# Nederlandsche Sagen en Legenden

## Part 24

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/nederlandsche-sagen-en-legenden-3455/index.md

Drie koperen penningen waren het, en daarvan bouwde zij de kerk: drie penningen werden zes en zes werden negen en negen werden twaalf; zonder ophouden gingen de penningen door, en zij telden zichzelf. Daarom was ze vermoord, om een rijkdom, die er niet was, en 't litteeken sprak van de drie penningen. Maar toen de drie penningen waren geroofd, bleven zij drie penningen, en ze werden niet meer vermeerderd. Hoe moest nu de kerkvan Dordrecht worden gebouwd?

Toen zegende de paus haar, en gaf haar groote aflaten, even machtig als de drie penningen. Want uit 't geld werden vrome steenen en opene deuren. En het volk in de oude stad was blijde om de kerk, uit het wonder geboren.

Zuwaert is zalig gestorven, niemand weet hoe en waar. Maar haar ter eere sprong de bron, en 't water vlood, drie dreupelen bij drie dreupelen tot een hoogen straal. Want uit de kleine dingen worden de groote geboren, en drie dreupelen worden zes, zes worden negen, negen twaalf, en 't wil niet eindigen in het zichzelf-vermeerderen.

XLVI

De Engelsche Koningsdochter

Omstreeks het jaar 850 na Christus heerschte er over het land van Heusden de heer Robert, gehuwd met Ida, de dochter van den Cuykschen graaf. Zij hadden een zoon Boudewijn, een jonge, moedige knaap: maar toen het noodlot kwam over zijn vader's rijk, de roovende Denen en Noren, was hij niet oud genoeg, om hen te keeren. De heer Robert was een grijsaard, bevend van handen, en hij vluchtte naar Brabant, om den dood te ontgaan. Boudewijn volgde hem niet, maar hij ging naar Engeland, waar in deze dagen koning Elderik regeerde, die een dochter had, Sophia geheeten, niet veel jonger dan Boudewijn. Hoe wist zij, dat ze hem liefhad? Nooit toch had ze naar hem gezien, noch als hij in de zaal was, bij haar vader, noch als hij ter jacht uitreed; zij scheen niet te luisteren naar zijn stem, die oud klonk in den raad, jong in het spel. Hoe wist ze, dat hij bestond? Hoe wist ze, dat hij haar liefhad? Ze sprak een zoet geheim tot zichzelf, wanneer hij in haar nabijheid was. Doch ook ... hoe begreep _hij_, dat ze hem gaarne mocht? Zag ze dan toch naar hem? Hief ze haar hoofd iets op, als hij wat zeide--en bemerkte hij dit? O! 't wonderlijke spel van gelieven, die begrijpen, zonder te weten. Er kwam een dag, dat hij met haar sprak--even--zijn stem gleed langs haar heen, zelfs geen echo bleef, en toch was het haar, of de blijde klank om haar was, allerwege, zooals vogelenzang om u is in de eenzaamheid van een zomerdag. De wegen, die ze ging, waren anders voor haar geworden, de blauwe lucht dieper, en 't scheen haar, of ze de kleinste dingen des levens liefhad. Meermalen hoorde ze de jonge ridderen aan haar vader's hof met elkander lachen en praten ... dan hoorde ze zijn stem, wanneer hij sprak, hoe zacht ze ook klonk ... en ze was gelukkig. Dat ze Boudewijn niet mocht liefhebben--hij, die slechts haar vader's dienaar was--bedacht ze nooit. Elke dag werd haar tot een bedwelming, iedere nacht een fluisterend geheim. Hij van zijn kant, nadat hij had gehoord, hoe haar stem trilde, was angstig om hun beider jonge liefde. Wat zou koning Elderik, zijn heer, zeggen, als men 't hem vertelde? Boudewijn besloot, om niet meer zijn stem te doen spreken, wanneer zij nabij hem was. Hij deed, of zij niet bestond, en hij wendde zijn blik naar anderen kant. Maar ook in het zwijgen heeft de liefde een klank ... en zij vernamen dien beiden, als het ruischen van stroomend water in de verte. Toen zij dien klank hadden gehoord, werd 't leven duisternis, en zij luisterden naar den nacht, begrijpend, wat hen scheidde. Zoo geschiedde het, dat ze elkander eens op een eenzamen weg ontmoetten--het was tijdens de jacht, en zij beiden waren afgedwaald--en toch spraken ze niet. Angstig waren ze. Een ander maal stonden ze--hoe 't geviel, konden ze nooit verklaren op een veld alleen, en weder wilde hij zwijgend langs haar gaan. Dit keer gelukte 't hem niet. Hij moest zijn schreden in-houden, haar aanzien, en hij legde zijn hand aan 't hart. Zij stond stil en zag hem aan, haar oogen vergroot.

"Ik ga Engeland verlaten, jonkvrouw," zeide hij dof.

"Waarom wilt gij Engeland verlaten?"

"Om een vrouw, die ik min en die ik niet minnen mag. De liefde is een arend: ongebonden streeft hij naar't zonlicht, gebonden buigt hij den kop van 't zonlicht af. Zoo ik hier langer blijf, zal mijn arend gebonden worden, en den kop buigen. Ga ik heen, dan misschien, leef ik in de verte, om wat ik dichtbij niet kan bereiken."

"Waarom hebt gij 't hier niet kunnen bereiken?"

"Omdat ik geen edele prins ben, regeerend over wijde landen. Men heeft mij uit mijn rijk verdreven, en niets heb ik dan mijn trouwe handen. Neen, zeker zou 't niet wijs zijn, om mij de vrouw te geven, die ik min."

"Zoo zij u dan lief heeft, Boudewijn?"

"Zoo zij mij lief heeft, wil ik voor haar liefde vluchten als voor een kwaden duivel. Zij moet koningin worden, niet de vrouw van een zwerveling."

"Vraagt liefde naar rede? Zoo zij u lief had, zouden al haar dagen tot nachten worden, wanneer gij waart heengegaan. Heeft zij u dan niet noodig? Wil zij koningin zijn, en heeft zij den zwerveling niet lief? Luister naar uw hart, Boudewijn."

Hij vluchtte. Waar hij ging, hoorde hij haar woorden:

"Luister naar uw hart, Boudewijn."

Hij luisterde. Hij hoorde zijn hart spreken. Het zeide hem, dat hij haar vragen zou, om zijn lot tot 't hare te maken. Kon hij buiten haar--zij buiten hem--leven? Hij luisterde naar zijn hart, en 't duizelde hem. Hij behoefde niet meer te vragen, wat koning Elderik hem beval. Hij gunde Sophia niet aan een ander, of hij koning of keizer ware. Zijn vrouw moest ze worden, en elke harteslag beval hem, haar lief te hebben, en haar mede te nemen, al werd hij later ook arm en verlaten. Dit zeide hij haar, nadat hij haar ten derde male had ontmoet, en zij hoorde naar zijn woorden.

"Hebt gij dan toch naar uw hart geluisterd?" riep ze eindelijk, duizelend van geluk. "Ik heb niet gevraagd, mijn lief, om koningin te worden van een koninkrijk. Alleen voor u wil ik zijn: leven en lachen en lijdende sterven, zoo dit moet wezen."

Zij kusten elkander, want al waren haar woorden ernstig, zij beiden dachten niet na over het wachtende lijden.

"Laten we vluchten," riep hij blijde, "over de zee naar het land, waar ik geboren ben. Daar zal ik u weten te verbergen, zoodat uw vader, de koning, ons niet zal vinden. Nooit zult ge hem wederzien, maar bij mij zult gij gelukkig zijn."

Ze gingen met gunstigen wind over zee. Slechts een kamerdienaar en een knecht waren bij de edele koningsdochter--dit waren allen, die haar trouw waren. Het milde maanlicht was over het water. Zij zagen naar de glans-spelende golven, en dankbaarheid was er in hun hart om dezen wonderlijken nacht, waarin alles licht was.

Niet te zuidelijk voer hun schip. Ze kwamen in Zeeland aan, en vandaar reden ze naar het slot Megen; hier bleven ze langen tijd.

De koning van Engeland, Elderik, zond boden naar alle deelen der wereld, naar Schotland, Ierland, Frankrijk, Brabant en Denemarken, doch ze keerden zonder tijding weerom, al hadden zich velen vermomd, om beter te kunnen vorschen. Zoo waren ook dikwijls marskramers het slot van Megen voorbijgegaan. Ze hadden gespeurd naar brug, muur en torens, zonder Sophia te ontdekken.

De Noren en de Denen waren uit het land van Heusden weder verdwenen, doch het kasteel lag in puin. Robert, de heer, herbouwde het niet. Hij was een heel oud man geworden, steunend op zijn stok, en zijn gedachten leefden altijd in het verleden. Iederen steen bezag hij, en het scheen wel met vreugde; het was hem onmogelijk te denken aan den herbouw van 't kasteel. Toen hij stierf, dacht men, dat de ruïne zou blijven, want niemand vermoedde, dat Boudewijn ooit zou terugkeeren. Maar nauwelijks was zijn vader dood, of de jonge edelman kwam in het land van Heusden, met zijn vrouw, en hun twee zonen, Edmond en Robert. Nu immers--dachten zij--zou koning Elderik niet meer zoeken, waar zijn dochter was: daarom bouwden zij het kasteel weder op, en van het puin bleef niets over.

Doch daarna was het geluk voor hen, die arme zwervelingen waren geweest, te groot, om lang te kunnen wachten. Het waren slechts enkele jaren, in duur gelijk aan de kortheid enkeler dagen, die voor hen overbleven; de Dood loerde op iederen lach, en als zij tezamen waren, schudde Hij zijn vuist. Gevoelden zij Zijn killen adem, als zij na den lach weer met elkander spraken? Dan waren hun beide stemmen dof, en ze zagen elkaar aan met een blik, die zeide:

"Het kan niet lang duren. Zijn leven en dood, die nu buiten ons kasteel staan, niet wreed? Als zij bij ons binnen-treden, zullen ze ons van elkander slaan--"

Ze durfden ten laatste niet meer te lachen. De angst was in hen verborgen, dat de lach hun noodlot zou lokken. Ze lieten hun gedachten drijven naar de oude dagen, dat zij elkander hadden ontmoet, en dan was 't hun, of eerst lange jaren van geluk hen zouden kunnen beloonen voor al het leed, dat het eenzame zwerven had gebracht. Plotseling ontdekten ze tegelijkertijd, dat ze ook voor hun stille gepeinzen begonnen te vreezen, en daarom zaten ze voortaan tezamen, zonder te spreken en zonder te denken. De uren, de dagen, de maanden, ze stroomden voorbij als 't water van een rivier in den herfst. Ze wisten niet, dat de tijd verdwenen was, en dat leven en dood, buiten hun kasteel wachtend, zich eindelijk om hun liefde zouden wreken.

Op het oogenblik, dat hij ziek werd, wisten zij beiden, dat hun geluk zou eindigen. Ze klaagden niet om den dood zelve: ze klaagden om de liefde, die hun zooveel had beloofd. Ze hoorden wederhun eigen jonge stemmen. Waarom hadden ze gelachen en niet geweend? Ze leerden het in deze dagen, om den dood niet te vloeken en Hem noemden ze in hun gedachten niet meer wreed.

"O! moet ik leven zonder u, Boudewijn," weende ze. "Beter is het nog, dat kinderen hun moeder verliezen dan hun vader, want ik kan niet leeren, om in het leven te speuren. Ik kan alleen voor hen werken en hen troosten in klein verdriet. En ik-zelf dan? Ben ik niet mede een kind, dat gij in 't leven achterlaat?"

"Schrei niet," schreide hij. "Vertrouw op God, die alle dingen ten goede leidt. Als uw vader, die even machtig is als het leven, u niet ontdekt, zijt ge hier veilig met onze twee zonen, Edmond en Robert. Vergeet mij nimmer, want geloof me, slechts eenmaal hebben menschen lief, een tweede liefde is verloren geluk. Vaarwel, en bid voor mijn arme ziel."

Zoo stierf hij, gelijk zoovelen, die niet kunnen worden gemist, en toch gaat de tredmolen des levens voort. Niets verandert er. De bloemen geuren, de vogels zingen, de lucht is blauw of grijs, het graan buigt. Zij, die achterblijven, gaan verwonderd over deze aarde, en ze begrijpen niet, waarom de wereld dezelfde bleef.

Sophia woonde met haar twee kinderen op het slot van Heusden, en zij lieten de dagen langs zich heen-gaan. Nooit kwamen er menschen in het kasteel: langzamerhand werden voor de drie eenzame menschen alle dingen buiten het slot verre en nevelig. Ja, soms dacht de vrouwe, dat Engeland niet bestond, en om de dagen, dat ze met Boudewijn door 't glanzend veld was gegaan, glimlachte ze. Maar eens bemerkte ze, dat het niet alleen droomen waren, waarin ze hadden geleefd.

Op een dag trad een marskramer de zaal binnen. Hij was gehuld in vellen van uitheemsche dieren, en men zag aan zijn voorkomen, zijn kleeding, de waar, die hij te koop bood, dat hij een langen tocht had gemaakt. Het scheen, dat de vrouwe van Heusden een oogwenk terugweek, terwijl zij hem en de dingen uit zijn mars zag, maar toen hij haar in het Duitsch had toegesproken, boog zij rustig het hoofd, om zijn koopwaar te keuren: het was dus geen Engelschman, die in de zaal stond. Zij zocht uit, wat ze noodig had. Toen glimlachte hij.

"Ik ken u wel, koningsdochter," zeide hij in het Engelsch, "ik ben uw landgenoot, en dikwijls heb ik u gezien."

"Verraad me niet," smeekte ze, "bij koning Elderik. Laat mij hier in eenzaamheid wonen, en laat mijn vader vergeten, wie zijn dochter is."

"Waarom zal ik zwijgen?"

"Mijn vader verwijt me, dat ik met zijn dienaar ben getrouwd, en ik hem heb liefgehad. Daarom wil ik mijn vader niet weer zien, en hij behoeft niet te weten, waar ik ben. Belooft ge mij, dat gij 't hem niet zeggen zult?"

"Ik beloof 't u."

Hij ging heen, de mars op zijn rug. Nadat hij was vertrokken, vroegen Robert en Edmond hun moeder, wat hij had gezegd, en ze luisterden met verwondering naar haar antwoord. Waren zij koningskinderen? Toen werden zij blijde om het leven. Zij smeekten, dat ze niet in het stille kasteel zouden blijven. Ridderen waren zij, die aan 't hof behoorden.

"Blijft hier--" klaagde de moeder.

"Laat ons gaan--," riep Edmond, de oudste, uit. "Koning Elderik zal ons goed ontvangen, en we beloven u, trouw en moedig te zijn."

"Luister niet alleen naar de stem van uw hart--o! denkt ook aan mij."

"We zijn jong. Wil iemand, die ouder is, ons tegenhouden?"

"Ik wil niet, dat gij gaat. Hoe weet ge, dat koning Elderik u goed zal ontvangen? Begrijpt, dat ik wel een koningsdochter ben, doch uw vader was slechts de dienaar van mijn vader."

Hierna zwegen ze, en zagen ze vóór zich; en Sophia vergat, dat de marskramer bij haar was geweest, want nooit meer spraken haar zonen over hun geboorte. Ze wist niet, dat de koopman een bode was, die door koning Elderik was afgezonden. Ze vertrouwde op zijn woord, dat hij zwijgen zou. Daar de dagen werden, wat ze vroeger waren geweest, geloofde de vrouwe van Heusden, dat ze nooit weder zouden veranderen.

De marskramer had niet lang vertoefd in de lage landen. Nergens had hij zijn koopwaar meer aangeboden, immers dacht hij:

"Ik draag een tijding bij me, die duizend goudstukken waard is. Laat ik gaan naar koning Elderik, en hem zeggen, dat zijn dochter leeft, en dat haar man, die dienaar was aan zijn hof, is gestorven. Duizend goudstukken zal hij me daarvoor betalen, en hoeveel voor de andere tijding, dat er nog twee jonge knapen van koninklijk bloed zijn? Zoo de eerste tijding duizend waard is, hoeveel dan de tweede?"

Aan zijn belofte dacht hij niet meer. Zoo spoedig hij kon, ging hij naar Engeland, naar koning Elderik's hof. Hij was niet als andere boden, die na hun tocht met gebogen hoofd de zaal binnen-traden. Recht was hij, en zijn stem was luide.

"Koning Elderik! heil! Ik heb uw dochter gevonden. Boudewijn is dood. Ik heb de kinderen van de prinses gezien, stoere knapen zijn het."

Toen weende de koning van vreugde. Hij spaarde zijn schatkamer niet, om het goede nieuws te beloonen. Hij zond een luisterrijken stoet van edellieden naar Nederland, teneinde zijn dochter en haar zonen te geleiden.

Het was op een stillen herfstmorgen, dat zij in Heusden aankwamen. De koningsdochter zat voor het roode spinnewiel, en lette slechts op haar werk. Het rad snorde. Toen was er een groot rumoer buiten, en ze schrok op. Ze zag dan stoet van Engelsche edellieden, en ze bemerkte, dat verscheidene hunner glimlachten om het werk, dat zij verrichtte. Was het de dochter van koning Elderik, die zich zoo verlaagde? Maar nadat zij was opgestaan, werden allen angstig. Ja, het was een koningskind, dat tegenover hen stond, vol machtigen trots.

"Wat zoekt gij hier?"

Men reikte haar een brief van koning Elderik. Ze scheurde het zegel open, en zwijgend las ze. Haar vader vergaf haar, en riep haar tot zich. Niet langer meer behoefde ze in Heusden te blijven. Aan het vorstelijk hof was haar plaats.

"Ik ga niet meer naar mijn vader, den koning van Engeland. Zeg hem, dat ik met eerbied aan hem denk, maar nooit meer wil ik hem ontmoeten. Laat mij in het land wonen, waar Boudewijn gestorven is."

"En uw kinderen?" vroeg de oudste der gezanten.

"Mijn kinderen? Ik smeek u, edele heeren, dat ze hier mogen blijven."

"De plaats der mannen is niet bij hun moeder. De Engelsche koning eischt hen op, en ge zult hen met ons zenden."

De knapen voegden zich bij de gezanten, en Sophia van Heusden stond alleen. Het scheen haar, of ze slechts de eenzaamheid had gekend, nadat Boudewijn gestorven was. Wat had de wereld haar beloofd, en wat gegeven? Ze was moede ... Hoe kon ze denken, dat zij alleen tegen al de machten des levens kon strijden?

"Het is goed, dat mijn zonen met u medegaan," zeide ze met matte stem, "beter is het, dat zij heden vertrekken dan morgen, beter op dit uur dan het volgend. Zij willen immers niet bij me blijven? Ik zal niet meer verlaten zijn dan vroeger." Haar handen steunden op het spinnewiel, want het was haar, of ze niet meer rechtop zou kunnen staan. Ze was een oude vrouw geworden in dit korte oogenblik, en het was alles, wat overbleef van de mooie Sophia, dochter van koning Elderik. Haar zonen gingen met de ridderen, en Edmond zag ze nooit weer. Robert echter kwam een dag bij haar, met een brief van haar vader; en, als vele jaren geleden, verbrak ze zwijgend het zegel.

"Ik zal in dit land blijven," sprak ze, "waar Boudewijn is gestorven. Geen ander land zal mijn graf zijn."

Haar stem was nu een verre, vreemde, als van iemand, die alleen in zichzelf leeft, en nooit iets anders heeft gehoord dan haar eigen gedachten. Vol blijdschap vertelde hij haar van het wapen der heeren van Heusden, dat hun koning Elderik had geschonken: een rood wiel op een gouden veld, omdat de ridderen hun moeder hadden gezien, spinnend aan een rood spinnerad. Ze luisterde naar zijn jonge stem, klinkend, of hij het leven had overwonnen. Peinsde ze over haar eigenjeugd? Ook haar en Boudewijn's stem hadden zóó geklonken.

"Ga naar het hof van den koning. Hij verwacht u met liefde," zeide Robert, die niet begreep, hoe iemand dit zou kunnen weigeren. Aan een koning's hof.

"Ik wil sterven in dit land," riep ze toornig, met al den wil, die het geheele leven en lijden in haar had opgeborgen. "In dit land is mijn liefste, Boudewijn, gestorven. Hij was de dienaar van mijn vader, maar ik heb hem lief, verder dan de grenzen dezer aarde." Toen werd haar stem weder moede. "Zeg dit den koning."

XLVII

De Vliegende Hollander

Een hulpeloos schip in den woedenden storm, en het land nabij. De golven sloegen tegen het zwakke hout, en de wind floot langs de zeilen. De storm eindigde niet, en dreefhet schip Westwaarts en Oostwaarts, Noordwaarts en Zuidwaarts; geen stuurmanskunst kon het leiden. De storm was meester.

De kapitein van der Decken stond bij de mast, en had zijn handen tot vuisten gebald.

"De duivel! ik zal het land bereiken, al zou ik tot den jongsten dag moeten varen."

"Hahaha," joelde de storm. "Hahaha," lachte de duivel. Aan dek van het schip sprak niemand meer een woord. De wind floot. De golven zwiepten en zweepten. Het land was nabij, en bleef verre. De storm duurde voort, van eeuwigheid tot eeuwigheid, geen seconde ging voorbij, zonder den wind.

"Laat mij sterven," bad van der Decken. "Hahaha," joelde de storm.

De wind dreef hem naar een rots. Te pletter zou 't schip nu loopen. Dit was het einde. Maar de wind dreef hen weder terug. Een kaper naderde. Was er niet een schip in nood? Zeker zou het rijke schatten aan boord dragen. Het was van een Hollander. De storm lachte. Recht-aan zeilden de roovers op de buit toe. Hahahaha--als zij dichtbij waren, sloeg de wind de twee vaartuigen vaneen, en nooit kwamen ze weder tezamen.

"Hahaha," schreeuwde de duivel, "tot den jongsten dag zult ge varen, als ge niet door de trouw van een meisje wordt verlost. Maar trouw bestaat niet op deze wereld. Haha! Zeil--nooit zult ge rust vinden."

"Laat mij eens in de zeven jaren aan land gaan--vind ik geen trouw, dan zal ik weer mijn schip bestijgen en zeilen, waar de storm mij slaat."

"Eens in de zeven jaren--een enkelen nacht--Lach, alle duivelen!"

Alle booze geesten lachten; maar boven dezen lach klonk de lach des storms.

"Haha--zeven jaren geslagen aan zeven jaren worden de eeuwigheid. Op! wolken met bliksem, en gierende wind en regen, drijf mij aan tot den jongsten dag. Vloek den Vliegenden Hollander. Op, eeuwig lachen."

En van alle kanten spotte de lach.

Brieven waren er aan boord, die aan gestorven menschen waren geschreven. Als de brieven maar bezorgd werden. Was er niet in de verte een ander schip? De Hollander praaide. "Neem brieven voor me mee!" riep hij, en hij gooide in den gierenden storm alles over, wat hij kon. Dan werden ze gescheiden. Wee het schip! als de brieven niet aan den mast werden gespijkerd, of wanneer er geer bijbel aan boord was. Het stiet dan tegen een rif en verging.

Om de zeven jaren was er een stille nacht. De sterren blonken. Stil lagen de golven. De Hollander met zijn mannen stapten aan wal. De wegen waren vredig, er was geen gerucht, geritsel en niemand kwamen ze tegen. Des morgens begon de storm weder, met duizelingwekkenden, alles-meeslepender lach. Ze moesten aan boord, de ongelukkigen. Ze werden geslingerd van golf tot golf, en het duurde weder zeven jaren, zeven jaren na zeven jaren.

Aan de kust van Schotland woonde een schipper op een eenzamen berg. In zijn woning hing de schilderij van een jongen, bleeken man, en nooit had de dochter van den schipper verlangd naar zang en dans. Des avonds, als alle jonge menschen op de wijde wegen waren, zat zij in haar huis, en bij 't flikkerend kaarselicht staarde zij naar het schilderij, zichzelf afvragend met angst en geluk, wie die jonge man kon zijn. Soms scheen het haar, of de bleeke lippen zich bewogen, en of er levende smart in zijn oogen was. Dan hoorde ze hem spreken.

"Kom ten dans op de altijd-schuimende golven, als de storm de bruiloftsmuziek speelt. De zee is onze zaal, de bliksem ons licht, de wind blaast met duizend doedelzakken. Vereenig u met mij in leven en dood, vraag niet naar zegen of vloek, als gij mij liefhebt."

"Ik heb u lief," klaagde zij.

Het was in een vreeselijken nacht, dat een schip haar vader's huis naderde. Alle zeilen waren gespannen, één doel had het zwarte schip: de rots.

"Te pletter zal hij stooten," riep de schipper.

Hij ging met zijn kleine boot den Hollander tegemoet. Hij riep hem uit de verte toe, dat hij in gevaarlijke branding was.

"Kom aan boord," riep van der Decken. "Er zal u noch mij leed geschieden. Zeven jaren zijn voorbij. De zee zal roerloos worden."

De golven werden stil, nadat zijn stem had gesproken. De stormwind zweeg. De Schot kon rustig het zwarte schip bestijgen.

"Bij u moet ik zijn," zeide de kapitein. "Laat mij één nacht in uw huis wonen, en alle schatten aan boord zijn van u. Ga mee naar de kajuit, ik zal u kostbaarheden toonen, zooals gij ze nog nooit hebt gezien."

Hij opende de kasten en laden, en zooals zonnelicht, dat de duisternis opent, stroomden de edelsteenen naar alle zijden. De schragen der kasten waren van goud. De laden waren met zilver beslagen. De tafelen waren van rozenhout, met ivoor belegd.

"Dit alles is aan u voor één nacht onderdak," zei de Hollander.

"Ga met mij mede," riep de schipper.

"Hebt gij een dochter?"

"Ja, heer."

"Ik zal met haar trouwen."

"Een zoo rijk man als gij?"

"Is zij trouw? Geld en goed zijn van den Duivel, de trouw is van God. Kunnen haar woorden liegen?"

"Zij is eerlijk, heer, en den leugen haat ze als den Satan der menschheid."

"Ik ga mede." Hij trad 't huis binnen, en 't meisje kwam hem tegemoet, als een lang-verwacht gast. Zonder een woord te zeggen, wees ze naar het schilderij. Hij zette zich naast haar, en hij vroeg haar met diepe stem, of zij hem had verwacht.

"Ja."

"Ook ik heb u gezocht, vele eeuwen zocht mijn ziel de uwe. Want wij behooren bij elkander. Om de zeven jaren ging ik aan land, om u te treffen, doch dit geschiedde nooit. Ik moest terugkeeren in den wachtenden storm."

"Ik zat bij uw beeld, omdat ik u al vroeger had gezien. Waar? Waar? Ik kon 't antwoord niet vinden. Ik zag naar uw lippen, eens had ik ze eerder gezien bij een levend mensch. Waar? Waar? Uw oogen, met al het leed, dat ik niet kende, en dat ik toch al had ondervonden. Waar? Waar? Hoe? Ook mijn ziel heeft de uwe gezocht, en zonder uw ziel was mijn ziel verlaten."

"Stil! is er geen storm?"

"Wat spreekt gij van storm? De avond is vredig."

