Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 25
"Zijn er geen wolken aan de lucht, donker en dreigend?" "Alle sterren schitteren."
"Roepen mijn mannen mij niet, dat ik weer aan boord zal gaan?"
"Het is stil op zee."
"Hebt gij me lief?"
"Ja."
"Ge kent me. Weet ge, wie ik ben."
"Noem uw naam."
"Als ik mijn naam noem, zijt ge mij niet meer trouw. Als gij me niet meer trouw zijt, wordt gij verdoemd. Dat is de wet."
"Ik vrees de wet niet. Ik ben u trouw."
"Hebt gij mijn naam ooit gehoord?"
"Niet den naam, dien gij nu draagt. Wel den naam, dien ik liefhad."
"De Vliegende Hollander heet ik. Ik heb den Duivel verzocht, en er bestaat geen verlossing voor me, anders dan door u. Als ik verlost word, moet ik sterven. Niet een levend man hebt gij lief."
"Lief heb ik de eeuwige ziel. Mijn ziel zoekt de uwe."
"De storm steekt op in de verte."
"Het is een ver gerucht, dat menschen maken."
"Het is de storm. Luister!"
"Ik vrees niet--"
"De golven slaan tegen mijn schip. De mannen roepen mij."
"Ik ben bereid met u te gaan."
"Niet met mij. Blijf!"
"Ik ga met u."
"Ik wil niet, dat ge met mij gaat. Liever wil ik rusteloos zwerven, nu eeuwig rusteloos, want na dezen dag vind ik u niet weder. De golven zullen slaan, de storm zal huilen, en ik zal nooit meer aan land gaan, want ik heb er niets meer te zoeken. Vaarwel."
"Niet vaarwel." Ze legde haar armen om zijn hals. "De morgen is nog verre. Blijf bij mij. Nog eenige uren leven, tezamen leven."
"Dieper is dan 't ongeluk na zooveel geluk. Geen herinnering meer mag uw ziel, mijn ziel zoekend, bezitten. Ik zeg u, dat ik verdoemd wil zijn."
"Ik ben trouw. Uw noodlot is, dat ik trouw ben, en daarom zal ik moeten sterven, gelijk zoovelen."
"Duizenden levens zijn in uw eene leven besloten. Bedenk, dat het beter is, niet veel geluk te kennen. Laat me dus gaan."
"Ben ik niet een ziel aan u gelijk, zwervend in eeuwigheid, gaande van tijd op tijd aan rustig land? Trouw wil ik zijn."
"Gij zult 't niet zijn. Blijf leven."
"Ik zeg geen vaarwel."
"Ik verlaat u."
"Ik ga met u."
Zij gingen tezamen. De zee lag wijd voor hen. Bliksemsnel schreed hij over de golven naar 't wachtend schip. De storm werd luider: al aan den horizon was zijn lach, dien de schuimende golven mededroegen.
"Vaarwel--", antwoordde ze van de hooge rots. "Ik wil bij u zijn. Ik ben u trouw tot in den dood."
Zij stortte zich in zee.
Toen kraakte het schip in zijn gebinten, en de Vliegende Hollander zonk in de zee, verlost van den vloek.
XLVIII
Ontmoeting met den Vliegenden Hollander
Vele schippers hebben den Vliegenden Hollander ontmoet, zeilende over de hooge zee, en als zij de bemanning van het vreemde schip riepen, hoorden zij geen geluid--wat het vreeselijkste was--of wel schreeuwden er stemmen en rinkelden er flesschen. Het ging zonder kompas en koers, het voer en verdween. De zeilen waren fel-wit en strak-gespannen.
Wee! wee! wie den Vliegenden Hollander zag.
Doch een schipper uit Makkum heeft hem aanschouwd, en hij is met behouden reis teruggekomen. Dit wonder wordt als volgt verteld.
In de Spaansche zee kwam een storm, zóó wild als nooit een der bemanning had gekend. Doch de schipper bleef in zijn kajuit en rookte een pijp, als ware er geen wolkje aan de lucht. Een ieder dacht:
"We zullen vergaan"; menig man bad, en beval zijn ziel aan God. De stuurman liep heen en weer, en hij meende, dat men er nog een reef in moest steken. Hij riep het den schipper toe. Deze stak echter even zijn hoofd naar buiten, de pijp kalmpjes rookende, en hij zei vredig:
"Laat staan, wat staat."
Toen kwam het duister, dicht en diep en star, de lucht was zwart en de zee was zwart, noch van verre, noch van dichtbij was er een grens aan den nacht. 't Eenigst geluid was de zoevende stormwind, en iedere stem werd verwaaid.
Toch kraakte er hout, en rammelde er een ketting, en plots kon men den stuurman verstaan, die uitriep:
"Te loevert is een schip."
Wit waren de zeilen, een nevel gleed voorbij, wàs het een schip? De bootsman fluisterde, en ook zijn woorden werden vernomen:
"'t Is de Vliegende Hollander."
De pijp des schippers was niet uitgegaan: de kapitein kwam rookende aan dek, en keek eens rond.
"Wat is er, mannen?" Geen antwoordde hem, tot eindelijk de stuurman schor riep:
"De Vliegende Hollander! Wat zou 't anders zijn?"
Klets! de pijp van den schipper vloog in zee. De Makkumer stond rechtop en zei toornig:
"Zoo! zoo! dan zijn we hem eer schuldig ook. De eer zal hij van den Fries hebben."
Voor de stuurman begreep, wat de schipper in het zin had, was deze al in de kajuit, en hij kwam met een brandend hout terug. Hij laadde een draaibus, en liet het kruit ontploffen. Het schot knalde.
"'t Is onze dood," dacht een ieder. Maar de Makkumer lachte.
"We geven hem alle eer, die hem toekomt." Hij wees te loevert.
"Kijk! er is geen schip meer. Wat wou de Vliegende Hollander van ons?"
De nacht week terug, en men voer in een schemerend licht. Nu eerst durfde het scheepsvolk om zich te zien, en het was, zooals de kapitein had gezegd. De spookschuit was verdwenen. De schipper ging naar zijn kajuit, haalde een nieuwe pijp, en dampte een oogenblikje later weer, of er niets was gebeurd. De stuurman en bootsman keken zeer verwonderd naar lucht en zee: het volk kon wel naar kooi gaan. Wie dacht er nog aan gevaar?
Men hoorde den schipper lachen.
"Ik heb hem de eer gegeven; hij heeft niets op me aan te merken!"
Dit nu stemde menigeen bang, en men fluisterde, dat het eind der reis nog niet gekomen was. Men ging den ouwe uit den weg, die deed, of hij niets bemerkte. Even rustig en leutig bleef hij als vroeger, kalmpjes rookende. De stuurman zei tot den bootsman:
"De schipper is voor den Duivel nog niet bang."
"Ik wou, dat ik niet gemonsterd had."
"In de Middellandsche Zee zijn roovers--dáár zal 't gebeuren. We hebben niet voor niets den Vliegenden Hollander te loevert gezien."
"O! mijn vrouw en kinderen te huis ...."
"Daar is de schipper ...."
Langzaam schreed de Makkumer over dek, de handen in de zakken, en de pijp natuurlijk in den mond. Ging dan de schipper soms met de pijp te kooi? De twee mannen zwegen, hoewel ze begrepen, dat de ouwe hun gedachten ried.
Er woei maar weinig wind, en over een effen baan gleed het schip. Toen ze in de Middellandsche Zee kwamen, werd het bijna windstil. Men kwam slecht voorruit, en een ander kapitein ware misschien boos geworden, en had het volk uitgescholden. De Fries echter bleef kalm, en hij keek, of hij dit alles wel verwachtte.
Des avonds in de rozig-getinte schemering--nog was de hemel ultramarijn, doch zee en lucht waren reeds door het duister bewogen--hoorde men 't zacht geplas van riemen, en men spande zijn oogen in, om te zien. Een boot naderde.
"Zoo--" zei de schipper, "zijn ze er al?" en hij verzamelde zijn manschap. Allen stonden om hem heen. Men wist, dat _hij_ alleen redden kon. Hij nam zijn pijp uit den mond, en wees naar de verte.
"Jongens--," fluisterde hij, "'t hangt ervan af, of _die daar ginds ook is!_ Wanneer de boot alleen komt, heb dan geen vrees. Maar jullie moeten me helpen." De stuurman vroeg kreunend:
"Komen we er behouden door?" De Fries wierp zijn pijp op dek, zoodat de stukken uitspatten, en hij antwoordde bedaard.
"'t Zal wel gaan."
"Wat moeten we dan doen?"
"Jongens! neem zeven leege flesschen en breng ze me. Kok! heb je nog een paar mooie stukken hout, van die half smeulende?"
"'t Zal wel gaan, schipper!"
Een paar van het volk waren reeds naar beneden gegaan, en ze brachten zeven flesschen, welgeteld. De schipper bezag ze meesmuilend, en hij likte zijn baard, of hij iets smakelijks had gegeten.
"Dat is in orde, maats. En nou de kok nog!"
Deze kwam al hijgend aanloopen, in rechter- en linkerhand een paar flambouwen. Onderwijl had de schipper de zeven flesschen met buskruit gevuld.
"Hallo! hallo! hij moet de groeten van den Vliegenden Hollander hebben."
De mannen stonden zwijgend om hem geschaard. Plas! plas! poem! deden de riemen der naderende boot. Men hoorde, hoe de lieden hijgden, om maar gauw op zij van 't schip te zijn.
De schipper zwaaide de zeven flesschen met buskruit en hij smeet ze recht op de boot. De flambouwen, in hun vaart fel-vlammende, wierp hij de flesschen achterna.
"Buk je," schreeuwde hij.
Een zwerm van glinsterende scherven sloeg de hoogte in, en de boot barstte uiteen. Men zag geen menschen drijven. Het schip voer verder.
"Men moet den Vliegenden Hollander de eer geven," lachte de Makkumer nu luid, en hij ging naar beneden, om een pijp te rooken.
In zeer korten tijd kwam men behouden aan. Het weder was wonderschoon gebleven, en de zee rimpelloos. Alle nachten hadden de goede sterren geschitterd.
XLIX
De Sage der "Lutine"
In het kleine kantoor der bankiersfirma Goldsmith in Londen was 't heel stil. De jongste bediende was bezig de ganzenveeren pennen te versnijden, en de oudste schreef onderwijl met zijn mooie handschrift--waarom hij algemeen benijd werd--een brief naar een kassier in Birmingham. Een paar vliegen zoemden rond.
Toen werd er zachtjes aan de deur geklopt, en de oudste bediende riep, zonder 't hoofd op te heffen:
"Binnen!"
Een lange, grijze man trad de kamer in, bleef even op den drempel staan, en vroeg:
"Mr. Goldsmith?" De bankier stond op.
"Dat ben ik."
"Kan ik u spreken?"
Naast de kamer was een klein kantoortje. Mr. Goldsmith meende, dat het een vreemdeling was, die gaarne zaken met hem wilde behandelen, en hij ging hem voor. Hij bood hem een stoel aan en de grijsaard ging zitten.
"Waarmee kan ik u van dienst zijn?"
"Sta mij toe, u mijn naam niet te noemen. Ik heb iets voor u medegebracht, wat van het hoogste gewicht is. Maar mijn naam heeft geen klank, en niet ik-zelf, doch wat ik u schenk, heeft waarde."
Uit zijn kaftan haalde hij een enveloppe, en tegelijkertijd stond hij op.
"Zie nooit, wat deze enveloppe bevat. Berg ze weg, zooals ge uw schande zoudt verbergen--dat niemand ze vinden kan. Zoolang gij het couvert ongeopend laat, zult ge gelukkig zijn, en aan den anderen kant, wee uw huis! zoo ge de zegels verbreekt."
Hij legde de enveloppe op tafel, en ging ijlings heen, Hij was reeds uit 't kantoortje, en de kamer, waar de twee bedienden zaten, vóór de bankier hem kon terugroepen. De tijd schreed voort.
Mr. Goldsmith sloot den brief van heil en onheil achter slot en grendel, en hij wachtte. Want op het geluk heeft men te wachten, en niet als een vogel kan men het lokken.
Men wist niet hoe, en niet waarom. Men weet het nimmer, waarom de één goud vergaart en de ander niet. Men heeft te wachten op de ééne seconde, en de duizelingwekkende kansberekening. Mr. Goldsmith's kantoor werd uitgebreid, en het tintingen van goud en zilver hield des daags niet op in zijn woning. Hier was 't een lord, een graaf, een hertog, daar een koopman, een handwerksman, en geen hunner, die bij hem binnentrad, of hij bracht veel of weinig goud; elk hunner was een beekje of beek, voerend naar de groote rivier.
Mr. Goldsmith dacht niet over zijn geluk na, evenmin als alle Zondagskinderen, die meenen, dat zij rechtens door den overvloed worden bedeeld. Hij herinnerde zich slechts flauwtjes het vreemde geschenk, dat hem eens gegeven was. Zijn zoons werden grooter, en terwijl alle dagen eigenlijk op elkaar geleken--zij het, dat er telkens weer nieuwe gezichten van menschen kwamen in de wisselingen des tijds en vele bekende gezichten verdwenen werd hij ongemerkt ouder. Hij bemerkte tot zijn verwondering, dat zijn zoons langzamerhand evenveel wisten en kenden als hij, hoewel hij dit nooit zou toegeven. De tragiek van den ouderdom kwam plots in zijn geluk, en hij was niet meer noodig op deze wereld ... maar vreemd! zelf gevoelde hij deze tragiek niet.
Een morgen zat hij op zijn kantoor, waar hij de bevoorrechte klanten ontving, toen zijn gedachten begonnen te zwerven naar de dagen zijner jeugd, ze blijde tegemoetgaande. Hij glimlachte en gedreven door zijn herinneringen, stond hij op. Was het werkelijk waar geweest? Hoe iemand toch zonderling droomen kan! Hij zag den ouden man weer vóór zich staan, gehuld in zijn langen kaftan, en zijn vingers! ja, zij voelden nogmaals over de enveloppe. Nog steeds glimlachend ging hij naar de kast. Wanneer het waar was, dat er eens een grijsaard bij hem getoefd had, die hem een couvert overreikte, moest dat tusschen de papieren liggen, welke hij van zijn vroeger kantoor had medegenomen. Hij stond voor de kast, en zocht.
Hij was niet verwonderd op het oogenblik, dat hij de enveloppe in zijn handen hield. Hij hernam zijn oude plaats bij de tafel en draaide ze in zijn handen.
Hij verbrak de zegels.
Waarom?
Hij verbrak de zegels.
Uit de enveloppe greep hij een stuk papier. Daar stonden een paar schriftteekens op, welke hij niet kende, en hij schudde 't hoofd. Vervolgens legde hij de geopende enveloppe en 't papier op tafel neer.
Hij was slaperig geworden. Hij hoorde de geluiden, welke hem zoo vertrouwd waren, en die een onmisbaar deel van zijn leven waren geworden: het gefluister der klanten, en dan het gerinkel van het zilveren geld geteld tegen zilveren geld, en de hooge, teedere stem van het goud, als het even-veerend op het hout neerkomt. Hij liet 't hoofd zinken, tot het tegen zijn borst rustte. En 't leven ging verder, zonder dat het tot hem doordrong. Het werd avond, en nog had hij zich niet bewogen. Men klopte zachtjes aan de deur. Men wilde heengaan--had mr. Goldsmith nog iets te bevelen?
"Is mr. Goldsmith al weg? Er komt geen antwoord."
Op de tafel lag de geopende enveloppe. Daar dichtbij rustte de doode hand van den bankier. Hij had het zegel verbroken, en de zwijgende bedienden, die zijn kamer binnentraden, wisten, dat hij van 't leven niets meer kon verwachten.
Doch zijn naam behield den beproefden, zuiveren klank, en zijn zoons gingen in het kantoor zitten, waar hij gestorven was. Was de stroom van het goud, nu het eenmaal zijn weg naar dit huis had gevonden, ooit te stuiten? Ze lachten om den vloek, dien een grijsaard in een langen kaftan gehuld, hun wilde brengen. Ze lazen het "mene, mene teleel," doch zij verstonden het niet. De tijden van den oorlog kwamen. Engeland en Rusland streden tegen Frankrijk, dat de "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" in zijn vaandel voerde; en ook de Bataafsche Republiek was dronken van deze leus.
De Engelschen en de Russen vielen Noord-Holland binnen, en de troepen van den Groot-Brittannischen koning moesten betaald worden. Wie had 't geld?
De firma Goldsmith kon het wel leenen, zooveel de regeering beliefde ... en wonderlijk toeval! ze had ook staven goud te zenden aan een bankier in Hamburg. De "Lutine"--aldus heette het schip, dat werd uitgerust zou eerst de soldij uitbetalen, en dan zijn koers naar de vrije Hanzestad vervolgen.
Wie dacht er aan vloek en aan gevaren?
Men zou aan de Noordkust der Bataafsche Republiek landen, en vroolijke gesprekken voeren met de officieren van 't Russische leger, en Hollandsche genever drinken. Waren de meisjes van Alkmaar, en den Helder preutsch? En later de Sankt Pauli-strasse in Hamburg, waarvan een blijde mare uitging. De danslust kittelde hun voeten al.
De zee was rustig, en vol licht, toen ze uitzeilden. Maar na den korten dag sloeg de nacht snel uit den hemel, en een bries woei op. De golven grepen het schip, de wind was woest, en de "Lutine" worstelde tegen macht van storm en zee.
De "Brandaris" aan de kust van West-Terschelling wierp zijn licht verre uit. Maar wie aan boord van het Engelsche schip kende den weg tusschen diepte en zandbank? De dag, dat de grijsaard in zijn kaftan mr. Goldsmith had bezocht, was lang geleden, en toch werd zijn vloek vervuld. Diep, dieper zonk het schip met goud.
Nog altijd ligt het onder de zee bedolven; duikers brachten reeds een der Spaansche matten, waarmede het gevuld was, naar boven.
Wat bleef er na de schipbreuk van de zonen van mr. Goldsmith? Het werden bankroetiers, en, naar de gewoonte dier dagen, werd hun naam met schande genoemd.
L
Doktor Faust bij Bommel
Op het slot Waerdenburg woonde eertijds niemand meer of minder dan doktor Faustus, en hij leerde en studeerde den ganschen dag, ja, dikwijls sloot hij 's nachts zijn boeken niet. Uit zijn schoorsteen kwam walm en stank, en niemand wist, wat doktor Faustus eigenlijk bedreef. Hij gooide velerlei poespas door elkander, en keek er dan met alle verstand naar, net of hij een wonder verwachtte, maar wat hij zocht, vond hij natuurlijk niet, en daarover was doktor Faustus heel bedroefd. Hij had overal vuren aan, en daarboven zette hij allemaal van die rare potten en pannen, en velerlei kleuren mengde hij dooreen, groen en paars en rood en blauw, totdat op een goeden dag--niemand weet op welke wijze--de Duivel in eigen persoon bij hem kwam. En deze vroeg dokter Faustus:
"Beste doktor Faustus, wat zoekt gij toch in uw potten en pannen? De heele Bommelerwaard is vol van den stank van uw schoorsteen, en gij bereikt niets. Zoudt gij u niet liever onder mijn hulp stellen?"
"Ja," antwoordde de geleerde doktor, en hij krabde zich op 't voorhoofd, "maar ik heb geleerd voor wat hoort wat, en wat zijn uw voorwaarden?"
De Duivel glimlachte en volgens gewoonte noemde hij eerst de voordeelen der tegenpartij op.
"Kijk eens, ik kom bij u in dienst, en zeven jaar lang kunt ge van me krijgen, wat ge wilt." Doktor Faust dacht langen tijd na.
"En als de zeven jaar om zijn?"
"Ja," antwoordde de Booze, "dat is nu eenmaal niet anders. De gewone belooning, nietwaar, die ik altijd eisch."
"Dus mijn ziel?"
"Niet meer en niet minder--Wat doet het er welbeschouwd toe? Denk eens aan, doktor Faustus, wat er in die zeven jaar gebeuren kan! Niets dan vreugde zij uw deel, vreugde, die vreugde volgt, en onbekommerd staat ge op, en onbekommerd gaat ge te bed. Zoo'n leventje zou het heele menschdom bekoren, wat ik je zeg."
"Nu, dat is dan afgesproken."
"Voorzichtigheid," zei de Duivel, "is de moeder van de porseleinkast. Ik voor mij heb altijd zoo'n beetje ... wantrouwen. Dat leer je helaas op de wereld. U weet niet, hoe duivelsch-slim de menschen zijn, en daarom moet ik u voorstellen, dat wij er een klein contractje van opstellen, en nou u!"
"Ja--wat moet, dat moet en wat niet anders kan, dat kan niet anders."
De Duivel haalde een stuk perkament te voorschijn, en daar stond reeds alles zwart op wit. Hij is een goed rechtsgeleerde, de Duivel, en hij maakt het de zondaars niet al te moeielijk!
"Zoo ge dit even met uw bloed wilt teekenen, is de zaak in orde."
"Wie a zegt; moet ook b zeggen," zuchtte de arme doktor Faust, en hij zette zijn handteekening. Doch nu moest zijn nieuwe knecht nog een naam hebben. Als hij hem te roepen had, kon hij toch niet zeggen: "Duivel! kom eens hier?" Of: "Satan! haal me wat meel in Bommel?" Ze waren het al gauw over den naam eens. "Joost," zou de nieuwe knecht van den doktor heeten. Hij behield dus aan den eenen kant een titel van Beëlzebub, die immers ook wel met Joost wordt toegesproken, aan den anderen kant zijn er ook wel menschen Joost genaamd. Joost kon alles, en Joost deed alles. Tegenwoordig is het dienstpersoneel, zooals de algemeene klacht is, in de verste verte niet, wat het vroeger was, en Joost was--denk eens aan--in dien tijd al de puikste der puiken.
Doktor Faustus had maar te zeggen:
"Graag wil ik dit of dat," en de knecht was reeds weg, veel gauwer dan een paard kan loopen. Hij deed zijn inkoopen niet in Bommel (hoewel daar de winkeliers van alles wel voorzien zijn, en duur kan men ze ook niet noemen), maar in Amsterdam, ja zelfs in Parijs. Wat verlangde doktor Faustus ook niet al!
Denk u eens een snikheeten zomerdag, waarin de vogels te moe zijn, om te zingen. De warmte zinkt, zinkt neer uit de lucht tot op de aarde, voortdurend nieuwe warmte, die den grond doet springen. Als ge den schoenen op den weg zet, lijkt het of er vlammen om uw voet slaan. Uw hoofd kan geen hoed verdragen, en zonder hoed kunt ge 't ook niet uithouden. Ge verlangt naar een frisschen dronk water, en als ge drinkt, is uw dorst onleschbaar, ja, het drinken zelve wekt den dorst op. Uw hoofd is zóó opgezet, dat uw beste vriend u niet wederkent, en als ge de schaduw van het bosch binnenkomt, gaat ge zwemmen ineen vurigen oven.
Op zulk een zomerdag commandeerde de geleerde doktor zijn knecht:
"Joost! haal me even een beetje ijs en sneeuw."
En dan moest de duivel door de smorende hitte, erger dan de hel.
Of wel, wanneer 't winter was, wanneer de rivieren bevroren waren, en de felle, vinnige kou drong door de beremuts heen, net precies, om de bovenste puntjes der ooren zóó ondragelijk te doen lijden, dat men zijn ooren erom zou willen verliezen, en ook den neus deed hij krimpen en kreukelen en kraken, dat je 't gevoel had, of er niets van overbleef en je nooit meer zou niezen en snuiten (maar den volgenden dag was je zóó verkouden, dat alleen een warm bed en kamillenthee je er weer bovenop konden helpen). En overal zag je bonte kraaien, als teeken, dat het nog lang niet uit was, en 't beste kon je thuis-blijven met je handen en beenen vlak bij den haard ...
Op zóó'n dag placht doktor Faustus zijn dienaar te roepen, en hij beval hem:
"Haal me eens een paar flinke trossen druiven."
Sneeuw en ijs in den zomer, druiven in den winter, dat was al bijna niet te doen! Maar nog was de geleerde man niet tevreden! Op een dag liet hij Joost bij zich komen. "Hoor eens! ik moet een rijtuig hebben met vier paarden, die nooit moe worden."
Dat bracht de knecht ook in orde! Je kon doktor Faustus vaak zien uitrijden, en dan ging hij, hu! als de wind naar Konstantinopel, heen en terug.
Het gebeurde ook wel eens, dat hij naar Bommel wilde.
"Inspannen, Joost! Maak eventjes een brug over de Waal!"
Dan liep de goede Duivel naar de rivier en bouwde in een ademtocht een stevige brug, waarover de doktor het prachtige rijtuig voeren kon. Nauwelijks echter was hij aan de overzijde, of hij floot.
"Joost! je weet, ik kan de lui van Bommel niet uitstaan. Zorg gauw, dat de brug weer afgebroken wordt, anders maken ze er gebruik van."
Nog eerder dan de pont gereed was, werd zij weer gesloopt.
Wat er niet al van doktor Faust wordt verteld. Ja, ja, de wonderen zijn de wereld nog niet uit, en 't staat gedrukt ook, dus is 't even waar als de krant. Eens kwam de geleerde man een herberg binnen, en riep om een vat Tielsch bier.
De waard sjorde en rolde met veel gezucht en geklaag de zware vracht voor zijn voornamen gast: tot verwondering van allen ging deze erop zitten, en daar reed hij de kroeg uit, net of hij op een Arabischen hengst zat. Huppelend en steigerend en zich voorover neigend en dan weer achteruit werpend, voer hem het vat Tielsch bier tot aan het kasteel, waar doktor Faustus afsteeg, en Joost riep. Hij had hem natuurlijk weer wat te ordonneeren, en elken dag prakkizeerde hij wat nieuws. Als zoo'n geleerde bol eenmaal daarmee begint, kan er alevel wat gebeuren.
Om een voorbeeld te geven!:
Eens, dat hij meel had gekocht, liet hij 't naar de gracht rijden, en hij beval, dat men de kostelijke waar ('t was zonde!) in het water zou gooien. Toen dit geschied was, riep hij Heintje Pik.
"Joost! haal me 't er weer uit, en zorg, dat het goed gezuiverd wordt, anders krijg je met mij te doen. Allo! niet getalmd."
Dan ging de Duivel aan het scheppen, schoppen vol vuil en meel dooreen: 't riekte wel een half uur in den omtrek zuur! Vóór hij er mee klaar was, het vuil en het meel te scheiden (hoewel in een mengsel de stoffen onveranderd haar eigenschappen behouden) snelde er heel wat tijd voorbij, en de rug van Beëlzebub deed hem pijn, of hij gegeeseld ware. Soms veroorloofde zich de doktor een bijzonder aardig grapje tegenover zijn knecht. Als deze overdag den heelen dag zóó had gewerkt, dat hij er met permissie van zweette, nam zijn heer wat koren en smeet 't in de doornenheggen.
"Joost! vóór morgenvroeg moet je zorgen, dat ik 't terug heb."