Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 3
"Heer graaf? Ik ruik er wel naar."
"De maarschalk van Bourgondië vroeg met ernstig-verwijtende stem:
"Herkent gij ons niet? Heeft Uwe Hoogheid soms niet geslapen, dat haar geest beneveld is. Ik ben haar maarschalk van Bourgondië."
Één voor één gingen ze langs zijn bed, en noemden hunne titels.
"Ik ben Uw zegelbewaarder."
"Ik ben Uw opperschenker."
"Ik Uw broodmeester."
"Ik een hofjonker."
"Ik de bevelhebber Uwer wacht."
"Ik de gouverneur van Uw paleis."
Toen naderde hem de schoone Isabella van Portugal, en liefelijk zeide zij:
"Wij zijn Uw vorstelijke gade."
"Mijn vrouw," riep de vroolijke Willem. "Wilt gij beweren, dat ge mijn vrouw zijt? Al 't andere moge waar zijn, ja, ik geloof, dat ik de graaf van Holland ben, maar mijn vrouw zijt ge niet. Mijn vrouw heeft zooveel wratten op haar gezicht, als ik gisteren glazen heb geledigd, en dat is heel wat, en mijn vrouw heeft een stem, om den Duivel te verjagen. Haar oogen zijn zoo groen als gras, en de kleur van haar huid is zoo geel als een blad in den herfst. Mijn vrouw heeft een middel als een groote ton bier. Neen, nu gij zegt, dat ge mijn vrouw zijt, weet ik, dat ik droom en met verlof van deze edele ridders zal ik weer gaan slapen."
Zoet antwoordde hem de heerlijke vrouw:
"Ge zijt de graaf van Holland, en wij zijn Uw getrouwe echtgenoote, die uit liefde voor U zou willen sterven--"
"Sterven?" riep de schoenlapper wanhopig. "Zoo waar ik Willem van Nieuwen ben en in de Korte Poten woon...."
"De heer graaf wil ons bedroeven."
"Dus ben ik de zeer dappere, zeer machtige, zeer edele Filips, hertog van Lotharingen en Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland, van Vlaanderen en Henegouwen, Heer van Friesland--"
"Zijne Hoogheid weet wel, wie zij is. Zijne Hoogheid wil zich ten koste van ons vermaken."
"Zoo gij 't zegt, ben ik de graaf van Holland. En toch had ik bij alle Heiligen willen zweren, dat ik de schoenlapper uit de Korte Poten ben. Ge weet wel ... Willem van Nieuwen. Zoo er iemand uit dit doorluchtig gezelschap iets te repareeren heeft--"
"Kom--wij zullen ons thans verwijderen, behalve de opzichter Uwer garderobe, opdat Uwe Hoogheid zich kan kleeden--"
Weder was er zachte muziek, van een blijde melodie, zingende van de lente, zingende van geluk. Het lied van den glimlach, of de wereld zonder zorgen ware, rimpelloos gelijk een Meiedag.
"Vandaag moet Uwe Hoogheid haar beste kleederen aantrekken," sprak de opzichter der garderobe, en hij reikte hem de roode schoenen met gespen, de granaten kousebanden, de groen fluweelen met goud geborduurde broek, den satijnen overrok, den bruinzijden met zilver geborduurden gordel, de zwarte muts met purperen kleppen, den hermelijnen mantel, alles neerliggende op een kostbaar kussen. Eerbiedig boog zich de dienaar, om zijn vorst te kleeden.
"Stil! stil!" riep Willem uit, "dat speel ik zelf wel klaar."
"Dat zou tegen de gewoonte van Uwe Hoogheid zijn."
Toen hij gekleed was, geleidde men hem naar de eetzaal, waar hem zijn gade reeds wachtte.
"O! onze held, hoe hebben wij naar u verlangd," zeide ze zachtkens. "Zijt ge verlost van uw kwaden droom, dat ge slechts een arme schoenlapper zijt?"
Willem bekeek zijn kleederen, en peinzend bleef eindelijk zijn blik op zijn roode schoenen rusten.
