# Nederlandsche Sagen en Legenden

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/nederlandsche-sagen-en-legenden-3455/index.md

Na eenigen tijd vertrokken de Lombard en Claes, naar een land van heidenen, en daar verkochten zij juweelen aan allen, die deze zaken begeerden. Ze leerden de taal der heidenen, en werden met hen bevriend. Zij dreven eerlijken handel, zoodat de groote Soudaan of Vorst van Babylonië met zijn vrouw en zijn dochter over hen hoorden spreken. De vrouwen hebben de schittering lief, en de vrouw en de dochter des Soudaans bedachten vele listen, om de juweelen te verkrijgen, die de koopman bij zich had. Ze fluisterden en monkelden onder elkaar, en wat de twee sluwe vorstinnen bedachten, is waard om te vermelden.

Ze lieten den koopman komen, en lachten hem toe, en voerden het met vleiende woorden in zijn geest, dat hij met den Soudaan van Babylonië zou spreken.

"Wek op den Soudaan," zoo zeiden zij, "dat hij zijn schepter zal doen vermaken. Fij! hoe plomp is hij voor zulk een heerscher."

Toen nu de Soudaan had toegestemd--want welke man is tegen de list van vrouwen bestand?--dat hij zijn schepter zou doen vermaken, liet zijn dochter den jongen Claes bij zich komen, en ze zeide:

"Onder het goud en de diamanten en paarlen van den schepter is een groot stuk van 't hout verborgen, waaraan de God der Christenen is gestorven."

Waarom sprak dit de dochter des Soudaans? Opdat ze enkele juweelen van Claes te goedkooper zou krijgen, want ze wist wel, dat hij begeerig naar het hout was, en ook zeide ze het, daar haar ziel gewend was naar het zalige Christen-geloof.

Aldus was het, dat de koopman zijn juweelen gaf in pand voor den schepter, en dat ze afscheid van den Soudaan namen, die hun mede gaf twee trouwe heidensche knechten en een brief van vrijgeleide, om te reizen door het land der Arabieren, die zeer wreed zijn; zeven kameelen schonk de Soudaan hun bovendien.

Toen de koopman en Claes halverwege Alkarië en Jeruzalem waren gekomen, wat geschiedde er? De koopman werd ziek aan den menisoen, en stierf, na zijn ziel te hebben gegeven in de handen Gods.

Mogen allen, die God vreezen, sterven, als hij.

Ze waren nog twaalf dagreizen van Jeruzalem, en ook een der trouwe heidensche knechten werd ziek, en stierf aan den menisoen. Nu was Claes bijna alleen in 't land der Arabieren; in den nacht brak hij het heilige hout, God smeekende om genade, want anders wist hij niet te doen. De stukken verborg hij onder zijn kleeren.

Den dag daarop maakte hij zich gereed om naar Jeruzalem te trekken, waar hij zonder veel avonturen aankwam, en vandaar reisde hij naar Jaffa, waar hij een schip vond.

Hij vroeg de bootslieden:

"Waarheen gaat dit schip?" En ze antwoordden hem:

"Naar Venetië."

Nauwelijks had hij plaats genomen, of de wind werd goed, en waaiende, waaiende, dreef de wind 't schip in zoo korten tijd naar Venetië, dat het zeer mirakelijk was, een mirakel Gods.

In Venetië ontmoette hij alras een goed man, die met een groot schip naar Londen wilde varen. Londen is een stad in Engeland.

Claes ging dan scheepwaart, en de wind woei. Zij kwamen in zoo korten tijd in Engeland, dat iedereen, die 't hoorde, zich verbaasde. En Claes ging naar Dover, en vandaar naar Vlaanderen, en hij kwam in Brugge aan. Daar borg hij 't hout in een gesloten kist, en hij trok naar Armegië en naar andere landen, drijvende koopmanschap, totdat de tijd was gekomen, om te huwen: want hij had gelds genoeg. Zijn oogen zochten, en ze vonden een jong meisje, Margaretha Tristram was haar naam, en na Claes' dood is zij getrouwd met Uutenhoven.

Toen Claes twee jaren met haar in den echt had geleefd, toonde hij haar het kistje, waarin geborgen was het heilige hout, en hij zeide tot haar:

"Ik ga naar Dordrecht, omdat ik daar geboren ben, en ik neem mee een stuk van het kruis."

