Nederlandsche Sagen en Legenden

Part 9

Chapter 9 4,161 words Public domain Markdown

Meer dan zevenhonderd jaren geleden, ging de vrome Oliverus langs de Maas, en in ieder dorp, waar hij kwam, wachtte hij, tot allen zich om hem hadden verzameld. Zoo hij sprak, moest men wel naar hem luisteren, en hij zeide het lijden van Christus, gestorven aan het kruis, tot vele vrouwen weenden, omdat Hij zooveel geleden had; ook vertelde hij van de heilige moeder Maria, gebenedijd onder alle vrouwen, daar Zij den Heere Jezus had gedragen onder 't hart. Maar in zijn stem was reeds een toornige klank, die wonderlijk werkte in der mannen geest en ziel; menige knaap tastte naar dolk of zwaard; en de volwassenen gevoelden zich weder als jongelingen, die ten strijde zullen tijgen. Doch men wachtte nog op de woorden, welke achter den toorn van Oliverus waren verborgen, en dan zou men weten, hoe men den Heer kon wreken.

Toornig was de stem des predikers geweest, doch plotseling hield het schreien der vrouwen op, want zoo smartelijk werd de stem, dat niemand meer durfde te weenen uit ontzetting en ontzag voor zoo nameloos en onnoemelijk leed.

Wat--zoo vroeg Oliverus--was er van het land geworden, dat eens de voeten des Heeren en Zijner moeder, der maagd Maria, hadden betreden? Wee den Christenen! het was in handen van heidenen en ongeloovigen, die spotten met de Heilige Drieéénheid. Moest het in de macht der Saracenen blijven?

Niet klinkt de stem eener moeder, sprekend over haar doode kind, smartelijker dan de stem van Oliverus, den Keulschen scholaster.

Kon er een vrouw zijn, die niet bad, dat deze vloek de jammerende aarde zou verlaten?

Was er eenig man, die het zwaard niet reeds uit de scheede had getrokken, om zich te wreken op hen, die den Heere Jezus op deze wijze ten tweede male kruisigden?

Een oude mulder stond temidden der menigte en hij dacht bij zichzelf:

"Van mij zal niemand verwachten, dat ik medetrek met deze jonge dwazen. Maar mij zal men vragen om een som gelds, teneinde dit werk te steunen. Oeie, oeie, men zal denken, dat ik honderd Mark zilvers dien te geven, daar men mij voor rijk houdt. Dit zal niet geschieden, zoowaar ik Godeslas ben, de eigenaar van den 'Zwarten Molen' bij Maastricht. Niets meer dan vijf Mark zilvers zal ik uit mijn beurs schudden."

Velen, die aan de Maas woonden, konden Oliverus niet vergeten, noch de stem, die in toorn had geklonken, noch die in leed. Vrouwen gaven haar laatste penningske voor het vrome doel, om het land des Heeren weder voor de Christenen te winnen. Mannen, jonge en oude, sloten zich aaneen, om te strijden tegen de booze heidenen, die heerschten over Jezus' graf.

Toen kwam men bij Godeslas, den mulder.

"Geef, geef met volle handen," zeide men. "Ge zijt oud, en Hemel of Hel is niet ver meer van U. Geef, geef, om Godes wil, Godeslas."

"Geven? Wie spreekt er niet van geven? Alle menschen vragen om te geven. 'Geef mij,' zegt het kind. 'Geef mij,' zegt de jongeling. 'Geef mij,' zegt de man. 'Geef mij,' zegt de grijsaard. Want het kind wil groeien, de jongeling groei verleenen, de man groei onderhouden en de grijsaard groei voleindigen. Doch om te geven, is een vreemde hand van noode, en allen grijpen naar deze vreemde hand, allen willen ervan plukken. Luister! ik heb een boom gezien, vol van blad, en eenige weken later was er geen groen meer aan, omdat de rupsen in grooten getale langs stam en tak hadden gekropen, om zijn leven af te knabbelen. Ga naar buurman's huis. Buurman is rijk genoeg, om te geven."

"Hebt ge niet gehoord, wat Oliverus zeide?"

"Och wat--Oliverus!--moeten anderen ons hier komen vertellen, wat wij te doen en te laten hebben? Maar toch wil ik u niet ongetroost laten heengaan. Ge behoeft van mij in het dorp niet te kallen, dat ik gierig ben. Ik zal u wat schenken: vijf Mark zilvers. Hoe! verlangt ge soms meer van me? Gaat dan liever mijn deur voorbij."

"Ge zijt rijk, mulder, en het zal u niet deren, zoo ge honderd Mark geeft."

"Hoho! wist ik 't niet, dat ge dit deuntje wildet gaan zingen? O ja, wel zegt men van mij, dat ik rijk ben, doch met welke maat meet ge een's ander's rijkdom? Ik kan nazien, hoe diep het water in een put staat, of hoe breed een veld is, hoe zwaar een zak meel weegt. Echter kan ik niet weten, hoeveel geld een ander mensch heeft."

"Weigert ge dan geld te geven?"

"Ik weiger niet, ik geef van mijn armoede," en hiermede smeet de gierige mulder vijf Mark zilvers op tafel. Zijn bezoekers vertrokken, woedend over zijn vrekkigheid, zonder hem te danken. Zoodra Godeslas alleen was, lachte hij, mompelend:

"Die dwazen."

Ja, hij vond het dwaas, dat er menschen werden gevonden, die hun leven waagden, om met de Saracenen te strijden. Daar was hij goedkoop van afgekomen! 's Daags en 's nachts was hij zeker van zijn leven, en hij sliep er niet te minder om in zijn woning.

Eens kwamen hem kruisvaarders voorbij, die naar het Heilige Land wilden trekken. Ze liepen rechtop, denkende aan de woorden van Oliverus. Wat riep hun Godeslas spottende toe? Aldus moet het wel geklonken hebben:

"Hoevelen van u zullen er wederkeeren? Waarom begeeft ge u in den dood?"

Niemand antwoordde hem. Toen hoonde hij hen met wreeder woorden:

"Ik behoef niets te wagen, ik heb mezelf voor vijf Mark zilvers afgekocht. Weet gij nu, wat ge waard zijt, vrome krijgslieden? Vijf Mark zilvers iedere man!"

Hij schreeuwde hen na, tot ze zijn stem niet meer konden hooren. Daarna keerde hij weder in zijn huis, zijn oogen toeknijpend van pret. Voor hij insliep, moest hij telkens weder lachen, omdat hij zoo slim was geweest.

Het werd nu zomer, en de beek was zandig en roerloos. De raderen van den molen hadden geen voortgang in dezen tijd, en daarom was de mulder verwonderd, toen hij ontwaakte en den molen hoorde. Dat kon niet anders dan een droom zijn.

Voer de wind wellicht door de takken?

Neen, het was de molen, en de raderen ratelden. Alles was in de weer. Het huis dreunde. De mulder werd boos. Welke onverlaat dreef hem midden in den nacht zijn molen? Hij riep den knecht, en het duurde niet lang, of deze stond voor hem.

"Rrrrrt," zeiden de steenen van den molen. Wat maalden ze?

"Ga zien," riep de mulder tot zijn knecht, "wat er in den molen geschiedt."

Hij wachtte en luisterde. Hij hoorde 't water schuimen in de beek, als bruiste ze, door sneeuwstorm gedreven, van den berg in 't dal. Hij hield zijn hoofd in de handen verborgen, en luisterde.

"Wanneer komt de knecht terug," dacht hij. "Als de knecht terugkomt, zal ik weten, waarom mijn molen draait."

Hij hoorde de voetstappen van den knecht dichterbij komen, zwaar en langzaam als die eens kettinggangers. De man bleef voor zijn heer staan, het hoofd gebogen.

"Wat is er met den molen?" vroeg de mulder heesch.

De ander gaf geen antwoord: hij strekte slechts zijn armen uit. Ze luisterden thans beiden, mulder en knecht, naar 't geklapper en gestamp der raderen, en 't sissen en schuimen der roerige beek. De één wist niet en de ander wist.

