Chapter 13
Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan de koeien en zeggen tegen de boeren: "Ik steffen jôe kôe", en bij arbeiders, die geen koe hebben,: "Ik steffen jôe." Te Borger (D.) ziet men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met een bosje hooi onder den arm. Zij gaan van 't eene huis naar het andere, het eerst naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:
Hum, kôe, hum. Sint Steffen is gekomen Hard geloopen; duur verkoopen, Honderd gulden veur dieë kôe, En een dikke stoetbrugg' toe.
Te Oosterhesselen komt hier nog bij:
Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk, Dan gef de kôe ook botter en melk.
Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken en zegt: "Ik heb jôe kôenen steft"; waarop hij door de boerin wordt onthaald.
_Sint Jan Evangelist (27 Dec.)_. Een eigenaardig gebruik op dezen dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder de formule: "_bibe amorem sancti Johannis, in nomine patris_ etc.": "drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz." Hetzelfde gebruik leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.
Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers, het woord "minne" heeft met "genegenheid, liefde" niets gemeen, maar wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het Duitsche _St.-Johannisliebe_, vandaar de term _amor_ in de Limburgsche formule: _bibe amorem sancti Johannis_ enz. Het woord is afkomstig van den Indogermaanschen wortel _men_, met de beteekenis "denken, overdenken, zich herinneren"; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de beteekenis van "beminnen."
Men dronk eertijds de "minne" der goden, vooral van Wôdan-Odhin; hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten wij, dat zij althans sedert de XVe eeuw, toen de christelijke tint de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken drempel overschreed.
Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker, zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.
Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken, dat hij--evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël--een zeer geliefde volksheilige is. Den 29sten December dronk men eertijds in Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de term _minne_ zelf. Was het niet natuurlijk, dat der goden _minna_, door het Latijnsche _amor_ weergegeven, bij voorkeur op den apostel der liefde overging? Ook vindt men _dilectio_ en _potus caritatis_. Zoo verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhand ook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.
_Allerkinderen (28 Dec.)_ vertoont een beslist christelijk karakter en herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland, Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan, in het pak hunner ouders gestoken, als "vader en moeder" over straat loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas, waar men zingt:
't Is vandaag Onnoozele-Kinderdag, Geeft de moerkens en de vaarkens wat! Geeft wat, houdt wat, 't Naaste jaar nog wat! Ik weet daar nog een goede vrouw. Die mij zoo geern wat geven zou. Zij zal mij wel wat geven; Hoelang mag zij leven? Honderd jaar en éenen dag, Zoolang als ze kaas en brookes mag.
Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.
Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den "Kinderbisschop", ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste Vespers bij de woorden van het _Magnificat_: "Hij heeft heerschers van tronen neergehaald en geringen verheven", en behield hem tot de tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een post voor: _Item_ den biscop van den scoelkinderen van Sint Donaas ... XVIJ schellinghen"; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor de Dordsche "scoelnaars ende horen biscop". Hij draagt dan ook den naam van "Bisschop van de scholieren", "Bisschop van de koorknapen", enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.
Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken, b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd als St. Gregoriusdag, waarover nader.
_Oudejaarsavond_ en _Nieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.)_.
Ik wensch U al te gaar Een zalig Nieuwe Jaar; In voorspoed en verdriet Vergeet den Schepper niet!
klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog het nachtelijk uur aankondigde.
Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde "onnutte superstitiën" of "ongeregelheden", te velde trokken, zijn er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven; zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar nog "aan datzelfde euvel mank ging". Het is heden ten dage vooral nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van nieuwjaarsliedjes bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen.
Herdersem:
Op eenen nieuwjaarsavond, Dan zullen wij vroolijk zijn, Met een geboren maged En een klein kindeken klein.
Wie zal dat kindeken dragen? De dochter al van Jeroen! De klokken zullen luien, Den kerkweg zullen wij doen.
Als wij op 't kerkhof kwamen, Wie zagen wij daar staan? Jezus van Nazarenen Aan 't kruis genageld staan.
Met eenen doornenkroone Op Jezus hoofd gedaan, Vol rozen en roo nelen (_leeljen_) Om naar den hemel te gaan.
Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.
Maria was gezeten Met 't kindjen op den schoot, Om pappeken te laten eten, Gekookt met wittebrood. Daar zat een ratteke Aan Jezus pappeke! Maria maak het klaar, Met deze zalige nieuwjaar.
Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:
Op eenen nieuwe jare Sloeg een bakker zijn wijf, Met eenen eiken kluppel Zoo deerlijk op haar lijf!
De vrouw begon te kermen, "Ach bakker 't doet mij zoo zeer!" De bakker zonder ontfermen Sloeg nog wel tienmaal meer.
De vrouw kroop onder den oven, De bakker van achternaar! Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?], Met dezen nieuwe jaar.
Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderen _lukken, liefkoeken_, in Oost-Vlaanderen _nieuwjaarkes_ geheeten: kleine wafeltjes, in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding verdienen de _nijjaorskôken_ en _kniêpertiês_, de _spekkendikken_, spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben en _juffertiês_ uit den Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond of _täofeltiêsaovend_ (Raalte, Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele gezin uitgaat _hen kôken_ of _hen taofelen_. Op een ijzeren plaat brandt er vuur, en in het front prijkt de _kôokstomp_, tot dit doel reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten het _kôokiêzer_ of _nijjaorsiêzer_. Elders begint de smulpartij met een _poddik_ (pudding), dan volgt rijst en daarna 't _beestenvleesch_, de hoofdschotel.
De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften, wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven; zoo b.v.: "Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden Is U Friend Sal morgen U verachten" (Twente). Ook elders bakt men _vollaards_, _prauwels_ en _ijzerkoekjes_, te Groningen _olde wieven_, te Velthoven (N.-B.) _towten_.
Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun "heio" roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem, Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het eeuwenoude liedje:
Ich kwaam al aangeloupe, Ich sêg 't see rouke, Ich sêg wal aan den oave wis, Dat er get gebakken is. Isser niks gebakke, Dan gèft ene korf vol appele, Is de korf te klein of te groot, Dan gèft mig ene volle schoot.
Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:
Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven, Ge zult verdienen het eeuwig leven. Het eeuwig leven is bitter gewonnen, Voor een gulden een draad gesponnen. Kijk eens in je korfje, Daar liggen drie appeltjes in, Even groot, kralo, vrouwke lo, Geef wat, houd wat, Volgend jaar weer wat.
Men noemt dit b.v. te Buggenum _ringzingen_ (ring=soort krakeling); na het zingen volgt het _grabbelen_, Maasbree: _griebelen_. Meestal krijgen de kinderen _ringen_, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk (N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas, "de gouden [goede?] engel" rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.
Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden, maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook elders, te Deventer b.v., schiet men nog "van het olde in 't nije", of men "schieët het olde uut". Dit schieten wordt thans nog slechts als vreugdeteeken beschouwd.
Het "nieuwjaar afwinnen" is nog steeds in zwang. Bij het nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt, te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ook _nieuwjaarsmoppen_ heeten.
Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het Westvlaamsche _strijne_ of _strene_ (rondom Veurne), dat door het Fransche _étrennes_ op het Latijnsche _strenae_ teruggaat: zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed, uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg, bl. 13; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.
_Driekoningendag (6 Jan.)_. De kinderschaar, die langs de huizen trekt en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den ouden _rommelpot_ of _foekepot_, neemt op Driekoningendag een geheel bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk element: ik bedoel het bekende _sterzingen_, op het oogenblik tot België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie jongens, als koningen verkleed--en éen hunner is met roet zwart gemaakt--, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster, uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.
Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatische voorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan, heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik, dat op Driekoningenavond drie misdienaars in hun koorgewaad met ster, lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.
Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:
Wij komen getreden met onze sterre, Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre. (wij hadden Hem gaerne).
Wij kwamen al voor Herodes zijn deur, Herodes, de koning, kwam zelvers veur.
Herodes, die sprak met valscher hart: "Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?"--
"Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend, "Het is er de Koning van Oriënt."
Wij kwamen den hoogen berg opgegaan, Daar zag men de starre stille staan, Ja stille staan.
(Pauze.)
Och starre, jij moet er niet stille staan, Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.
Tot Bethlehem, in die schoone stad, Daar Maria met haar klein kindeke zat.
Hoe kleiner kind, hoe grooter God: Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.
Noordwijk:
Daar al de Joden mee hebben gespot.
Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat in _Het Hofken der geestelijcker Liedekens_ (Loven 1577), bl. 28; het begint:
Het quamen drij Coninghen uut verre landen, Nu wiegen, nu wieghen wij, om Gode te doen een offerande. Des waren sij vro. Alle mijnen troost, mijn toeverlaet is Maria soon.
Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre, Nu wiegen, nu wieghen wij, Al bijt verlichten van eender sterre. Des waren sij vro. Alle mijnen troost, enz.
Maer doen sij binnen Jerusalem quamen, Nu wiegen, nu wieghen wij, Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen. Des waren zij droef. Alle mijnen troost, enz.
Zie Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042. Dr. Boekenoogen wijst er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nog Knuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.
De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria Magdalena (eveneens met talrijke varianten):
Op eenen Driekoningenavond, Op eenen Driekoningendag, Toen zat Maria Magdalena Al op Heer Jezus' graf.
Sta op, Maria Magdalena, Sta op van den bitteren dood! Uw zondekens zijn u vergeven, Al waren zij nog zoo groot.
Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het herhaaldelijk geparodieerd.
Aan de nieuwjaarsvuren herinnert het kaarsjespringen; immers de engere Joeltijdperiode, die den 6den Januari eindigt, is het eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijk _Dertiendag_ of _Dertiennacht_ genoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij nog aangehaald als _Dertiendagh_. Te Zwolle was het kaarsjespringen dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was het algemeen in het Noorden van ons land. De _koningskaarsjes_ waren, volgens Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen, waarvan de middelste zwart geverfd was en "het Moorken" of _Melckert_ (d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs de _gebenedijde_ of _heylighe keerskens_. Bij het dansen zong men:
Kaarsies, kaarsies, drie aan een, Springen wij er over heen heen. Al wie daar niet over kan, Die en weet er nou niemendal van.
In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden zong men:
Keerske, keerske over het keersbeenke, En al wie daar niet over en kan, Die weet er niet van!
En al wie daar niet over en kan, Die blijft er van, Die blijft er van! Keerske, keerske over het keersbeenke!
Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 115.
In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent men ten slotte nog het volgende rijmpje:
Drie koningen, drie koningen, Geef mij een nieuwen hoed. Mijn oude is versleten, Mijn moeder mag 't niet weten, Mijn vader heeft het geld Op den rooster geteld.
Of wel (Noord-Brabant):
Vader mag het niet weten, Moeder is niet thuis, Piep zegt de muis In 't zomerhuis (in 't voorhuis).
Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters, en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot "hun Coninxfeeste". Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde den ouden Walich Sieuwertsz zeer, en hij beklaagde zich dan ook, dat nog in 't begin der XVIIe eeuw voorname en officiëele personen zich niet schaamden, "op Derthienden avent Coningsken te spelen, en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen ende te onderhouden."
"'t Was wel de moeite waard", schrijft Ter Gouw, "zich over zoo'n onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon verborgen was; bij de boeren heette 't "de bonekoek", in de steden "'t coninxbrood"; en de boon was het, die "het lot van conig te sijn" besliste." (Volksvermaken, bl. 175). Het _Driekoningenbrood_ is nog niet in onbruik.
Boonenkoek en koningsbrieven, die verkocht of getrokken worden, en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester, Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden, zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat gevent; dan hoort men aanhoudend:
Koningsbrieven en kroon en kroon! Koningsbrieven en kroon!
De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: "Op slechts enkele plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de "keuningsprentjes of -briefkens", reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages, n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris, rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn, portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,--elk voorzien van een passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjes doorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik dienden de hovelingen te roepen: ""De koning drinkt."" De zot zag toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een koolstreep in 't aangezicht gemerkt." Zie verder zijne Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden (Gent 1908), bl. 171. Men denke ook aan de doeken van Jordaens: "De koning drinkt."
De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit van het Vruchtbaarheidstijdperk.
Het "koninkje spelen" is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel, een overblijfsel van de heidensche _Saturnalia_, dat door den Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens het koningsspel was te Rome overoud; Suetonius noemt dit "het spel om gezag en heerschappij". Het verloten geschiedde meestal door middel van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.
Wellicht berust op de gebruiken gedurende de _Saturnalia_-feesten ook nog het geven van geschenken op _St. Pontianus en St. Agnesdag (14 en 21 Jan.)_, het "Ponsen en Angen" of "Ponsen en Nieten", vroeger in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van de H.H. Pontianus en Agnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde vrouwen.
_Vrouwkensavond (19 Jan.)_, te Brussel gevierd, naar verluidt ter herinnering aan den 19den Januari 1101, toen de Brusselaren, aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na 't avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.