"Kijk eens, geliefde echtgenoote--wat die broek of die kousebanden van me waard zijn, weet ik niet, doch zulke schoenen als ik, heeft alleen maar de graaf van Holland, en daarom moet ik wel gelooven, dat ik ben, wat ge zegt, hoewel ik me ook niet kan verklaren, hoe een graaf van Holland zooveel verstand van schoenen heeft." Hij krabde zich 't hoofd. "En ziet ge, alles zou ik nog wel aannemen, maar de vrouw van den vroolijken Willem met haar wratten en haar schelle stem, zit me in den weg--"
"Spreek, edele heer, niet van een andere vrouw in onze tegenwoordigheid. Wij hebben U lief, en liefde is ijverzucht."
"IJverzuchtig behoeft ge op de vrouw van den schoenlapper van Nieuwen niet te zijn." Hij zuchtte. "Wij gelooven u, onze gemalin. Wij zijn de graaf van Holland! Wij zijn de graaf van Holland! Het overige is een kwade droom."
Zijn oogen schitterden.
"Vertel ons, gemalin, wat doet de graaf van Holland den heelen dag?"
"Weet ge dat dan niet?" berispte ze hem. "Eerst behoort ge ter kerke te gaan, en na den noen moet ge rechtspreken."
"En dan?"
"Dan zet gij U met Uw edellieden tezamen, en zoo ge wilt, komen wij bij U en schenken U den wijn."
"Wijn? Daarin zullen wij ons sterk betoonen, dat verzekeren wij u."
Omringd door zijne hovelingen trok hij ter kerke. Omringd door zijne hovelingen wendde hij zich naar de zaal, om recht te spreken. Men wees hem den troon. Bevallig wierp hij zijn hermelijnen mantel over den arm, en plechtig wachtte hij de dingen, die zouden komen.
Een jonge man trad binnen en bleef aarzelend voor den zetel staan.
"Wat wilt gij?" vroeg hem Willem.
"Recht."
"Dat beloven wij u. Spreek vrindje--"
De klager, die niemand minder was dan de echte graaf, boog zich terneder.
"Wij hebben lang genoeg gewacht--Zeg eindelijk, wat gij verlangt
"Mijn schoonvader houdt een herberg aan de Korte Poten, Uwe Hoogheid. Één zijner klanten is een liederlijke guit, een dronkaard, Willem van Nieuwen, die zijn beroep slecht verstaat--"
"Halt!" viel hem de rechter in de rede. "Dat is een leugen, want er is geen betere schoenmaker in de stad dan Willem van Nieuwen, en het is daarom ook, dat wij u als onzen vorstelijken wil te kennen geven, om slechts bij dien schoenmaker te koopen."
Een oogenblik was het stilte. De lach kriebelde de hovelingen in de keel, doch allen wisten hun vroolijkheid tot daartoe in te houden.
De graaf zette zijn verhoor voort:
"Vertel ons, wat uw vader voor klacht heeft tegen den vroolijken Willem. Doch wees in uw woorden voorzichtig! Wij kennen den man nauwkeurig."
"Mijn vader heeft den onwaardigen schelm--"
"Beleedig den man niet! Wees op uw hoede."
"Hij heeft hem steeds op goed vertrouwen geschonken, doch nimmer eenen duit van hem ontvangen. Thans is Willem hem elf gulden schuldig, welke hij weigert te betalen. Heer graaf! brengt gij den man tot rede."
"Wij weten van het geval, en we weten, wie uw schoonvader is. Het is de waard met de hazenlip en met den geknapten neus, dien hij in een vechtpartij heeft gekregen. Hij is zoo scheel, dat hij alles dubbel ziet, behalve de glazen, waarin hij schenkt, want die geeft hij maar voor de helft, en het is meer schuim dan bier, dat hij daarbij nog geeft. Wanneer Willem van Nieuwen hem meer dan vijf gulden schuldig is, laten wij ons hangen. Daar wij echter een genadig vorst zijn--"hierbij stond hij op--"zullen wij ditmaal genade voor recht doen gelden, en daar Willem een vroolijk kompaan is, dien wij een toegenegen hart toedragen, bevelen wij onzen rentmeester den klager elf gulden uit te betalen."