"Ik zal--zelf--gaan zien--" stamelde de mulder.

Hij kleedde zich aan, en opende de deur van den molen. Wankelend trad hij binnen. Hij moest naderen, hij kon niet meer terug.

Een donkere man stond voor hem, die hem zwijgend wenkte.

Toen zag hij, wat er in zijn molen gemalen werd.

Guur gespuis was bezig, vijf Mark zilvers onder de steenen te vergruizelen. Vijf Mark zilvers, waarvoor de rijke mulder zich had vrijgekocht.

"Ik heb twee paarden bij me," zeide de duistere gedaante. "We gaan rijden, Godeslas."

De mulder staarde naar de geldstukken, die vermalen werden, en hij begreep, welke straf hij zou moeten lijden. De zwarte man beval:

"Doe uw buis uit."

Want op het buis van den mulder was een kruis geteekend, en de zwarte man was hier angstig voor, daar 't het teeken is, dat hem verjaagt. Had Godeslas de kracht gevoeld, zich te verzetten! Hij deed, wat hem was gezegd, en toen hield hem de duistere gedaante reeds vast. Of hij een veder ware, werd hij op 't paard geworpen, en voort ging het! dieper en dieper den nacht in.

Er werd in den molen niet meer gemalen. De stilte van den zomernacht was over 't veld. De kleine golfjes der beek murmelden zacht.

XXI

Duif en Doffer

Reynout van Valkenburg ... u heeft uw vrouw meer liefgehad dan haar kind.

Hij was uitgereden, de trotsche held.

"Vaarwel! vaarwel! Nog geen jaar en ik keer weder. Mijn plaats is, waar mijn mannen en vrienden zijn. Als ik terug kom van den langen weg, luister dan naar het lied van den zanger, want mijn naam zal hij zingen ...: Reynout van Valkenburg. Vaarwel! En als het kind is geboren, neem het in uwe armen, en wieg het bij dat lied. Vaarwel ook, edele moeder! Geboren ben ik, om te strijden, want groot is mijn geslacht. Streel mijn armen onverwinbaar zijn ze van kracht, en wee den vijand. Om het edele goed en bloed en recht strijd ik--wees daarom niet versaagd. Vaarwel!"

Hij reed heen, en de vrouwen zagen hem verdwijnen als een stofwolk op den weg, opwarrelende en verwarrelende in den wind. Hij ging, waar de strijd hem wachtte. Hij streed, waar het gevaar 't grootst was.

"Reynout van Valkenburg!" klonk zijn stem, en de vijanden vloden. Zóó rukten hij en zijn vrienden van slag tot slag, steeds dieper dringend in het vreemde land. Het geschiedde, wat hij had gezegd: vele zangers zongen van zijn roem, hun liederen klonken over de landen, en tot in Reynout's slot drongen zij door. Reynout's vrouw hoorde ze in hare krankheid en ze fluisterde tot haar kind:

"O groot geluk, dat gij geboren zijt in deze dagen, nu zijn roem over de wereld schalt. Wanneer hij wederkeert, zal ik wellicht genezen zijn van al mijne smart, en ik zal voor hem zingen."

Zijn moeder zag uit het venster. Gesteund door zijn schildknapen, kwam de edele ridder gewond uit den strijd terug. Eerst wilde zij haar blijdschap jubelen--want zij was zoo gelukkig, dat zij hem zag. Hoe hij ook wederkwam, hij was haar zoon.

Toen werd zij angstig. Waarom gingen zij drieën zoo langzaam? Zij liep hen tegemoet.

"Reynout! Reynout! mijn zoon! Uw vrouw gewan een kindeke."

Hij zag haar niet aan, terwijl hij sprak. Moede zonk zijn hoofd ineen.

"Leg mij in het blanke bed, opdat ik ruste. Ik ben ziek."

"Reynold! Reynold! zone mijn, Din vrouw gewan een kindekijn," "So leget mi in die coetse blank, Opdat ic ruste. Ic ben crank."

