Chapter 15
Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat, is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om spek, eieren en worst:
Vasteloavend, Sjtokvastoavend, Hiê ene sjtool en doa ene sjtool, Op jede sjtool ei kösse, En doa ein broadwoosj tössche; Op jede sjtool ene pannekook, Det deit de jong meitjes good.
Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden, Buggenum, Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruik _fooien-jagen,_ een (volksetymologische?) vervorming van _voejagen._ Bij dezen rondgang zongen vroeger de jongens in Twente:
Boven in de hörste Doar hange de spiele mit wörste: Doo mi eenen langen, Moar loat dee kleine mer hangen.
Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.
5. Voor de vastenavondvuren wordt natuurlijk inzameling van brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij het"schuddekorfslied" noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:
Een kluitjen en een kooltjen Een vonkelhoutjen, een! Hier woont een rijk man, Die ons nog iets geven kan. Geeft ons iets en laat ons gaan, Laat ons niet zoo lang hier staan, Wij moeten nog zoo wijd gaan!
Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond plaats onder het zingen van:
Heije, meije klötsje, Zoe dik es ên hötsje, Zoe dik es ên boen, Dat us God loent! Hei woent nog êne rieke maan, Dee us nog get geve kaan, Kaan heer us niks geve, Dan zalleveer neet lang mie leve.
_Den hoegen hiemel is opgedoon_, Gef us get en loat us goon, Loat us neet lang stèlstoan, Gef get, spaart get, 't Ander joar alweer get. Dit joar êne sjèlling 't Ander joar êne pèling, Eeder sjèlling woag ê poond, Maar de vrouw blijf hei gezoond. Snijt oan de lange, Loat de korte hange, Gef get!
Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.
Met den negenden regel: "Den hoegen hiemel is opgedoon" vergelijke men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):
De hemel, de hemel wordt opengedoan, Daar komen wie arme zondoartjes an Mit ain strooband, mit twei strooband;
en uit Winschoten:
De hemel wordt opengedaan. Daar zullen wij arme zondaars ingaan Met een stroobant, Daar gaan wij mee naar 't ander land.
In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint Silvester:
Ik heb er den hemel al opengedaan, Daar zag ik twee arme zondaars staan; Met oogen als vuur en een strooband, Zoo rijden zij naar dat andere land.
De beteekenis van den strooband is mij niet helder.
6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eiland Schouwen bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden ("de stra"). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.--Blijkbaar moet dit gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten, en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus; zie C. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes en -gebruiken vergel. Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187; G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518; Welters, Feesten enz., bl. 24; De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56; v. Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127; Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114; Volk en Taal II, bl. 154; 't Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X, bl. 190 enz.
_Aschwoensdag_ stelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag den _doodendans_, d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig rondgesprongen; dàn eerst was het "Vasten". Men noemt hem ook _kruiskensdag_, omdat de katholieken dien dag ter kerke een asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot boetvaardigheid. "Wie zijn kruisje houdt tot Paschen", zegt het volk, "krijgt een nieuw kleed." Na den dienst wordt niet zelden "het kruisken verdronken", door den voormiddag in de herberg te slijten.
Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst de _haring gebeten_ of _gereden_, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette het _haringspringen_. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.
_Fakkelzondag_ (_Invocabit_) is de eerste Zondag in de Vasten. "Als men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal veel fruit groeien", zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip. Het branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de boomgaarden zingt:
Vink vonk fakkel. Zoo menge vonk, Zoo menge appel.
Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt, _de burk_ genaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:
Bötje, bötje, burkstreuë Annemerjan, sjottelepan, Haste niks veur de burk te breeënne.
Te Ieperen heet deze Zondag _Borelle-Zondag;_ ook te Denderwindeke, Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is het _walmen_ of _fakkels branden_ bekend; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ook _brood- en kaaszondag,_ omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent men den naam _Brot-und Kässontag_. In Voralberg, Tirol, Beieren en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de bergen, de zoogenaamde _Fackellauf_, die gesymboliseerd wordt als de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benaming _Funkentag_, fr. _dimanche des brandons_. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel der vastenavondvuren te worden beschouwd.
Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst, voor zoover mij bekend, beschreven door P. van Duyse in het Belgisch Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek "de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht" naar een naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweede belegering van Geeraardsbergen door Walther van Edinghen in 1381 in verband gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIe eeuw, toen Geeraard van Hunneghem zijn kasteel aan Boudewijn VI, den stichter der stad, verkocht. V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136, ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering; naar de opvatting van Dr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: 't verorberen van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?--
Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echte _blauwe Maandag_, welke benaming later op alle andere Maandagen is overgegaan. Vandaar dat "blauwe Maandag houden" de beteekenis gekregen heeft van "leegloopen en feestdag houden". "Blauw" beduidt hier "onbeduidend" (men denke aan _blauwe boodschap_), zoodat de oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt; vgl. Stoett, Spreekwoorden, no 212.
_Kwenezondag_ (_Oculi_), den derden Zondag in de Vasten, liepen te Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat, terwijl zij zongen:
Oude kwene, babbelboone! Is se oud, s'en is niet schoone! Gheeft se doch een ey, Daer me looptse wey!
Volgens De Bo heet men echter _kwenen_ de kinderen, die op Passiezondag van deur tot deur gaan.
Op dezen Zondag verbrandt men den winter (_Pier Vrieze_), den dood, den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop; plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt "de winter" wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk is hier het begraven ouder dan het verbranden, en is "de winter" de vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden meestal plaats op
_Laetare_ of Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret, gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer; immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den lentezegen: op Laetare de _Greef van Halfvasten,_ en op Palmzondag de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het paard van den Greef, die 's nachts de rondte doet op zijn schimmel, de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel plechtig door de straten van Antwerpen. "De arme huisvader uit de Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een massepeinen scheepje," schrijft De Cock, Volkskunde, bl. 240; "soms enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever geen Grèèf dan zoo'n tikkenhaantje."
Te Turnhout zingt men:
Kinderkens, hangt uw korfkens uit, Ik heb wat nieuws vernomen: Dat de Greef, Uwe neef, Die zal morgen komen.
Wat heeft de Greef al meegebracht? Vijgen en rozijnen, Koek en tes, Scheer en mes, Haantjens op een steksken!
Maar als gij dan niet wijzer zijt, Dan zal ik m'er niet mee moeien; Dan zal de Greef, Uwe neef, Brengen een dikke roeie!
Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)
Vink, vonk, fakkel. Zoo menge vonk, Zoo menge appel.
_Sint Pieter-in-den-Winter_ (_Cathedra Petri_, 22 Februari) is een lotsdag, een _dies criticus_, eertijds als het begin van de lente beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen; is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.
Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders, en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter. Te Grouw (F.) viert mee dan een kinderfeest; en evenals men den 5den December Sinterklaas-avond noemt, zoo noemt men te Grouw den 21sten Februari Sint Pieter-avond.
Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van "bal uitslaan", eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hierover Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 168.
Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het dorp en brengt een ovatie aan wie in 't afgeloopen jaar zijn getrouwd:
Hier komen wij knechtjes en meisjes aan, Al om Sint Pieter den bal te slaan. Waren wij niet in de gilde gegaan, Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan. Slaan, slaan, slaan, Het liedje, dat is gedaan.
Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de kinderen grabbelen; vgl. J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.
_l Maart_ treden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt men te Esch (N.-B.):
Op den eersten Mert Moeten de booien zijn op den herd, Anders zijn ze de kost niet werd.
Elders is de datum half Maart, weer elders de 1e Mei. De boer zelf haalt de nieuwe meid of knecht op den _kistenwagen_ af. Bij het verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme "om Godswille" gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.
_Gregoriusdag_ (12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis, en naderhand het _Gregoria-zingen,_ een rondgang van de jeugd langs de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.
_Sint Geertrui_ (17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik der _Sint Geerten Minne_ of _Schaal van Nivelles_: want even als de Sint Jans Minne was dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.--
Wij komen nu tot de eigenlijke periode van het Lentefeest (of begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in het midden der feestviering staat het symbool van den genius der groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den 1sten Mei, met Pinksteren of op den avond van den 23sten Juni heeft in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in 't begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij, tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheel verdwenen. De eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bij J. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).
De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen bladerdos. Maar steeds was--en is dit nog, waar in het buitenland het gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm--de mei met linten, kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral met eieren--symbool der vruchtbaarheid--behangen. En dat wij hier werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den Mei het dorp binnenkomt (vgl. Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):
Wij droegen de pest uit het dorp, Wij brengen _de spruit_ (of zomer) in het dorp. Ons boompje is groen, Schoon opgesierd, Op ons Meiboompje Zijn geverfde eieren, enz.--
Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan, rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.
Deze meiboom is het oortype van den _oogstmei_, die de laatste voer hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van den _richtmei,_ die op het dak gezet wordt, als men "gericht" d.i. het huis onder de kap gebracht heeft,--in het Noorden van ons land is dit dichterlijk en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering met de vlag; van den _liefdemei_ vóor het huis of op het dak van de aangebedene, waarover nader; van den _bruidsmei_, den levensboom, op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar geplant; van den _schutsmei_: jonge berken- of dennenboompjes, door de dorpsjeugd op den 1sten Mei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur, den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen, het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,--hiermee gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard; eindelijk van den _palmpaasch_, zooals door Mannhardt, Baumkultus, bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: "De palmpaasch is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten" (Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats op
_Palmzondag_, reeds in de IVde eeuw door de Kerk gevierd ter gedachtenis van Jezus' intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in de IVe eeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft: de _Peregrinatio Aetheriae_: "Tegen vijf uur in den namiddag wordt de plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden: heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen, waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben, hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd" (c. XXXI, 2, 3).
Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op Palmzondag; vanaf de VIIe eeuw werd deze ook in de Westersche Kerk gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk uit de VIIIe of IXe eeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter, overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden, gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar, dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het "Ezelsfeest" werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs- of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe Zijde om 't andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.
Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIe eeuw; maar de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen, dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme, een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde, maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker op, of liever de Zaligmaker met behulp der Engeltjes (b.v. te 's Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten, en "rijden" den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo voor de grooteren op een bord. Maar behalve de "rijdende" engeltjes heeft het Christendom _de palmen_ aan den palmpaasch afgestaan.--In België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met het _palmhoutje_ ter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes en palmbundels (_buxus sempervirens_) laten zegenen. Ook te Basel laat ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met een schat van steekpalmen--liefst met roode bessen--prijkt. En dat de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze betrekking te Stockholm, volgens getuigenis van Mannhardt, telken jare den 22sten juni een formeele markt "mit Laubzweigen und _kleinen Maistangen für Kinder_" gehouden wordt, voor welke de heele omtrek de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering aan de palmprocessie is wellicht ook het _Hei, koerei_ of _Eikoerei_ van het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk de verbastering van _Kyrie eleison_: "Heer ontferm U onzer" uit het litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met den palmpaasch, luidt:
Palm, palmpaschen! Hei, koerei! Over eenen Zondag, Dan krijgen wij een ei. Eén ei is geen ei, Twee ei is een half ei, Drie ei is een paaschei!
Of ook:
Palm palmpaschen! De koetjes die gaan grazen, De schaapjes in de wei, Als het Paasch is krijgen wij een ei!
Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het: