Nederlandsche Sagen en Legenden

Part 28

Chapter 28 3,773 words Public domain Markdown

Natuurlijk, dat op de Veluwe verschillende heuvels door reuzen zijn gebouwd--zooals in verschillende andere deelen van Gelderland (Hoenderberg bij Nijmegen). Op 't Ellertsveld komen meerdere reuzen-verhalen voor. De duivel stelt men zich voor als een gigant, die op een heuvel woont (de Papenlooze Kerk).

In 't programma der feesten te Hilligersberg heeft men een lied aan de reuzin gewijd, dat aldus begint:

"Toen Hillegond, een reuzemaagd, Van Hollands duinenrand, Onschuldig werd van huis gejaagd, Nam zij haar schoot vol zand. Zij zocht een plaats voor 't souvenir, Van haren dierbren grond, En 't lieve meisje stichtte hier Den berg van Hillegond."

Dat de reuzen nog in talrijke volks-sprookjes leven, evenals de kabouters, spreekt wel vanzelf. De toekomstige schrijver der "Nederlandsche Sprookjes" zal er misschien verscheidene kunnen opdiepen!!

ZOMERSNEEUW (blz. 95-101). Steffens zegt in zijn Geschiedenis der aloude heerlijkheid ter Horst (vgl. "Limburg" XX, 3e afl.): "In Horst geschiedde de rechtspleging onder eene eeuwenoude linde op den voorhof van den burcht."

Het gedicht, dat in dit boek is aangehaald, en dat door den volksgeest is gedicht, vinden we gedeeltelijk in 't dialect van Canne opgenomen in dezelfde aflevering van Limburg. 't Begint aldus:

"Kint geer in Canne deen auwe lin, dee tegen De berg, kort aon 't klein kapelke steit, Zen blajerkroen, die is zoe dîk, dat rege Noch zonneschijn, noch wint terdoor en geit."

Mooi klinkt vooral--en als ge in de buurt van Canne komt, moet ge het door een inwoner eens laten zeggen!:

"Zoe min es 't noe in zomerhits kaan snieë En 't nach kaan zijn in volle dageschijn, Zoe min mag geer gebruuk en wet versmieë En zal dees vrouw zich vrijgesproke zien."

MIRJAM, SAGE UIT DEN ACHTERHOEK (blz. 101-106). Wie zal zeggen, of deze sage, van welke ik een achttal jaren geleden nog maar enkele resten aantrof, niet meer een historisch feit is dan wel een overlevering, en of de geschiedenis zich in den tijd van den Zwarten Dood niet ergens in den Achterhoek werkelijk heeft afgespeeld?

Wanneer ik in 1912 had geweten, dat de heer H. J. Westerling in "De Gids" een artikel wilde publiceeren over de vroegste geschiedenis der Joden in Nederland ("Een Bijdrage tot de vroegste geschiedenis der Joden in Nederland," De Gids 1912, IV blz. 512), hadde ik voorzeker zijn artikel kunnen completeeren. Onder de plaatsen, welke de heer Westerling als verblijfplaats in het beruchte jaar 1349 voor de Joden op kan geven, behoort Ruurloo niet. Wel werden toen de Zwolsche Joden "ad majorem Dei gloriam" (of hier heerschte de amor Dei) doodgeslagen. Geheel uit liefde tot God, vertaalt de heer Westerling, die verder uit een Joodsch gebedenboek, in de 14e eeuw geschreven, aanhaalt de volgende plaatsen, waar in 1349 tijdens den Zwarten Dood gemoord werd:

Nijmegen, Arnhem, Zutfen, Deventer, Zwolle, Utrecht, Keppel en Broek aan den Ouden IJsel. Men merkt het, dat het meest plaatsen zijn in het Oosten van ons land gelegen, waarvan verschillende in den Achterhoek. Dat de Jodenmoord in Keppel bijvoorbeeld later naar Ruurloo door 't verhaal werd verplaatst, zou ons niet behoeven te verwonderen, en dat hier dan legendarische bijzonderheden aan werden verbonden, is bijna natuurlijk. Dat de Joden de bronnen hadden vergiftigd, om den Zwarten Dood te doen binnenrijden, was een algemeen-verbreide meening, waarom duizenden Hebreeërs zijn vermoord.

De heer Westerling o.a. schrijft ook hierover en vermeldt:

Arn. van Bevergerne daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat de Joden dood geslagen werden, omdat men hun de schuld gaf van de verschrikkelijke pestziekte de Zwarte Dood, die reeds een paar jaren Europa teisterde en toen deze streken bereikte."

"Do was over alle de werlt ein al te groeten sterfte, also dat de eyne den anderen kume begraven kunde, ofte dat d' ene daer by den anderen niet blijven kunde in syn lesten omme de overvloedicheyt der siekede. Ende hieromme werden aller wegen de Joden gedodet, want men gaff eher de schult der siekede."

DE GEVANGEN WOLK (blz. 106-111). Toen ik deze sage voor 't eerst hoorde, en ze naast Mirjam legde, werd het mij eenigszins zonderling te moede. Was het wel dezelfde Zwarte Dood, welke in Ruurloo een zoo lugubere, in den Enscheder Esch een zoo liefelijke, onschuldige overlevering deed ontstaan? In den Enscheder Esch van Joden en bronnenvergiftiging geen sprake--van de boetegangers, die zichzelf en anderen geeselden, kan zelfs niet gerept worden. Een "Nederlandscher" sage dan deze zal moeielijk te vinden zijn, en in dezen zin neemt ze naast "Kabouterwraak" zeker een eervolle plaats in.

De auteur van 't gedicht wordt door den heer J. J. van Deinse, den Twentschen volkskundige, niet vermeld, en dit is jammer. Het doet mij onderwijl genoegen, dat ik hiertoe thans in staat ben: de auteurs van dit gedicht zijn mejuffrouw C. Elderink en de heer J. J. van Deinse. 't Zal meerderen belang inboezemen.

Ik haal er in de "Aanteekeningen" nog een deel van aan.

"Eeuwen al zint der vuurbij egoan, Seent doar den Hölterhof hef estaon, Meer van vader op zön, van moond tot moond Geet doar bi'j de boeren de mare roond Hoe doar vervöl in puun en stof, De stèrke geslacht en den Hölterhof .... "

DE GIERIGE MULDER (blz. 111-116). Bekende sage.

DUIF EN DOFFER (blz. 116-122). Zie ook Limburg XX, 3e aflevering. Beroemde overlevering, d.w.z. zij behoort beroemd te zijn. Ik hoop hiertoe een weinig bij te kunnen dragen.

EMMA VAN HAARLEM (blz. 122-125). Vele steden (die Weiber von Weinsberg) bestrijden elkaar deze sage.

ELEONORA'S POLL (blz. 125-130).

DE KAMPER RAADSLIEDEN (blz. 130-132). Één der Kamper uien. Ik meende deze ook als "voorbeeld" in dezen bundel op te nemen.

DE WEERTER ROGSTEKERS (blz. 132-137). Legio is het aantal namen, dat den bewoners van verschillende steden wordt geschonken: "Weerter Rogstekers," "Deventer stokvisch," "Zutphensche wind," "Leeuwarder galgelappers," "Amsterdamsche koeketers," "Haarlemsche muggen," "Makkumsche strandroovers," "Franeker klokkedieven," "Winsumsche Spinzakken," "Asser biggen," "Bornsche meelvreters."

Aan een der Kamper uien (zie vgd.) ligt de Kampensche naam "Kamper steur" ten grondslag.

Verder: "Texelsche kwallen," "Hoornsche krentebollen," "Zaamslagsche strooplikkers," "Dordrechtsche schapedieven," "Zaandijksche krentekakkers."

Van "Haagsche bluffers" hebt ge algemeen gehoord, en de "Werkendamsche brijbroeken" genieten ook eenige reputatie.

In de verklaring dezer namen liggen verschillende verhalen ten grondslag.

Door een onbekenden X is een gedicht op de Weerter rogstekers geschreven. Hieraan is 't volgende ontleend:

Te Weert had nog niemand de peluw verlaten, Toen knakkend de kar ging de straat op en neer, De hoef van de paarden reeds klonk door de straten. Ineens ploft de rog uit de hotsende kar. En ligt als een ongedierte achter den wagen. Zijn vaalzwart, maar flikkerend oog als een star, Is zeker een teeken van onheil en plagen. Weldra komt een aaklig, naar galmend geschreeuw De rust der ontwakende Weertenaars storen ...."

De aanval op den rog wordt op geestige wijze aldus geteekend:

"Jan, steek!" riep een vrouw, die het venster uitkeek. "Als gij uw Jan," zei de andre, "'t gevaar zoo zaagt tergen Als mijn Jan, dan zoudt ge niet zeggen: Jan steek! Dan zoudt ge geen zekeren dood voor hem vergen."

En het roepen der landlieden:

"Alarm slaat nu 't doffe gerommel der trom, Verspreidt de verwondering door de gehuchten, Die allen in roer zijn: het klokkengebrom Doet ijslijk de loopende landlieden zuchten. Zij stroomen met hoopen door 't veld; als een wolk, Zoo worden zij zwart door de straten gedreven, En dringen vooruit door het krielende volk, En vragen: "Wat is er. Wat wil toch dat leven?"

't Onheil, dat de rog heeft aangericht:

"'t Heeft in Hamont drie menschen verscheurd, Vandaar is het pijlsnel op Budel gevlogen, Daar viel ook dit lot aan een koopman te beurt, Men randde het aan en 't verdween uit hun oogen." "Het heeft," zegt weer deze, "met ijslijk gehuil In 't vliegen een driejarig kind opgenomen, Met 't schreeuwende wicht in zijn bloedigen muil Vloog 't heen als een wind, over huizen en boomen."

KABOUTERWRAAK (blz. 137-149). Wanneer hier niet bij was vermeld, dat de Drentsche boerenjongen, dien ik Hilbert heb gedoopt, 't eerst over het Ellertsveld was gegaan (het Ellertsveld, dat zoo vol is van sagen en verhalen) en daarna (zie bladzijde 145) voor de Gietensche herberg stil had gehouden, dan had ik waarlijk geaarzeld, of ik dit verhaal bij de "sagen" wel had opgenomen. Want het vertoont vele sprookjesachtige motieven, en één deel van Schrijnen's definitie over 't sprookje is hier aanwezig: "het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal ...," doch 't andere deel: "zonder beperking van plaats, persoon of tijd," kunnen wij niet aantreffen.

Men zal onder de sagen, welke in dit boek voorkomen, er nauwelijks één kunnen vinden, welke zoo onmiddellijk uit den "volksgeest" is ontstaan. Het ontmoeten van Hilbert en Japikje; hun vrijage; haar weigering, om iets met hem te eten; haar wreed uitstel; 't avontuur der beide jongelingen uit 't Zuiden; zijn gang over het Ellertsveid, waarbij hij niet zijn beste pak aantrekt .... Ook de flesch jenever, die hij bij zich steekt heeft haar gezonde bestaansreden.

Immers, waar in verschillende deelen van ons vaderland (Achterhoek b.v.) een jongen, die naar een meisje uit een vreemde buurtschap vrijt, dikwijls groote kans loopt door de plaatsgenooten van 't meisje te worden afgeranseld, weet de Drentsche jongeling veelal een dergelijk avontuur te ontgaan, door de "eigenaars" op jenever te tracteeren. Inderdaad: eigenaars. Niemand heeft het recht, zich met haar te bemoeien, zonder hun toestemming.

De flesch jenever, die Hilbert met zich mede-neemt, is in het oorspronkelijk verhaal dan ook niet voor hem-zelf bestemd, doch om "'t wicht in het Noorden" te koopen. Eerst, als hij de kabouters ontmoet, begint hij te tracteeren, daar hij anders niet weet, hoe hij de guurkes voorbij moet komen.

De volkshumor is deze belangwekkende lezing geestiger gaan maken, en dus tijgt Hilbert ter vrijage met een stuk "schinken" in de eene, en een flesch jenever in den anderen zak. Telkens neemt hij een beet en een slok, wat tengevolge heeft, dat de drank al flink is aangesproken, wanneer hij bij de kabouters aankomt.

Als Schrijnen zegt van "de sproke":

"Zij heeft óók een nationaal karakter en voegt zich geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft," dan zal men, na het bovenstaande te hebben gelezen, nog meer mijn aarzeling begrijpen, of dit verhaal niet geheel en al bij de sprookjes is te rangschikken. Nu wordt het sprookje anders verteld als de sage, gelijk ieder weet, die beide vormen onder "'t volk" heeft bestudeerd. Zoo ge de moeite zult nemen, om het register achter in 't boek nauwlettend te bekijken, dan zult ge bevinden, hoe de meeste overleveringen een deugd of een ondeugd beschouwen, tenzij in de "liefde"-sagen, en de "heksen"-sagen. Het sprookje daarentegen is de vertelling zonder moraal, en eindigt dus bijvoorbeeld met de woorden:

"En toen kwam er een varken met een langen snuit En toen was het vertelseltje uit,"

een slot, waarmede kinderen en de groote menschen, die dikwijls als kleine kinderen zijn, volkomen genoegen nemen. Men begrijpt dus, dat voor 't wedervertellen van sprookjes (Boekenoogen, Dijkstra, Pol de Mont, de Cock) een afzonderlijk talent noodig is, omdat men met schrale woordkeus groote effecten moet bereiken.

De "Kabouterwraak," welke laten we zeggen voor de helft sage is, voor de helft sprookje, bood dus zeer eigenaardige moeilijkheden. Ik heb getracht, deze zoo goed mogelijk te overwinnen, en de scheikundige regel: "in een mengsel behouden de stoffen onveranderd haar eigenschappen" ook hier stelselmatig toe te passen.

HET VROUWENZAND (blz. 149-154). Hier zij in de eerste plaats verwezen naar de Aanteekening op "Het Vrouwtje van Stavoren." In 't werk "Oud en Nieuw" Nederlandsche Legenden door J. J. van der Horst (Leiden J. W. van Leeuwen 1887) is de sage opgenomen onder den titel "Richbertha van Stavoren." Hier vindt gij, dat een vreemdeling, een wijze oosterling, de rijke weduwe bezoekt, en, nadat hij bij haar een rijk gastmaal heeft genoten, zegt:

"Eene zaak verwondert mij bovenmate: ik mis hier ééne spijs, die het beste, het edelste, het kostbaarste is van alles, wat de aarde den mensch voortbrengt." Ge ziet dus den schatmeester der weduwe op reis gaan, om dit kostbaarste te vinden, en dan leest ge, dat op zijn schip gebrek aan brood komt. Landt hij nu in een stad aan de Baltische zeekust, dan weet hij, dat de tarwe het kostbaarste van alles is. Bij zijn terugkomst, beveelt ook hier de weduwe, het graan in zee te werpen, waaraan morrend en vloekend wordt voldaan. _Ook de bevolking van Slavoren verzet zich hier tegen haar bevel_. Vooral dit laatste dient onze bijzondere aandacht te trekken, en 't komt ook wel overeen met de houding van het volk in "Het Vrouwtje van Stavoren" (blz. 6).

Het "ring-motief" wordt door den heer van der Horst tegelijkertijd in deze sage verwerkt, en wel als volgt (_nadat de tarwe in zee is geworpen_):

"Toen stond daar eensklaps de onbekende vreemdeling in oostersch gewaad vlak tegenover haar en sprak plechtig:

"Gij ziet, dat ik woord houd. Uw schatmeester heeft in waarheid, door God zelven verlicht, het kostbaarste, het edelste, het nuttigste voortbrengsel der aarde u aangevoerd, en gij versmaadt en verwerpt het in dollen overmoed. Weet, o vrouwe Richtbertha! dat God rechtvaardig en almachtig is. Eens zult gij gebrek lijden aan hetgeen gij thans met zooveel verachting in zee werpt ...."

Een helle schaterlach klonk krijschend over de hoofden der omstanders. De trotsche weduwe wierp het hoofd in den nek en gilde:

"Wie zijt gij, vermetele vreemdeling, om mij te durven hoonen? Zou ik ooit gebrek kunnen lijden? Neen, gij zult mij niet ten tweeden male bedriegen! Ziehier mijn kostbaarsten ring van juweelen: eer brengt de zee mij dezen ring terug, eer ik gebrek zal hebben aan één korrel graan!" En met deze woorden slingerde zij het prachtig juweel in zee.

Vol bitterheid in de ziel, maar, zoo mogelijk, nog trotscher dan tevoren, betrad zij hare marmeren woning, gevolgd door de verwensching en vervloeking van schepelingen en armen.

"God is rechtvaardig!" had de geheimzinnige vreemdeling haar gewaarschuwd, en zijne bedreiging werd op vreeselijke wijze vervuld. Slechts weinige dagen daarna zat Richbertha aan den maaltijd en werd eensklaps bleek als een doode: bevend en sidderend staarde zij op het stuk zeevisch, dat zij voor zich had, want daarin werd de weggeworpen juweelen ring haar teruggegeven.

Van dat oogenblik dagteekent Richbertha's ongeluk en het verval van Stavoren ....

Een bladzijde later vinden wij het ontstaan van het wonderkoren beschreven, en dus zien wij hier, dat drie lezingen in één zijn gevlochten, en wel zeer gelukkig gecombineerd.

Wolf geeft in zijn "Niederländische Sagen" twee afzonderlijke lezingen, zonder eenige toespeling echter op den ring. _In de eerste lezing zin alle bewoners van Slavoren overmoedige lieden_, en de vrouwe geeft haar schipper bepaald bevel, om koren te halen, daar de graanprijzen zeer hoog zijn. Het tweede verhaal stemt meer overeen met het in dit boek behandelde. De geschiedenis van den ring treffen wij bij Wolf niet aan.

Nu is het slechts zelden, dat een sage onlogisch is. Leest men bijvoorbeeld "Westerschouwen, Westerschouwen," dan wordt de gansche plaats gestraft, omdat haar inwoners gezamenlijk overmoedig zijn en zonder medelijden. In "Straffe Gods" wordt alleen de onbarmhartige vrouw gestraft; Gerard de slechte heer, de gierige mulder, zij worden ten verderve gevoerd, en niet hun omgeving. Een sage is maar niet zoo onlogisch, en waar zij de vloek, die over een streek wordt uitgesproken, verklaart, daar schakelt ze, als 't noodlot zelve, feit aan feit aaneen, zoodat wij geneigd zijn te zeggen:

"Zoo--en zoo niet anders--is het gebeurd." De verteller der sage heeft als eerste plicht deze fataliteit te gevoelen en te handhaven.

DE RIDDER VAN STENHUISHEERD (blz. 154-160). Geen bijzondere opmerkingen.

DOODENDROOM (blz. 160-167). De lezer behoeft niet te denken, dat de spelling "Engelland" aan een drukfout is te wijten, of mij is ingegeven door van Eeden-iaansche motieven. Waarlijk rust deze sage op 't geloof, dat in Engel(l)and, aan de overzijde de zee, de schimmen der dooden (engelen) rusten, en dat de veerman des Doods de moderne Styx oversteekt met de nevelen aan boord. Dat de dooden pijn kunnen gevoelen door de schuld der levenden, komt voor in menig spookverhaal: bijvoorbeeld ook bij de juffrouw zonder kop, die bij Echt rondwaart. Hier zou zij verlost kunnen worden, als de boerenjongen de schat vindt ... waar hij niet in slaagt. In Dokkum wordt verteld (deze sage is niet in den bundel opgenomen), dat in een huis een geest rond moet waren, tot een schat is opgespoord, waaraan hij tijdens zijn leven niet kon komen. Als de kwelling ophoudt, vindt de geest rust.

In Oscar Wilde's "The Ballad of Reading Gaol" wordt de pijn der dooden alsvolgt verklaard:

"For he who sins a second time Wakes a dead soul to pain And draws it from its spotted shroud And makes it bleed again, And makes it bleed great gouts of blood And makes it bleed in vain."

Het spoken van het doode kindje bij zijn moeder, die om hem weent, daar het door haar tranen geen rust kan vinden, is wel-bekend. Eerst keert het tot vrede weder in, als de moeder niet meer schreit.

Ook "Doodendroom" vertoont sprookjes-achtige motieven. Er is bijna geen plaatsaanduiding ("Walcheren" is een veel algemeener begrip natuurlijk dan bijvoorbeeld Westerschouwen); toch kon ik er niet toe besluiten het verhaal als sprookje te behandelen.

MOOI-ANN VAN VELP (blz. 167-178). Een echt voorbeeld van den "naloop" (zie Aanteekeningen bij "De Roode Hemdrok"). De sage wordt verschillend verteld; de één zegt: "de jonker van Biljoen" en de ander: "de jonker bij Biljoen." Tijdens de correctie heb ik nog geaarzeld, welke lezing ik zou volgen, doch de vage uitdrukking "bij" trok mij, om de samenstelling van het verhaal, nog 't meeste aan. Wonderlijk is, dat mooi-Ann zich niet op den jonker zelf wreekt, deze blijft na haar dood even gezien als hij vroeger was, en ook "'t oud karonje van een meid" leeft volkomen onbezorgd verder. Ik vermoed, dat er vijftigjaar geleden wel andere lezingen over hebben bestaan, doch dat deze zijn uitgestorven. Er zullen waarschijnlijk wel manuscripten of gedrukte gedichten van diverse anonyme schrijvers over bewaard zijn gebleven, welke men mij niet heeft toegezonden tot dusver.

Natuurlijk is 't niet onlogisch, dat mooi-Ann zich op "de mannen" wreekt, doch de volksgeest wenscht in dergelijke gevallen de meest-bloeddorstige wraak, en de jonker benevens 't oud karonje dienden eigenlijk een zwaren dood te sneven.

DE VERBORGEN SCHAT (blz. 178-182). Niet alleen bij Welters, maar op tal van plaatsen (Mookerheide, Veluwe) komen verhalen van verborgen schatten voor, bij welker opgraving niet mag worden gesproken. Vele spookverhalen hebben uit den aard der zaak een verborgen schat ten grondslag. Hier wordt een interessant geval van naloop met een verborgen schat in verbinding gebracht.

Men merkt het, dat de geest op Woensdag en Vrijdag het gevaarlijkst wordt geacht; waarom de beide boerejongens op Dinsdag moeten graven, is mij niet duidelijk.

WAAROM DE REUZEN IN LIMBURG ZIJN UITGESTORVEN (blz. 182-187). Zie Aanteekeningen Brammert en Ellert.

DE STILLE RONDE VAN BERGEN-OP-ZOOM (blz. 178-196). Een onzer zeldzame soldaten-sagen, tegelijkertijd "naloop." Waarschijnlijk ligt hieraan waarheid ten grondslag, misschien een treffender dan in dit verhaal tot uitdrukking komt.

Het wil mij namelijk voorkomen, dat de "plaatsmajoor" van de werkelijkheid niet een veel hoogeren rang dan zijn zoon bekleed heeft, die tot de gewone soldaten moet gerekend worden. Dat hij, de vaandrig, zich in plaats van den schildwacht zou hebben gesteld--lijkt mij onwaarschijnlijk. Dat de schildwacht zich in werkelijkheid zou laten overhalen ... het is bijkans onmogelijk te achten.

Maar deze wijze van bespreken heeft inderdaad iets wreeds. Natuurlijk is er menige sage, waarin de waarheid verborgen is. Misdaad en berouw zijn dikwijls de grondslagen, vooral, wanneer het begane feit niet door den rechter is gestraft, zoekt "het volk" de wraak op deze wijze, d.w.z. de zwerver of de liedjeszanger (soms ook een derde-rangs-poeët als de dichter van het vers, waarmede ik de sage doe aanvangen) voeren het verder, en ten laatste, men weet niet hoe, is sage geworden, wat in diepen grond waarheid was. Dergelijke sagen onderscheid ik gaarne van de zuiver-fantastische, waarin allerlei waanfiguren den dans uitvoeren. Verbeeld ik 't me, dat de menschen, die deze histories vertellen, ook in hun aard verschillend zijn van de overige? Ik heb althans getracht ook de wijze van behandeling dezer "waarheids"-sagen anders te doen zijn dan de door het volk verdichte, en ze vooral den klank der werkelijkheid te laten behouden, zooveel dit doenlijk is.

DE WITTE WIVE VAN LOCHEM (blz. 196-208). Een "witte wive" als hulp voor twee verliefde jongelui! De "witte wive" van Lochem, de meesteres van alle witte witte op de Veluwe, Salland, den Achterhoek, de Twenthe, is hier wel eenigzins gefatsoeneerd. De sage is ontegenzeggelijk belangrijk, als zou 't alleen maar zijn om den leuken boerschen humor op blz. 197, waar Herbert's ouders een proces winnen ... waarmede ze hun spaarpenningen verliezen. Toch is de karakterteekening nog te scherp, om niet aan geleerde invloeden te doen denken. Ook het feit, dat den kinderen geen kwaad wordt gedaan, is eenigszins-vreemd. Zoo zoetelijk zijn de witte wiven gemeenlijk niet (zie ook de "Witte Wiven van Tubbergen" in dezen bundel, blz. 210; De "Witte Wive van Espeloo" in "Overijselsche Sagen," door mij geschreven; de "Witte Juffers" in 't Noorden zijn schrikaanjagende gestalten). Echter zijn er ook wel "witte wiven" als de Lochemsche, zooals b.v. de Witte Juffer van Hoog Soeren.

Over den oorsprong der "witte wiven" of "witte juffers" zijn velerlei beschouwingen geschreven, alreeds door Picardt, en hier wordt dan ook alle mogelijke kwaad van haar verteld. Schotel deelt mede dat zij volgens sommigen dezelfden zijn als de Alven of Elven, waarvan zoo vele sagen bestaan, en waarna eenige plaatsen genoemd worden, doch anderen betwijfelen zulks. Evenals goede en kwade engelen zijn er goede en kwade Alven. De laatsten, zwarte en donkere Alven geheeten, zijn klein, mismaakt, kwaadaardig, duivelachtig, vijanden der menschen en van het Christendom, het daglicht schuwende en bij nachtwerkende.

Maar ... de witte wiven van Tubbergen, die toch zeker tot de kwaden gerekend worden, zijn: 1°. niet zwart, 2°. niet klein en mismaakt, 3°. schuwen zij het daglicht niet. Ook de witte wiven van Vriezenveen kunnen uit de beschrijving van Schrijnen (Nederlandsche Volkskunde I, blz. 67) geen liefelijken indruk op ons maken.

Waar ik over witte wiven heb hooren spreken, was het bijna steeds met een gevoel van angst, sterker: ondragelijke afschuw. Daarom is mij de figuur der Lochemsche witte wive wel een weinig vreemd en--ware zij minderbelangrijk geweest--deze objectieve tegenzin hadde mij ertoe geleid, ze te verzwijgen.

HET ONTSTAANDER NAMEN VAN VERSCHILLENDE HOLLANDSCHE PLAATSEN. Haarlem met de Bakenessergracht, Deventer, Markeloo, Zandeweer, Domburg (blz. 208-210). Evenals "Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam kregen" een uiting van den volkshumor.

DE WITTE WIVEN VAN TUBBERGEN (blz. 210-219). Verhaal meteen allegorische beteekenis. Zie voor aanteekeningen op de "Witte Wiven" aanteekeningen hierboven.