Nederlandsche Volkskunde

Chapter 11

Chapter 113,647 wordsPublic domain

Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie b.v. Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899, bl. 102; Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in Limburg's Jaarboek 1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg, in Limburg's Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die "Sant Martisvogel, Mertissvogelin" geven, wekken het gegronde vermoeden, dat _Martini avis_ uit _Martis avis_ ontstaan is; in alle geval is de specht bedoeld, de bonte specht (_picus maior_), met zijn donkere, staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord "keugelke" is immers het Middelnederlandsche _cogele_ "halskraag, mantelkap", men denke aan de zegswijze: "kat en kogel verliezen", ontstaan uit "kap en kogel verliezen", elders "kap en keuvel"; vergel. ten overvloede het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:

Kip, kap, kogel, Sint Maartinsvogel.

Zoo ook het Duinkerksche:

Sinte-Martens veugeltje Kwam met zijn roo kapeugeltje Gestoven Gevlogen Al over den Rijn, Waar dat vette verkens zijn! Goede vrouwe, geeft ons wat, Alle hennen leggen wat!--

Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen, een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij een der poorten van Amiens. Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die in Christus' naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking "met zijn bloote armen". Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker, met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt, zeggende: "Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij met dit kleed gedekt." De bedelaar heet in het lied "Sinterkrukken".

Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie, zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op, enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee, maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral in de zoogen. _kettingrijmpjes_, en zoo wijkt men soms mijlen ver van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zie De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.

Vandaag is 't Sinter Marten En morgen Sinter Krukken, Wij komen uit goeder harte En hadden zoo gaarn een stuksken: Een houtjen of een turfjen In Sinter Martens kurfjen, En wij zullen van hier niet gaan, Of wij hebben wat opgedaan.

Sinter Marten is zoo koud, Geef 'm een turfjen of een hout, Om zich bij te warmen Met zijn bloote armen. Geef wat, houd wat, Tegen 't jaar al weer wat.

Of wel:

Geef vuur, geef vuur, Sinter Marten is zoo duur.

In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal lettergrepen; zie hierover G. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden 1893), bl. 32.

Híer wóont een ríjk mán, Díe véel géven kán. Véel wíl hij gévén, Láng zál hij lévén, Zálig zál hij stérvén, Den hémel zál hij érvén; Gód zál hem lóonén Met hónderddúizend krónén, Met hónderddúizend rókjes an, Dáar komt Sínter Márten áan.

Of wel:

Met hónderd dúizend líchtjes áan, Dáar komt Sínt Martínus weer áan.

Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:

Honderd joar en einen daag Zit det mêdje op die bank, Loat det mêdje valle, Tröl, tröl Loat det mèdje valle (?).

Ruim verspreid is verder:

Sint Martinus bisschop, Roem van onze landen, Dat wij hier met lichtjes loopen Is voor ons geen schande. ----------------- Martijn, Turf in den murf [mond] in den maneschijn. Gooi in den most, Gooi in den wijn, Hier woont Sinte Martijn. Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen, Martijn had een mesje, dat wou niet snijden, Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen, Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.

Alkmaar, Hoorn:

D'r is brand al in de lantaren, En de vonken, die vliegen d'r uit, De meisjes loopen om garen En de jongens om beschuit. ------------------ Sinte, Sinte Marten, De kalveren dragen starten, De koeien dragen horens, De kerken dragen torens, De torens dragen klokken, De meisjes dragen rokken, De jongens dragen broeken, De wijven schorteldoeken.

West-Vlaanderen:

Sinte Martens avond, De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent, En als mijn moeder wafels bakt, Dan ben ik daar geern omtrent.

Stook vier, maak vier, Sinte Maarten komt hier, We zetten hem in een hoekje, We geven hem daar een koekje, En we zetten hem onder de tafele, En we geven hem daar een wafele.

Land van Waas:

De jongens van de dorpen, Die waren hier al bijeen, Het geldeken, dat wij 's jaren haên, Dat is hier al verteerd. Wij zullen gaan leeren hout rapen, Turf rapen, Al op Sint Jans manieren! Vrolijk zullen wij vieren, Gelijk wij 's jaren plachten. Een stuk van zijnen mantel Al met zijn billekens bloot! En wilde gij dat niet geven, Dan zijde gij een groote jood! Een houtje of een turf ken In Sinte Maartens kurfken.

Krijgt men niets, dan wordt gezongen:

Hier hangt een baksken met zemelen uit, En daar vliegt de gierige duivel uit.

Of wel:

Een bosje met zwavel, Een bosje met kruit, Hier hangt de gierige duivel uit.

Reeds in de XIIIe eeuw wordt de Sint-Maartensdag _Scuddecorfsdag_ genoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschud werd, d.i. een algemeene uitdeeling onder de armen plaats had [8] maar een korf met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:

O Marten, Marten, Der Korb muss verbrennet sein; Das Geld aus den Taschen, Der Wein in die Flaschen, Die Gans vom Spiess, Da sauf und friss, Wer sich vollsaufen kann, Wird ein rechter Martensmann.--

In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje deelt zich mee aan 'n kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,--en de buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.

Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje en "Sinter Mertes veugelke" zingend, zien verlangend naar den schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst, te Sint Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men legt voor het paard van den heilige, die 's nachts rondrijdt, hooi en wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders op, in de hoop deze 's morgens met geschenken gevuld te vinden. Te Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen; in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en beloont of tuchtigt naar verdienste.

Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid en van den oogstzegen,--en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door de godheid verleend,--naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint Maarten _rijdt_ deze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op Palmzondag; _rijden_ is gelijkwaardig met "geschenken geven", door welke synonimie het verband tusschen "wind" (rijden door de lucht) en "vruchtbaarheid" in een helder daglicht treedt. "Veel wind, veel ooft", zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfs Sint Maarten in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van het geestenheir, begeleid door zijn knecht.

Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten gebakken en _Sint Maartenshoorntjes_ genoemd. Ook in het Freudental (Oostenr. Silezië) mogen de _Martinshörndl_ niet ontbreken. Hiermee hangt samen het varkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is, zoodat men in Duitschland schertsend van _Speckmärten_ spreekt. Vooral de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:

Op Sint Martijn Slacht de arme het zwijn.

Te Hoogstade (België) zingt men:

Sinte Maarten, Koeken en taarten, Brood en wijn, Al voor Sinte Maartens zwijn!

Niet minder past bij de opening van dit tijdperk de Sint Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries (d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni) omslag in het weer verwachtte enz., enz.--Slechts in Engeland is de gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. de _Michaelmass-goose,_ terwijl den 11en November het _Martinmass-beef,_ gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk.

Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak der Sint Maartenskerk teWorms (XIIe eeuw) is mede een gans geplaatst.

In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en Zwolle. Sommigen _pilden_ de beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd aan "Meester" een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland bleef na de Reformatie de "papistische grouwel" van het gans-eten voortbestaan.--Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIe eeuw, Martinus Schoockiius verhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg, er geen bezwaar in te zien; zie Eelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868, bl. 151 vlg.

Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit Westerwolde wijst:

Er kwam een gans uit Sassen, Uit Sassen kwam die gans, Hij was zoo wel gewassen, Gewassen was die gans.--

Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook de Sint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:

Sint Martijn, Sint Martijn, T' avond most en morgen wijn.

Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht, de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon der wijnbouwers en hotelhouders geldt.--Uiteraard ontaardde dan ook het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit b.v. op de bekende schilderij van den Boeren-Breughel in het Museum van Antwerpen is voorgesteld.

De historische Martini-dronk, die den naam van _Sint Maartens minne_ draagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.

Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden, die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede of gaarde. Deze staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt. Mannhardt vooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel van: "Der Schlag mit der Lebensrute" een meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10en November wordt de _Martinsgerte_ door den Beierschen herder aan zijn meester ter hand gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:

Kommt der heilig St. Märten Mit seiner Gerten; _Soviel Krawitbeeren_, _Soviel Ochsen und Stiere!_ _Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_ Steekt sie hinter den Kühbarn, So wird auf's Jahr keine Kuh verloren, Und steckt sie hinter der Stalltür, Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.

Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk de _Luperci_ zich te Rome op het feest der _Lupercalia_ veroorloofden, slechts in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgens Juvenalis, den _Lupercis_ den weg, om zich in de vlakke hand te doen treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: "En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden" (_Sat._ II, 14).

Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid: den waren _volks_kalender.

_Sint Katharina (25 Nov.),_ van Alexandrië, maagd en martelares. Door hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen, b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar de _Catharinisten_ nog heden bestaan. De Romeinsche keizer Maximinus veroordeelde haar na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers en spinsters als patroonheilige. Evenals de namen der HH. Lucia en Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip "licht, reinheid, helderheid" in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag tot _dies criticus_ werd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: "St. Katharina komt in het wit gekleed". In Westfalen zegt men: "Katharina hett den winter innen Schraine". Ook kent men bij ons het rijmpje:

Met Sint Katrijn Moeten de koeien aan de lijn.

Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende, op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen rijmpje:

Sinte-Katerijne (of Katelijne), Laat het zonneke schijnen, Laat den regen overgaan, Dat de kinderkens naar school toe gaan! Wie zal hun leeren? Onze lieven Heere. Wie zal ze trouwen? Onze lieve Vrouwe. Wie zal hun te eten geven? Sinte-Pieter, die goede man, Die alle kinderen geeselen kan.

Of:

Wie zal de misse doen? Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.

Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: "Geeft aan de jongens van St. Katrien!" Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen ze nog eens: "Goê Sinte-Katrien!" Krijgen ze niets, dan schreeuwen ze heel hard: "Kwâ Sinte-Katrien!" Eenige jaren geleden zong men nog:

Wij komen al rond op Sinte-Katriene, Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem. Wij zullen ze luisterlijk vieren Al op een zalige maniere.

Of:

Al op onze oude manieren.-- Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan, Huis voor huis al afgegaan, Ter eere van Sinte-Katriene. Geeft wat Houdt wat Tegen 't jaar nog wat.

Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47; De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII, bl. 174, 175; De Cock, Volkskunde, 259; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 68, 251.

_Sint Andries (30 Nov.)_ is insgelijks een kritische dag: "Sint Andries brengt de vries", ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.

Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te St. Marie-Laathem de jongens rond om een _snik_ (appel). Zij staan bij elk huis stil en roepen:

'k Kom om mijnen snik!

Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;

Wilde nie geên, ge meugt 'et houwen, Maar 'et zalder u wel berouwen! Die niet en geeft, die es en beest, Dat es N.N. om te meest!

Sint Andries_nacht_ speelt ook een voorname rol in de tooverwereld, al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12.

_Sint Elooi (l Dec.)._ De H. Eligius werd in 588 in het Westen van Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningen Clotarius en Dagobert lieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid, en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend, en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.

De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt, Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben thans meestal den 29sten Juni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.

Te Mechelen hadden volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde rijmpjes.

_Sint Barbara (4 Dec.)_ werd door haar heidenschen vader in een toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamde _Barbara-takken:_ kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet, op Kerstmis zullen bloeien,--treffende kerstening en symboliseering van het vruchtbaarheidsidee.

_Sint Nikolaas (6 Dec.)._. Een groote, krachtige gestalte te paard, den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen,--zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.

Na de overwinning van het Christendom in de IXe en Xe eeuw, toen het werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die schimmel een onbeheerde zaak, een _res derelicta primi occupantis,_ slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim, die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72), maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook sage--heiligen, koningen, legerhoofden en anderen--een eereplaats gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de vereering van Sint Nikolaas.