Dit geschiedde:
De rentmeester telde den jongen man elf gulden uit.
Willem oogde hem na, tot hij de zaal had verlaten: Toen riep hij uit:
"Een onbeschaamd gezel. Het is jammer, dat wij hem niet hebben gevraagd, waar hij woont, want wij voelen lust, om hem eens te gelegener tijd af te rossen. Dat is voorbij. Is er nog een geding te beslissen?"
"Uwe Hoogheid is zeker vermoeid van dit rechtsgeding," zoo sprak de maarschalk van Bourgondië, "en ik raad Uwe Hoogheid aan, een frisschen dronk te nemen, opdat de gedachten van Uwe Hoogheid kunnen rusten."
"Hiertegen hebben wij niets in te brengen," schaterde de schoenlapper. "Haal ons den lekkersten wijn, dien ge in den kelder hebt, en voorwaar! nu zullen wij u laten zien, dat niemand den graaf van Holland in het drinken evenaart."
"Zeg dat niet te spoedig, heer graaf!" zoo zeide hem Jan de Berghes, "want voorzeker! ik heb reeds alle edellieden van Brabant in dat tournooi doen sneven."
"De wedstrijd worde onmiddellijk aangegaan! Edele gemalin, reik ons de bekers."
Niet zag de schoenmaker, dat zij Jan de Berghes' roemer slechts voor de helft, zijn eigen beker daarentegen telkens vol schonk. Hij dronk in een teug, en hij glimlachte, toen Jan de Berghes drie malen over zijn deel deed.
"Beken het ons maar," schreeuwde hij, "dat ge niet tegen ons kunt overwinnen."
"Het einde zal het leeren."
Ze deden elkander bescheid. Weder ledigde Willem den beker in éénen teug, Jan de Berghes in drie.
"Hahaha! ge zijt voorzichtig ... ge ziet, dat ge met een vermaard' drinker hebt aangebonden, en daarom vreezen wij voor u.
"Het zal anders komen dan ge denkt," hitste jan.
De schoone Isabella lachte.
"Ons dunkt, dat onze gemaal zal winnen."
Met schorre stem antwoordde Willem:
"Bijlo! dat zijn goede woorden. Als de heer van Berghes tegen den grond ligt, zullen wij er u met een kus mede beloonen."
Onafgewend bleef ze hem aanzien, terwijl ze hem den boordevollen beker reikte.
"Doe thans ons met eenen teug bescheid," zoo smeekte ze.
En weder dronk hij.
Toen de avond kwam, viel de vroolijke Willem als een overwonnene ter aarde, en hij snurkte, of hij de dooden moest wekken. Haastig kleedde men hem in zijn oude lompen. Hij bemerkte het niet, dat weder de heeren de Berghes en de Lannoy hem op de sterke schouderen droegen, thans om hem 't paleis uit te voeren. Zonder hem te schommelen, brachten ze hem naar het Voorhout, en legden hem daar ter plaatse, waar hij den vorigen avond gezonken was. Onhoorbaar verwijderden zij zich.
Willem snurkte.
Wat deerde 't hem, dat zijn kussen de aarde was, en zijn deken de koude nachtlucht? Hij was in een wereld van gelukzaligheid, waarin het leven een droom is. De echo van een blijde melodie was er in zijn sprookjesachtig bewustzijn en nooit had hij in den zonderlingen waan, die zijn slaap begeleidde, kunnen denken, dat hij de vroolijke Willem was, snurkend onder den blooten hemel. Ach neen! hij was de graaf van Holland, de schoone Isabella was zijn gemalin.
De wreede dag brak aan. 't Eerste roerlooze licht van den morgen schemerde bleekwit langs de takken der boomen, en alle hanen van 's Gravenhage kraaiden elkander tegemoet. Nog weifelde de zonnegloed boven de vage schemering, die de dag troebelde door den nacht. Het geheim van het duister was steeds nog in het Haagsche Voorhout, de zware boomen wilden den nacht behouden, doch daar in een onbewaakt oogenblik was 't het eerste zonnestraaltje, dat over 't mos schoot, en vol-uit volgde een bundel van rooden glans. Blijde begonnen ineens alle vogelen te zingen. Voor de huizen der 's Gravenhaagsche burgers kakelden de kippen, knorden de zwijnen. Smeden en timmerlieden hervatten 't ambacht .... En langzamerhand begonnen ook de mieren in het Voorhout haar dagelijksche taak. Haar drommen stieten tegen 't lichaam van den snurkenden schoenlapper. Ze beten.
Wee! zijn ontwaken.
Hij richtte zich op, keek om zich heen, wreef zich in de oogen, en greep toen naar zijn beenen en lendenen, waar de verontruste mieren haar ergernis toonden. Hij sprong op, bekeek zijn ellendige plunje, en krabde zich 't hoofd. Hij zeide niets. Hij zette alleen maar zijn mond wijd open, en bleef onbeweeglijk staan.
Toen zuchtte hij, en langzaam ging hij naar zijn huis.
Niet de schoone Isabella van Portugal, maar zijn vrouw met de wratten wachtte hem. Hare handen waren niet zacht. Ze voerden den bezemsteel, en ze hanteerden dien danig tegen den armen schelm, die niets van zijn vroolijkheid had behouden. Hij zette zich aan zijn werk. Zijn muren waren met oude schoenen behangen. Zijn vloer was van aarde, en er waren geen kleeden op. Ook was er geen zachte muziek in zijn woning--en terwijl de schelle stem zijner vrouw hem honende trilde in zijn verdoofde ooren, mompelde hij:
"'t Was alles maar een droom. Ik had 't wel kunnen denken--'t was maar een droom."
VI
Gerard, de slechte Heer
In de Betuwe, Teisterbant, was eens een rijk heer, maar hij besteedde zijn geld niet aan goede dingen, en als er in de streek iets kwaads was geschied, zeide men:
"Dat heeft Gerard, de slechte heer, gedaan."
Vroeger was hij een goed heer geweest, doch vele booze geesten loeren op de onschuldige ziel: hartstocht en eerzucht en speelzucht en heerschzucht, die allen een stem hebben binnen 't geweten der menschen. Een dag was er een jonge man op Gerard's slot gekomen, die hem een brief van een zijner vrienden had gebracht: sinds dien zag men hen altijd samen. Nimmer had Gerard iemand gekend, die hem dierbaarder was.
In die dagen was de weerwolf weder in de Betuwe verschenen, en men zeide, dat er vreeselijke dingen zouden gebeuren. Want waar slechte daden en gedachten zijn, is de weerwolf: 't is een groote hond met een vlammende tong en vurige oogen. Hij rammelt met zijn ketting en loopt rechtop als een mensch. Zoo hij een stal voorbij-komt, rukken de paarden zich los en snellen dol in de weide.
Gerard en zijn vriend zouden een avond huiswaarts keeren, toen ineens een wilde storm kwam opzetten. Het duister sloeg loodzwaar neer, en de wind was als een gillende vloek, die aanhoudend schreeuwde door de lucht. Het water der rivier in de verte grommelde; de stammen der boomen werden gebeukt als met bijlen, de knappende takken sprongen woest tegen elkander, en in een warrelenden dans, schuifelende als voetstappen, slingerden de losgelaten bladeren over de ongeziene aarde. Gelijk de weeklacht van een reus was deze nacht, één lang-gerekte gil snerpte uit het duister. Plots verstomde 't geraas, en duidelijk klonk voor Gerard 't rammelen van een ketting. Hij zag twee vurige oogen, die, hoe zijn angstige paard zich ook wendde, voortdurend naar hem gericht waren. Daarna was de storm bedaard. De avond schemerde vredig.
"Heb je die vreemde oogen gezien?" vroeg Gerard, en hij klopte 't bevende paard tegen den hals. "De landlieden zeggen, dat de weerwolf is teruggekeerd."
"Dat is hij ook," lachte zijn vriend. "Ik heb hem al vele malen bemerkt, wanneer ik des avonds over 't land zag."
"Wat zou hij van ons willen?"
"De weerwolf wil niet, hij haalt, wat hem vervallen is."
"Wat zal hij halen?"
"Ga 't hem zelf vragen. Ik kan hierop geen antwoord geven."
Ze reden, zonder nog een woord te zeggen, naar het kasteel. Telkens zag Gerard zijn vriend aan, en het scheen hem, of er een gloed was in zijn oogen, welken hij bij een mensch nog nooit bemerkt had. Nadat zij eindelijk tehuis waren gekomen, en van hun paarden waren afgesprongen, vroeg Gerard:
"Waarom heb je niets tegen me gesproken?"
Het was een stem, die van verre scheen te komen, welke antwoordde:
"Laat mij--ik smeek 't je--op het oogenblik niets zeggen."
Zwijgende liepen zij de gang in, en gingen naar de kamer. Gerard beval zijne dienaren, zich te verwijderen. Hij keek zijn vriend in de oogen, welke hem lichtend geleken als de oogen van den weerwolf.
"Zeg me, wat dit alles te beteekenen heeft?" vroeg hij.
De vriend antwoordde met doffe stem:
"Je hebt mij gekend, zonder mij te kennen. Weet je, wie ik ben?"
"Het leek, toen ik je voor 't eerst zag, of ik je al jarenlang had gekend, en of ik al jarenlang met je had gesproken--"
"Dat had je ook."
"Van mijn jongste dagen, ja--ik zou bijna zeggen, van mijn geboorte."
"Ja--ja."
"Zeg me je waarlijken naam."
"O mijn naam! .... Luister naar me, Gerard. Ik ben door den duivel gezonden, want door mij wist hij van je geheime, slechte gedachten."
"Wie ben je dan?! Je naam, of--"
Hij nam het zwaard van den wand. Treurig sprak de ander:
"Je kunt me niet dooden. Ik ben en ben niet. Ik ben je grootste vriend en je grootste vijand. Ik ben een stem in je bloed, en door duivelsche macht heb ik menschengedaante aangenomen. Ik moet mijn plicht volbrengen. Zie! als je het zwaard in mijn hart stoot, zul je geen bloed zien."
"Alles heeft een naam--de Duivel heeft een naam--de weerwolf heeft een naam."
Nauwelijks had hij dit geroepen, of een ketting rammelde, en twee vurige oogen waren op Gerard gericht. Het scheen, of zijn vriend in de lucht vervloeide, en of er achter in de zaal een hond blafte.
Dit was de eerste keer, dat Gerard den weerwolf ontmoette. Het zou helaas! de laatste maal niet zijn.
Al had zijn vriend hem verlaten, toch geleek het den heer in Teisterbant, of diens stem altijd tot hem sprak, hitsend tot kwade dingen. Zacht zeide hem een klank binnen in zijn ziel, dat hij zijn oude, goede, trouwe makkers moest opgeven, en dat hij nieuwe, slechte kameraden moest zoeken.
Hij vond ze ook, want slechte vrienden zijn overvloedig. Het waren beruchte kompanen, met wie hij voortaan omging: sluwe oplichters, kaartspelers en drinkebroers.
Tot dusver was hij gewoon geweest, wanneer de oogst schraal stond, zijn pachters uitstel van betaling te geven: nu, in dit booze jaar, terwijl de weerwolf zijn kwaad bedreef, kende hij geen genade.
Er was een oude boer, die zijn geheele leven op een zijner pachthoeven had gewoond, en die thans in zwaren nood verkeerde, want de oogst was mislukt, en zijn vee was gestorven. Hij kwam bij hem op het kasteel, en smeekte hem om medelijden. Gerard vloekte en riep uit:
"Als je niet betaalt, jaag ik je van de boerderij als een hond."
De oude man wrong zijn handen, en riep in doodsangst, o! doodsangst was het:
"Laat me op de boerderij blijven wonen."
Gerard lachte:
"Als je betaalt."
De oude man ging met moeden tred heen. Hij zag zijn heer niet aan--'t geluid echter zijner voetstappen, zooals ze klonken op de trap en op 't kiezelsteen van den tuin--was een verwijt, scherper dan woorden kunnen zeggen. Gerard luisterde er niet naar, en des middags vertelde hij in de kroeg, wat hij bedreven had.
Zijn beste vriend, die magere Hein werd genoemd, knikte hem goedkeurend toe, terwijl hij een oogenblik de kaarten liet rusten.
"Dat is goed zoo, Gerard, je had 't bijna niet beter kunnen doen!"
"_Bijna_ niet--magere Hein?" vroeg de heer verwonderd, "wat bedoel je daarmee?"
"Er zou nog iets beters gedaan kunnen worden!"
"Wat meen je toch?"
Magere Hein nam de kaarten op, floot tusschen zijn tanden, en lachte:
"Vooruit! bestel nog een borrel, en we zullen kaartspelen."
Gerard boog zich voorover en greep hem bij den pols.
"Leg je kaarten neer, ik wil weten, wat je bedoelt."
"Ik wil alleen nog maar zeggen, Gerard, dat je een leerling in het vak bent."
Ze speelden. Ze namen de kaarten, en gooiden ze neder, ze schudden ze, en gaven. Gerard lette niet op, en verloor. Hij was met honderd goudstukken in de herberg gekomen, maar na drie uur was er niets meer van zijn geld over. Magere Hein streek koelbloedig 't goud van de tafel, en liet het in zijn beurs vallen.
"Ziezoo! tot morgen," lachte hij.
Gerard keek hem aan, en vroeg langzaam:
"Je hebt zooeven gezegd, dat ik een nieuweling in 't vak ben. Nu ik zooveel geld aan je heb verspeeld, mag ik zeker wel weten, watje meent."
Magere Hein liet zijn beurs in den zak dansen, dat de goudstukken tinkelden.
"Zie maar eens naar de kleindochter van den boer, en je zult jezelf een antwoord geven."
Verder sprak hij niet. Vóór de kroeg namen zij van elkaar afscheid.
Eenzaam ging Gerard den weg naar huis. Hij dacht aan den avond, dat hij met zijn vroegeren vriend den weerwolf ontmoet had, toen, na den storm, de weiden even zoo schemerig-vredig waren geweest. Als toen waren de slooten zoo blank en roerloos, en stil lag in hun schimmig zilver de schaduw der boomen. Onbewegelijk stonden eenige koeien op het land; vast, afgebakend was de diepe gloed van den horizon gespreid. Het landschap was zonder trilling en geluid, en het geleek Gerard, of er zelfs niet 't minste wolkje boven kon drijven, en of het verstard was tot aan den gezichteinder. Toen spalkte de gloed aan den hemel vaneen--een zwarte smook sloop lenig, wrong zich, door de opening, en boog zich spiedend naar beneden. Huiverend bleef hij staan. Een ketting rammelde, en aan den horizon lag de weerwolf, den muil wijd geopend, den vurigen tong wentelend, en de vreeselijke, gloeiende oogen naar zijn richting. Hij vermande zich, en riep:
"Weerwolf! zoekt ge mij?"
Dichtbij hem klonk een zacht gegrom, en toen hij den klank spiedend naderde, vloog een donker lichaam op en verdween met woeste sprongen in de verte.
"Weerwolf! booze wolf!" kreet hij.
Wankelend, een dronkaard gelijk, liep hij verder. Naast hem was een gedaante, die al zijn bewegingen nabootste, en hem in de ooren fluisterde:
"Waarom heb je mageren Hein niet gezegd, dat je den kleindochter van den boer reeds lang kende? Je wist, wat hij meende, je had de stem van zijn hart gehoord. Gerard! de tijd is rijp."
De heer stond stil en met hem zijn schaduw, Hij ging verder, en weder hoorde hij naast zich den ritselenden tred, die deed denken aan 't glijden van een blad in den herfst.
"Pluk de bloeiende kersen uit den boomgaard, Gerard. Waarom heb je den ouden boer niet gezegd, dat hij op 't land kon blijven, als .... Jij kunt slecht zijn, want je hebt geld. Niemand durft zich tegen je te verzetten."
Gerard sloeg de handen tegen zijn voorhoofd. Hij klaagde tot zichzelf:
"Is 't zoover met je gekomen? Onthef den armen man van zijn pacht--toen je vader nog leefde, woonde hij al op 't land. Laat 't volkje naam zegenen, en niet vervloeken."
De gestalte naast hem spotte:
"Probeer je niet te verzetten, want dat lukt je toch niet. Ga nu maar dadelijk naar den ouden boer en zeg hem, dat hij de boerderij in ruil voor zijn kleindochter 'kan behouden. Dat brave geweten van je is machteloos geworden."
Hiertegenover dreigde de stem, welke hem het goede voorschreef:
"Gerard als er een steen losgaat van den weg, volgen er meer. Je kunt nog terug--ga rustig naar je kasteel, en zoek den slaap des rechtvaardigen. Je weet wel, dat al je tegenwoordige vrienden je kwaad willen, verlaat ze! Het is ook laag, om den ganschen dag in een herberg met een verloopen sujet te kaarten. Eens kom je voor God's richterstoel, om verantwoording over je daden af te leggen. Wat zul je God dan antwoorden?"
Even zweeg de donkere schaduw, die met hem ging. Niet langer dan eenige seconden. Dan vleide ze:
"Wat is braafheid, en wat zul je ermede bereiken? Wees verstandig, Gerard. Men noemt je den schoonsten jongen man uit de streek, en zul je nu je jeugd laten voorbijgaan? Wie weet, wat er na dit leven is--Geloof de andere stem niet, die begrijpt er even weinig van als ik. Ik zeg je, dat je je moest schamen, wanneer je tegenover den mageren Hein komt te zitten, en hem zult zeggen, dat je den boer zonder vergoeding de pacht hebt vrijgescholden. Hij zal je uitlachen, en niet alleen magere Hein, maar ook lange Dries, en gezellige janus, ze zullen je met zijn drieën uitlachen, omdat je een domme, goede kerel bent. Er is nog nooit een braaf mensch geweest, die 't goed op de wereld heeft gehad."
Nog geruimen tijd duurde deze tweespraak. Ten lange leste stond Gerard voor de deur van den boer, en hij kon de beide stemmen nog volgen.
Hij klopte.
Er kwam geen antwoord, en hij trad binnen.
De boer zat aan de blank-houten tafel, zijn hoofd tusschen beide handen. Hij bewoog zich niet, toen Gerard voor hem stond. Hij bleef voor zich uit-staren, gelijk iemand, die zich iets herinnert, en mijmerend terug-leeft. Zijn oogen waren vergroot, en onwillekeurig hield hij de handen, waarmede hij zijn gelaat ondersteunde, tot vuisten gebald.
Zijn kleindochter spon vlas--het wiel snorde, doch ze zong er geen lied bij. Zij dacht niet aan het verleden, zij dacht aan de toekomst. Wat zou Jan zeggen, als hij hoorde, dat zij de boerderij moesten verlaten? Zij spon het vlas--het wiel snorde, doch ze zong er niet bij.
Ze hoorde de klink van de deur, en hief 't hoofd.
Juist zóó was de vaag-roode tint van het avondlicht over haar bleek gelaat, en in gedempt goud werd haar blonde haar omvat. Terwijl aldus haar gezicht den stillen gloed ontving, vloeide uit haar handen, bij het spinnewiel, 't bloed weg, en wit, slank lagen ze bij het vlas.
Gerard naderde haar, en zag haar aan. Toornig richtte zij zich op.
"'t Huis hieruit, slechte man," riep ze. "Je vriend is de weerwolf."
Hij antwoordde haar met een schellen lach:
"Ik kom niet, om met jou te praten, maar met je grootvader."
"O! slechte man," fluisterde ze, "iedereen weet, dat weerwolf bij je is geweest."
"Praatjes."
"Jan heeft 't mij gezegd."