Hij ging voor het kapittel der Groote Kerk, en hij deed de kerkmeesters beloven, dat zij voor hem en zijn gezin zouden bidden en doen bidden, eeuwiglijk. En zij beloofden het hem. Op deze voorwaarden gaf Claes de kerk een stuk van 't kruis onzes Heeren, Jesu Christi.

De kerkmeesters lieten maken een kruis van fijn goud, waarin zij het heilig hout legden, en ze zetten het kruis op een altaar, het altaar van den Heiligen Hout, aan de noordzijde.

Dus alle geloovigen wilt aanbidden het Heilige Hout, waarin onze zaligheid is gewrocht.

En in 't jaar één duizend vierhonderd zeven en vijftig verbrandde de Groote Kerk met alle andere huizen, groote en kleine, staande aan de poortzijde, en de huizen van de Vuylpoort tot aan het Minnebroedersklooster.

En alles wat in de Groote Kerk was, verbrandde, behalve steen en ijzer. Zilver, goud, koper, lood, en de klokken smolten en alles, wat het Heilig hout bevatte, ja het verbrandde of smolt. Alleen 't Heilig hout spaarde God.

Toen de brand over was, trok de deken der kerk, meester Jan van Egmond Aalbertsz--een zeer vroom man--met vele Heeren en burgers, en kerkmeesters, Willem Duyck, den zoon van Arend Duyck en vrouwe van Naarssen, en Jan van Muylwijck, die later de banier heeft gedragen voor Utrecht en Deventer, en met ontelbaar volk, wereldlijk en geestelijk, en ze zochten 't in de asch voor het verbrande altaar.

En toen ze 't vonden, was 't week, of 't van was geweest ware, maar daarna werd het hard en stijf als hout. Men toonde het aan het volk, en daarna elken Goeden Vrijdag en op den Paaschdag.

Het heilig hout heeft Claes Scoutet de kerk gegeven, en hij was vroeger een burger van Dordrecht, en hij toog naar Brugge. Brugge is een stad in Vlaanderen.

Aldaar werd hij burger en hij stierf aldaar.

God zij zijn ziel genadig. Deo gratias.

XV

Maria, het Venster

Er was een geleerd man, rijk van goed, maar onrein van leven. Al zijn geld verspilde hij in zonde. En toen hij niets meer had, was hij bedroefd en ver van der menschen huizen ging hij in eenzaamheid. Niet wist hij, wat te beginnen zonder rijkdom, en alles wilde hij bedrijven, om het geld weder te winnen. De Duivel kwam tot hem, zeggend:

"Waarom ben je zoo droeve?"

De geleerde man vertelde hem, wat er was geschied. De duivel sprak:

"Wil je doen, wat ik, raad--ik zal je geven aan rijkdom genoeg."

De man beloofde, dat hij den raad wilde opvolgen, wat het ook wezen mocht.

"Dan moet je God verzaken en Zijne moeder Maria," zeide de Duivel.

Op dezen raad verzaakte hij zijn God, maar met zware moeite kwam hij ertoe, om Maria, de moeder Gods, te verzaken. Maar hij verzaakte Haar om der wille van den rijkdom. Daarom gaf de Duivel hem veel goud, en hij leefde een langen tijd in groote zonde. Ten laatste keerde hij tot zichzelven in:

"O! onzalig mensch, wat heb je gedaan? Je hebt God verzaakt en Zijn moeder Maria. Sterf je in deze zonden, zoo ben je eeuwig verdoemd."

Hij ging in een kerk en viel op zijn knieën voor het beeld van Maria en smeekte zeer innig, dat Zij zich zijner zou ontfermen en voor hem bidden zoude. Hij liet niet af, bad altijd en bedreef grooten rouw vanwege zijn zonde. Ten laatste sprak de barmhartige moeder Gods tot den armen zondaar:

"Ik kan u niet helpen, want gij hebt uw God en uw Schepper en mij verzaakt."

"O waarde moeder Gods, gij moet mij helpen, want anders ben ik verdoemd voor eeuwig."

"Ik kan u niet helpen, want gij hebt het niet verdiend, dat men u helpen zal."

"O Maria, hoe is Uw naam en hoe pleegt men U te noemen?"

"Sommigen noemen mij de moeder Gods, anderen de vrouwe der engelen of de koningin van het Hemelrijk of een ster der zee of de lieve moeder Gods Maria."

"O! waarde moeder Gods Maria--Gij hebt nog een anderen naam, zooals het staat in salve regina."

"Men noemt mij ook de barmhartige moeder Gods."

"O lieve Maria en moeder der barmhartigheid, dien naam meen ik en ik hoop, dat Gij dien door mij niet zult verliezen. En zoo Gij mij niet helpt, verliest Gij Uwen goeden naam."

Toen sprak Maria, de moeder Gods, tot haar lief kind Jezus:

"O! lief kind, ontferm U over dezen zondaar."

"Lieve moeder, hij heeft mij verzaakt, ik keur hem geen genade waardig."

Toen nam het beeld van Maria haar lieve kind Jezus en zette het op het Altaar, en knielde neder voor het Altaar, biddend zonder einde, en zeggend:

"Lieve kind! ontferm U over den zondaar."

"Lieve moeder, de deur des hemels is hem ontzegd."

"Lieve kind, is hem de deur ontzegd, laat mij dan het venster wezen, opdat hij door Mij mag komen in het eeuwige leven. Want ik ben het venster des Hemels."

"Lieve moeder! ik zal Uwen wil doen."

Maria, de barmhartige moeder Gods, zeide tot den zondaar:

"Ga heen en wil niet meer zonde bedrijven. Maar biecht uw boosheid en beter uw leven."

De man dankte en loofde Maria, de moeder Gods en ging blijde en vertroost heen. Hij ontdeed zich van al het goed des Duivels, en hij ging in een klooster, waar hij God en Maria diende en zijn zondig leven beterde.

XVI

Brammert en Ellert

Tusschen Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat, moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.

Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellert heetten ze. Brammert was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zóó bemerkte één van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven: òf Ellert wist het òf Brammert, doch één van de beiden altijd.

's Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde klokken aan. Wanneer nu een mensch naderde, liep hij immer tegen een touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij niet. Want ze roofden en moordden geenszins dáárom. Ze roofden en moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden .... Ze waren ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt, en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden, wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren elkaar's schaduw, als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.

Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde--daar Ellert niet dadelijk wakker was geworden--eenigen tijd voor ook de zoon het lijk ontdekte.

Ze hadden een beurs gevonden, zóó gevuld met goud, als een versche bron met water. Maar Ellert--met zijn domme verstand (had hij niet drie duim minder aan hersenen?)--dacht dadelijk, dat Brammert den sleutel had, en hij zeide tot zichzelf:

"Eerst moet ik probeeren, of Brammert het mij goedschiks bekennen zal, ik zal morgen net doen, of hij zijn geheim in den slaap heeft verraden.

Ze legden zich ter rusten, en ze snurkten zoo luid, dat de vogels den volgenden ochtend te verdoofd waren om te zingen. Toen riep Ellert Brammert met luide stem toe:

"Je hebt ook aardig gedroomd, vadertje."

"Wat meen je daarmee, zoonlief?" vroeg Brammert.

"Ik hebt wel gehoord, datje den sleutel gevonden hebt."

"Ik den sleutel gevonden, zoonlief? Welnee goud en zilver, anders had de man niet bij zich en dat is niet veel."

"Kom, kereltje, wij behoeven elkaar niets wijs te maken. Beken nu maar, dat jij den sleutel hebt gevonden, en dan praten wij er geen woord meer over."

"Haha," dacht Brammert, die de slimste was, "nu verklap je jezelf, zoonlief.--Jij hebt het op mijn leven gemunt, zoodra ik den sleutel in mijn bezit heb." Dit dacht hij, hij sprak echter:

"Meen je, dat ik jou 't nu zal vertellen, als ik den sleutel heb? Nee! Wanneer ik hem vind, mag jij hem bewaren, omdat jij de grootste en de sterkste bent van ons tweeën. Ik ben drie duim kleiner dan jij, en ik voel me te zwak voor een zoo zware taak."

Dit geloofde Ellert met zijn domme verstand, totdat er een paar dagen later een koopman door het veld zwierf, en Brammert de eerste was, die van het buitenkansje profijt trok. Toen Ellert naderde, was moord en roof reeds geschied, en weder wantrouwde de zoon den vader.

"Waarom," peinsde hij, "is Brammert altijd de eerste? Dat is gemakkelijk te begrijpen ... hij wil den sleutel hebben, en mij die niet geven." Hij sliep den geheelen nacht niet, omdat hij er voortdurend over nadacht, hoe hij zijn vader tot een bekentenis moest bewegen. Eindelijk, de zon was reeds lang opgegaan, en hij had maar altijd liggen peinzen over het moeilijke vraagstuk! ging hij naar hem toe, en zeide:

"Weet je, vadertje, wat ik vannacht gedroomd heb?"

"Hoe zou ik dat weten, zoonlief?" vroeg Brammert, die had geleerd, dat je met vragen verder in de wereld komt dan met antwoorden.

"Ik heb gedroomd, dat jij den sleutel gevonden hebt."

"Hoe zou ik dien hebben kunnen vinden?"

"Bij den koopman!"

"Die had veel te veel geld bij zich. Die werd veel te veel door zorgen gekweld."

"Daar heb je gelijk in, vadertje. Neen! dan heb ik verkeerd gedroomd."

In zichzelf lachte hij, en hij overlegde:

"De derde keer zal hij zeker door de mand vallen. Dan behoef ik heelemaal niet meer op antwoord te wachten, hij zal het mij argeloos vertellen, en ik zal hem dooden om alleen den sleutel te hebben. Laat er één mensch ter wereld komen, die me daarna den sleutel afneemt. Mijn vuisten zijn sterker dan smidshamers, de spieren van mijn armen zijn zwaarden gelijk, en wie durft me trouwens aan te vallen? Zelfs vadertje dood ik in den eerlijken strijd, omdat ik drie duim grooter ben dan hij." Had hij echter geweten, hoe Brammert terzelfder tijd over hèm dacht, hij zou zich nog zoo zeker niet van de overwinning hebben gevoeld.

"Zoonlief denkt, dat hij de geheele wereld met kracht kan overwinnen. Of hij niet weet, dat ik drie duim hersenen meer heb dan hij .... Hoe kom ik aan zulk een dommen zoon?"

Er was nu vijandschap en wantrouwen tusschen hen en ze gevoelden lust elkander te verlaten. Zeker hadden ze dit gedaan, wanneer niet beiden naar den sleutel hadden verlangd. Ze gunden elkaar niets, zwijgend volvoerden zij hun booze daden, niet meer met de sympathie, die kwade menschen verbindt. Ja, in Ellert was de geheime wensch verscholen, Brammert te dooden. Indien hij had gedurfd, zou hij geen oogenblik hebben geaarzeld. Zijn geweten had hij verloren en de stemmen, die spraken in zijn geest, hitsten hem aan tot bloedige dingen. Hij had gezworen, nooit zijn handen te wasschen, opdat ze de kleur en den geur van 't bloed zouden behouden.

Brammert bemerkte wel, dat Ellert door wreede lusten werd gekweld: hij zag het aan de oogen, waarover de diepe schaduw van een fellen gloed lag; ook aan de korte, roode vingers, die zich telkens en telkens klemden in de palm zijner hand, en aan de wijze, waarop de dikke lippen zich openden, dat de witte tanden grijnzend bloot-kwamen, aan den peinzenden glimlach, die lag langs mond en wang.

Hij wist 't, en 't gonsde in zijn hersenen:

"Hij durft mij niet te vermoorden, omdat ik verstandiger ben dan hij. Hij weet, dat ik zijn kracht door mijn slimheid weerstaan kan. Wanneer ik waak en op mijn hoede ben, als hij dicht bij mij is, overwint hij me niet."

Eens kwam er een jong meisje, dat men niet gewaarschuwd had, van het dorp Sleen in het veld. Ze raakte een touw aan en dadelijk begonnen de klokken te luiden.

Brammert en Ellert schoten toe.

Het meisje wilde vluchten, ze liep over den weg--een vervolgd mensch: de doodsangst was in haar bloed. Met één sprong was Ellert, de grootste der twee reuzen, bij haar! hij greep haar handen vast en lachte.

"Dat hebben wij nooit gehad, een vrouw op 't veld. Nu hebben wij iemand, die ons het eten kan bereiden en ons de voeten kan wasschen, als ze gewond zijn," schertste hij.

"Laat mij gaan" smeekte het meisje.

"Je laten gaan? We zijn veel te blij, dat we je hebben. We zullen je ook niet dood maken.

Het meisje boog de handen voor het gezicht en weende. Nog nooit hadden Brammert en Ellert tranen gezien, wel hadden ze kreten gehoord van vrees en verdoemenis, doch nooit van smart. Ellert stond te grinneken: "Zoo'n buit hebben we nog nooit gehad, vadertje. En 't mooiste is, dat ze geen geld heeft, en dat ze den sleutel tot 't geluk niet bij zich kan hebben, want dan zou ze er wel gelukkiger uitzien. Alleen, omdat er nog nooit een vrouw op 't veld geweest is, zullen wij haar houden."

Brammert zag haar aan, en er was een vreemde vriendelijkheid in zijn blik: Zooals dikwijls, wanneer een sterk mensch een klein en ongelukkig schepsel ontmoet .... Een stille glimlach, en een trotsch medelijden was achter in de iris zijner oogen. Het meisje keek naar hem op, vertrouwend, en misschien gevoelde ze wel dadelijk, dat, al was Ellert sterker, en oogenschijnlijk machtiger, om haar te beschermen, Brammert drie duim hersenen meer bezat, en hij gezind was tot teerheid. In de dagen, die volgden, vergat Ellert den sleutel tot het geluk ... Een doffe pijn was er om zijn hart ... dat het jonge meisje glimlachte, wanneer zij bij Brammert was, en weende, als Ellert haar naderde. Somber staarde hij naar Brammert, wiens gezicht veranderd scheen. Nu geleek hij een mensch, wien alle wenschen zijn vervuld. En eensklaps, gelijk een pijl, die tròf, schoot hem van binnen-uit zijn ziel de gedachte in den geest, dat Brammert den sleutel tot het geluk had gevonden, en dat hij-zelf er van verstoken zou zijn tot in het eind zijner dagen.

Eenzaam liep hij over 't veld, en hij steunde luid als de stormwind. Voor hij begreep, wat er gebeurde, vielen er tranen, zoo groot als mansvuisten, langs zijn wangen, en hij weende van smart, als 't jonge meisje had gedaan.

"Brammert heeft den sleutel tot 't geluk," schokte het op in zijn brein, "en ik mag toekijken .... Hoe moet ik me er van meester maken? Ik wil zoo graag .... Ik gun hem den sleutel niet. Ik zal hem dooden, zoodra ik kan."

Hij rook aan zijn handen, die als bloed waren.

"Vannacht nog," fluisterde een booze stem, "als hij nederligt, 't hoofd op den heuvel, sla ik hem een ijzeren pin door de hersenen, en nooit meer zal hij opstaan: Ik zal hem den sleutel ontrooven, zoodra hij dood ternederligt."

Brammert droomde met open oogen. Hij vermoedde nu niet, dat Ellert hem wilde vermoorden. Hij dronk het geluk, tot het overschuimde in zijn ziel. Hij wilde nooit meer rooven en branden, hij wilde het veld verlaten, verre zijn van zijn verleden.

Het was de laatste nacht, dat hij nog op 't land doorbracht.

Zijn hoofd lag achterover op den breeden heuvel, die nog altijd de Brammertshoop wordt genoemd. Hij wasbedwelmd door zijn geluk, diep en zwaar zonken zijn droomen in zijn bewustzijn. Het maanlicht scheen, toen Ellert dicht-bij sloop en zich over hem heen boog. Een witte wolk was het maanlicht, die tot op de aarde was gezonken, en een schemer wierp langs den donkeren grond, een vage, mat-zilverdoortrokken glans daarboven. Bij dien gloed aanschouwde Ellert Brammert's gelaat. Een glimlach bewaakte zijn slaap.

"Hij heeft den sleutel tot 't geluk" dacht Ellert.

Hij nam de pin en dreef die zwaren hamer in Brammert's voorhoofd, ver in zijn hersenen, dat de reuzenkop geklonken werd op den harden bodem. Geen pijn was er op zijn gezicht, de glimlach van vrede bleef. Het geluk was in hem, de laatste seconde van zijn leven.

Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende. Ellert stond naast haar, en er spraken duistere stemmen in zijn bloed:

"Nooit zul je den sleutel vinden, dien hij gevonden heeft. Tot in verre geslachten zal je naam een vloek zijn, Ellert, Ellert, en nooit zal je naam vergeten worden, Ellert, Ellert ...."

Hij nam het zwaard, waaraan zeven smeden zevenjaren hadden gewerkt, en stiet het zich in 't hart. Hij viel neer, naast zijn vader, zonder een woord te klagen. Hun bloed vloeide tezamen.

Het land waar hij gestorven is, draagt zijn naam: Het Ellertsveld. Het was een land van vloek en verdoemenis.

XVII

Zomersneeuw

Hoog was de linde van Canne, die tegen den berg stond, dichtbij het klein kapelleke. De zeven schepenen spraken er recht, en ze waren beschut als in een zaal. Noch zonnelicht, noch regen lieten de dichte bladeren door: Iedereen, die van slechte daden werd beticht, stond onder de hooge linde, voor de zeven schepenen, terwijl het volk in wijden kring was geschaard.

Er was een vrouw in Canne, die jong al weduwe was geworden, en met haar kind alleen op de wereld was overgebleven. Sindsdien werkte zij meer dan zij vermocht.

Wat het zijn kon, dat er eenigen in het dorp haar haatten? Wellicht was zij te gelukkig geweest. Of was het uit oude dagen, dat een wrok, om een gebaar, een woord of een daad, of om het geheim van haar innerlijk wezen, bestond?

Onverzoenlijk was haar vijand, en loerend op het gunstige oogenblik. Hij werkte haar, waar hij kon, tegen. Als zij werk had gevonden, had zij het onmiddellijk daarna weder verloren. Daarom was het, dat zij ten langen leste, den strijd tegen den onbekende moede, besloot, om haar brood in Maastricht te verdienen. Iederen morgen ging ze in de vroegte uit haar huis en liet haar jongen alleen.

"Wees zoet vandaag en speel niet bij den Jeker," zeide ze iederen dag, wanneer zij--vertrok.

Eens kwam zij van de stad in het dorp terug, toen ze bij haar woning een groote menigte menschen zag. IJlings trad ze naderbij. Men week. Tot haar ontzetting bemerkte ze, dat men haar binnen den kring liet.

Haar knaapje lag lang uitgestrekt, dood. Zijn hoofdje was blauw opgezet, en de angst leefde nog om den dooden mond, waaruit flauw 't water siepelde. Vóór haar vreeselijken schrik, die alle reden in haar verdrong, was zij er zich van bewust, dat er striemen van een knellende hand in 't nekje waren, en waar een nagel had getroffen, was bloed.

"Moord," zoo fluisterde men.

De moeder was naast haar jongen neergevallen, het gezicht ter aarde. Ze weende niet, want haar verdriet was te groot. Ze wist niet, wat er om haar geschiedde. Ze was niets dan smart, en haar bewustzijn viel daarin terneer als een steen in bodemloos water.

De schout had zich door de massa gedrongen, en hij stond voor de roerlooze groep, moeder en kind.

"Wat is hier geschied?" zoo vroeg hij.

Er was een stem uit de menigte:

"De knaap is vermoord, en die de daad heeft bedreven, ligt er niet ver vandaan."

't Volk morde:

"De moeder heeft haar eigen kind gedood. Daarom kan ze niet weenen."

Men begreep niet, dat het leed geen klank heeft. De schout beval zijn dienaren, de vrouw mede te nemen, en haar in 't gevang te werpen.

Nadat zij uit haar angstigen droom ontwaakt was, en sidderende overeind rees, zag ze met angst, dat men haar alleen had gelaten. Ze sloeg de handen aan het voorhoofd, en trachtte zich te bezinnen. Eensklaps stiet ze een snerpenden gil uit.

"Jean--mijn kind."

Ze zonk op haar knieën en betastte den vloer.

"Hebben ze jou van me weggenomen?"

Haar handen, zoekende, glijdende over den bodem, raakten de vochtige steenen van den wand. Ze richtte zich iets op--het was alles steen--dat zij vond--klamme, zweetende kilheid. Zij probeerde in de enge ruimte iets te vinden, waaruit zij begrijpen kon, welke plaats men haar had aangewezen. Haar woning was het niet. Bij het tasten stiet haar been tegen een hard voorwerp, en in dezen klankloozen, kleurloozen nacht, begrepen eindelijk haar blinde vingers, dat het een brits was.

"'t Kot!" riep ze in angst. "O! waar heb ik dat aan verdiend? Mijn kind dood ... en ik in 't gevang!"

Ze strekte zich op den vloer uit, maar ze gevoelde de hardheid van den bodem niet. Dof gonsden haar hersenen. Ze sliep niet en waakte niet. Waren haar droomen gedachten of haar gedachten droomen? Was het eerste zonnelicht, dat bevende drong langs de traliën, en een bilzenkruid-kleurigen nevel spreidde in de sombere cel, een vloek of een zegen?

De schout en zijn dienaren traden binnen. Ze grepen haar ruw bij den schouder.

"Mede naar de linde van Canne. De schepenen wachten," zoo bevalen zij.

