Nederlandsche Volkskunde

Chapter 12

Chapter 123,635 wordsPublic domain

Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_, als deze uit den _Gudinsberg (Wuodenesberg_) komt. Sinterklaas komt van verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje, dan ook Condé:

Drie appelkens van Condé, Breng mijn broerkens ook wat mee.

(West-Vlaanderen).

Om appelkens van Condé, Breng er mij een g'heel schootjen mee!

(Oost-Vlaanderen).

Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:

Gank oet rieje Noa 't lendje van Picardië.

Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:

Sinter Klaas zen peerdje, Dat häd een kranke poot, Laten we doa voor bejen, Dat het beter weurdt.

(Hasselt.--'t Daghet in den Oosten IV, bl. 121).

Beter lijkt me de Venloosche lezing:

En Sinterklaos zie(n) pêrd, Det hêt 'n kwoaje voot, En as me doa veur bêjt, Dan wuurdt dê ouk weer good.

In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hij _rijdt_ geschenken, met name voor kinderen. De _pakjesavond_ onzer noordelijke provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te goed doet. Men vergelijke hiermee de _Klausenmannle_ in Hohenzollern, de _Nicolaus-Lebkuchen_ in Hessen-Nassau enz.

Evenals de Wilde Jager en Sint Maarten _rijdt_ Sinterklaas door den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de gewone stervelingen,--de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede, steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den huiselijken haard af. Bij het plaatsen van vulkachels en het aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.

Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking "een schoen zetten bij iemand" synoniem is van "iemand iets afbedelen." Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is, dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten "voor Sinterklaas zijn paard." Plaatselijk in heel ons land, maar met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië, en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, "voor Wode en zijn paard," dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom, dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk een schamel, overigens onschuldig _survival_ te zien hebben van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Oudnoorsche Edda _Sleipnis verdr_, "Sleipnir's spijs" genoemd werd.

Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:

Sinte Niklaas, Nobele baas, Breng iets in mijn schoentje, Een appeltje of een citroentje (limoentje).

Sinte Niklaas kapoentje, Rijd wat in mijn schoentje, Een appeltje of een citroentje, Een nootje om te kraken, Het zal zoo lekker smaken!

Sinterklaas bisschop, Zet uw hooge muts op, Trek uw besten tabbaard aan, Rijd er mee naar Amsterdam, Van Amsterdam naar Spanje, Appeltjes van Oranje!

Sinterklaas, goed heilig man, Trek uw besten tabbaard aan, Geef de kleine kinderen wat, Geef de grooten een schop voor het gat, Laat ze daarmee loopen, Kousen en schoenen verkoopen.

Sint Niklaas, mijn goede man, Wilt ge me wel wat geven, Dan dien ik u al mijn leven; Geef je me niet, Dan dien ik je niet, Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.

Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman geheeten, in de Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_, elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede, evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ik hier nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken, om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens- en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en plak hervormd.

Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:

Wij sullen ons scheepken wel stieren Al over die wilde see, Al op Sinterklaes manieren, Soo gaet er ons soetlief meê.

Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal, waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.

Zie Eelco Verwijs, Sinterklaas ('s Gravenhage 1863); Schrijnen, De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898); Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 252 vlg.

_Sint Lucia (13 Dec.)_ is een echte volksheilige. Zij heeft tal van attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie van haar naam (van _lux_ "licht"). Vandaar, meent De Smedt, de gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en Studiën, bl. 68, 251, 244.--

Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria een plechtige mis gezongen, die den naam draagt van _Guldenmis_: niet omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven, of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar "gulden" beteekent hier "voortreffelijk", "krachtig". Zij wordt ook de _Rorate-mis_ genoemd, omdat zij begint met de woorden _Rorate cocli_. In de noordelijke provinciën heet zij ook wel de _Schippersmis_. De Westvlaamsche naam is _Duvekedaals-messe,_ omdat in het mysteriespel der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was, bij de woorden: "De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des Allerhoogsten zal u overschaduwen", uit de hoogte een duif, door licht omgeven, over Maria werd neergelaten.

Volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt, welke de boodschap bracht, te zingen:

Ave Maria, gratia plena! (Wees gegroet Maria, vol van genade),

en het volk valt in en zingt verder:

Benedicta tu in mulieribus! (Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).

_St. Thomasdag (21 Dec.)_ wordt beschouwd als de inleiding tot het tijdperk der _Twaalf Nachten_. De geesten drijven hun spel, tooverij en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas op een vurigen wagen door de lucht rijdt,--een bijzonder aspekt van het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.

Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande, op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijds degene, die 's morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderen _Domesesel_ (Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch Limburg nog thans den langslaper _Thomas_; analoog is het gebruik, waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school kwam, _Paus Silvester_ geheeten werd. En K. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: "Die op dezen dag [St. Silvester] in 't een of ander de laatste bevonden wordt, heet _Silvester_ en moet beschenken." Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers, die eveneens den _Luilak_ treft, die den eersten meidag verslaapt. Ook de _Pinksterbruid_ is een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal van den H. Thomas, die "te laat kwam", toen de anderen reeds vergaderd waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: "De Maandag na Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden, en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd." Op Palmzondag begint het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.

Het begrip "'s morgens te laat komen" trad meer en meer op den voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te Brugge iemand _thomassen_. Het feest heet "Sluiterkensavond", "Sluiterkensdag", "Buitensluit", enz. Het te laat komen wordt op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente) in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: 't is Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: 't is Mannetjeszondag; den derden de dochters: 't is Meisjesmaandag; den vierden de zoons: 't is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag), de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te Velthoven wordt de meester op den feestdag der Onnoozele Kinderen buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag, en nog minder met het feest heeft uitstaan. Zie De Bo, West-Vlaamsch Idioticon; zie ook De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111; V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 319 vlg.

Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook nog hieruit, dat men te Venloo den 21sten December kinderen naar den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar "het wijfje, dat daar peperkoek spint". De overeenkomst is hier sprekend met den 1en April: "Verzendekensdag," waarover nader.

_Kerstmis (25 Dec.)_. Den 25sten December begon het groote Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk der _Twaalf Nachten_ opende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard: de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en groeiende zonnelicht--hetgeen door Mogk e.a. wordt betwist--laat ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij bevinden ons in waarheid in het bevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middel om de geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet, meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.

Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte van Christus op 25 December in de IVe eeuw door de Kerk werd ingevoerd, aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest bergt menig Oudgermaansch overleefsel.

Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op kerstavond een plant in water te zetten, die den naam van _Roos van Jericho_ draagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid-Zwitsersche _Val di Poschiavo_. Terwijl men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen, of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland is de _Roos van Jericho_ geen onbekende. De berichten over dit gebruik klimmen op tot het begin der XVIIe eeuw.

De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst, van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreidden zich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam: _Anastatica_. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden male bij 's Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.

Op de vraag: "Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water gezet?" dient m.i. een drieledig antwoord. De _Roos van Jericho_ is het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het treffende Oudduitsche kerklied: "Es ist ein ros entsprungen--aus einer wurzel zart" enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij de geboorte des Heeren doortintelt: "D'Erd grünet und bringet rössle,--der Heyland kompt von Himmel" enz. Dan, op kerstavond bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit: Christus is de boom des levens. "Hij staat in het midden der Kerk", zegt Hugo van St. Viktor, "zooals de levensboom stond in het midden van het paradijs". Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en het _Allräunchen;_ in Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.

Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan 't gonzen en zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten; te Moelingen (B.-L.) roept de haan: "'t Kindeke Jezus is geboren," waarop de duif vraagt: "Moe, moe?" (waar, waar?), en het lammetje antwoordt: "Te Bêthlehêm". In Brabant richten de schapen hun oogen naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op, om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders beschadigd wordt door _Derk met den Beer_--een soort voorrijder van de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de diepte van vijvers en bronnen.

De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Het kerstblok of de kersttobbe, Duitsch _Julblock, Weihnachtsblock_ enz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor wordt bepaald: "dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden." Heden nog worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt men van _kerststokjes_. Ook in de oostelijke provincies wordt hier of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat den kerstboom betreft, deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan Sinterklaas.--In sommige deelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom bekend is, "rijden" de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden 's morgens den _engeltjeskoek_ op hun peluw.

In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:

Engeltjen, engeltjen Gabrieël, Woont zooverre van mijn kasteel, Op mijn kasteel alleene! Bak mij een koekjen kleene En een koekjen groot, Om te leggen Op Moeder Mariaatjes schoot!

Te Gent noemt men dezen koek _engelbewaarderskoek_. Gaan de Belgische kinderen op kerstdag "Zalig Hoogtij" wenschen, dan zingen zij:

Heerderkens van buiten, Spoedt u op de been, Met trommelkens en met fluiten Recht naar Bethleëm; Want daar is geboren Den God van al, Die ons het leven Heeft gegeven In den stal.

Ik heb hier nog drie eieren, Warm uit den nest; Ik heb hier nog een kalfken, Dat is vet gemest; Ik heb hier nog wat vlaaikens In mijn korfken staan, Om te vereeren Het kindeken teere, Laat ons gaan!

Als zij nog heel klein zijn:

Met den tikkenhaan in de hand Komen wij den herder groeten; Met den tikkenhaan in de hand Groeten den herder van het land. Tik, tik, tik, tikkeliere, Groeten den herder van het land.

Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in vele gebaksvormen, ik noem slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen, en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reeds Kiliaan vele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De Noordhollandsche benaming is _deuvekater_; in Delft en Schieland _kersttimp_. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en uitriep: "Kerstbrood, mijn brood", en den titel van "broodjeskoning" ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zie Jos. Russel, De heerlijkheid Geleen, bl. 73.

Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:

Kärsöaventjen, Kärsöaventjen, Dan hebben we volop, Dan slacht miên vader 'n verksken, En dan krieg ik de kop.

Zie A. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht, _passim_: Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161; Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragen van den Dag XI, bl. 52; Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge, bl. 319; De Cock, Volkskunde, 229.

_St. Stefanusdag (26 Dec.)_ heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond en roepen "heio", waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.

Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud, men denke slechts aan het Romeinsche _pro frugibus lustrare agros_: de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,--zonder daarom een "verkapte god" te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus (Baldr?); zie Grimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.

Het rondrijden met de paarden, den _Stephanusrit_, vindt men in Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten van ons land noemen de boerenjongens het "Sint-Steffen rieën" of "Sinte-Steffen jagen."--