Nederlandsche Volkskunde

Chapter 14

Chapter 143,604 wordsPublic domain

_Koppermaandag_ heet de Maandag na Driekoningen: _kopperkensdagh, kopperkensmaendagh._ Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oude _kopperen_ "smullen, drinken, pret maken" uit te gaan, dat van _kop_ "beker" kan komen. Een volksetymologische vervorming is _koppeltjesmaandag_, wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenals _koperen maandag_, naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn: _gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag_ (Groningen), _verloren-, verzworen-, verkoren_-, ja _Flora-maandag_. Te Diest zegt men nog _blijde maandag_. "Verloren" Maandag werd verklaard door het daags te voren gelezen evangelie van het "verloren" kind Jezus, of omdat deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat "verloren" weer volksetymologisch verbasterd is uit "versworen", de benaming, die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen zegt men: _Egyptische Maandag_, omdat men daar een omgang hield, en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde.

Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats, te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland, waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:

Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag], Noch in dei, Dan is kopermoandei wei [weg].

Zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 167.

_Antonius-abt (17 Jan.)_ behoort in België tot de meest populaire heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit _Antoniuszwijn_ ongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7en Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.

_Sint-Sebastianus (20 Jan.),_ de met pijlen doorschoten martelaar, wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke gewesten van Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen op. Hun "koning" is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: "Hij heeft den vogel af." Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.

_Pauli Bekeering (25 Jan.)._ Ook deze dag is een _dies criticus_. een beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De Tirolers verzekeren van den 25sten Januari:

Paul bekehr', Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.

V. Reinsberg-Düringsfeld verhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: "ils sont contents s'il est clair, mais très tristes si le contraire a lieu" (Calendrier belge I, bl. 76).

De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch, onvervalscht fetissisme. Immers Schotel vermeldt in zijn Tilburgsche Avondstonden, bl. 12, dat men "elders een strooien Paulus aan den haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr, dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij hem in het vuur". Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin der XVIe eeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten rond te dragen. Geschiedde zulks bij helder weêr, dan begoten zij het met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.

Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen een _Paulus_ of _Paulusje_ in huis te brengen, "binnen te brengen". Dit was een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid, dan moest de vrouw des huizes 's avonds koeken bakken, enz.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche folkloristen _Regenzauber_ noemen, waarover nader. Zie over Pauli Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.

_Maria Lichtmis_ (_2 Febr._). Dat dit feest voor een heidensch in de plaats trad, waarom en hoe, leert Paus Innocentius III in een preek op Maria-Zuivering: "De heidenen hadden de maand Februari aan de goden der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen] in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd dit feest _Amburbale_ genoemd. Maar wijl onze heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd, wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria."

Naar De Cock vermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik, de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.

Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg het woord "lichtmis" de beteekenis van "losbol". Hierop wijst ook de Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-_Schud-de-panne._

Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. "Wanneer op O.L. Vrouw Lichtmis de zon op het misboek schijnt", zegt men in Limburg, "dan kruipt de vos nog zes weken in zijn hol." En verder: "Op Lichtmisdag ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon".--"Lichtmis donker, maakt den boer tot jonker"; enz. enz. Wij komen hierop terug in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.--

Een Duitsch rijmpje zegt:

Wenn die Tage langen. Kommt der Winter gegangen,

en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen Nieuwjaar en Vrouwendag het klootschieten plaats. Elk speler krijgt een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten, wordt de prijs toegekend.

Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers waren eveneens groote minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpen _schietklooten_ genoemd; zie vooral Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.

_Sint Blasius (3 Febr.)._ De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren of huidontstekingen, die "blazen", d.i. blaren, genoemd worden. In Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband door de Vlaamsche spreekwijze: "Blasius blaast", als het omstreeks 3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa tegen de roos. Henri Estienne geeft over dit verschijnsel de voor zijn tijd merkwaardige opmerking: "A quelques saincts on a assigné les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait un nom approchant du sien." Zie vooral Gittée's belangrijk artikel: "Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen", in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.

_Vastenavond_ bestaat uit de drie "vette" dagen (Zondag, Maandag en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde de _Spurcalia in Februario_, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de term _spurcalia_ het aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vorm _sprokkelmaand_, Middelnederl. _sporkelmaent_, is niet geloofwaardig. Men vindt ook reeds vroeg Vaste_l_avond, met de bekende variatie van _n_ en _l_, die ook in _vasteldag_ en _schrikkeljaar_, en in het Middelnederl. _werkeldach_ worden aangetroffen.

Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, dat Julius Lippert, Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598 het ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering een _Romeinsch_ lentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en offermaaltijden kenmerkte. Mogk houdt deze periode voor een feest der wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden van Sebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren heb aangehaald.

Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd, met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten: "'t Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.-- De kinderen zetten in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste voor het paard van den Greef, die 's nachts zijne ronde doet en iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen achterlaat"; aldus De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 71.--Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woord _Carnaval_, dit is afkomstig van het Toskaansche _carnevale_. dat waarschijnlijk eenigszins haplologisch voor _carnelevale_ staat; en deze vorm zelf is door progressieve assimilatie uit _carnelevare_ ontstaan: "het opruimen van het vleesch." Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als "vleesch, vaarwel!": _carne_ + _vale_. Zij zien hierin een volkshumoristische uitdrukking der kloostertaal. --De Romaansche benamingen van den Vastenavond werden voortreffelijk behandeld door Merlo in Wörter und Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.

In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt. Ik herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk door Pieter Breughel den Ouden gepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog, behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.

1. Iets zeer eigenaardigs is de maskerade, het vermomd over straat loopen. "Zot loopen" was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog heden van "Vastenavondgekken".Maar "de tegenwoordige maskeraden zijn slechts de schaduw van de vroegere", zegt De Cock, Volkskunde, bl. 239; "de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge, schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen confetti's in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging- dan lachwekkend mag heeten". Dit vermommings-gebruik is stellig uit Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan "den goeden ouden tijd" herinnerde, misschien wel een overblijfsel van de _Saturnalia_ (bl. 148) of van het Romeinsche "Narrenfeest" (_feriae stultorum_) op den 17den Februari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de "Vette Donderdagen", omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.

2. Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen op _Vetten Dinsdag_ ten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering. Befaamd zijn de _vastenavondkoeken_, verschillend van naam en van vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels, geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: "Zij vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond"; in Limburg heeft men het somwijlen "zoo druk als de pan op Vastenavond". Ook in Engeland is Vastenavond-Dinsdag de groote _Pancake-dag_. Die dagen gaan in Brabant en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes aan de deuren pannekoek bedelen: "Spek en eier en braadworst is goeie vastenavondkost", meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald, wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.

3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit blijkt ook uit de vastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot (bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijk _foekedag_ wordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:

Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen, Ik heb geen geld om brood te koopen. Rommelpotterij, rommelpotterij, Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.

De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren, Rolde en Norg (D.) _hotfot_ of _hottefot_, te Diever _fortelpot_, te Zoutkamp _pooverpot_, in Noord-Holland veelal _rompot_. Men bezigt hem ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II, bl. 115.

De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden gekenmerkt door het refrein: "ho, man, ho!" Zoo b.v.:

De Schout van Leiden heeft een bult, Ho, man, ho! Die is met ouwe lappen gevuld, Ho, man, ho! enz.

En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein:

Vrouw, 't is Vastenavond, ho, man, ho! 'k Kom niet thuis voor t'avond, ho, man, ho! 'k Kom niet thuis voor morgenvroeg, Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!

Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist algemeen-Nederlandsch is:

Vrouw, 't is Vastenavond, Ik kom niet thuis voor te avond, Te avond in den maneschijn, Als vader en moeder naar bed toe zijn. Gekke Griet, vertel het niet, Want onze Jan is dronken. Dronken Piet is onze gebuur, Schriks tegen ons over. Vat 'n stoel en zit bij 't vuur, De prutselpot hangt over. Boven in de schouwe, Daar hangen de worsten aan touwen, Vrouw geef mij een lange, En laat de korte maar hangen. Snij maar diep, snij maar diep, Snij maar in mijn vinger niet. 'k Heb gezongen en niets gehad, Geef me een stuk van 't varken z'n gat, Koekebakkerij, koekebakkerij, Geef me een cent, dan ga ik voorbij.

Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees, (N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt regel 3--7:

Ik kom nieët in huus veur margen vrog, Is dat nieët vrog genog? Vrouw, geef mien dit, Vrouw, geef mien dat, Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.

Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig ander kalenderliedje aantreft, het besluit:

Vrouw gêftj, det jer lang lêftj, Det jer riek en zalig werdj.

Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de laatste regel wel eens:

Det uch 't humme aan 't gaat klêftj.

Verder kent men nog:

Foeke, foeke, langesjtaaf, Gêftj mich ei sjtök van 't vräkesgaat; Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe, Ich höb gei gellj òm brood te koupe, Dei, dei, dikje dikje dei, Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.--

Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:

Vastenavond, die komt aan, Als de meisjes vroeg op staan, Dan staan zij in den spiegel: Moeder, staat mijn mutsken knap? Mijn lief zal t'avond komen. Komt hij dezen avond niet, Dan komt hij den halven vastenavond niet. Zet het mesken al langs de bank, Snijd het spek drie ellen lank, Laat het mesken zinken Tot op de witte schinken; enz.

(Bree).

Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:

Jobbik, Jobbik Janssen, De gek, die moet dansen, Ik en de gek En een goed stuk spek. Snij maar diep, snij maar diep, Snij maar in uwe vinger niet! Boven in die horste, Daar hangen die lange worsten, Als de lange gegeten zijn, Dan zullen de korte wel beter zijn.

Vergelijk hiermee het Zutfensche:

Vastelavond, die komt aan, Als de meisjes vroeg opstaan, Dan gaan ze voor den spiegel staan: Moeder, zit mijn kapje wel? Daar komt Floris Janssen, Die zal op den foekepot spelen, En de gek zal dansen.

Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander bekend rommelpotliedje.

Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:

Foeke, foeke, rommelpot En hestoe nog gein man, Ik heb 'n broaden houndertien, Dat zal der t'oavend an. Als ik mien houndertien broaden zal, Dan wordt mien potje voel, Als ik mien potje schrabben zal, Dan kittelt (kippert) mie de doem. Dan goan wie noar de smid, Dei moakt ons potje wit; Dan goan wie noar de heeren, En loaten ons poddien smeren.-- Zet hier een stoul, zet doar een stoul, Op ieder stoul een kussen, En doar een mooi meissien tusschen.

Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te Groningen:

Schippien van drei weken Loat heur zailtien streken. Boven in de hangeltop Doar hangt 'n dikke metworst. Snie wat braid, snie wat snel, Snie joe den moar nijt in 't vel. Snie wat braid, snie wat roem, Snie joe den moar nijt in doem.

De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en in een groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor het meerendeel gelijkluidend:

Vastenavond, goede gebuur, Ik heb nog geenen man, Ik heb nog een klein hoentje, Dat moet er t' avond an. En als ik mijn hoentje braden wil, Dan is mijn panneken vuil, En als ik mijn panneken schuren wil, Dan tintelt mijnen duim. Dan loop ik naar de geburen, Daar laat ik mijn panneken schuren, Dan loop ik naar de Franschen, Daar laat ik mijn potteken dansen.

De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit een ander vastenavondliedje:

Vastenavond, die komt aan Klinken op de bussen, Hier eene stoel en daar eene stoel, Op iedere stoel een kussen, Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe, Of ik sla er een pannekoek tusschen.

Te Barneveld vervolgt men:

Tusschen de neus en de kin, Daar kan nog wel een pannekoek in. Ho, man, ho!

"Klinken op de bussen" is wel synoniem van "in de bus blazen, geld uit geven": Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking komt ook voor in het Zwolsche:

't Is van oavend Vastenoavend, Klink moar op de bussen! Alle mooie meissies kriegt een man, Behalve ik en mien zusse.

4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak het haanslaan (of haansmijten) en het gansrijden (gansjagen, -sabelen, -trekken, -slaan, -knuppelen), ook wel _gent_ of _voejagen_ genoemd. Een opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens van 12--17 jaar jagen "de voe"; zij zijn gezeten op stokpaarden, dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.