"Reynout! gij zult niet sterven. Gij moogt niet sterven."

Men droeg hem naar het bed. Men strekte zijn leden uit.

"Reynout! uw vrouw wacht op u. Zij wil u haar kind toonen."

"Laat mij sterven, moeder ...."

"Reynout! groot is uw roem. O! mijn arm moederhart. O! uw vrouw, die naar u verlangt! O! uw kind, dat geen vader zou hebben. Sterf niet."

"De lansepunt drong mij in den rug--niet in mijn borst ben ik gewond. Een verrader was het, die mij doodde."

"Spreek niet van den dood."

"Ach moeder! 't Is alles God's wil. Doe de klokken luiden, wanneer ik gestorven ben .... Luid de klokken. Zeg mijn vrouw vaarwel--zeg mijn kind vaarwel."

Hij stierf, de edele ridder van Valkenburg.

De klokken luiden met doffen, dooden klank. Zij hielden niet op. Ze droegen de smart over het verre land. Al het leed dezer wereld was er in den klank dezer klokken.

"Waarom zijn de klokken heden zoo treurig, moeder?"

"Mijn dochter! 't is een ommegang met vaan en kruis en psalmenzang."

"Dan wil ik slapen, en droomen van mijn held."

Zij glimlachte in haar slaap. Ze zag haren ridder op zijn ros, en achter hem drommen van lansknechten en edelen, luide roepend zijnen naam.

"Reynout van Valkenburg!"

Waar de hoeven van zijn paard den bodem raakten, ontloken bloemen, die jonge knapen plukten, ze tot kransen windende. Iedere ridder ontving zijn krans, doch twee droeg Reynout. Dit was het vreemde, dat hij geen zwaard vasthield, maar bloemen.

Ze aanschouwde het gelaat van den paladijn. Het glimlachte als in den slaap. De droom was in zijn oogen, en zijn mond was gesloten. Hij luisterde niet naar het juichen der makkers.

Zij ging naast zijn paard. Zij streelde de bloemen en de handen, die de bloemen droegen. Toen zag ze naar hem op, hij echter wendde zijn oogen niet af van de verte. Zij hoorde haarzelve spreken, luider dan alle jubeling rondom hem.

"Een kindeke is ons geboren, Reynout."

Hij hoorde het niet. Hij staarde in de verte, en de glimlach veranderde niet om zijn gesloten mond.

Diep in haar droom was het bewustzijn, dat de liefde het grootste wonder des levens is, en het grootste goed der menschen. Zij gevoelde, dat zij in haren slaap glimlachte met denzelfden glimlach, dien haar ridder had.

Ook voor haar verstomde het geluid der jubeling, en ze hoorde nu slechts den eentonigen stap van het paard.

Eensklaps begon het paard te draven. Zijn hoeven ketsten tegen den grond, dat het klonk als klop na klop.

Schrikkend ontwaakte ze.

Zou hij aan de poort geklopt hebben? Waarom versliep ze haar tijd? Zoo zij hem door haar ziekte dan niet tegemoet kon treden, haar stem had hem toch kunnen verwelkomen. Nu wachtte hij buiten, en haar stem had gefaald. Hoe zou ze hem kunnen overtuigen, dat zij hem liefhad?

Waarom eindigde het geklop niet? Waarom trad hij niet binnen?

Was het wel beuken van een hand, tegen de poort? Was het niet veel meer 't aanhoudend slaan van plank bij plank, tot een doodkist.

Zij richtte zich op en angstig vroeg ze haar moeder:

Mer segh mi, 't geruchte op den ganck Is dat niet kloppen planck bi planck?

De moeder hield haar smart voor haarzelve. Ze wilde niet zeggen, dat Reynout dood was. Zij zou 't later vertellen.

Zij glimlachte.

"Mijn dochter! 't is de oude zolderpui, die hersteld wordt."

"'t Is als 't maken van een doodkist," huiverde de jonge vrouw, en ze drong het kind dichter tegen zich aan.

"'t Zal niet lang meer duren, en de ridder keert huiswaarts."

Ze zeide het met zekerheid, en haar dochter geloofde haar. Ze wilde weder rusten, en ze sloot haar oogen. Weder deinden haar gedachten weg--Het kloppen had opgehouden. 't Was even stil.

Waarom opende de gravin haar oogen, en zag ze haar moeder verschrikt aan? Er was nog geen geluid, en toch was er een naderende dreiging--een schemerende angst.

"Moeder--moeder," klaagde de jonge vrouw.

"Wat wilt gij, mijn dochter?"

En ineens zongen de priesters, die Reynout's lijk wegdroegen. Welk een wonder is de liefde, die het gevaar vooruit-gevoelt. Al eer de lijkzang had geklonken, was het geluid in haar ziel geweest, en wat nu refreinde, was slechts een echo.

"Moeder, moeder, moeder mijn! Wie zingt er zoo droeve?"

"Mijn dochter, het zijn de pelgrims van Sint-Jago."

"Moeder! laat zij heengaan. Het is als de lijkzang van priesteren voor eenen doode. Ik meende, dat het voor Reynout was."

"Neen, mijn dochter, wees gerust. Het zijn pelgrims, gij kunt mij gelooven."

"Dan zal ik weder slapen--"

Zij sliep en droomde.

Haar held klopte het paard op den nek, en fluisterde het toe. Het dier minderde zijn vaart, het reed stapvoets. 't Geheele leger van ridderen, knapen en knechten reed stapvoets. 't Leek, of de rit van al de honderden helden geluidloos was, en ze zag zichzelven geluidloos gaan naast Reynout's ros. Terwijl zij glimlachend om haar geluk voortschreed--telkens zag ze op naar 't gelaat van haar ridder--schoot er plotseling een angst door haren vrede, en ze bemerkte ook, dat Reynout's voorhoofd gerimpeld was. 't Zou om dezelfde reden moeten zijn: ze was slechts in schamel kleed gehuld, en dit vergaf hij haar niet.

Zij hoorde hem zeggen--zijn stem was toornig:

"Waarom kwaamt ge me zóó armoedig tegemoet? Waarom hebt gij u voor mijn intocht niet getooid? Zelfs met de meest-eenvoudige bloemen des velds waart gij toch welkom geweest."

"Hoort dan!" zoo antwoordde zij treurig, "een kindeke is ons geboren, en langen tijd heb ik krank gelegen. In de verte hoorde ik u komen, en ik ben opgestaan, zoo ziek en schamel als ik was. Wees daarom niet vertoornd."

De rimpelen in zijn voorhoofd bleven. Zijn oogen waren van haar afgewend. Haar hart klopte fel, daar zijn stem boos was.

"Ga heen, en hul u in ander gewaad. Keer dan bij me weder."

Ze besloot, om haar bruidskleed te halen. Terwijl zij zich verbeeldde, dat zij haastig naar het slot liep, schrok ze weder wakker. Haar moeder zat aan haar legerstede, en de werkelijkheid keerde terug.

"Moeder! als Reynout komt, wil ik me kleeden in mijn bruidsgewaad, in rood en in blauw, opdat hij mij vroolijk begroete."

Toen sloeg haar moeder de handen aan 't hart en luide weende ze.

"Draag geen rood en draag geen blauw, maar zwart alleen, mijn lieve kind."

"Min kind, ic 't niet meer bergen kan, Dood en gesonken is din man"

Niet luiden de doodsklokken zóó dof, niet zingen de priesteren, die het lijk wegdragen zóó droeve, en alleen uit de stem reeds wist de jonge vrouw, wat er gebeurd was.

Ze vond, om haar smart te klagen, niets dan deze woorden:

"O! grond, rijt op, 'k wil in din schoot Bi Reynold wesen in der doot."

De steenen, die geen tranen hebben, en geen medelijden met menschenwee, hoorden haar bede, en ze fluisterden met elkander.

"Dit is een leed, dat wij niet kennen," spraken ze, "en als wij kunnen helpen, laten wij het doen!"

De rots, waarop het kasteel was gebouwd, vernam de nooit-gehoorde stem der steenen en ontwakend uit het eeuwige zwijgen, vroeg zij hen:

"Wat is er geschied, dat gij spreekt?"

"Wee--wee," antwoordden de steenen, "bij uw hart ligt Reynout van Valkenburg, voor eeuwig verzonken, en in het slot weent zijn gemalin, om bij hem te wezen in den dood. Open u, doe het kasteel vergaan, dat op u rust, en neem haar op, dat zij zich met Reynout vereenige."

Toen gevoelde de rots het goddelijk medelijden, en vol liefde opende zij zich, en deed het slot tot puin vallen. De jonge vrouw zonk in de klove tusschen den harden steen, en ze viel neder naast Reynout's lijk.

Uit de rots groeide een hooge eikeboom, machtig van stam, zwaar van tak, een breede schaduw vleiend over den weg.

Om den top vlogen twee vogelen, duif en doffer. Hun gemeenschappelijke vlucht zocht den hoogen hemel.

Ze waren de zielen gelijk van Reynout en zijn vrouw, die nu tezamen zijn in den eeuwigen dood, dat is in het eeuwige leven.

XXII

Emma van Haarlem

Op het slot van Haarlem woonde een slecht en wreed ridder, die door het volk werd gehaat, en door zijn vrouw bemind. Want elke vrouw is de draagster der liefde, ze heeft al lief om der liefde wil, ja, dikwijls vraagt zij niet, wien ze nu eigenlijk liefheeft. Zij zelve heeft zachte handen en haar oogen schreien gemakkelijk; doch haar vingers spelen gaarne met den forschen nek, en, een vroolijk kind gelijk, woelt ze dartel in den ruigen baard.

Emma van Haarlem wist wel, dat men haar man verafschuwde, en ook wist zij, dat het met reden was. Het volk moest het onduldbare dulden, en hij ging het vertredend en vertrappend voorbij. Hij meende, dat zijn macht eeuwig zou duren, zoo hij angst uitwierp. Hij roofde en moordde en brandde. Ja, hij was als een beest zoo wreed in het dooden, doch als een mensch deed hij doelloos lijden.

Het volk morde. De mannen hielden hun oogen ternedergeslagen, zoo ze den ridder ontmoetten, maar geen der arme schobbejakken vergat het hoofd te ontblooten, ten teeken, dat ze hun haren kort droegen. Hij zag langs hun gebogen ruggen, en de teugels van zijn paard greep hij vaster. Wee hem! den tyran.

Het mokken en mopperen smeulde voort, zonder dat de burchtheer 't bemerkte. Hij bleef een genadeloos man en eindelijk begreep men, dat niemand voor hem veilig was. Men liep te wapen, toen hij op zijn kasteel toefde. Het arme volk belegerde den trotschen burcht en geen hulp was er voor den slechten ridder, die angstig werd om de macht van het gepeupel. Doch zijn vrouw, Emma van Haarlem, glimlachte en zeide:

"Ik zal uw leven redden."

Had hij er ooit op gerekend, dat men zijn slot zou omsingelen? Waarom had hij niet voor leeftocht gezorgd? Wat gaf het hem, dat hij en zijn garnizoen uitvallen deden, waarbij velen der kerels gedood werden? De moed zelve is te breken, echter niet de vrees, die den moed verwekt. Uit vrees, dat de ridder weder zou rooven en moorden, bleven de belegeraars tezamen, en ze trotseerden 't heden, om zich voor de toekomst te vrijwaren. Geen, die het beter begreep, dan de burchtvrouw: zij stelde tegenover de angst des volks haar liefde, en ze berustte onversaagd. Ja, wellicht was ze blijde; dat haar heer niet heen kon gaan, en dat hij altijd bij haar was.

Zoo er ook van het volk tientallen sneuvelden, het volhardde om gracht en muur. De honger werd zijn bondgenoot, vernielender dan de steenen uit een katapult. Van de gewelven braken de steenen los, en 't hout der brug vermolmde. De wachter op den toren kon zijn instrument niet ver doen klinken, en spatten roest kringelden er op de zwaarden.

"We zullen ons moeten overgeven," zeide de ridder. "We kunnen ons tegen den honger niet verweren."

Emma zag hem aan, en vroeg:

"Laat mij met het volk spreken!"

De oude kronieken zeggen niet, waarom hij zijn toestemming gaf. In den nevel der sage is haar liefelijk wezen verborgen. Zij ging tot het volk, en men raakte haar niet aan. Heilig moet haar glimlach zij n geweest, omdat men naar haar luisterde. Ja, men moet haar hebben bemind en aanbeden, en zij kon weten, dat men haar wensch wilde vervullen.

Was er een man, die aan 't hoofd der troepen stond? Of heeft zij tot den wilden troep zelve gesproken, welke slechts één doel had: den wreedaard te vernietigen?

"Wat wilt gij?" vroeg men haar. Zij antwoordde:

"Laat mij en mijn vrouwen uit het kasteel trekken."

Ze sprak geen woord over den ridder, dien men wilde treffen, en men was gerust. Het volk verzette zich niet tegen de vrouwen; Emma van Haarlem en haar dienaressen mochten het kasteel vrijelijk verlaten. Voor den wreeden man zou dan geen genade gelden.

"Maar--" aldus smeekte ze--"moet ik dan arm en berooid door 't land trekken? Zal mij niets van mijn rijkdom overblijven?"

"Wij strijden niet tegen uw schatten," antwoordde men. "Wat wilt gij medenerven?"

"Laat mij het kostbaarste, dat ik heb, mededragen,"

"Het is u toegestaan."

Nog aarzelde ze, en men vroeg haar, wat ze meer verlangde.

"Zweer het, dat ge mij vrij zult laten gaan, als ik mijn kostbaarste bezit in mijn armen draag. Zweer, dat ge mij noch mijn schat zult vernietigen."

Men zwoer het gaarne, want men wilde haar toonen, dat 's volks toorn naar vrijheid streefde, niet naar doelloozen dood of doelloozen rijkdom.

Zij ging naar het slot terug, en zeide tot den burchtheer:

"We zijn gered."

Ze droeg den wreeden ridder van Haarlem in haar armen, want hij was haar kostbaarst bezit. En met moeizame schreden wankelde zij, gebogen door haar last, langs de rijen van het zwijgende volk, dat zijn eed getrouw bleef. Misschien, dat enkelen hun handen tot vuisten balden, denkend aan de slechte daden, die niet door den dood werden verzoend.

Toen zij eindelijk den laatsten man had bereikt, liet zij haar schat los, en zij tweeën, de ridder en zijn vrouw, zagen achter zich. Een wolkje rook, als een nevel, hing reeds boven het kasteel, en plots schoot een spitse vlam uit den toren.

XXIII

Eleonora's Poll

Het waren blijde dagen voor de schoone Eleonora, toen zij heer Herman had ontmoet. Want _hij_ was het, om wiens wil zij tot dusver had geleefd, zonder dat ze dit wist. Zoo zij vroeger had gelachen, was het door hem geweest, die niet nabij stond en toch nabij; en zoo zij had geleden in onbewuste droefgeestigheid, welke der vrouwen is, geschiedde dit, omdat ze hem nog niet had gezien en toch al van hem droomde. Zooals de mannen het werk hebben, bezitten de vrouwen de liefde. Heer Herman dacht, nadat hij haar aanschouwd had:

"Voor deze vrouw zal ik willen strijden," en hij zeide haar dit. Wat antwoordde ze hem? Het eeuwig antwoord der liefde:

"Mijn leven is het uwe."

Doch toen ze haar moeder bekende, dat ze heer Herman minde, zei deze:

"Voor een ander heb ik u bestemd, mijn kind!" Ze fluisterde:

"Wie is die ander, moeder?"

"Zweder."

Zij wist, dat hij haar niet liefhad, doch wel haar goed, en ze smeekte:

"Dezen man niet." Men luisterde niet naar haar. Men wilde, dat ze Zweder zou huwen, en op haar sterfbed zei de moeder: