Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Nederlandsche Volkskunde
Door Dr Jos. Schrijnen
Bijz. Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht
Zutphen--W. J. Thieme & Cie
Aan de bevolking van Groot-Nederland hereenigd in dagen van beproeving
TER INLEIDING.
"Unsere Zeit ist klug, aber arm" zegt Paul Keller in een zijner aantrekkelijkste romans, die als titel voert: Das letzte Märchen. Daarin wil hij alles redden, wat nog jong, wat nog kind in hem is, daarin wil hij meetroonen naar het sprookjesland allen, wien de kinderziel nog uit de oogen lacht, wien het oude kinderhart nog enkele malen klopt in den boezem, die vaak nog een onbepaald heimwee voelen en met zachten weemoed herdenken de oorden van kinderspel en kinderlust; die niet te trotsch zijn, en ook niet te arm, om een onbezorgden sprookjestocht te ondernemen, en in rijpere dagen gaarne nog eens willen aanschouwen hun prille wonderlanden, thans met een anderen lichtglans overgoten.
Inderdaad--arm is onze tijd en arm ons leven te midden van de wonderen der wetenschap! Arm is onze tijd, arm en kil en nuchter, gladstrijkend, waar hij het vermag, tot de zwakste sporen van eigen aard in zeden en gebruiken, doovend tot de laatste sprankjes poëzie, die nog opvonken uit de gulden schatkamers van sprookjes, sagen en legenden. Wat een tiental eeuwen niet vermochten, dat vermag helaas! stoom en elektriciteit en ... aviatiek, dat vermag onze prozaïsche, hoogwijze, cynisch-onverschillige tijdgeest.
De romantiek past kwalijk in een eeuw van triomfeerend realisme. Laat ze vluchten naar de diepste schuilhoeken,--de zoeklichten der wetenschap hebben haar spoedig achterhaald. Laat ze zich terugtrekken naar de eenzame hoogplateau's, waar het Edelweiss nog bloeit in ongerepte pracht,--de berglokomotieven hebben haar spoedig bereikt. Laat ze, ook in onze lage landen, de wijk nemen naar afgelegen oorden,--snorrende auto's volgen weldra verdelgend haar spoor. Zij kwijnt weg in onze atmosfeer, bezwangerd met den walm van ontelbare schoorsteenen van mijnen en fabrieken, monotoon oplijnend tegen een valen gezichteinder boven de vormelooze huizengroepen der moderne fabrieksstad, waar een trieste nevel hangt van gewoontesleur en landerigheid.
Wij worden zoo praktisch en verstandig, maar ons alledaagsch-bestaan wordt zoo eentonig en kleurloos en arm. Wij bestudeeren de natuur, en verwijderen ons van haar. Oòk aan Maas en Schelde rekt het volksleven een veeg bestaan: het volksleven, dat het volkskarakter weerspiegelt in zijn menigvuldige uitingen en als een flonkersteen met duizenden facetten het blijde, spelende zonnelicht opvangt en uitstraalt naar alle richtingen. Zijn gezworen vijanden zijn overbeschaving en banaliteit, die in haar sloopingswerk elkaar de hand reiken en hoogtij vieren òok in de groote steden van Groot-Nederland, eens zoo prat op zijn Dietschen volksaard. Niet in luidruchtige straatmuziek en straatgetier ligt besloten de poëzie van het volksleven, maar in de stille huiselijkheid rond den gezelligen haard. De naïeven, de eenvoudigen van harte zijn de bezittenden.
Arm is onze tijd aan poëzie, die niet slechts schuilt in de romantiek van sprookjes en legenden, maar evenzeer in de onuitputtelijke schachten van volksgebruik en volksgeloof, hoe ruw dat erts somtijds dan ook moge wezen en met hoeveel onedele bestanddeelen vermengd; die uitbot in alle loten van het volksleven, hoeveel wilde scheuten dat leven ook moge uitranken. Maar toch, Gode zij dank, niet algemeen arm is onze tijd aan belangstelling. Een groote kern waardeert althans de uitingen van het volksleven, zoekt naar begrip en verklaring, vorscht naar herkomst en ontwikkeling. Voor hen zijn deze bladzijden geschreven. Voor hen, die de waarde van hun volkswezen weten te schatten, en wien de eer ter harte gaat van een verleden, waarin het heden zijn diepe wortels schiet. Waardeering wekt waardeering, en zoo kunnen zij door hun belangstelling een groot maatschappelijk nut stichten, een werk verrichten van waarlijk nationaal belang.
Niet als zou het zaak wezen, kunstmatig de liefde tot den volksaard weer op te wekken en aan te kweeken: want in zijn teerste uitingen is hij zoo vaak als het gevoelige plantje, dat bij de geringste aanraking de blaadjes dichtplooit. Maar door de volksziel te beluisteren, het heden te ontraadselen door het verleden, door te dringen tot de kiemcel van het kontemporaine kultuurleven, kan de hooger beschaafde ruimheid winnen van blik, frissche, kerngezonde levenskracht garen; en op anderen en telkens weer anderen zal hij de diepgevestigde overtuiging overstorten, dat hij tot het volk behoort met lijf en ziel, dat het volk van zijn geboortegrond van zijn vleesch, zijn bloed, zijn gebeente is. Zóo wordt geteeld echte, onvervalschte vaderlandsliefde.
Maar ook, zóo kan worden overbrugd de kloof, die gaapt tusschen volk en hooger beschaafden, kan worden bewerkstelligd een verzoening der standen. Een waarlijk aristokratisch-denkend man zal zich het volk nader voelen, wanneer hij van dat volk kennis neemt, en gelijkvormigheid in wezen van zijne kultuur met de volkskultuur beseft. Tot het volk zal hij zich nader getrokken voelen dan tot het beschavingsgepeupel. Want, zegt Albrecht Dietrich, "der Parvenu ist dem Volke immer am fernsten".
Met hen, die belang stellen en belangstelling wekken, wensch ik een tocht te ondernemen naar het land der Folklore.--
Ik weet het, die belangstelling is niet dezelfde in alle deelen van Groot-Nederland. Zelfs geloof ik aan de waarheid niet te kort te doen, met te beweren, dat Zuid-Nederland hierin mijlen vooruit is. Noord-Nederland kan niet bogen op namen als Gezelle, Gittée, Pol de Mont, Teirlinck, om slechts eenigen te noemen; en nog minder kan het wijzen op iemand, die van de volkskunde zijn levenstaak maakt, als A. de Cock,--aan hem mijn eeresaluut!
De term Folklore werd het eerst gebezigd in een Athenaeum-nummer van 1846 door Mr. Thoms, sekretaris der Cambden-Society, die zijn opstel schreef onder den schuilnaam Ambrose Merton. Folklore, zoo beweert hij, omvat "the traditional beliefs, legends and customs, current among the common people." Immers, deze term beduidt het weten, de wijsheid des volks, de mondeling voortgeplante volksoverlevering, en niet de kunde van en aangaande het volk. Naam en wetenschap vonden bijval en ingang, en in 1877 werd te Londen de Folk-Lore Society opgericht, die zich thans in een zoo reusachtige uitgebreidheid verheugt.
Intusschen wordt de uitdrukking "Folklore" nog slechts een enkele maal gebezigd, terwijl "Volkskunde", en met recht, hare plaats heeft ingenomen. Maar hierbij heeft het merkwaardige feit zich voorgedaan, dat men het Engelsche woord door "Volkskunde" meende te vertalen, en nu in plaats van de wetenschap der volkswijsheid een wetenschap van volk en volksaard kreeg. Van subjektief werd de beteekenis objektief, en bleef dit. Zoo werd echter de jeugdige wetenschap in een min of meer bedenkelijke richting gestuurd, tot men ten slotte de Volkskunde ging beschouwen als de kunde van het volk in al zijn levensuitingen. Weinhold heeft in 1890 de definitie gegeven: "Die Volkskunde hat die Aufgabe, das Volk, das ist eine bestimmte, geschichtlich und geographisch abgegrenzte Menschenverbindung von Tausenden oder Millionen, in allen Lebensäusserungen zu erforschen." Inderdaad neemt hij in zijn folkloristisch program de volksfysiologie op, den lichaamsbouw, de schedelvorming, de gelaatskleur, de volksvoeding enz. Tot het uiterste wordt deze opvatting wel gedreven in het werkplan van den "Sächsischen Verein für Volkskunde." Dit toch omvat niet alleen het onderzoek naar de geologische gesteldheid van den bodem, maar verder ook alles wat behoort tot het begrip van geografie in engeren zin: koloniseering, bevolkings-, krimineele-, religieuze-, beroepsstatistiek, schoolwezen en wat al niet meer! Dit is inderdaad meer land- dan volkskunde; en dat zulk een opzet veel te grootscheepsch is, is zonneklaar.
Welke is dan de specifieke beteekenis van "volk" in "Volkskunde"? "Volk" is niet het plebs, het "vulgus in populo", de onderste laag, de heffe der maatschappij. Zeer zeker, het volkskarakter komt veel meer tot uitdrukking in de lagere, dan in de hoogere standen, maar het "Volkstümliche" leeft en werkt toch óok in de hoogere lagen der maatschappij. "Volk" is evenmin synoniem van "natuurvolk", waardoor ik versta de zeer min beschaafde stammen, vaak ten onrechte niet-kultuurstammen geheeten, terwijl toch algeheel gemis aan kultuur nooit en nergens wordt aangetroffen. Met hen is het, dat de ethnologie zich in hoofdzaak bezig houdt. Maar het objekt der volkskunde kunnen zij niet zijn, eenerzijds, omdat de individuëele volksgeaardheid hier in geenerlei mate op den voorgrond treedt, en anderzijds, omdat hier voor een tegenstelling tusschen de kultuur der verschillende volkslagen geen ruimte is. Wèl bieden de zeden, gewoonten en voorstellingen dezer natuurvolken hoogst merkwaardige punten ter vergelijking. Want de volkskunde is een vergelijkende wetenschap, en was dit van meet af aan. Niet tevreden, op beperkt terrein eene reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt de volkskundige analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen of ook bij de natuurvolken op te sporen. Hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt en tracht zoodoende tot de kern en oorspronkelijke beteekenis door te dringen.
Toch is de volkskunde met de ethnologie of volkenkunde nauw verwant: immers de ruwere kultuurlagen, die de ethnologie bij de natuurvolken onderzoekt, doorvorscht zij bij die volkeren, waar de tegenstelling tusschen hoogere en lagere kultuur te voorschijn treedt; en daar bestudeert zij het volk in de volkskultuur. Zij houdt zich dus niet bezig met wat men gewoon is in den strikten zin des woords de kultuur van een bepaald volk te noemen, maar met datgene, wat het bonte substraat daarvan vormt en wat alleen in staat is, iets eigenaardigs, iets karakteristieks aan het volksleven te schenken; niet met de hoogere kutuur, maar met de onderkultuur.
Zoo komen wij dan tot de slotsom, waartoe ik reeds in het tijdschrift "Volkskunde" XXIV (1913), bl. 4 vlg. geraakte, dat volkskunde is: de systematische, rationeele navorsching van den ondergrond der kultuur. Zij is de ethnologie der kultuurvolken. En wanneer de ethnologie, volgens de moderne opvatting, niets anders kan beoogen, dan te zijn een kultuurgeschiedenis der natuurvolken, dan dient men ook de volkskunde als een onderdeel der algemeene kultuurgeschiedenis te beschouwen. Zie F. Graebner, Methode der Ethnologie (Heidelberg 1911), bl. IX; W. Foy, Führer durch das Rautenstrauch-Joest-Museum der Stadt Cöln (Cöln 1910), bl. 22 vlg.
Wat wij doorgaans "kultuur" noemen, het resultaat van de werking der verschillende sociaal-psychische faktoren, met wier onderzoek de kultuurhistorie zich bezig houdt, wortelt voor een groot deel in de moederaarde der volkskultuur, van die beschaving, zoo innig met den volksaard verbonden. Het recht vertoont zich dáar in den vorm van zede en gewoonte. De religie van het "volk" is vaak een ruw, ongelouterd of niet te louteren, vaak ook onschadelijk-naïef, ja in dichterlijken vorm gestoken bijgeloof, andermaal omvat zij voorstellingen, die tot het kerkelijk geloof in nauwe betrekking kunnen staan. Een helderen blik op deze formatie verleent ons de volksheortologie of feestenleer. De wetenschap ligt nog in de windsels, men denke b.v. aan de volksgeneeskunde, etymologie en plantlore. Streng wetenschappelijk onderzoek, in de beteekenis van systematisch teruggaan tot de oorzaak, is aan het volk in weerwil van zijn kausaliteitsdrang ten eenenmale vreemd. Volkswetenschap is synoniem van volksbijgeloof, volksverbeelding, volkspoëzie. De kunst mist konventioneele vormen, maar ook overal maat en regel; hier ontmoeten wij volksliederen, spreekwoorden, rijmpjes, raadsels, sprookjes, sagen en legenden; en "ein Volk ohne solche Erzeugnisse seiner Phantasie und seines Verstandes", zegt Karl Knortz, "ist bis jetzt noch nicht entdeckt worden". Dat hier een strenge scheiding van het volksgeloof ondoenlijk is, ligt voor de hand. Wat waar is voor de kunst, geldt ook voor de taal, die den vorm vertoont van vulgaire omgangstaal en taaleigen of dialekt. Wat de ekonomie betreft, deze raakt van zeer nabij het privaatleven, en gaat geheel op in woningbouw en grondbeheer.
In aansluiting met deze beschouwingen en uiteenzettingen volge nu de verdeeling van dit boek. Op volledigheid wil en kan ik zelfs bij benadering geen aanspraak maken. Wat ik bedoeld heb, is een systematische omlijsting te geven, waarbinnen ieder zonder moeite de hem bekende gegevens kan invoegen en rangschikken, en tevens den sleutel ter verklaring der belangrijkste groepen van verschijnselen aan de hand te doen. Bij het tweede deel wordt een ethno-geografische kaart gevoegd, waarop het verbreidingsgebied van enkele folkloristische kriteriën (dialekten, plaatsnamen, boerenwoningen enz.) door bepaalde lijnen wordt aangeduid, om te zien, tot welke resultaten men hierdoor voor de nadere kennis der stamverdeeling over den Nederlandschen bodem geraken kan. Over deze methode zie b.v. Willi Pressler, Ethno-geographische Wellen des Sachsentums, in het tijdschrift Wörter und Sachen I, i, bl. 47 vlg.; en Richtlinien zu einem Volkstums-Atlas von Niedersachsen (Hannover 1909).
Maar vooraf nog een woord van dank aan al degenen, die mij bij het schrijven van dit boek behulpzaam zijn geweest. Tot bijzondere erkentelijkheid voel ik mij verplicht jegens mijn vriend Dr. H. van der Velden, die mij bij het doorzien der drukproeven, maar ook anderszins met oordeelkundig dienstbetoon steeds gaarne ter zijde stond. Mijn dank ook aan de Heeren Onderwijzers van Limburg, Noord-Brabant en Gelderland voor de waardevolle gegevens in de volijverig ingevulde lijsten mij verstrekt; aan den Heer A. Brom, amanuensis aan de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, die mij den moeizamen literatuurarbeid in niet geringe mate verlichtte, en aan den Heer Jan Beudeker, litt. stud., die mij behulpzaam was bij het samenstellen van het algemeen register.
Aan U, hooggeachte De Cock, hulde en dank, maar ook een woord van bemoediging in deze zware tijden. Rotsvast staat bij ons de overtuiging: een volk, dat een volksaard bezit en zijn volkswaarde beseft, als het Vlaamsche, kan niet te gronde gaan.
VERDEELING DER NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE.
Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke instellingen_.
I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.
II. Dorp en dorpsgebied.
III. De boerenwoningen.
IV. Volkstypen en kleederdrachten.
Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_.
I. Volksreligie en geestenwereld.
II. De volksfeesten.
Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_.
I. Geboorte en kindsheid.
II. Liefde en huwelijk.
III. Het huiselijk verkeer.
IV. Akkerbouw en veeteelt.
V. Ziekte, dood en begrafenis.
Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_.
I. Het taaleigen.
II. Onze plaatsnamen.
Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_.
I. Raadsels en spreekwoorden.
II. Sprookjes, sagen en legenden.
III. Het volkslied.
IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.
Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_.
I. Volksetymologie.
II. Volksgeneeskunde.
III. Natuurverklaring en weêrkunde.
IV. Plantlore.
INHOUD.
Ter Inleiding
Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke instellingen_
I. Lagen en gebied onzer volkskultuur
Praehistorie. Kelten. Germanen. Romeinen. Christendom.
II. Dorp en dorpsgebied
Allmende. Nederzettingen in dorpen. Eschdorpen. Terpdorpen. Streekdorpen of rijdorpen. Straatdorpen. Dijkdorpen. Duindorpen. Groepdorpen. Afzonderlijke hoeven. Steden.
III. De boerenwoningen
Het huis. Het Saksische type. Hooibergen. Het Friesche type. Het Frankisch-Keltische of langgevel-type. Het Frankisch-Romeinsche type.
IV. Volkstypen en kleederdrachten
Het somatische volkstype. Het psychische volkstype. Kleederdracht en versierselen. Oorijzer. Naald. Zeeuwsche knoop. Huifmuts.
Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_
I. Volksreligie en geestenwereld
Natuurlijke en historische laag. Animisme. Germaansche Mythologie. Elfen. Witte Vrouwen. Dwergen of aardmannetjes. Kaboutermannetjes. Meerminnen. Boschnimfen. Wilde Jacht. Weerwolf. Mare. Heksen. Hoefijzer. Zout. Dwaallicht. Vuurman. Spook en spookdier. Reuzen. Romeinsche Mythologie. Keltische Mythologie. Christendom. Kerstputten. Duivel. Klokken.
II. De volksfeesten
Joelfeest. Bevruchtingstijdperk. Sint Maartensdag. Sint Maartensvuur. Noodvuur. Sint Maartensliedjes. Varkensslachten. Sint Maartensgans. Gaarde. Sint Katharina. Sint Andries. Sint Elooi. Sint Barbara. Sint Nikolaas. Schoenzet-liedjes. Sint Lucia. Guldenmis. Sint Thomasdag. Kerstmis. Roos van Jericho. Kerstblok. Kerstboom. Gebaksvormen. Sint Stefanusdag. Sint Jan Evangelist. Allerkinderen. Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag. Nieuwjaarsliedjes. Driekoningendag. Driekoningenliedjes. Kaarsjespringen. Boonenkoeken koningsbrieven. Sint Pontianus- en Sint Agnesdag. Vrouwkesavond. Koppermaandag. Antonius-abt. Sint Sebastianus. Pauli Bekeering. Maria Lichtmis. Klootschieten. Sint Blasius. Vastenavond. Maskerade. Vastenavondkoeken. Vastenavondliedjes. Haanslaan en gansrijden. Vastenavondvuur. Strarijden. Asch woensdag. Fakkelzondag. Kwenezondag. Laetare. Sint Pieter-in-den-Winter. 1 Maart. Gregoriusdag. Sint Geertrui. Lentefeest. Meiboom. Palmzondag. Palmpaasch. Palmpaaschrijmpjes. Kalfdag. Witte Donderdag. Goede Vrijdag. Goede Zaterdag. Paaschdag. Paaschei. Paaschvuur. Paaschbrood. Vlöggelen. Paaschmaandag. Beloken Paschen. Natte Paschen. 1 April. Meidag. Meitaksteken. Meiliedjes. Meifluitjes. Meigilden. Meileeste. Hemelvaartsdag. Luilak. Pinksteren. Pinksterbloem. Nustekook. Pinksterkroon. Tweede Pinksterdag. Pinkstergilden. Sint Jan de Dooper. Sint Janstak. Sint Jansvuur. Petrus- en Paulusdag. Rozenhoed. Sint Marten-in-den-Zomer. Maria-Hemelvaart. Bedevaarten. Maria-Geboorte. Michielsdag. Allerheiligen. Allerzielen. Sint Hubertusdag.
Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_
I. Geboorte, doop, kindsheid
De geboorte. Ooievaar. Bronnen en boomen. Zwangerschap. Levensboom. Scheidings- en opnamegebruiken. Doopsel. Kerkgang. Kinderziekten. Wiegeliedjes. Loopen en spreken. Schootliedjes. Knieliedjes. Kinderspel. Hoorspel, gezichtspel, gevoelspel. Speeldrift. Loopspelen. Springspelen. Dansspelen. Werpspelen. Balspelen. Bolspelen. Ambachtspelen. Schommelspelen. Knikkerspelen. Tolspelen. Hoepel- en vliegerspelen. Sneeuw- en ijsspelen. Lutje leeft nog. Vindings- en schenkingsrecht. Eerste schooldag. Eerste Kommuniedag.
II. Liefde en huwelijk
Minnen en werven. Liefde-orakels. Vrijstemarkten. Kweesten en strunen. Dorhoed. Ketelmuziek. Volksrechtspraak. Verloving. Huwelijksdag. Ontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk. Noodigen ter bruiloft. Huwelijksmei. Heemgeleide. Het opeischen en schutten der bruid. Haalleiden. Het zich verbergen der bruid. Bruiloftsmaal. Huilbier.
III. Het huiselijk verkeer
Introuwen. Gebed. Voedsel. Het familiefeest. Kermis. Schuttersgilden. Vogelschieten. Draaksteken. Spinning.
IV. Landbouw en veeteelt
De buurtschap. Verhuizen. Vuurbeuten. Schildverteren. Bier(maal). Zaaien. Koorndaemon. Graanoogst. Oogstlied. Laatste schoof. Oogstkrans. Hanenslaan. Martelgans. Arenlezen. Dorschen. Dorschlied. Laatste slag. Hooi-oogst. Zwaluwliedjes. Vlasoogst, hopoogst, zaadoogst. De fooi. Veeteelt.
V. Ziekte, dood, begrafenis
Ziekte. Dood. Scheidingsgebruiken. Uitlichten. Laatste snik. Lijkstroo. Lijkplank. Doodskleed. Openen en luiken der vensters. Stroowisschen. Doodenwake. Overluiden. Het kisten. Lijkdeur. Begrafenis. Lijkstoet. Lijkweg. Doodenmei. Op het kerkhof. Lijkmaal. Uitvaartbrood. Levenslicht. Rouwtijd. Graftooi.
Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_
Inleiding
I. Het taaleigen
Het Friesche taaleigen. Het Saksische taaleigen. Het Frankische taaleigen. Woordenschat en syntaxis. Analytische richting. Woordvorming. Woordvoorraad en semantiek. Zinsbouw. Emphatisch karakter.
II. Onze plaatsnamen
Inleidend overzicht over persoons- en geslachtsnamen. Keltische plaatsnamen. Romeinsche plaatsnamen. Germaansche plaatsnamen. Huisnamen. Landerijen. Dorpen en steden. Stambepalende waarde der plaatsnamen. Straatnamen. Klemtoon. Spotnamen van steden en dorpen.
Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_
Inleiding
I. Raadsels en spreekwoorden
Raadsels. Beschrijvende raadsels. Verhalende raadsels. Kwelraadsels. Letterraadsels. Raadselsprookjes. Spreekwoorden. Stafrijmen. Eindrijmen. Halve rijmen. Rijmlooze wederwoorden. Saksische spreekwoorden. Friesche spreekwoorden. Frankische spreekwoorden. Christelijke spreekwijzen. Apologische spreuk. Apologisch dierenspreekwoord. Psychologie der spreekwoorden. Volksluim. Volksluim bij plaatsnamen miet of zonder woordspeling. Spotrijmpjes op steden en dorpen. Spotrijmpjes op voornamen en familienamen. Spotrijmpjes op standen en ambachten. Spotrijmpjes op gebreken en mismaaktheden. Wat de klokken vertellen. Uien.
II. Sprookjes, sagen en legenden
Sprookje, sage, legende. Het sprookje. De bakermat der sprookjes. Grimm, Benfey, Cosquin, Bédier, Bastian, Aarne. Sprookjesmotieven. De dierenwereld in het sprookje. Het draakmotief. De dankbare visch. De drie wenschen. Het dierensprookje. Het verzamelmotief. Ethnologische motieven. Het Polyfemusmotief. Het Klein-Duimpjesmotief. Het verhaal van de Twee Broeders. Mythische motieven. Verlossingsmotief. Vormveranderingen. Tooverij en onwondbaarheid. Droommotieven. Wensch-, vergeet- en raadselmotief. Karaktermotieven. Asschepoester. Karakteristiek van het Nederlandsche sprookje. Kwelsprookjes. De sage. Mythische sagen. Spook- en tooversagen. Vogeltjes-, tekst- en Matthusalemmotief. Volkssage en kultuursage. Maresagen. Heksensagen. Natuursagen. Christelijke sagen. Duivelssagen. Historische sagen Heldensagen. Abasverus. Gewestelijke sagen. De legenden. Marialegenden. Andere heiligenlegenden.
III. Het Volkslied
Psychologie van het volkslied. Volkslied en rythme. Liederenmotieven. Volkslied en kultuurlied. Muziek. Arbeidslied. Oogstlied. Dorschlied. Andere arbeidsliederen. Bruiloftslied. Danslied. Kinderlied. Bij het touwtjespringen. Rondedansen. Reuzenlied. Klein Anna. Reidansen. Andere speelliedjes. Loopspelliedjes. Aftelliedjes. Balspelliedjes. Schommelliedjes. Wiegeliedjes. Minnelied. Cecilialied. Afscheidsliederen. Wachterliederen. Spotlied en gezelschapslied. Verhalend lied. De Twee Koningskinderen. Sprookjeslied. Het dierensprookje. Historisch lied. Feestlied. Geestelijk lied. Bedevaartliedjes. Het lied van den Boom. Het lot van het volkslied.
IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst