Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 29
WONDERLIJKE AVONTUREN VAN DEN RIDDER MET DEN ZWAAN (blz. 219-244). Schotel verwijlt lang bij dit verhaal, "wijl zijn geschiedenis uitsluitend een vaderlandsche legende ten grondslag heeft."
"Noch in het Zuiden van Frankrijk, noch in het Oosten, Griekenland of Rome (gelijk sommigen beweerden), maar in Frankenland moet het verhaal onzer sage gezocht worden. In het gebied der Merovaeussen, Chilperikken, Lothariussen, en wel in dat gedeelte van hun gebied, dat zich van den Rijn tot aan de Schelde uitstrekt, stond haar wieg en bakermat."
Reeds het feit, dat de ridder met den zwaan in Nijmegen aan-komt, is voor ons een aanwijzing, dat wij dit oud verhaal, dat door Wagner's opera een wijde vermaardheid heeft verkregen, in den bundel behooren op te nemen al plaatst mr. L. Ph. C. van den Bergh zijn oorsprong in het Noordelijk Frankrijk. [28]
DE SCHELPENGROT OP NIENOORT (blz. 244-252). Levende sage.
VAN EENEN RIDDER (blz. 252-255), met
VAN EENEN KOSTER EN EENE KOSTERIN (blz. 255-259), behoorende tot de Maria-legenden.
Men zal tegen mij opwerpen, dat hier niet de "Beatrijs" is gekozen, doch na de bewerking van Boutens was er natuurlijke aarzeling bij mij, om bij de poëtische wedergave nog een in proza te voegen.
Daarbij kwam nog de eigenaardige omstandigheid, dat er nog een sage onder ons volk leeft, welke met de legende van Beatrijs overeenkomst vertoont en wel de hier behandelde sage van
DE BERGTOREN VAN DEVENTER (blz. 260-265).
EEN SCHOONE HISTORIE VAN DE VIER HEEMSKINDEREN (blz. 265-275). Uit den Fabelkring van Karel den Groote. Wellicht een der meest-geliefde romans in de 15e, 16e eeuw, ja later nog zette zich de liefde van ons volk voor de vier Aymijns kinderen op hun ros Beyaert voort, en de Montelbaens-toren te Amsterdam zal eeuwig een heugenis blijven van den invloed dezer sage. Terwijl alle andere Arthur- en Karel-romans reeds tot de vergetelheid behoorden, en sergeant-majooor van Altena b.v. in 1812 zeer verbaasd was, toen hij in verschillende Duitsche plaatsen van zekeren Roland hoorde vertellen, was in 't begin der 19e eeuw de sage der Heemskinderen nog levend in ons volk.
J. A. Alberdingk Thym zegt van dit verhaal:
"De Nederlanders hebben de Heemskinderen bemind met eene trouwe, met eene ridderlijke, met eene Middeleeuwsche liefde, en niet alleen, toen zij aan de hoven der Vorsten, op de hooge burchten der Baanrotsen verkeerden, toen zij door dichters werden ingeleid, die slechts bij uitzondering de gouden sporen ontspanden, om de feestzaal te betreden, dichters, wien de harp in handen blonk, al dekte de hertogsgroet of gravenwrong hun kruin: neen, ook toen de Heemskinderen, als kermisgasten in roode en gele lompen gekleed, door den modder onzer pleinen en bruggen gevoerd, bij het orgel van een straatmuzikant hun armen ouden Beyaert kunsten moesten afdwingen nog toen bleef de liefdes des volks volstandig, nog toen beminden zij die eenmaal zoo fiere jongelingen op hun heldhaftig paard."
En nu--in 't begin der 19e eeuw verschijnt er dus weder een verkorte uitgave van de lotgevallen der vier broeders, een uitgave, welke eindigt met den dood van Beyaert. Want het is vooral de dood van Beyaert, die de "Vier Heemskinderen" zoo dramatisch maakt: 't is het leed om een stervend paard, dat wij met de middeleeuwsche menschen begrijpen. Niet de vele avonturen der ridders kunnen wij zoozeer waardeeren, maar wel hebben wij Adelaert lief als een broeder, wanneer hij uitroept:
"Beyaert! Beyaert! een valschen heer hebt gij gediend en met slecht loon wordt gij betaald."
Dit tooneel alleen zal de wensch van Wolf en Deken dat er "iemand, niet misdeelt van aardig vernuft, onder ons zou opstaan, die een geheel nieuwe Uitgaaf bezorgde van de schoone historie der Vier Heemskinderen" voor alle geslachten, al leven zij duizend jaar na ons, weder bij verschillende doen opkomen. Hier hebt ge dan een twintigeeuwsche bewerking, om de "Vier Heemskinderen" weder populair te maken voor dezen tijd. Aldus zal deze oude sage [29] steeds nieuw blijven.
FERGUUT, RIDDERROMAN UIT DEN FABELKRING VAN DE RONDE TAFEL (blz. 275-311). In 1908 verscheen de laatste Hollandsche Uitgave van de Ferguut, en wel van dr. Eelco Verwijs, opnieuw bewerkt en uitgegeven door dr. Verdam. Door mij is tevens geraadpleegd het werk van L. G. Visscher (1838). Men begrijpt, dat door mij het werk van Visscher reeds hierom wordt gewaardeerd, omdat deze ervoor heeft gewaakt, dat de "Ferguut"--voor mij de mooiste ridderroman uit den Fabelkring van de Ronde Tafel--is blijven leven in veler belangstelling. Wel zal ik niet ontkennen, dat Verdam een verdienstelijk werk heeft gedaan, door in het wetenschappelijk tournooi deze "gebrekkige uitgave" den genadestoot toe te brengen, maar ik, bovenal bewogen als schrijver door den werkelijken roman, moet mij van dezen kamp afzijdig houden.
Voor mij is de "Ferguut" nog als stroomend bloed in 't lichaam van dezen tijd, en wij zelf kunnen er ons in weder-kennen, wij de onervaren droomers, die het leven moeten leeren begrijpen. Onze jonge ziel gaat uit naar een verheven doel ... tot alles achten wij ons wel bekwaam, en uittrekkende ontmoeten wij onze eerste vijanden, nadat we den twijfel hebben overwonnen. Staat daarna niet Keye, de spotter, voor ons allen gereed? Maar, o wonder! komt niet tegelijkertijd onze eerste, groote vriend, die de hand op onzen schouder legt, maar die niet kan beletten, dat wij daarbuiten weder moeten zwerven, zonder genade--
De arme Ferguut! In _zijn_ tijd [30] het type van den vaarlijken ridder, al komt hij op uit eenvoudig geslacht, wordt hij voor ons eeuwiglijk de droomer, de strevende man, die voortdurend wordt gehinderd door 't leven. Men ziet, dat 't geluk dichtbij hem is, doch lichtzinnig als een jonge knaap, die lachend wijst naar de scherven eener gebroken vaas, weet hij niet, welke kostbaarheid er voor hem verloren gaat. En als wij later zien, hoe hij zich afwendt van de jonkvrouw Galiëne, vol schaamte over zijn moed, nadat hij haar heeft bevrijd, zeggen wij:
"Het was een mensch, deze Ferguut, en hij leeft als een man in 't boek van een groot schrijver."
Heb ik de ontroering mijner ziel, terwijl ik de Ferguut voor u vertaalde, genoeg in 't werk zelve kunnen leggen? Dit is de menschelijkste der Arthur-sagen, een der meesterwerken van de wereld-literatuur.
WONDERLIJKE GESCHIEDENISSEN UIT FRIESLAND (blz. 311-321). In vele oude geschiedenis-boeken over Friesland worden deze verhalen min of meer als _historie_ behandeld: dat ze echter bij de sagen behooren, behoeft geen betoog.
ZUWAERT, DE MARTELARES VAN DORDRECHT (blz. 321-323). Is gekozen als voorbeeld eener Katholieke legende. Zoo deze bundel door een tweeden wordt aangevuld, zullen daarin verdere verhalen over Nederlandsche martelaren of heiligen worden opgenomen.
DE ENGELSCHE KONINGSDOCHTER (blz. 323-332). Bekende sage over 't ontstaan van 't wapen der heeren van Heusden.
DE VLIEGENDE HOLLANDER (blz. 332-338). Niet ligt aan deze sage 't verhaal van Kaïn (Waleram en Reginald, blz. 74 en vlgd. van dit boek) ten grondslag, zooals door sommigen wordt aangenomen. Is ze een fantasie van Heinrich Heine? Zie "Aus den Memoiren des Herrn von Schnabelewotzski."
Door Wagner's opera heeft ze zich verspreid over de gansche wereld, en zóó is er nog in dezen tijd in Zuid-Afrika, dat arm is aan "Europeesche" sagen, een variatie uit ontstaan.
ONTMOETING MET DEN VLIEGENDEN HOLLANDER (blz. 338-342). O.a. door Waling Dijkstra medegedeeld.
DE SAGE DER "LUTINE" (blz. 342-346). Van deze sage bestaat minstens één gedicht, door een liedjeszanger bij den weg gevent. Ik heb het in Zwolle hooren zingen, maar het was uitverkocht, toen ik er mij meester van wilde maken. Zoodra het in mijn bezit is, hoop ik het te publiceeren.
DOKTOR FAUST BIJ BOMMEL (blz. 346-352).
AVONTUREN VAN DOKTOR FAUSTUS IN LEEUWARDEN (blz. 352-356). Dokter Faustus brengt het er in Nederland wel armzalig af. Hij is hier slechts de toovenaar bij uitnemendheid, die toevallig den naam van Faust heeft aangenomen. Faust was hier welbekend door den volksroman "De Historie van Docter Johannes Faustus, die een uitnemenden grooten tovenaar in zwarte Konsten was ...." enz., welks verschijning door mr. van den Bergh waarschijnlijk wordt gesteld op het einde der 17e eeuw.
Na de voleindiging dezer "Aanteekeningen" wensch ik gaarne een woord van dank te brengen aan den heer C. A. van Fenema, conservator aan de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Groningen, die mij met diverse aanwijzingen van dienst is geweest.
1914-1917.
AANTEEKENINGEN
[1] Volgens de bekende Twentsche folklorist J. J. van Deinse, zeide men, dat vroeger op de boerderij "de Lappe" een roode deek uithing, ter waarschuwing van de smokkelaars. (Driemaand. Bladen XV, blz. 9).
[2] Elkaar.
[3] Proper meisje.
[4] Meisje.
[5] Ham.
[6] Beide namen voor kabouters.
[7] Teenstra. Volksverhalen en Legenden.
[8] Graafschap Glocester?
[9] Toter Dunouwen.
[10] Oorspronkelijk natuurlijk perel.
[11] Oorspronkelijk "weer."
[12] Johan Wilhelm Wolf. Niederländische Sagen (S. 30 en 31).
[13] "Witte wiven" heb ik niet als trawanten van den Duivel gevonden, zij het, dat ze bij Tubbergen de "lokkende zonde" voorstellen, ook wel bij Holten, bij Tubbergen voor vrouwen, bij Holten en vele andere plaatsen voor mannen. Spokende honden, kalveren, hazen en gedaanten komen nog wel voor (een spokend kalf o.a. op het Bolwerk bij Dokkum, een 'witte man,' een witte haas bij Zwolle).
[14] Cursiveering van mij.
[15] Dat er toovenaars waren, die het weder konden maken, is een geloof, dat sinds langen tijd heeft bestaan en in vele landen (Afrikaansche regenmakers) voorkomt.
[16] Dit geloof in der heksen macht en boosaardigheid duurt tot, men kan zeggen, dezen tijd voort. De door mij behandelde sage is er een goed voorbeeld van.
[17] Gewone pijnigingsmiddelen.
[18] Gewone pijnigingsmiddelen.
[19] Werd algemeen toegepast. Zie ook Hansen: Zauberwahn, Inquisition und Hexenprozesz im Mittelalter. De reden vindt men later in den brief.
[20] Hansen, Joseph. Quellen und Untersuchungen zur Geschichte des Hexenwahns und der Hexenverfolgung im Mittelalter.
[21] Men leze hierover b.v. Scherr, Johannes Menschliche Tragikomödie (ed. Volksausgabe Leipzig Hesse und Becker) sechster Band: Die Hexe von Glarus.
[22] Ontdecking van Toverij.
[23] Men zal hebben opgemerkt, dat van hekserij altijd vrouwen, nooit mannen werden beschuldigd. Dit is voornamelijk te wijten aan het boek "Malleus Malificarum" (1486), de "Heksenhamer," van Heinrich Institoris en Jakob Sprenger. In mijn bezit bevindt zich nog de "Historie van 't gheene geschiet is in Artoys inde stadt van Atrecht" in 1459, waarbij verschillende mannen werden aangeklaagd van een bondgenootschap met den Duivel en duivelsche toovenarij.
[24] Reeds in de 17e eeuw is bij ons de opmerking gemaakt, hoe wonderlijk het eigenlijk is, dat de heksen, die immers een verbond met den duivel hadden gesloten, bijna steeds zonder middelen waren. Slechts in enkele gevallen (de sage van doktor Faustus in Leeuwarden) zien we, dat een rijkere dame verdacht wordt een heks te zijn.
[25] Voor hem, die er belang in stelt verwijzen we weder naar Hansen: Zauberwahn, Inquisition und Hexenprozesz im Mittelalter.
[26] Meermalen "zwerven" sagen van de eene plaats naar de andere, soms, nadat ze, soms vóórdat ze gedrukt zijn. Dan treden verschillende variaties te voorschijn. Dikwijls zijn het vagebonden, die de een of andere overlevering brengen van 't eene dorp in 't andere, en gaande over den weg, fantaseeren. Ook wel heeft men in sommige plaatsen lieden, die al pratende de variaties vinden.
[27] Volksgeest niet te nemen inden zin van: "geest der kleine luyden." Er zijn zeer ontwikkelde menschen, die den "voorloop" hebben of erin gelooven.
[28] Mr. L. Ph. C. van den Bergh. De Nederlandsche Volksromans.
[29] Das Gedicht von Reinout gehört wenigstens in die zweite Hälfte des 13 Jahrhunderts. Mone. Übersicht der niederländischen Volks-Literatur älterer Zeit.
[30] De Fergus dagteekent naar alle waarschijnlijkheid uit de eerste jaren der XIIIe Eeuw en is het werk van Guillaume le Clerc. Verdam, Ferguut blz. III.
End of Project Gutenberg's Nederlandsche Sagen en Legenden, by Josef Cohen