Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 26
Dan sjokte de arme duivel met zijn moede beenen naar de heg, en hij stak zijn vingers in de doornen, om al die korrels bij elkaar te zamelen. Den volgenden morgen wachtte hem nogmaals moeilijke arbeid, en vele malen mompelde hij:
"Ik wou, dat Joost hem haalde."
Zoover was het ondertusschen nog lang niet. Hij had al die zeven jaren door te worstelen, en een einde scheen er niet te komen.
Ten laatste--vier jaren waren er voorbij gegaan, en als vier pakken van tweehonderd pond elk, lagen ze op 's duivels rug gestapeld--gaarde Beëlzebub allen moed bijeen, en hij klopte nederig aan de deur zijns meesters.
"Binnen!" riep doktor Faustus, en de drommel van zijn knecht stond op den drempel.
"Mijnheer! als het niet te astrant is ...."
Doktor Faustus kende genoeg van de wereld, om niet te weten, dat er thans een onbeschaamde vraag zou volgen. Want ach! brutaal was soms 't vroegere dienstpersoneel óók al, hoewel je er tegenwoordig onder hebt ... doch hierover basta. Ongeduldig zei hij dus:
"Nu?!"
"Mijnheer ... ik heb u vierjaar goed en trouw gediend."
"Nu?!"
"Als mijnheer er niet op tegen heeft, zou ik mijnheer's dienst nu wel graag willen verlaten."
"Verlaten? Dat begrijp ik niet. Zeven jaar moet je toch bij me blijven? ...."
"Mijnheer moet me goed vatten. Ik bedoel niet, dat mijnheer me loon heeft uit te betalen. Ik wil mijnheer zonder loon vier jaar gediend hebben."
"Daar komt niets van in! Aan je werk, Joost. Als jij moe bent, ik ben 't niet."
Nog drie jaar arbeidde Joost bij doktor Faustus. Er was niet dàt op hem te zeggen. Zoo'n in-netten, degelijken knecht hadden er niet veel. En zoo trouw! En zoo eerlijk! En zoo kraak-kraak-kraakzindelijk.
Doch toen de zeven jaren om waren ... ja toen ... was de knecht de meester geworden en de meester de knecht. 't Contract had de duivel goed in orde gemaakt. 't Was middernacht, precies twaalf uur (de klok van Bommel loopt zuiver), en daar greep de duivel zijn vroegeren heer bij de haren, en sprong met hem 't hooge venster van den toren uit, vlak naar de hel, nadat hij hem fel door de tralies van 't raam had getrokken. 't Bloed spoot den verdoemde het lichaam uit en spatte tegen den muur, om 't nageslacht van de waarheid dezer vertelling te overtuigen.
LI
Avonturen van Doktor Faustus in Leeuwarden
Van alle beroepen, die er op de wereld bestaan, valt dat van barbier het minste mee. Want om barbier te zijn, moet men niet alleen goed kunnen inzeepen, en goed 't mes op wang en keel van den klant kunnen zetten, doch bovenal moet men uitstekend menschenkenner zijn.
Een barbier in Leeuwarden was beroemd om zijn inzeepen, en het eigenlijke scheren verstond hij op een haar, doch een goed menschenkenner was hij niet, hetgeen uit het volgend verhaal moge blijken.
Op een kwaden dag stapte er een deftig heer bij hem binnen, die hem kort beval:
"Scheren!"
De barbier begreep onmiddellijk, dat hij zijn kunst moest toonen. Hij zeepte stevig in--de meeste coiffeurs van tegenwoordig weten niet, wat een kunst 't inzeepen al is--, en toen 't schuim hoog vlokte op het gelaat van den klant, zette de scheerder er 't mes op. Hij schrapte aan de kin en werkelijk, 't haar ging er af. Daarom begon hij aan den anderen kant, maar toen bemerkte hij tot zijn misnoegen, dat aan de zijde, waar hij had geschoren, de baard weder aanving te groeien Dat mocht niet gebeuren.... Hij stapte fluks naar de plek des gevaars, en hij schrapte en schraapte naar den aard, maar juist, terwijl hij zich _hier_ vooroverboog, om te zien, of 't vel wel blank was, schoot _ginds_ met geweld het haar weder uit; de barbier gevoelde zich als een amateur-tuinman, die het kweekgras van zijn grond wil uitroeien en die na een middag moeitevol werk nog net zoo ver is als voor dien.
"Ja mijnheer--" zei hij benepen, "'t gaat moeielijk."
"Wat gaat moeielijk? 't Scheren?! O, dan zal ik mezelf wel helpen."
Tegelijkertijd nam de klant het mes, en sneed zich het hoofd af, dat hij met vaste hand vlak voor zich neer zette. Daarna zeepte hij--de barbier was er verwonderd over, en dat zijn de barbiers anders niet licht, want ze zien en hooren meer dan een ontdekkingsreiziger--de wangen in, en in een ommezientje bleef er geen schaduw van dons op 't vel. Toen hij gereed was, zette hij 't hoofd op den romp, en zei, dat hij nu zijn schuld wilde voldoen.
Voor de baas een woord had kunnen uiten, drukte hem de deftige heer een gouden dukaat in zijn hand, en riep uit:
"Dat zal wel genoeg zijn, denk ik."
Nu overkomt het een Leeuwardensch barbier niet elken dag (al scheert hij niet slechter dan een collega in Amsterdam of 's Gravenhage), dat hij met een gouden dukaat wordt betaald. Hij wilde zijn vrouw in zijn geluk doen deelen. Hij was al bij haar, vóór hij 't wist: wat bewijst, dat hij net en soliede was in zijn levenswandel.
"Vrouw! Kijk eens, wat ik gekregen heb."
Ze tuurde naar de palm zijner rechterhand en haalde minachtend haar schouders op.
"Een duit! Wat is dáár voor bijzonders aan?"
Ja, het was een duit en geen dukaat, waarmede de rekening was gequiteerd, en dáárvoor kon hij 't niet doen. Zeker een vergissing van den voornamen heer. Waar zou deze logeeren? Natuurlijk in het Hooghuis. Hij er naar toe!
"Wat is dat?" riep Faust, want niemand anders was het, "wat is dat? Zeker een vergissing .... Wacht! hier heb je een nieuwen dukaat. Zie je goed, dat 't een dukaat is?"
"Ja," zei de scheerder.
Thuis keek hij er nog even naar, vóór hij zijn vrouw de munt toonde. Gelukkig, want ook nu hield hij in zijn hand een koperen duit. Hij riep woedend:
"Zoo waar ik een barbier ben, gaat 't hier niet zuiver toe."
Doktor Faustus bleef dus in de stad, en iedereen hoorde, wat hij met den dukaat had uitgetooverd. Eens kwam hij 's avonds in het Hooghuis, en hij riep zijn knecht.
"Trek me de laarzen uit."
De knecht knielde en trok de laars van doktor Faustus' linkervoet. Daarna begon hij met de rechter--Dat ging niet zoo gemakkelijk.
"Och jongen--je kunt niet trekken."
De knecht had zijn ponteneur en hij rukte nu met alle macht, zóó hard, dat hij het been uit doktor Faust's lichaam trok. Dit vond doktor Faust niet aangenaam, hij schreeuwde, dat 't een aard had. De waard kwam toegeloopen.
"Wacht," peinsde deze (de Leeuwardensche hoteliers zijn niet van gisteren), "dat is een mooie manier, om het sinjeur eens te laten betalen. Weet je, wat ik doe? Ik berg 't been in de kast, en als hij weg gaat, heb ik een waarborg."
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Hij had echter een ander voor zich, dan hij meende. Wij, u en ik, zouden alles doen, om ons been terug te ontvangen, maar doktor Faustus verliet het logement hinkende, en gaf geen duit. Toch scheen hem dit na eenigen tijd te berouwen, althans hij keerde terug, om zijn rekening te vereffenen. Doch de waard was dom geweest: hij had 't been in 't water gegooid ....
"Dan is de zaak in orde," zei doktor Faust. "Jij 't been en ik 't geld."
"Ja," antwoordde de herbergier. "Ja, dan is 't in orde."
Zoodra de geleerde man op straat liep, groeide hem 't rechterbeen weer aan, en hij wandelde nu net als de gewone menschen.
Nog meer wandaden haalde doktor Faustus uit. Hij stelde voor, om op de Langepijp te gaan staan, met stroo onder zijn arm. Er waren in dien tijd veel heksen in Friesland: overal kon je die leelijke tsjoensters aantreffen.
"Jullie hebt moeite, om ze te kennen?" vroeg doktor Faustus. "Als ik op de Langepijp sta, zal iedere heks naar mijn stroo worden getrokken en ze zal er mij een halmpje van uitritsen. Daaraan kunt ge zien, wie tooveren kan en wie niet."
Natuurlijk stond men het hem nooit toe, want de vrouw van den burgemeester was een heks, en dat dus het bestuur der stad den vreemdeling liever _buiten_ dan _binnen_ Leeuwarden zag, is wel te begrijpen. Eens heeft hij 't heele Waagsplein met bloed overstroomd (zooals een fatsoenlijk mensch zijn tuin in een heeten zomer met water begiet), en daarmede had hij zijn banvonnis verdiend.
Faust moest Leeuwarden verlaten.
Aan alle vier de stadspoorten zette men een bode, die had toe te zien, of Faust de stad uitging. De burgemeester ging in 't raadhuis zitten, en wachtte. A1 heel gauw kwam een bode aanrennen, die hijgde:
"Doktor Faust is door _mijn_ poort vertrokken." Nauwelijks had hij dit gezegd, of een tweede bode stormde binnen met de mare:
"Dokter Faust is door _mijn_ poort vertrokken," en hij werd verdrongen door een derden bode, die jubelde:
"Dokter Faust is door _mijn_ poort vertrokken. Daar kwam de vierde bode aanzetten, die al uit de verte riep:
"Doktor Faust is door _mijn_ poort vertrokken."
Tot op den huidigen dag is dit een raadsel gebleven, doch gelukkig is doktor Faustus nooit in Leeuwarden teruggekomen. De barbiers, hoteliers en heksen kunnen er thans rustig slapen.
Aanteekeningen
HET VROUWTJE VAN STAVOREN (blz. 1-11). In een "Boekje voor den Straatzanger" vind ik het volgend vers, dat thans nog algemeen wordt gezongen.
Hoort, vrienden, hoort een lied, Dat duidelijk zal verklaren, Wat eenmaal is geschied, Voor meer dan duizend jaren. Toen oud en grijs Stavore Nog bloeide op Frieslands grond En van zijn macht deed hooren, Door heel het wereldrond.
Daar in die rijke stad, Die jaarlijks duizend schepen, Belaân met 's wereld schat Haar haven in zag slepen, Daar leefde in roem en eer, Een rijke weduwvrouw, Wiens voorbeeld ons zal leeren. Hoe hoogmoed voert tot rouw.
Geen koper, neen, maar goud, Zoo sprak zij, siert mijn woning, En 't huis voor haar gebouwd Scheen 't woonhuis van een koning. 't Was al wat oogen zagen Vol vorstelijke praal En hoeft men meer te vragen De stoep was van metaal.
De leuning was zeer schoon Uit louter goud gedreven, De deurknop scheen een kroon Met paarlen als omgeven En breede, zilvren platen Geklonken aan den grond, Bedekten al de straten Zoover haar woning stond.
Daar treedt een zeekaptein, Haar bij de haven tegen, Wat, sprak ze, zal het zijn, Wat schoons hebt gij verkregen, Wat heerlijks brengt gij mede Uit overzeesch gebied, Uw schip ligt op de reede Maar hoe gij antwoordt niet?
'k Heb immers u belast Het kostelijkst in te laden Wat rondom de Oostzee was, En 't oog hier kan verzaden. Wie zich aan prijs mocht storen, 'k Vraag nimmer naar het geld. De weduw van Stavoren, Wordt niet teleurgesteld.
'k Bracht tarwe naar uw zin, Al edelst wat wij vonden, Aan stuurboord kwam het in, Zooveel wij laden konden. Hoe gilt zij dol van zinnen, Hoe, tarwe? lage guit! Bracht gij ze aan stuurboord binnen, Zoo werp ze aan bakboord uit.
Helaas, het kostlijk graan Werd in den vloed geworpen. Een grijsaard die het zag Uit een der naaste dorpen, Beef, sprak hij, o vrouwe, Wellicht lijdt ge eens gebrek, Dat nooit dit stuk u rouwe, Zwijg, sprak ze, grijze gek.
Ze lachte en greep haar ring En wierp met luid geschater, Terwijl ze henenging, Hem weg in 't woelig water. Kijk, riep ze, dwaze kerel, Eer geeft de zee weerom, Deez' schoone ring en parel [10] Eer ik tot armoe kom.
Het duurde een dag of acht, Toen werd op haar verlangen Een groote visch gebracht, Zoo pas in zee gevangen. Maar sidderend zonk ze neer, Want reeds met de eerste snee, Vond zij haar ring toen weder [11] Laatst geworpen in de zee.
Daar treedt een dienstknecht in, Uw schepen zijn verloren, De zee zwelgt alles in Gods wraak rust op Stavoren, Een andere knecht snelt binnen En biedt een brief haar aan. God, gilt ze woest van zinnen, Mijn glorie is vergaan."
Vele andere berijmde lezingen, dikwijls zeer van elkander verschillend, zijn van het vrouwtje van Stavoren bekend: hier meende ik de sage van "het vrouwtje" te moeten scheiden van die van het Vrouwenzand, waarvan reeds dóór Johann Wilhelm Wolf in 1843 twee lezingen zijn medegedeeld. [12] Zie "Het Vrouwenzand" blz. 149 in dit werk.
Trouwens, alleen reeds met sagen en legenden van Stavoren ware een aardig boekje te vullen. Dat haar bloei en verval zulk een levendige fantasie bij 't volk opwekten, is geen wonder. We vinden den naam Stavoren al vermeld in de legenden van Friso, die met zijn broeders Saxo en Bruno naar de lage landen was gekomen, en een tempel bouwden ter eere van hun god Stavo. Om den tempel stichtten ze een stad, welke ze Stavoren noemden. Dan hebt ge de legende van het "Roode Klif," de roode vlam, welke op Stavo's bevel door drie kruiken zeewater werd gebluscht; van de "stem uit de bron," een vervolg van het "Roode Klif," van de "overstroomende bron," volgens Stavo slechts te stuiten door het bloed van een driejarig kind; van "de wanschapen wolf, met menigerlei hoofden, meer dan de hond Cerberus er had" .... Er zijn er nog meerdere, doch in ons volk leven ze helaas niet meer voort, en wat er van de rijke legenden-schat is overgebleven, geeft weer een denkbeeld, hoe de roem van Stavoren is vergaan--Zie ook blz. 311 van dit boek.
Het visch- en ring-motief is waarschijnlijk ontleend aan de Duizend en Één Nacht.
STRAFFE GODS (blz. 11-17). De kroniekschrijver François le Petit vermeldt, dat men een der brooden, welke in steen veranderd waren, in de Sint-Pieterskerk heeft vertoond (zie ook Nederlandsche Legenden met 32 Platen, naar het Fransch!! uitg. 1842).
Tusschenhaakjes ... is het niet meer dan bedroevend, dat de Nederlandsche Sagen en Legenden eerst heden door mijn hier gegeven poging onmiddellijk in een oorspronkelijken bundel zijn opgenomen? Deze verhalen van zoo aangrijpenden eenvoud, dat men ze lief moet hebben als het leven. En wat is er voor folklore in Nederland tot dusver gedaan? Naast de Nederlandsche Driemaandelijksche Bladen bestond het Vlaamsche tijdschrift "Volkskunde," en verder waren en zijn er verschillende gewestelijke boeken, periodiekjes en almanakken; maar dit heeft bijvoorbeeld niet kunnen beletten, dat er van de sagen in de Peel zoo goed als niets is overgebleven, en dat van verschillende Groningsche overleveringen ... slechts de laatste zinnen bekend zijn!
In "Straffe Gods" vindt men hetzelfde wraak-gegeven als in "Het Vrouwtje van Stavoren." Hij, die niet barmhartig is, moet het boeten. Vreemd, dat het vrouwefiguren zijn: misschien is dit wel, om de tegenstelling nog scherper te maken.
Een soortgelijk verhaal is te vinden bij Wolf S 254. Hier speelt het echter in Gent. Het steenen brood wordt vertoond in de Pharaildiskerk. Het jaar, dat de historie in Gent voorvalt, is 1557.
HOE MONTFORT ORDELOOS LIGT (blz. 18-20). Zie ook Limburg XX 3e aflevering blz. 186. Welters en van Beurden zijn voor de Limburgsche folklore de menschen waren er in de andere provinciën telkens maar twee met zulke liefde voor de schoonheid der sage, ik ware tevreden. Vele der Limburgsche sagen zijn natuurlijk door Welters bekend geworden.
HOE EENRUM, MENSINGEWEER, OBERGUM EN WINSUM EEN NAAM KREGEN (blz. 20-22). Hier zijn twee mij mondeling medegedeelde overleveringen tot één geheel vereenigd.
DE SLAPER IN HET VOORHOUT (blz. 22-32). Verschillende deelen ontleende ik, meer of minder woordelijk, aan de hier reeds vermelde "Nederlandsche Legenden." Op verscheiden punten koos ik echter een "waarschijnlijker" lezing, en vooral heb ik het geval minder braaf gesteld, en Willem van Nieuwen's moeder, die den dronkaard vermaant, uit het spel gelaten. Ook vervult in dit boek Isabella van Portugal de rol van de vrouw des vroolijken Willems; in de "Nederlandsche Legenden" wordt hiervoor een kamenier uitgekozen, bij Shakespeare in "The Taming of the Shrew" een mannelijke page, wat het geval nog humoristischer maakt.
Sirrah, go you to Bartholomew my page And sec him dress'd in all suits like a lady: That done, conduct him to the drunkard's chamber, And call him madam, do him obeisance, Tell him from me (as he will win my love) He bear himself with honourable action, Such as he hath observ'd in noble ladies Unto their lords, by them accomplished: Such duty to the drunkard let him do, With soft, low tongue and lowly courtesy; And say,--What is 't your honour will command, Wherein your lady, and your humble wife, May show her duty, and make known her love? And then--with kind embracements, tempting kisses, And with declining head into his bosom Bid him shed tears, as being overjoy'd To see her noble lord restor'd to health, Who, for this seven years bath esteem'd him No better than a poor and loathsome beggar: And is the boy have not a woman's gift, To rain a shower of commanded tears, An onion will do well for such a shift; Which in a napkin being close convey'd, Shall in despite enforce a watery eye. Sec this dispatch'd with all the haste thou canst Anon I'll give thee more instructions ....
Het ontwaken wordt door Shakespeare als volgt geschetst
SLY. For God's sake, a pot of small ale. 1 Sew. Will' t please your lordship drink a cup of sack? 2 Sew. Will' t please your honour taste of these conserves? 3 Sew. What raiment will your honour wear to-day?
Sly. I am Christophero Sly; call not me--honor lordship; I never drank sack in my life; and if you give me any conserves, give me conserves of beef: Ne'er ask me what raiment I'll wear: for I have no more doublets than backs, no more stockings than legs, nor no more shoes than feet; nay, sometimes, more feet than shoes, or such shoes as my toes look through the overleather" enz.
Talrijke verhalen en stukken dragen de geestige intrige als basis. Noemen we de Duizend en één Nacht weder in de eerste plaats, de historie van Harun en den herder AbuHassan. Soortgelijke geschiedenissen worden trouwens niet alleen in Den Haag voorgesteld, doch ook in Brugge en Dyon. Nu eens is 't Philips de Goede, dan weer Karel IV, die den dronkelap vindt. Bij Shakespeare is 't een willekeurige "lord," en de vindplaats is "before an alehouse on a heath."
Zoowel in Shakespeare's voorspel en de door mij medegedeelde lezing vinden wij een schuld van den armen schobbejak aan een waardin of waard voorgesteld. Bij Shakespeare:
SLY. No, not a denier: Go by, Jeronimy ...." etc. HOSTESS. You will not pay for the glasses you have burst?
Ook Segismundo in Calderon's La Vida Es Sueno doorleeft een droom, als hij bij het ontwaken zich in een vorstelijk bed bevindt. Hier klinkt hem, gelijk in mijn bewerking, muziek tegemoet
SEG.: Válgame el cielo, qué veo! Válgame el cielo! qué miro! Con poco espanto lo admiro, Con mucha duda lo creo. Yo en palacios suntuosos? enz.
(Hemel, wat zie ik, wat ontdek ik, ik zie 't met weinig schrik, doch ik geloof het met veel twijfel, ik in rijk-versierde kameren, ik tusschen zijde en brocaat, ik, omringd door dienaren enz.--).
Vele tooneelstukken en novellen zijn op het mooie sprookje gebouwd.
GERARD, DE SLECHTE HEER (blz. 32-52). Hier zijn mij acht lezingen van gegeven: de lezing, hier gevolgd, stamt uit Tiel. Zoo ik me niet sterk vergis, heeft Marie Ramondt een soortgelijk verhaal. Deze lezing koos ik, om het verdwijnen van den weerwolf, die in de lucht oploste, en de overeenkomst met de Brabantsche Kludde (Niederländische Sagen blz. 313) "Ein anderes Mal behängt er sich mit der Haut eines groszen schwarzen Hundes, läuft also auf seinen Hinterpfoten, rasselt dabei mit einer Kette am Halse und springt den ersten, der ihm begegnet, unversehens auf den Nacken, und wenn er ihn dann zur Erde geworfen hat, _verschwindet er ohne Spur_."
Dit op den rug springen van den weerwolf, is iets heel gewoons, maar 't komt hier in geen der lezingen voor. We vinden het wel bij de Wall Perné "Veluwsche Sagen" bij den boozen geest Osschaert (blz. 102), die den spotter volgt op zijn rijm:
"Griepke, griepke grauw a'j me griepen wilt, griep me dan gauw."
In Dendermonde
"Grijpke, grijpke grauw, Wilt ge mij grijpen, Grijpt mij nou."
Overeenkomst met den weerwolf, heeft de Friesche en Overijselsche Evert (De Evert zal hem halen), en de Schiermonnikoogsche Roode Haan, benevens het plaagbeest of het pestdier (dit bracht de pest aan, zie ook de in dit boek behandelde sage "De Zwarte Dood"). Den ketting vinden we bij vele spook- en duivelsverhalen terug. Wanneer een paar gehuwde lieden zeven zoons krijgt, zonder eene dochter er tusschen in, dan is één der zeven een weerwolf. Meermalen heb ik hooren vertellen, dat de jongste der broeders die het zevental vol maakt, de weerwolf is. Anderen zeggen, dat de duivel de geschiktste uit de zeven kiest (Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven). Zóó weinig worden dergelijke begrippen soms vastgehouden, dat men mij te Groningen heeft verteld: "één van zeven zonen is met den helm geboren," (Notabene die met den helm geboren is, heeft een voorspellenden geest). In Elst deelde men mij mede, dat de weerwolf de ziel was, door den Duivel bezeten, en die daarom de gedaante van een hond had aangenomen. Ook kon hij goed kaartspelen! Een sage kende men echter niet, of wilde men mij niet vertellen.
Staat het Overijselsche lied:
"Wolle wee, wee, wee Wolle wee, wee wee" enz.
met den weerwolf in verband?
Volgens een onzer grootste hedendaagsche Nederlandsche folkloristen, dr. Jos. Schrijnen, vertoont de weerwolf een animistisch karakter (Nederlandsche Volkskunde, dl I, blz. 73). "De weerwolf-mythen," schrijft hij, "hebben alle Indogermaansche volken gemeen."
In 't buitenland vindt men wel, dat de weerwolf een vrouw is (b.v. dr Ulrich Jahn; "Volkssagen aus Pommern und Rügen", blz. 38) op andere plaatsen wordt hij een weerwolf, die 't vel van een gehangene of een wolfsvel om zijn lichaam bindt; soms ook de misdadiger, die geen straf heeft ondergaan. Ook vrouwen, die op heksachtige wijze op een bezemsteel gaan zitten, kunnen weerwolven worden.
Nergens uit zich de volksfantasie zóózeer, dan in gedaante en verhalen van den weerwolf, onder welke gestalte hij (zij) zich ook beweegt. Zelfs de heksen moeten het in dat opzicht tegen hem afleggen.
Langzamerhand zijn de weerwolfsagen aan het verdwijnen, en binnen eenige jaren zal er niets van over zijn gebleven. In Limburg heb ik nog een fragment eener weerwolfsage gehoord, welke mij zoo onsamenhangend voorkwam, dat ik ze met den besten wil der wereld niet meer kon bewerken. Van hooren zeggen heb ik, dat er bij Rolde in Drenthe nog een weerwolf-achtig verhaal moet leven. Onderzoekingen in dezen zin hebben echter niets opgeleverd. Of men er zich voor schaamde?
DE BASILISCUS VAN UTRECHT (blz. 53-57). Opmerkingen over deze sage zijn weinig te maken, daar zij alreeds in 't verhaal zelf zijn verwerkt. Dat uit haneneieren vervaarlijke monsters konden worden uitgebroed, was een allerwege verspreid verhaal in de middeleeuwen en later (men leze bijvoorbeeld Der Hahn von Quakenbrück van Ricarda Huch). Dat er in de 15e eeuw nog een haan werd opgehangen in Bazel, beschuldigd, dat hij een ei had gelegd, behoeft zeker geen verwondering te baren.
Er bestond maar één middel, om dezen basiliscus te bestrijden, en dit werd door den Utrechtschen jongeling toegepast. Wat men in Dokkum en Oldeboorne heeft gedaan, waar telkens achttien menschen werden gedood (de overeenstemming der twee getallen is typisch-toevallig) is niet bekend.