderdag is 't soppedoppe, Den Vrijdag zoo kruipt men, Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.

Dit "kruipt men" heeft betrekking op de kruisvereeniging van

_Goeden Vrijdag_. Dan rust het werk, met name de timmerlieden en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd, beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze een voorbehoedmiddel tegen het "zwart."

_Goeden_ of _Stillen Zaterdag_ keeren vóor de Gloria de klokken uit Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.

_Paaschdag_ worden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen, maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun "paaschbest" pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag "danst het zonneke van blijdschap." Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het water, op heilige tijden geput, het _heilawâc_, voor zoo bijzonder geneeskrachtig gold?

Om middernacht is alle water wijn, Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,

luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgen _zwijgend_ geput, kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de gezondheid.

Het gebruik der paascheieren was vroeger algemeen en is thans nog in het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd, geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eieren _tikken_ of _kippen_ in de gezinnen, plaatselijk ook in 't openbaar, b.v. te Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast, te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg, te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, --maar meestal toch op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een, dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds het _eiergaren_ een geliefkoosdspel; ook den _eierdans_ kende men.

Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant--spits of bot--onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen behoort eigenlijk het rijmpje:

1. Eén ei is geen ei 2. Twee ei is een half ei 3. Drie ei is een paaschei.

Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:

Borkeloo, Almen enz.:

2. Twee ei paaschei.

Venloo:

3. Drie ei is een ei 4. Vier ei is een paaschei.

In vele streken heerscht nog het gebruik--in België, Limburg en Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen--eieren in te zamelen voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk, b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:

Bimbambeieren, De koster lust geen eieren, Wat lust hij dan? Spek in de pan, Met een roggen boterham.

Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:

Antwerpen:

Vrouw, vrouw geeft ons een ei, Die de zwarte hinne lei! Zijn ze zwart of zijn ze rood, Daarom leggen zij te nood; enz.

Haaren (N.-B.):

Vrouwke, vrouwke, doe uw best, Haal de eikes uit het nest Van die witte hennen, God zal ze kennen. Een ei is geen ei, De tweede is een half ei, De driede is een paaschei. Van die wit en van die zwart, Geef van elk henneke wat.

Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf, dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds voor de IVe eeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.

Te vermelden vallen nog de paaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het "doornenkroon verbranden". Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp, Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:

Heb ie ook 'en olde mande, Die wie tot Paeschen brande? Heb ie ook 'en bossien riet? Oare hebben wie veur 't paaschvuur niet.

Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:

Hei in de Mei, En de muts op zij! Van linksum Van rechtsum, En keer oe weer um.

Op Texel:

Hooi, heb-je geen strooi, Heb-je geen oude manden? Die zullen in de meierblits branden, Hekken en stekken, joten en palen, Als je niet komt, dan zullen we je halen. Boer, wil-je het laten staan, Hekken en stekken an enden slaan.

Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeft Prof. Gallée ons in de Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken, met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:

Hei Koerei, hei Koerei, Eén ei is geen ei, Twee ei is 'n halfei, Drie ei is 'n paaschei.

Dan:

Lange, lange riêge, Twintig is en stiège, Dartig is en rozenkrans, Veertig is de poppendans; enz.

Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen. Was alles verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.

Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm; vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een reinigend _springen_ over het vuur, vgl. bl. 105. Het brandend _rad_, dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men met Mogk als een zonnesymbool kunnen beschouwen; het _Hei Koerei_ of _Eikoerei_ herinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud Amsterdamsch paaschavonddeuntje:

De dommele metten [donkere metten] De Vaste is uyt! Kyrie eleison! Te Paschen zullen wij eieren eten, Soo is de Vaste al vergeten. Kyrie eleison!

Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude offermaaltijden samen de _paaschbrooden, paaschmikken_ (Den Bosch), _paaschlammetjes_ enz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:

't Zit 'nen Allelujakoeke in den oven! Elk 'ne zalige Paaschen!

Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:

Christus is opgestanden Al van de Joden hun handen, Dus willen we allen vroolijk zijn, Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.

Over dit lied meer bij Dr. J. G. R. Acquoy in het Archief van Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., en Dr. C. V. D. Graft in Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik, dat _vlöggelen_ (vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks den paaschtijd.

Zie nog De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 131; J. F. Willems, in het Belgisch Museum 1843, VII; Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181; Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H. Maronier, Het Paaschfeest (Arnhem 1894), _passim_; J. Lippert, Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch, bl. 602; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 337, 340; Driem. Bladen XIII, bl. 43; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 173.

_Paaschmaandag_. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende plaatsen, herinner ik aan de _begankenis_ van Hakendover, door Frans van Leemputte op doek gebracht. De processie wordt door honderden ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel, want deze ommegang schenkt hem akkerzegen. Deze processie is een overleefsel van den lente-intocht.--n Drente heeft bij het paaschvuur en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog is het notenschieten; zie H. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.

Op _Beloken Paschen_ (_Dominica in albis, sc. depositis_) worden de laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijk _Broake-Poaschen._

_Natte Paschen_, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk is dit geen _Regenzauber_--een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik, vergel. bl. 152--maar slechts een overgangsgebruik; zie Paul Sartori, Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.

_l April_.

Op den eersten April Stuurt men de gekken waar men wil

luidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien dag in Engeland (_all fools day_), Duitschland, Denemarken, Frankrijk (_poissons d'avril_) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt, dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in verband te brengen. De Vlaamsche benaming is _verzendekensdag_.

Ik sprak bl. 128 reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de gekken (_stulti_) de _langslapers_ en _telaatkomers_ zijn, dan wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het lentefeest--evenals op de laatste dagen van het jaar--met de sukkelaars in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhooping van grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon, een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde); bij het hooien om een _heuischarm_ (Assen); bij het stoelmatten om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar, plafondschaar (België) enz.; zie vooral De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in 't jaar zijn.

_Meidag_. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het lentetijdperk, als het begin van den voorzomer. Bl. 172 sprak ik reeds van den meiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen, dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan; zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.

Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt (hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: "Daar wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren en slingers rijdt men hem rond het dorp": Volkskunde, XXIII, bl. 122; zie nog vooral De Cock's Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg.

Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne- of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken of _meien_. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende tonen der "Fanfare", naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij het terugkeeren met groenende twijgen. "Straks keeren de muzikanten opgetogen huiswaarts"; schrijft Dr. Knippenberg, "de hoeden omkranst met het jonge loof van den heerlijken Mei" (Limburg's Jaarboek XVIII, bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied den _liefdemei_ voor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking "den coelen mey planten" ten minste reeds in de XVe eeuw voorkomt in eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zie G. Kalff, Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.

Het verbreidingsgebied van het meitaksteken is zeer groot; vertrouwbare berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze, Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde, Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde; berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof, maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk; hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten; rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.--De meisjes staan op den 1sten Mei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.

Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochten met madeliefjes, die op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg, die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit "den Mei gaan zingen"; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:

Mei, Mei, Ik plante mijne mei, En 'k krake mijn ei, En de dorre [dooier] viel uit mijn schale; Bazinneke, wilde mij een eitje geven, 'k En zal uw dochterken niet halen!

In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk meiliedje aldus:

De koude winter is nu verdwenen, Den zoeten zomer die komt er al aan; Dan ziet gij al de bottekens en boomen Te bloeien staan.