Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 23
Perchevael reed uit. Geen in den kring, die niet naar hem zag. Was het niet Perchevael, die menige heldendaad had volbracht? Hem reed Ferguut rustig tegemoet. Nadat hij hem genaderd was, gaf hij Pennevare de sporen, en in een wervelwind drongen de twee dapperen op elkander in. Wie was er tegen den witten ridder bestand? Perchevael sloeg van zijn paard, en reeds had Ferguut hem verlaten. Menigeen velde hij. Vele paarden en zadels maakte hij buit.
"Die witte ridder," fluisterden de vrouwen onder elkander, "bedrijft groote wonderen, al de heeren van 's konings hof overwint hij--" Menige vrouw zag alleen naar hem, hoe hij streed en vooraan in het gewoel was.
"Nooit," zeide koning Arthur, "zag ik een ridder, die moediger vocht. Wie zal mij zeggen, wie hij is?"
Maar niemand wist zijn naam. Toen zwoer de koning, dat hij wilde wachten, tot hij den ridder beter kende: dan eerst zou hij hem Galiëne schenken. Zoo ging het tournooi vele dagen voort, en de meeste ridderen van de tafelronde werden achter elkander uit den zadel gestooten, Boört, Sagramort, Laquis, Mereagis, Erec, IJwein, Agravein, Gosengoot en Lanceloot, allen mannen van beroemden naam.
Gawein vroeg den koning, of hij strijden mocht. Klagend was zijn stem. Al zijn vrienden waren overwonnen.
"Niet geef ik u het recht, om te strijden," zeide koning Arthur ernstig. "Liever, Gawein, verloor ik de helft van mijn goed, dan dat een ridder van uw naam zou worden geveld."
"Al mijn lieden zijn geveld," antwoordde Gawein somber, "zoo ik niet ten kampe tijg, heb ik mijn eer verloren."
Al vroegen hem de vrouwen, dat hij niet zou gaan, zij en de koning wisten hem niet meer te weerhouden. Gawein reed heen, en de ridderen weken van hem.
"Daar komt Gawein," fluisterden zij, "de beste, die er leeft. Nooit vond men zijn gelijke."
Niemand durfde hem te ontmoeten. Wonder! ook de witte ridder wendde zich van hem af. Gawein zond hem een bode toe.
"Wilt gij niet met Gawein in het tournooi komen? Gij wacht te lang."
"Ik zal niet tegen hem strijden," zeide de witte ridder met droeve stem, "hij kan mijn paard krijgen, ik bied 't hem aan."
Verwonderd hoorde Gawein, wat de held had gezegd. Hij ging op den witten ridder toe.
"Kon ik u overhalen ten kamp, tegen u strijd ik gaarne. Zeker hebt ge geschertst, toen ge mij uw paard hebt aangeboden zonder strijd. Al mijn vrienden hebt gij overwonnen.
"Niet wil ik strijden met u--neen! met u niet. Maar ik wil u dienen."
Hij zette den helm af, en vertoonde zijn gelaat aan Gawein. Vol blijdschap en verrukking zag hem de oude ridder aan. Dit was Ferguut, de jonge held. Hij voerde hem tot den koning:
"Dit is de jongeling -" riep hij, "die Keye het scheenbeen heeft gebroken, omdat hij met hem kortswijl heeft gedreven, in uw hof. Wel heeft hij zich gewroken."
De koning glimlachte vriendelijk.
"Ridder! gij zijt een moedig held. Er was vrouw noch maagd, die u niet geroemd heeft."
Hij bewees Ferguut groote eer: de banieren werden opgerold, het tournooi was gedaan. De koning hield hof, en de ridder met het witte schild zat naast hem. De koning deed Galiëne tot zich komen, en vele andere schoone vrouwen.
"Lieve Galiëne," zeide Arthur, de vorst, "ik zal u dezen ridder geven, die al mijn heeren heeft overwonnen. Ferguut is de naam des ridders, die altijd het witte schild voert, dat de reuzin en de slang hebben bewaakt. Menige moedige daad heeft hij volbracht."
Galiëne zag den ridder aan, en zuchtte. Dat was de man, die haar zijn liefde had ontzegd. Ze werd bleek en rood, ze kon niet denken en spreken, zoo schaamde zij zich. Eindelijk wist ze te stamelen:
"Heer koning--ik moet het gedoogen--wat gij wilt ... is mij lief."
Toen trouwde een bisschop de schoone Galiëne en den edelen Ferguut. Het was een feest, als nooit eerder in een land werd gegeven. Veertig dagen duurde het gelag.
"Heer--ik moet Galiëne volgen," zoo sprak Ferguut tot den koning, nadat het feest voorbij was, "ik ben echter één uwer ridderen, wanneer gij me roept."
"Vaartwel," sprak Arthur, de vorst, droeve, "allen moeten wij van elkander gaan. Onze Heere God moge u begeleiden."
Zij reden heen. Gawein en Gosengoot, Perchevael en Lanceloot brachten hen tot den Rikenstene. En Ferguut en Galiëne waren gelukkig, hun geheele leven lang.
XLIV
Wonderlijke Geschiedenissen uit Friesland
Omstreeks het jaar zes en dertig honderd en zestig na het ontstaan der wereld dienden er onder Alexander den Groote drie broeders, Friso, Bruno en Saxo als oversten, die, nadat de koning was gestorven, zeer gehaat waren, en daarom vertrokken, nieuwe landen en avonturen tegemoet. Zij namen niet veel met zich mede, slechts twee wonderdoende sieraden, een ijzeren kroon en een rood vaandel, en na veel ondervindingen bereikten zij een woest land, waar geen steden en geen dorpen waren. Ze vonden er een rivier, het Vlie genaamd, en daar onderzochten zij den bodem, die goed en vruchtbaar bleek. Ze bouwden er tempelen, die zij wijdden aan den god Stavo, en de godin Tamfana: in den tempel der godin bewaarden zij kroon en vaandel.
In den beginne leefden zij als broeders tezamen, de dagen gingen stil voorbij, zon en regen waren op hun velden. Op de weiden graasden hun runderen, op hun velden groeide graan, en het scheen, of ze altijd wel zoo bij elkander zouden blijven, in vrede en eenzaam geluk. Maar er kwam een zomer, dat ze plotseling als vreemden tegenover elkander stonden, want de één verweet den ander, dat zijn runderen niet op den aangewezen grond weidden. Het duurde geruimen tijd, voor ze wisten, dat ze toch broeders waren, en Friso, de oudste, wilde Bruno en Saxo met hem doen loten, wie zou blijven en wie vertrekken: is immers de broederschap eens gekrenkt, dan kan ze niet weder gedijen. Zoowel Bruno en Saxo verzetten zich hiertegen, en ze riepen uit:
"Gij zijt de oudste, en gij hebt alle rechten."
Hierna vertrokken zij, het onbekende Oosten tegemoet. Saxo bouwde zijn huis in het land aan de verre Elbe, Bruno timmerde, hem ten Westwaart, een stad, die hij Brunswijk noemde, uitroepende:
"Ik, Bruno, ben altijd voor mijn broeders geweken. Daarom voorwaar zal deze plaats Brunswijk heeten."
Het land van Friso--Friesland--nu was zeer rijk, en er vestigde zich een ruw en machtig volk, breed van borst en blond van haar. Eer en moed golden bij hen, en Friso was gelukkig, daar hij hen regeerde. Toen hij zou sterven, deed hij zijn volk tot zich komen, en hij beval hen, de kroon en het vaandel, die in den tempel der godin Tamfana werden bewaard, goed te behoeden. Vele jaren daarna echter deed een roovende koning uit Denemarken de kroon uit den tempel lichten, en hij voerde deze met zich naar zijn land: tevergeefs had hij naar het vaandel gezocht, dat diep onder den grond was begraven. Het lag daar dus menige eeuw, en zij, die het hadden verborgen--en zij, die de plaats kenden--waren lang gestorven. 't Gansche volk van Friso wist, dat het bestond, al durfde niemand meer hopen, dat men 't ontdekken zoude.
Toen kwam er in 't land een heilig man, Willebrord was zijn naam, die het Christendom kwam prediken. Eens zag hij in zijn droom voor zich een engel, die hem de plaats wees, waar het vaandel begraven lag. Na zijn ontwaken, liet hij de voornaamsten van het volk tot zich komen, en hij vertelde hun het wonder. Op de plaats, die hem door den engel getoond was, deed hij diep graven, en men vond 't heilige vaandel. In dezen tijd regeerde over Friesland de dappere vorst Magnus Forteman. Hem werd 't vaandel gegeven. Eenige jaren later trok keizer Karel op naar Rome, en vooraan in zijn leger gingen de dappere Friezen. Het vaandel woei in den wind.
De mannen van Rome trokken Keizer Karel's helden tegemoet, om hen te verrassen. De Friezen hoorden hen komen, en voorop ging Magnus Forteman, het vaandel in de hand. Ze wonnen den slag, en ze plantten het ten zegeteeken op den Engelenburg. De stad kwam daarna aan den Keizer, die zich verheugde over den moed der Friezen. Hun schilden deed hij beslaan met goud en zilver. Het vaandel echter zal wel door een nieuw mirakel verdwenen zijn, want nooit was er iemand, die er nog over hoorde spreken. Doch niet alleen hiermede zijn wonderen geschied--ook de god Stavo, wien door Friso en zijn broeders een tempel werd gewijd, heeft zijn kracht nog langen tijd bewezen.
In het jaar vier zag men plots veertig schreden van het Roode Klif een vlam schieten, die eerst na drie dagen weder in den grond verdween. Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van gedaante, en verhief zich pijlsnel naar de lucht, kringelende en spiedende hoog boven Friso's land. Zoo snel als hij was geheven, zoo snel daalde hij weder. Dit was het eerste wonder.
Honderdvijftig jaren later--het was in den tijd, dat Ascon, de zoon van Tabbo regeerde--een moedig vorst was deze, en gelukkige dagen kende Friesland onder zijn bewind--barstte de bodem weder open, en hoog-op, als water uit een bron, sloeg een wild vuur naar boven, acht dagen vlammende. Na deze acht dagen keerde het weder in den grond, en zelfs geen asch bleef er over. Toen vreesde men, dat er zware ziekte over 't land zou komen, en men vroeg Stavo, wat deze vlam met zich zou brengen. Het orakel was gunstig: na langen tijd zou koude stof komen, die het vuur zou dempen. Er geschiedde ook niets van groote sterfte, in die dagen.
Na langen tijd wilde eens een man--Iglo Tadema was zijn naam--op de plaats, waar de vlam was geschoten, een bron graven. Reeds had hij een diep gat geslagen, en nog ontdekte hij geen schuim van water. Daarover was hij zeer verwonderd, en hij keerde telkens naar den grond terug, denkende:
"Zou ik nog geen water zien?"
Terwijl hij zich over de put boog, hoorde hij een diepe stem, die riep:
"Vlied, vlied uit dit land."
Het water steeg, en werd hooger. Hij liet zijn zoon in de bron dalen, om een weinig water te scheppen, en de jongen bracht er iets van naar boven. Ze dronken ervan uit de palmen hunner handen, en ziet! het water was zout. Ze dachten hier langen tij d over na, tot ze zich herinnerden, wat de god Stavo had gezegd: dat er inplaats van het vuur een koude stof zou komen. Ze zwegen over deze zaak; nadat Iglo Tadema was gestorven, vlood zijn zoon naar Gaasterland, om de stem te gehoorzamen.
Het vuur is ten derde male nog gestegen, in het jaar 207, toen Titus, Adelholt's broeder, over Friesland regeerde. Het drong uit den grond, achttien schreden meer westelijk dan den tweeden keer, en thans vlamde het elf dagen. Titus beval, dat men den god Stavo zou offeren, om hem te vragen, wat er moest geschieden. Toen antwoordde Stavo, dat men drie kruiken zout water uit de Noordzee zou putten, die door een gewapend ridder in den brand moesten worden geworpen. Nadat dit was geschied, verdween de vlam, en nooit is het vuur meer gestegen bij het Roode Klif.
Nog een ander wonder volbracht de god Stavo, want deze bleef langen tijd zeer machtig bij het volk der Friezen. In het jaar 164 vloeide een half uur gaans van de stad Stavoren, een put over van zout water, en allen, die in het land woonden, waren verschrikt, omdat men meende, dat na het vuur 't water was gekomen, ten verderve van de stad. Zij offerden Stavo, en deze vroeg om 't bloed van een driejarigen jongen, dat zij in het water moesten werpen. Zij plengden het bloed van een klein knaapje in den vloed, die onmiddellijk zakte, en niets van het water bleef.
Later verloren de goden in Friesland hun macht, en dit is al begonnen in de dagen van den machtigen koning Radboud, die zich niet wilde laten doopen: want hij hoorde, dat zijn voorvaderen in de hel waren. Hij echter zou, wanneer hij Christen werd, in den hemel komen. Niet wilde hij van zijn voorvaderen gescheiden zijn, en daarom trok hij den voet uit de doopvont.
Hij was weder in zijn land teruggekeerd, toen men aan de goden van Friesland een mensch moest offeren, die door het lot werd aangewezen. Er was een schoon jongeling, Ovo genaamd, die 't lot trok. Toen smeekte de heilige bisschop Wolfram den koning der Friezen:
"Heer Radboud! wil mij dezen jongeling geven."
Maar de koning der Friezen antwoordde en sprak:
"Voorwaar niet! het lot is op hem gevallen, en hij zal aan een galg hangen. Is uw God zóó machtig, dat hij hem van den dood kan redden, dan zal ik u den jongeling geven."
Dit zeide hij, denkend, dat niets Ovo zou kunnen redden. De jongeling werd opgehangen, maar de bisschop stond bij de galg, biddend tot God, dat Ovo niet zou sterven. Terwijl hij alzoo smeekte, barstte de bast met de banden, en de schoone knaap viel ter aarde, zonder dat hij werd gedeerd. Wolfram hief hem op, en Ovo werd naar Rouaan gebracht, waar bisschop Regislant hem tot priester wijdde.
Daar Radboud het mirakel had aanschouwd, verlangde hij, Christen te worden. Maar Wolfram geloofde de woorden, die hij sprak, niet, en hij schreef een brief aan den Heiligen Willebrord, om hem te vragen, wat hij hem raden zou. Hierop ontving hij van den Heiligen Willebrord een brief terug, om hem voor Radboud te waarschuwen.
"Ik heb gezien--" aldus schreef Willebrord, "dat Radboud aan een vurige keten was gebonden, en voor eeuwig is hij veroordeeld en verdoemd."
Wolfram las dezen brief, en hij deed den koning weten, dat hij geen geloof hechtte aan zijn woorden. Voor eeuwig, zoo berichtte hij--was Radboud veroordeelden verdoemd.
De koning hoorde dit en spotte:
"Het is niet alzoo, dezen nacht had ik een droom, die niet anders kan worden geduid, dan ik vertellen zal. Een engel kwam tot me, in gewaad van goud, dragend een kroon van goud op het hoofd. En de engel zeide tot mij:
"Koning Radboud, held der helden, wie heeft u bedrogen? Waarom wilt gij scheiden van den dienst der goden? Het zij niet aldus, zoo beveel ik u. Verlaat het geloof niet, dat ge van uw voorouders hebt ontvangen, en dat in uw handen is gelegd. Dan voorwaar zult ge treden in het gouden paleis, dat voor u is bereid, in der eeuwigheid. Ontbied dus bij u morgen den bisschop en den leeraar der kerk, Wolfram met name, opdat hij u wijze de woningen der reinheid, die hij u heeft beloofd. Zoo hij u deze niet toonen kan, zal ik ze u toonen: dit zeg ik u, om u in uw geloof te behouden."
Wolfram, de bisschop, antwoordde hem ernstig:
"Geloof het niet, dat het een engel was, die u dit gezicht heeft gegeven. Het is de Duivel, die zich in de gestalte van een engel heeft voorgedaan."
De koning lachte bij 't hooren dezer woorden, en hij riep uit
"Zekerlijk zal ik Christen worden, zoo mijn God mij de paleizen _niet_ toont."
De bisschop zweeg, en zond één zijner diakenen met 's konings bode, een Fries, naar Medemblik, om den engel te ontmoeten. Ze zagen hem op den weg, en hij naderde hen beiden, met deze woorden:
"Haast u, haast u toch, opdat ik u wijze de heerlijke woning, het paleis van goud en edelsteenen, dat voor koning Radboud is bereid."
Ze volgden den leidsman en ze kwamen op een breeden weg, dien ze vroeger nooit hadden gezien, geheel van gladde marmersteenen. In de verte stond een paleis, kostbaar, gebouwd van goud en edelgesteenten. Ze traden het paleis binnen, en daar aanschouwden ze een koninklijken troon, wonderlijk-schoon en schitterend. Met een enkel gebaar wees hun de leidsman dit alles.
"Dit nu is de woning, bereid voor koning Radboud."
De diaken, die namens den bisschop was gezonden, richtte zich toen hoog op, en met felle stem riep hij uit:
"Zijn alle deze dingen van God, dat zij blijven; zijn zij des Duivels, dat zij vergaan."
Hij maakte het teeken des kruises.
Toen veranderde hun gids in de gedaante eens duivels, en het paleis viel daarna uiteen tot stof en vuil. Zij beiden waren verzonken in een moeras, en drie dagen duurde het, voor zij bevrijd werden. Ze gingen tot Medemblik, en daar hoorden zij, dat koning Radboud was gestorven.
Allen herinnerden zich, wat Willebrord had geschreven aan den bisschop Wolfram: dat de koning was gebonden aan een vurigen ketting en veroordeeld en verdoemd was in der eeuwigheid. De diaken vertelde naar waarheid, al wat zijn oogen hadden gezien, en het was velen tot een goed exempel.
Doch ook moet ge nog weten van Hengist en Horsa, de twee zonen van Udolph Haron, in 't jaar 360 hertog van Friesland. Toen zij knapen waren, zond hun vader hen naar keizer Valentianus, opdat zij alle dingen zouden leeren, die een ridder betamen. Ze kwamen terug in het jaar 383, en Udolph Haron verheugde zich, dat zij zoo krachtig en manhaftig waren. Hij wilde ze bij, zich houden, zoolang hij nog op aarde was, doch het verlangen van oude menschen kan het leven niet regeéren. Twee jaren woonden ze in zijn huis, toen er luid geklaag klonk in Friesland's dorpen, want de grond was niet zoo rijk, dat hij allen kon voeden. Men vroeg, dat de oude wet zou gelden, die luidde, dat, zoo op den akker geen graan genoeg groeide, een deel van 't volk het land zou verlaten. Bij loting zou het worden aangewezen.
De oude hertog deed, wat de plicht hem gebood, en hij stelde zijn zonen niet van het lot vrij. Zij beiden, Hengist en Hora, moesten vertrekken. Zij stelden zich aan 't hoofd der Friezen, en op schepen zeilden ze naar onbekende streek. Ze kwamen in Brittannië aan, waar koning Vortigern regeerde. Dezen boodschapte men, dat er vreemdelingen in zijn rijk waren geland, en hij begaf zich tot hen, om te vragen, wat zij verlangden. Hengist, de oudste, antwoordde:
"Wij zijn onder geleide van Wodan op bevel onzer oversten uit ons land gegaan, zoekend andere akkers en velden. Wij willen onder u dienen, zoo het u gelieven zal."
"Niet is mijn God uw God," sprak de koning, "doch ik ben verblijd, dat gij gekomen zijt, want ik heb vele vijanden, tegen wie gij mij kunt helpen. Als gij me in mijn nood bijstaat, zal het u aan loon niet ontbreken."
De Friezen zwoeren den vorst hierop trouw, en ze streden met hem tegen de Schotten, die zijn land waren binnengetrokken. Door den moed van Hengist en de zijnen werden zij verslagen, en de koning dankte het overwinnend leger. Ieder ontving schoone geschenken. Daar Hengist echter zag, dat de vorst niet bemind was bij zijn volk, vroeg hij hem, of hij nog meer Friezen zou brengen.
"Doe dit--" riep de koning uit, "ik zal verheugd zijn uw dappere mannen in mijn land te zien."
Hengist kwam terug met vele helden uit zijn volk, daarna zeide hij, dat Vortigern hem niet had beloond, gelijk 't betaamde.
"Ik ben de zoon van Friesland's hertog, Udolph Haron," waren zijn woorden, "en ik zeg u, dat gij mij een stad zult geven, met muren omringd, waar ik temidden van mijn volk kan leven. Dit komt mij, Hengist, Udolph Haron's zoon toe."
"De wetten mijner voorouderen," sprak de koning, "verbieden mij, vreemdelingen land te geven. Zoo ik dit toch zou doen, zou mijn volk mij veroordeelen. Wil toch niet zien naar mijn hand, die zonder de stem van mijn hart kan geven; zie echter naar mijn hart, dat van vriendschap voor u is vervuld."
"Maar een man wil zijn eigen grond hebben," riep de held uit, "en waar hij dit niet heeft, is hij droeve en eenzaam. Geef mij een stukje van uw land, al is het maar zoo klein, dat het met een ossenhuid kan worden omspannen."
Dit beloofde hem Vortigern, en Hengist nam een ossenhuid, die hij in kleine stukjes sneed; hij legde deze wijd uit, en zoo kreeg hij een groot gebied, dat hij van sterke muren voorzag. De stad bood niet alleen ruimte voor het volk, dat er toentertijde was, doch zelfs voor vele Friezen, die nog bij Hengist en Horsa kwamen: onder dezen was ook Roxina, de dochter zijner zuster. Toen nu eens de koning naar de stad der Friezen kwam--Lancaster is deze thans genaamd--zag hij Roxina, en hij was blijde om haar schoonheid.
"Laat zij mijn vrouw zijn," zoo smeekte hij Hengist.
Toen beraadslaagde deze met zijn broeder en zijn heeren, en ze vroegen in ruil voor Roxina een stuk land, opdat daar volk kon wonen. Dit dan geschiedde.
Maar nadat 's konings edellieden hadden gezien, hoe de Friezen bij Vortigern geëerd waren, en hoe zij akkers sloten aan akkers, huizen aan huizen, werden zij bevreesd om hun eigen macht, en ze vroegen den koning, dat hij het volk der vreemdelingen weder zou verdrijven.
't Hart van den koning was echter voor hun stemmen gesloten, en hij liet de Friezen binnen hun landpalen blijven. Daarom riepen zijn ridderen een zijner zonen tot koning uit, en met een sterk leger trok men Hengist en de zijnen tegemoet, vreemdelingen op dezen grond. In het hevig gevecht, dat volgde, sneuvelde Horsa, en de Friezen werden verslagen en verdreven. Het duurde echter niet lang, of zij keerden weder. De zoon des konings, die als vorst was uitgeroepen, werd vermoord; toen zond Roxina een bode naar Hengist, om hem te zeggen, dat zij hem weder wachtte.
Met veel schepen zeilend naderde de held Brittannië. De koning en zijn heeren waren hierover zeer vertoornd, en ze wilden hem weren. Dit berichtte Roxina opnieuw aan haar volk. Hengist zond daarom boden naar Vortigern, die hem zeide:
"Niet om grond te winnen, treden de Friezen weder in uw land, noch om te vernielen, wat u toebehoort. Zij willen u beschermen tegen uw vijanden. Geef ons volk toch een stad, waar wij kunnen wonen. Hierover kunnen wij beraadslagen."
De koning bepaalde, dat zij tezamen zouden komen bij Ambren: met al zijn heeren zou hij tegenwoordig zijn. Nadat dit Hengist gemeld was, beval hij zijn ridders, dat zij ieder een zwaard in de kleeding zouden verbergen. Wanneer hij zou roepen:
"Trekt uw wapen," zou ieder zijn man dooden. Zij traden in de zaal, elk had zijn zwaard verborgen. Ieder dacht aan Horsa's dood. Wel werd Horsa dien dag gewroken.
"Trekt uw wapen," kreet Hengist, en allen deden, wat hij bevolen had. De edelste ridders van Vortigern, zij, die opgetrokken waren tegen Hengist en Horsa, sneuvelden dien dag, ten getale van vierhonderd vijftig. Zoo herwonnen de Friezen hun stad, en ze waren tot een geesel over het land, om Horsa's dood.
XLV
Zuwaert, de Martelares van Dordrecht
In de dagen, dat eindelijk Dordrecht en 't land daarom tot het Christendom waren bekeerd, woonde in de stad een vrome maagd, Zuwaert genaamd. Zij was arm, want in haar beurs waren slechts drie penningen, doch ze was rijk, want de drie penningen in haar beurs bleven, wat zij ook kocht. Om dit wonder was ze zeer blijde, niet wegens het geld, dat zij altijd bij zich droeg--doch omdat zij een kerk wilde stichten van haar drie penningen. Zij nam werklieden in haar dienst, die zij de kerk liet bouwen, en ze betaalde hun eerlijk loon uit, al waren het steeds drie penningen, die zij gaf--drie penningen en drie penningen en drie penningen, tot de berg van koperen munt hoog werd, en zij wel een kerk had kunnen bouwen niet alleen van steenen, maar van geld. De werklieden zeiden tegen elkander, dat Zuwaert wel zeer rijk moest zijn, daar zij alléén het grootsche werk volbracht, en zij besloten, om haar te vermoorden en haar van haar geld te berooven. Eens vonden ze haar op een eenzamen weg. Ze aarzelden niet lang, en ze doodden haar. Vervolgens doorzochten zij haar beurs, doch ze vonden slechts drie penningen, drie koperen penningen, en daarom was de moord geschied. Op de plaats, waar zij gestorven was, zagen zij helder water, dat een uitweg zocht van den donkeren grond naar den lichten hemel--een bron ontsprong. Toen werden de werklieden angstig, omdat zij niet meer dan drie penningen hadden gevonden in de altijdrijke beurs der vrouw, en omdat zij de bron zagen, die er vroeger niet was geweest. Ze werden gevat, en men veroordeelde hen ter dood. Zij nu hadden veel berouw om de zonde, die zij bedreven hadden. Tot hun bevrijding rees Zuwaert levend uit haar graf, en ze verloste hen van hun zware boeien. Ze voerde hen naar Rome, waar zij den paus hun misdaad beleden. Zuwaert toonde hem haar hals, waar diep het litteeken in was, dat wel een roode draad geleek, in snoer om den nek gewonden. Zij vertelde hem van de drie penningen, die geen drie penningen waren, altijd voortdurende, zoolang zij het had gewild.