Nederlandsche Sagen en Legenden

Part 27

Chapter 27 3,870 words Public domain Markdown

HET POPJE DER HEKS (blz. 57-64). Een zeer merkwaardige sage! Al speelt ze honderd jaar geleden, toch heb ik ze (evenals Waling Dijkstra) gepubliceerd. 't Heksengeloof is er nog niet heelemaal uit en zeker niet 't geloof aan allerlei duivelsche machten. Zóó lees ik bijvoorbeeld in het "Nieuwsblad van Emmen" van Juni 1915 't verhaal ontleend aan de A. Ct.: "Het geloof aan heksen en spoken, aan witte 'wiev,' 'glunigen kèrels' en dito honden of hoe die trawanten van den vorst der duisternis meer mogen heeten, het geloof daaraan mag zoo goed als verdwenen zijn, [13] de vrees voor Zijn Helsche Majesteit zit er hier en daar toch nog in. Dat bleek ons dezer dagen op een afgelegen gehucht op het Ellertsveld. Een paar avonden achtereen hoorde daar een echtpaar telkens tegen het middernachtelijk uur een geheimzinnig geklop en dof gehamer op de deel. Dat was natuurlijk het werk van den Booze of te wel van den 'boksvoot,' die daarmee natuurlijk niet veel goeds in den zin had en naar alle zekerheid het een of ander groot ongeluk over het huis zou brengen. Om dat dreigend onheil af te wenden werd den volgenden dag tegen het vallen van den avond dicht bij den paardenstal, vanwaar men het angstaanjagend geluid meende te hooren, de Bijbel neergelegd, geopend bij het 4e hoofdstuk van Mattheus, alwaar wij lezen, hoe Jezus in de woestijn door den duivel werd verzocht. En na dien is het weer rustig op de deel als voorheen. De gehoonde verleider heeft stellig den aftocht geblazen. Mattheus 4 werd hem te machtig.

Nochtans blijft het geopende bijbelboek als _duivelbanner_ [14] daar nog eenige dagen liggen, want zoo verklaarde ons het vrouwtje in allen ernst: 'hij wil nog wel eens terugkomen. Dat er eenig verband kan bestaan tusschen het eindigen van het vreeswekkend geklop en den verkoop van 't paard op de Norgermarkt j.l. Dinsdag, dat kwam natuurlijk niet op in de hoofden van 't ongenoemd echtpaar.'"

Tot zoover het Nieuwsblad van Emmen, dat ook in Borger veel wordt gelezen. Ik weet, dat daar een oude vrouw woont, die wel wonderlijker verhalen kent dan deze, en die hier weinig om zal lachen.

De heksenvervolging in ons land heeft nooit de vormen aangenomen, welke zij bijvoorbeeld in Frankrijk (Vauderie), Italië en Duitschland heeft gekend. De heksenwaag in Oudewater heeft menig verdachte van den dood gered. Voor hen, die er belang in stellen, geef ik hier een paar aardige vonnissen en bescheiden.

Utrecht 1417: "Want Isyo, die vroedemoeder, onredelijk saken, alse toverie ende andere onstantelijke dinghen bedreven ende gedaen heeft, daarom verbiet men haar de stat 50 jaer lanc naeste comende ende een mile van der stat te wesen op hoer lijf."

Putten op de Veluwe 1423: "des paepen maagd van Putten, die beruchtiget was, dat sy heren Aelbert den papen betovert wolde hebben en hoer kunsten dairtoe besichde, dat gebeterd met 20 rijnsche gulden."

Vonnis van het Hof van Holland 1467: "tegen een oud wijf, die 23 jaren lang na gestolene en verlorene goederen gelesen had, hetwelk wijchelarij was en tegen het cristelijk geloof, tot pronken op het schavot en ban."

En hier hebt ge een juweel, van den Zutphenschen burgemeester Henric here thoe Gehmen uit 't jaar 1491, een schrijven gericht tot burgemeester en raad van Keulen .... Ja, hier is 't wel tempora mutantur.

"Eirbare vroeme inde vursichtige, gemynde, lieve vriende. Hyr in deur lande van Sutphen is eyn tyt van jaren herwertz zere groet ongnade, verdriet inde schaide geschiet van onweder [15] inde enheben niet waell rait dair to krijgen moigen, sulkes gestraffet inde uytgerait mochte werden. Inde altehantz heb ick drossait drie wijffe eyn tyt lanck in gefencknuss sittende gehat inde noch sitten binnen der stat van Lochem, die mijn onderdrossait vaste mennigerley heeft laten versuecken mitten scarprichter, inde doch niet ther lyluge gebrengen en kan, woewaill die selve wijve dat ganse gemeyn gerucht heben, inde die nabueren baven inde beneden hen des niet en verlaiten, sy en konnen weder maicken ind oich seggen sy van veele stonden, dair sy die selven wijve, die eyn onder syn korn, die ander in seynem stall by syn haive, inde voert der gelycken, dair sy tovery in vermoeden, befonden heben [16]. Inde ass men die wijve ter pijnen stelt mit trecken, averhaelen ind barnen an die hacken [17] ind voert anders, dat geyn harde manspersonen sonder te lij gen lijden en solden, ind als dat gedain is, so synt sy oer leeden so mechtig als voer der pijnen. Inde nementlic hefft die eyn vrou baven in eyn pan mit heyter torffkaelen die eyn reyse voir ind die ander nae mitten bloeten voeten gain stain [18], inde sacht dat men dat voir oir onscholt nemen wolde, inde dat en schaiden oir mit allem niet, dat men sien konde. Men hadde se laeten bescheeren all omme heer van hair inde deede oir drijncken van den wijwaeter, des sonnendaiges gewijth was, ind oich aver oir bloete lijff eyn misgewait an, dair die hoemyss des sonnendages in gedain wass inde sat sy van der eerden, eer men sy ter pijnen stelde. [19] Inde dit wass van baven gekomen uit anderer amptlueden versueck, inde hedden gemeynt dat men dairmede den duvel syn macht benomen ind sye ter lijginge gebracht solde heben, dan 't en baiten all te maell niet. Inde went wij dan verstain, dat allduslicker toverijen gelijcken bijnnen off umbtrynt uwer lieffden stat inde voirt meer baven geschiet is, dair men die toevenarss inde toeverschen aver ten rechten gestalt inde gebrant hefft, so were onse zere fruntlicke bede inde begerte, dat uwe erbarn lyefften onssdair van onderrichtinge bij desen brenger s'brieff so voell uwen lyeffden wijtlick inde mogelick is, doin scrijven willen, woe inde in wat manieren men sij ter pijnen stellen sall, ons dair na in den besten te richten, ind soe dat men sulke ongelove, tovery inde oveldait verhaiten inde uytraiden mochte. Dair uwe liefften sich ter eeren gaidz in de waelfairt gueder luede guetwillich in bewijsen willen, als wij getruwen inde t' anderen tijden gerne, dar wij konnen, verschulden enz."

Geadresseerd aan: Den eirbaren vroemen inde voirsichtigen borgemeistern, scepen inde raide der stait Colne, unsen gemijnden lieven frunden. [20]

Terwijl in ons land het volksgeloof taai het begrip "heks" heeft vastgehouden--zoodat het nog niet als uitgestorven is te beschouwen (Drente, Friesland), kan men er hen, die de massa leiden, geen verwijt van maken, _in 't algemeen_, dat ze op ruwe wijze tegen de ongelukkigen te keer zijn gegaan. Niet, dat Bekker's "Betooverde Wereld," welke op krachtdadige wijze het bijgeloof bestreed, geen tegenkanting ondervond--doch in niet vele landen vindt men lichtelijk zoo weinig vervolging van overheidswege. Er zijn er, die dit aan den invloed van het Protestantisme toeschrijven, maar dit schijnt mij minder juist toe, om redenen, die mij te ver buiten mijn beknopte "Aanteekeningen" zouden voeren, doch die het verband zouden aantoonen, welke de Katholieke Kerk in de Middeleeuwen legde tusschen ketterij en toovenarij. In 't kort zij gezegd, dat de verhouding van het Katholicisme tegenover de hekserij in de middeleeuwen anders was dan van het Protestantisme tegenover de hekserij in de 17e en 18e eeuw, zoodat deze beide niet met elkander zijn te vergelijken. Bovendien heeft men nog het treurig proces tegen de heks van Glarus (Zwitserland) in 1781, [21] waardoor men tot de overtuiging komt, dat ook een Protestansche overheid niet vrij van bloedschuld is.

In Engeland was 't o.a. Reinald Scot, die tegen de heksenvervolgingen schreef, en zijn werk werd tot "ghemein oorbaar" in 't Nederlandsch vertaald door Thomas Basson. [22] Deze voegde hier ook bij o.a.

"T' Gevoelen van de Heeren Professooren der Universiteyt tot Leyden, nopende de proeve der Toveressen in 't waeter."

De hooggeleerde heeren deden, d.w.z. zoover zij behoorden tot de faculteiten der Medicijnen en Philosophie, ten verzoeke van het Hof van Holland uitspraak in een twijfelachtige zaak ....

Aanwezig waren:

Doktor Johannes Heurnius, Rector Academiae en Professor Medicinae.

Doktor Gerardus Bontius, Professor Medicinae.

Doktor Petrus Pauw, Professor Medicinae.

Antonius Trutius, Professor Philosophae.

Petrus Molenaeus, Professor Philosophae.

Wat was deze twijfelachtige zaak, die de Professoren den negenden dach january des jaers 1594 tezamen bracht?

Of de toovenaressen, [23] waersegsters etc. door haar swerte kunst ofte schandelijcke oeffeninghe sulck een bijsonder kracht hebben, dat wanneer zij crucelinckx aen handen ende in het waeter geworpen zijnde, de selvighe niet ondergaen ende sincken, maer op het waeter drijven: Dan off hier onder eenighe natuerlijcke oorsaeck verborghen is."

Het strekt de Nederlandsche wetenschap tot eere, dat de heeren professoren der Leidsche Universiteit alreeds in 't jaar 1594 zulk een nuchtere uitspraak hebben gegeven, en zich zoo objectief tegenover 't vraagstuk hebben gesteld. Ik voor mij zie in de "nuchterheid" der autoriteiten en publicisten van oudsher, een nuchterheid, welke zelfs in den brief des Zutphenschen burgemeesters tot uitdrukking komt, eigenlijk de reden, waarom hier van buitensporigheden geen sprake kan zijn. Hebben wij al in de 16e eeuw deze nuchterheid te constateeren, in de 17e wordt de strijd voortgezet en in 't midden der 19e eeuw voert M. D. Teenstra in zijn "Volksverhalen en Legenden" de nuchterheid tot het uiterste, door met alle mystiek te spotten en al het bovenzinnelijke te betwijfelen. _Zijne_ nuchterheid echter, die bijvoorbeeld tot onnoemelijk na deel van de Kunst in ons land heeft gestrekt, is de arme, ongelukkige vrouwen [24] ten goede gekomen. Een nadeel echter der nuchterheid is, gelijk ik op mijn tochten heb ondervonden, dat allerlei betweters langzamerhand de volkspoëzie hebben vermoord. Deze Hollandsche geest heeft altijd eenigszins vijandig tegenover kunst en kunstenaar gestaan.

Er moet ten opzichte der sage "Het Popje der Heks" nog iets anders worden opgemerkt. Men zal op bladzijde 59 onderaan, lezen:

"Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te jammeren ...."

Dat deze katten in het verhaal voorkomen, is geen wonder. In een belangrijk percentage der heksensagen speelt de kat een groote rol. Ook hier is de plaats niet, om de _geschiedenis_ der folklore na te gaan, teneinde aan te toonen, welke plaats de verandering van mensch in dier van oudsher in 't volksgeloof heeft ingenomen. [25] Dit hadden we trouwens reeds eerder bij den weerwolf (manwolf) kunnen doen. Bij vele heksensagen overheerschte het geloof, dat de heks zich in een kat verandert; wordt dan de kat bijvoorbeeld door een steen aan den kop gewond, dan vertoont den volgenden dag het hoofd der heks kwetsuren: ja, hieraan ziet men dikwijls, dat de vrouw een heks is. Zij kan zich ook in levenlooze voorwerpen tooveren: een of ander schip wil niet vertrekken, de knecht wordt woedend, en slaat met den bijl in het hout ... den volgenden dag blijkt het weder, dat een vrouw verwondingen heeft opgeloopen, welke niet op natuurlijke wijze zijn te verklaren.

In "Het Popje der Heks" leest ge, dat _op een afstand_ een kind wordt betooverd, en wel geschiedt dit, doordat de tsjoenster in een popje prikt. Dit staat weder met een eeuwenoud geloof in verband. Kon men iemand niet rechtstreeks vermoorden, dan pleegde men toovenarij met een afbeeldsel zijns vijands. Hier vindt men een eigenaardige onlogica, welke niet dikwijls in dergelijke volksverhalen (die meermalen naïef zijn, doch volgens strenge logische begrippen worden opgebouwd) aan te treffen zijn: het popje dient aan den eenen kant, om het kind (dus een vreemde) te pijnigen, maar als het verbrand wordt, sterft het kind niet ... doch de heks.

Summa summarum: er zit in deze sage méér dan men oorspronkelijk zou vermoeden.

DE ROODE HEMDROK (blz. 64-67). Talloos zijn in het Noorden des lands, de provinciën Drenthe, Friesland en Groningen deze "voorloop"-sagen, minder in aantal de "naloop." (Wanneer iemand iets ziet, dat nog gebeuren zal, bijvoorbeeld een brand of een begrafenis, wordt 't "voorloop" genaamd; komt de een of andere persoon naspoken, zooals b.v. in de "Plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom" of "Mooi-Ann" dan heet 't "naloop.") Het meest zijn zij op den "voorloop" aangewezen, die met den helm geboren zijn. 't Beste is, wanneer een kind hiermede geboren is, den helm tot asch te verbranden, anders behoudt dit zijn leven lang de gave, steeds ongeluk vooruit te zien, gelijk Cassandra. Sommige schippers echter probeeren zich van een ongeschonden helm meester te maken, waarvoor zij een groote som gelds over hebben, daar deze hun een gelukkige vaart verzekert. Aldus is het geen wonder, dat volgens 't volksgeloof vele ouders ertoe overgaan den helm van de hand te doen, waardoor menigeen tot zijn eeuwig ongeluk de gave der "voorloop" krijgt.

Nu is de sage der "Roode Hemdrok," welke mij in Leeuwarden werd verteld (zooals dit meer voorkomt, trof ik ze later gedrukt aan, en wel bij Waling Dijkstra: een teleurstelling in zekere mate) hierom des te treffender, omdat de vrouw haar eigen doodkist ziet.

Teenstra deelt mede als voorbeelden van voorloop:

"Hier zag men in eene kamer eene doodkist onder de vensterbanken, van vele menschen in rouwgewaad omgeven, waaronder schreiende en zuchtende nabestaanden; daar zag men een lijkstaatsie langs den weg passeeren; ginds een begrafenisfeest aan eene wel voorziene tafel; daar zag men eenen hevigen brand; daar soldaten, hooge watersnood, die zag een schip vergaan; daar vertoonde zich een spookgestalte, in lijkgewaad, op het kerkhof, op welke plaats spoedig iemand moest worden begraven."

En verder:

"De voorverschijningen van brand zijn in Noord-Nederland zeer algemeen."

Nu heb ik inderdaad zoowel de "koude voorloop" (dood) als de "warme voorloop" (brand) algemeen in de Noordelijke provinciën aangetroffen (hierover nader); echter niet de voorloop van watersnood en oorlog, zelfs niet in 1914. Het kan daarom wel zijn, dat deze "voorloop" heeft bestaan, en ik verzoek hen, die mij hierover iets kunnen mededeelen, mij dit te berichten.

Hoe vindt nu zulk een voorloop plaats?

Ge ziet op een eenzamen weg een man staan, die uren lang op dezelfde plek blijft. Zoo ge u terzijde van hem stelt, zal hij niets zeggen. Eerst ten leste, als hij op 't punt is, om te vertrekken, kunt ge hem vragen, welken voorloop hij heeft gehad.

"Ik heb dat huis in brand gezien" of:

"Daar kwam een lijkkoets uit met een zwart (of bruin) en wit paard" (Waling Dijkstra; in Midwolde en Borger vond ik dezelfde overlevering). [26]

Een enkel maal grijpt u de man, die den voorloop heeft, bij den arm, hevig verschrikt roepend:

"Uit den weg--uit den weg--daar komt een begrafenisstoet aan."

En dan duurt 't niet lang, of iemand wordt uit 't huis, waar dit geschiedt, naar zijn laatste rustplaats gedragen.

In Drenthe is 't op sommige plaatsen eenigszins anders. Daar heeft men de "koude" en de "warme" voorloop. Zij, die over de gave beschikken, _zien steeds een woning in brand staan_, als ze 't gezicht hebben (dus begrafeniskoetsen enz. ontdekken ze niet). Als ze nu de hand leggen op een muur van 't brandende huis, zal deze koud of warm aanvoelen. Is de muur koud, dan zal er in de woning iemand sterven. Is ze warm, dan komt er brand.

Teenstra, die met de Noord-Nederlandsche mystiek vrij-goed op de hoogte was (hoewel hij er te veel om heeft gelachen, wat waarschijnlijk de bevolking niet zeer vertrouwelijk ten zijnen opzichte heeft gestemd) noemt ook nog sagen van het "voorgevoel," welke ik niet in dezen bundel heb opgenomen. Bijvoorbeeld:

"Iemand wil niet met een bepaald schip vertrekken, daar hij gevoelt, dat het zal vergaan. Inderdaad gebeurt dit."

Teenstra kent ook nog de "gelijktijdige verschijning" en meldt hiervan 't volgende:

"Zoo gebeurde het ook eens, terwijl ik mij als passagier aan boord van Z. M. Fregat van Oorlog, de Eurydice, bevond, zijnde in 1827, op mijne terugreis van Batavia, dat onze kommandant, J. F. C. Wardenburg, terwijl wij ons beoosten Kaap de Goede Hoop, in de Indische Zee bevonden, mij des nachts kwam porren (wekken), zeggende niet te kunnen slapen; op verzoek van den waardigen kolonel opgestaan zijnde, deed hij mij, onder een sigaartje, verslag (te lang om hier mede te deelen) wat hij gezien en gehoord had, en of ik nu al beweerde, dat hij eenen benauwenden droom gehad had, hij beweerde bij kris en kras, dat hij goed wakker en zeer duidelijk gezien en gehoord, "dat zijne moeder, wonende in het Oldenburgsche, te Elsfleet aan den Wezer, op haar doodsbed lag, en zich, stervende aan zijnen jongeren broeder had beklaagd, dat zij voor haar verscheiden, ook nog niet haren zoon Johan, indien deze nog leefde (zijnde de kolonel zelf) had mogen zien, dat enz." In den herfst van dit zelfde jaar kwam de kommissionair Hendericus Venhuizen, mij te Baflo, waar ik toen woonde, zeggen, dat er een Heer bij Bulsing, in de doelen, te Groningen, logeerde, die mij gaarne wenschte te spreken, of ik morgen niet in de stad zoude kunnen komen; hieraan voldoende, ontmoette ik den kolonel Wardenburg, die mij, terwijl wij aan het dessert zaten, verhaalde, dat op denzelfden nacht van het voormelde verschijnsel of voorgevoel, zijne moeder te Elsfleet overleden was, en aan zijnen broeder bij herhaling gezegd had, dat zij hem (den kolonel) voor haar sterven nog zoo gaarne eens weder gezien had, met alle de verdere daarbij plaats gehad hebbende omstandigheden, zooals hij die aan boord, in het zuidelijk halfrond gehoord en gezien had."

Met den "voorloop" in verband staat het verschijnsel, dat algemeen bekend is. Terwijl men b.v. over den weg gaat, denkt men aan iemand, wiens aanwezigheid men nooit zou kunnen vermoeden; onmiddellijk daarna ontmoet men de persoon, over wie men zoo juist heeft gepeinsd. Ook zien sommige menschen lichtjes op plaatsen, waar later huizen worden gebouwd of een kanaal zal worden gegraven (Borger), of hooren een dof, ondergrondsch gedreun op de plek, waar later een spoorweg zal worden aangelegd (Drenthe, Limburg!!!) Verschillende mijner lezers kunnen waarschijnlijk in hun omgeving de door mij medegedeelde feiten met andere vermeerderen.

Wat de "voorloop-sagen" betreft, hier doet zich steeds iets zeer eigenaardigs bij voor. Het geval is in de volksverbeelding of liever in den volksgeest [27] zóó gesteld, dat er aan de uitkomst der voorspelling groote moeielijkheden zijn verbonden. Men bemerkt het in de overlevering van den "rooden hemdrok." In Pietersbierum woont de vrouw van een dominé, die ziet, dat een man in rooden hemdrok haar doodskist dichtspijkert. Er woont echter niemand in het dorp, die op zoo in 't oog vallende wijze gekleed is, en daarom gelooft men haar niet. Als zich een timmerman, die altijd in een rooden hemdrok over de straat gaat, in het dorp heeft gevestigd, begint er angst te ontstaan, dat de voorspelling uit zal komen, en als de vrouw gestorven is, neemt de predikant zijn maatregelen, dat de kist naar een andere kamer zal worden vervoerd, dat er geen schroeven op den schoorsteenmantel liggen, dat niemand een witte doek op de doodkist zal spreiden. En toch geschiedt het alles, zooals de vrouw gedroomd heeft.

Neem een andere "voorloop-sage," die van Opende (deze is tot dusver nog niet behandeld):

"Een man wordt 's nachts wakker, en staat op, daar hij niet kan slapen. Hij begeeft zich naar de deur zijner woning, en staart in 't donker. Plots ziet hij een lijkkoets over den weg, die heel langzaam zijns weegs gaat. De man denkt bij zichzelf:

"Dat kan nooit werkelijkheid worden. Nimmer toch wordt er 's nachts iemand begraven."

Eenige weken later breekt er in Opende een besmettelijke ziekte uit, die daar en in den omtrek zóóvelen doet sterven, dat men ook's nachts moet begraven. Op dezelfde plek, waar de man de lijkkoets heeft gezien, gaat de treurige stoet voorbij."

"Een ander, in Midwolde en in Borger, staat des avonds voor zich uit te turen, en bemerkt, dat er iemand begraven zal worden, getrokken door een wit en zwart (bruin) paard. Geen mensch gelooft het. Wie zal nu ook iemand ter laatste rustplaatse doen leiden ... door een schimmel gevoerd?

Inderdaad sterft de man, die door den ziener is aangewezen, en men spant twee zwarte paarden voor den wagen. Het _zal_ niet uitkomen, wat de profeet gezegd heeft. Maar wat geschiedt er? Een der zwarte paarden breekt zijn poot, en men moet zich wel met een ander paard behelpen, dat een schimmel is."

Aldus is er in de voorloop-sagen een huiveringwekkende noodwendigheid te bespeuren, het zuiverste fatalisme, dat ik ken. Wel is een Macht achter alle feiten, doch deze is naamloos en genadeloos.

WESTERSCHOUWEN, WESTERSCHOUWEN, HET ZAL U BEROUWEN (blz. 67-71). Wordt in vele sagenboeken aangetroffen. De overlevering is zóó algemeen bekend, dat men niet kan nagaan, of ze inderdaad nog "leeft" of niet.

Merkwaardig is het, dat hier zoowel een zeemeerman als een zeemeermin een rol in spelen. De wijze, waarop de verzanding van Westerschouwen verklaard wordt, is zuiver-legendarisch.

Schrijnen zegt: "de watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en meerminnen. Zij bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Want men 's avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en trachten zij de menschen in 't verderf te storten."

In 1892 heeft men nog volgens mededeeling van visschers te Southside, Deernes, op het Schotsche eiland Orkney een meermin gezien, 6 à 7 voeten lang, met zwart hoofd, overigens wit.

Dit is een der zeemeerminnen van den modernen tijd. Of ze nog in het Nederlandsch volksgeloof bestaan, heb ik niet kunnen constateeren. Het schijnt mij onwaarschijnlijk.

DE ZEEMEERMINNEN VAN EDAM (blz. 71-73). In de groote kerk te Edam op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een zeemeermin afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde van het "groene wijf" met dit bijschrift:

Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.

Anno 1403.

(Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde).

Vgl. Soeterboom, Soetstemmende Zwaane van Waterland.

DE ZEEMEERMIN VAN MUIDEN (blz. 73). ERASMUS (standbeeld) blz. 73. Bekende sagen, door Prudens van Duyse medegedeeld.

KAÏN (blz. 74-82). Algemeen bekende overlevering, reeds door Wolf behandeld, ook door Welters, Limburgsche Legenden. Ik hoop, dat de vorm, waarin ik ze hoorde, door velen op prijs gesteld zal worden. Wolf was er trouwens, helaas! de man niet naar, om een dergelijk mooi verhaal goed weer te geven.

HET HEILIG HOUT VAN DORDRECHT (blz. 83-87).

MARIA, HET VENSTER (blz. 87-89).

BRAMMERT EN ELLERT (blz. 89-95). Geen der sagen van Nederland leeft wellicht zóó voort als deze. Hier is 't een jong meisje, dat door de beide roovers wordt gevangen gehouden, en dat ten laatste Brammert (of Ellert) met eet scheermes 't hoofd afsnijdt; ze wordt dan door den overledene nagezeten, die haar, op de wijze der witte wiven, een bijl nasmijt, welke tegen de deur aankomt. Zij is gered! Ook hoort men, dat ze Ellert lief krijgt, en dat ze door Brammert wordt vermoord, of dat ze Brammert liefkrijgt en door Ellert vermoord wordt (hierom moet Ellert rondspoken, tot aan den jongsten dag op de Drentsche heide; de kleine kinderen worden bang voor hem gemaakt, zooals wij in onze jeugd voor den boeman of een politie-agent). De klokken, die aan touwen worden gebonden, om de roovers te waarschuwen, vindt men echter steevast terug (vgl. 't aardig werkje: J. van der Veen, Nieuw Drentsch Mozaïek); trouwens deze klokken komen ook in verschillende Limburgsche verhalen voor (ook in andere provinciën?); reuzen-sagen vindt men natuurlijk overal. In 1913 is nog in Hilligersberg een feest geweest met optocht, waarbij ook nog een Reuzendochter in den praalwagen heeft plaats genomen (de Hillegaertsberg bij Rotterdam is volgens overlevering ontstaan door 't zand, dat de reuzin Hildegaerde uit haar voorschoot heeft laten vallen). Ook vertelt de Wall Perné een aardig reuzen-verhaal.