Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 22
"De zon is al ondergegaan, het schild is vijf mijlen ver. Ik raad u, heer, terug te keeren, vanwaar ge zijt gekomen, want vele mannen hebben bij dit avontuur hun leven verloren. Wilt gij echter den weg weten, ik zal u hem wijzen. Volg dit pad."
Ferguut reed tot den morgen, en hij naderde toen den toren, waar het witte schild was. Hij zong een lied, zoo blijde was hij. Want het witte schild zou hij winnen en door het witte schild Galiëne.
Op de brug van het kasteel zat een reuzin, wel achttien voeten lang. Op de wereld was geen leelijker vrouw dan zij, ze had ooren als een hond, uit haar mond schoten haar tanden, haar wenkbrauwen hingen haar een halve voet over de oogen. Ze stond op bij Ferguut's nadering. Ze nam haar wapen, een vlijmscherpe zeis, en wachtte hem.
"Schoone vrouw--" zeide Ferguut hoffelijk, "haal mij het schild, dat ik begeer."
"Galgenaas--" lachte de reuzin grimmig, "ge krijgt het niet van mij, doch ik zal u het lijf in stukken houwen."
De ridder reed op haar in, de lans geveld. Zij hief de zeis, om Ferguut in tweeën te slaan, maar hij ontwrong zich haastig, en een groot stuk kloofde zij uit een pilaar, zoodat de zeis doormidden brak. Ferguut trok zijn zwaard, en sloeg het de vrouw op 't hoofd, met zulk een slag, dat hij meende haar doormidden te hebben, gebroken. Haar echter deerde het niet, zij opende den muil en beet hem door 't harnas in den schouder. Ruggelings viel hij. Zij dacht, dat ze hem al overwonnen had. Snel sprong hij, en hij sneed haar met 't zwaard de hand af. Thans stortte zij terneder, en hij was op hetzelfde oogenblik bij haar, om haar te dooden.
Nog was hij niet in het slot, want voor den toren lag een slapende slang. Zacht gleed hij het vreeselijke dier voorbij, en greep het witte schild. Niet vluchtte hij, hoewel hij dit had kunnen doen. Hij streed met den slang, tot hij hem overwonnen had. Nog was er de man der reuzin, die hem tegenhouden wilde, Lokefeer was zijn naam, vervaarlijk van gestalte. Maar Ferguut was niet angstig, hij vocht met Lokefeer, steeds denkend aan Galiëne. Zijn arm was krachtig, zijn voeten vlug. Lokefeer greep hem stevig vast, om hem in 't water te dringen, ook thans deed Ferguut's trouwe zwaard zijn plicht. In de hand hield hij 't witte schild.
In het kasteel woonden twee jonkvrouwen, die door den reus geroofd waren. Zingende blijde liederen waren zij eens met hare gelieven door het woud gegaan, toen de reus kwam, en de ridders doodde. Twee jaar hadden zij op haar bevrijding gewacht, die zoo plots was gekomen. Hoe ze Ferguut begroetten, en hoe ze blijde waren! Zij aten en dronken tezamen, de vrouwen waren welgemoed, Ferguut somber, want in den strijd met den reus had hij zijn paard verloren. Was dan alles vergeefsch geweest, zoo bedacht hij! Nooit zou hij bij Galiëne kunnen komen, als hij geen paard had.
Één der jonkvrouwen vroeg hem:
"Heer! ge schijnt wel treurig, kunnen wij u niet helpen in uw nood?"
"Om mijn paard ben ik droeve--te voet kan ik niet gaan."
"Wees blijde, ik zal u een ros toonen. Zoo gij het kunt temmen, het zou zeven dagen zonder rusten met u rijden. Pennevare is zijn naam. Voor geen geld had de reus, zijn meester, het willen missen."
"Wijs mij 't paard--" riep Ferguut blijde uit, "ik wil het gaarne zien."
Hij kwam in den stal, en bedwong het woeste dier. Zoodra hij reed, werd de lust tot avontuur machtig in hem. Hij had nu alles, 't witte schild, en Pennevare, het moedig ros, en eensklaps scheen 't hem, of Galiëne hem was ontweken, nu hij haar nader was gekomen. Een gloed spreidde zich langs spieren, tintelende over armen en handen. O! het heerlijke, vrije avontuur.
"Weet gij--" vroeg hij, "waar ik lof en prijs kan behalen?"
"Hier niet--Toch--niet ver hier vandaan--is een stad, welke door een koning wordt belegerd om een vrouw, die hij tot koningin wil kronen. Zij heeft hem niet lief, en met geweld wil hij haar winnen. Reeds menigeen van haar dienaren is gedood."
Ferguut was nog op niets bedacht. "Het strekt den koning tot oneer," zeide hij bedachtzaam, "dat hij geweld pleegt. Hoe is de naam der koningin?"
"Zij is vrouwe van Rikenstene. Galiëne is haar naam."
Zonder nog iets te vragen, stond Ferguut op, en hij haalde zijn paard. Al zijn wapenen nam hij mede. Als 't zonlicht straalde het witte schild.
"Gaat gij heen?" zeide één der jonkvrouwen. "Wat is uw doel?"
"Ik wil ten Rikenstene. Gaarne wil ik den koning zien, die met zijn leger trekt tegen Galiëne's stad."
De ridder reed op het ros Pennevare, en hij aanschouwde van een heuvel de tenten voor den Rikenstene. Hij zag de banieren wapperen in den wind, wimpelen, schitterende harnassen, schilden, kurassen. Dienaren, de lederen broeken strak om de heup, een lans in de hand, trokken op, koene ridderen reden. Als een woud van boomen waren de speren, de helmen der ruiters waren open. 't Leger drong zich naar de stad.
Pennevare steigerde, en Ferguut hield de lans stijf in zijn hand. Wie hem tegemoet kwam van Galiëne's vijanden, was verloren. De burgers der stad verkeerden in gevaar, maar Ferguut was hun redder. Wat was tegen hem bestand?
Toen hij zag, dat ze veilig waren, verdween hij uit het gewoel. Langzaam reed hij naar de beide jonkvrouwen terug, en voor 't eerst was er angst in zijn hart. Wel werd hij door koning Arthur tot ridder geslagen, maar hij was de zoon van den boer Somilet, en zijn hand was slechts voor den strijd gevormd. Hoe zou hij kunnen spreken met Galiëne? Beter ware 't, haar te beschermen, en zich verre van haar te houden, opdat zij nooit zou weten, hoe hij haar hielp. Bij de twee jonkvrouwen was hij tehuis. Moede ging hij zitten. Zijn gelaat was vol van bloed. Zij wieschen het af, en ze zeiden hem, dat hij bij het vuur zou gaan zitten. Zij dankten God, dat hij niet gedood was.
Hij staarde in het vuur. Hij dacht niet aanzijn wonden, slechts met Galiëne's naam was hij bekend. Haastig at hij 't eten, dat hem de jonkvrouwen brachten. Toen liet hij Galiëne's naam in zich zingen, en hij verwonderde er zich over, of hij gelukkig was of niet. Hij had voor haar gestreden, al wist zij niet, wie hij was. Zijn zwaard had haar gered, en geen belooning had hij haar gevraagd. Als hij weder genezen was van zijn wonden, zou hij weder ten Rikenstene tijgen--nu was hij machteloos. Het was nacht, en de slaap wilde zijn ziel niet sluiten. Hij lag op zijn bed, hij zag, dat in den haard de vlammen slopen om 't droge hout, maar droomen kon hij niet.
Ook Galiëne kon geen rust vinden. Ze riep één harer dienaars tot zich, die zeer veel ridders kende, en vroeg hem:
"Wie was de ruiter met het witte schild, die den koning van zijn paard stiet, en alleen meer deed dan alle anderen tezamen? God bescherme hem! Goede hulp heeft hij ons bewezen, want ik ware gevangen en mijn stad genomen, zoo hij ons niet had beschermd. Zeg mij, hoe hij heet."
De dienaar antwoordde:
"Vrouwe, hij is niet uit deze landen, doch vromer ridder zag ik nooit. Den helm hield hij op 't hoofd, vele ridders, vele dienaren doodde hij. Allen vloden voor hem. Wáár hij kwam, het was ten onzen gunste."
"Mij verwondert het--" peinsde Galiëne, "uit welk land de ridder is--" Ze hief haar schoon gelaat op. "En waarom kwam hij niet tot mij? Waarom ... het was nacht al."
De volgende dagen klonk al weder rumoer van den strijd, en weder was het Ferguut, die de stad verloste. Hij vroeg ook ditmaal geen dank. Stil reed hij naar 't kasteel in het woud, zijn ziel angstig en verlangend tevens, om Galiëne weer te zien.
Den volgenden dag hield koning Galarant, die de stad belegerde, krijgsraad, want hij had menigen ridder verloren, menigen dienaar. Hoe zou hij zich kunnen wreken?
De groote heeren van zijn raad zeiden:
"Laten wij de stad aan alle kanten aanvallen, met geheel het leger. Dan zullen wij u in uw macht Galiëne leveren, en hen, die binnen in de stad zijn, verslaan."
Hoornen bliezen ten aanval. Er bleef niemand in het kamp, tezamen trokken zij ten Rikenstene. Nauwelijks hoorde Galiëne 't geluid van wapenen, of zij riep haar lieden tezamen, en liet ze post vatten voor de poort. Zij smeekte:
"Behoud heden dezen dag mijn eer, want ik vrees den koning."
Op ten gevecht trokken ook zij, met strijdbijl, met piek, met lans.
Zoo traden zij elkander tegemoet.
Met groote scharen drong 's konings leger naar de stad, en dicht schoten de verdedigers hun pijlen op hen af. Vol geweld stuwden de belegeraars tot aan den muur, stootende en houwende tegen den steen. Ladders zwaaiden zwiepend in de lucht, sloegen neer op den muur, en in een korten tijd volgden de ridders en knechten elkander. In hoogen nood was Galiëne. Ze riep een dienaar van den koning.
"Waar is Galarant, uw heer? Doe hem tot mij komen."
De koning kwam, verblijd. Hij riep:
"Zult gij mij nemen tot uw man, of moet ik u met geweld winnen?"
"Een ànderen raad heb ik gevonden," zeide Galiëne, "gord u ten strijde met één uwer ridderen, en begeef u ten kamp met mijn kampioen, hij alleen. Mocht hij u beiden overwinnen, dan zult gij dezen weg verlaten. Maar mocht het zijn, dat ge mijn ridder verwondt, dan geef ik u mijn stad en mijzelve. Binnen veertig dagen zal ik mijn kampioen moeten vinden."
"Het is goed--" antwoordde de koning, "ik kies mijn neef Macedone, met hem wil ik sterven en leven."
De koning reed heen, en vertelde Macedone, wat Galiëne had geëischt. Deze was zeer verheugd, immers hij was een moedig en jong ridder. Zij wachtten, tot Galiëne haar kampioen had gevonden.
Galiëne zat eenzaam in haar kamer, en ze sprak tot zichzelve:
"Eer ik 's konings vrouw word, dood ik mijzelve."
Galiëne had een dienares, die haar trouw was, en die het leed van haar meesteres dag en nacht mede-leed. Zij zeide dus tot Galiëne:
"Vrouwe! ik zal u raad geven. Laat mij gaan tot koning Arthur, die zoovele vrome ridderen in zijn dienst heeft, Gawein, IJwein, Perchevael, Sagremort, Lanceloot, Bohort, Agravein en Gariec, Mereagis en Erec, Keye, Leyvale, Laquis van Portegale en Walewein. Ik zal koning Arthur en Genovere smeeken, dat zij een hunner vraagt, om u te helpen."
"Ga, Lunette"--glimlachte Galiëne droeve, het meisje omarmend. Daarna reed Lunette naar 's konings hof. In de zaal zat de koning eenzaam, want zijne ridderen waren er niet.
"Heer--" zeide 't meisje "is hier eenig heer, die met mij zou willen rijden ten Rikenstene, waar mijn meesteres belegerd wordt door een koning, alleen omdat hij haar tot vrouw begeert? Thans zoekt zij een kampioen, die met hèm zal strijden en met Macedone, zijn neef, een moedig ridder."
Troosteloos was koning Arthur's stem:
"Hier is niemand, die voor u vechten kan. De ridders van de tafelronde, de besten, die met mij waren, zijn een ridder gaan zoeken, dien ze gaarne ten hove brachten. Kwam er iemand weder, ik zou hem gaarne vragen uw kampioen te zijn."
Meer dan dertig dagen wachtte Lunette aan Arthur's hof, of er geen ridder weder-kwam, doch de heeren bleven uit. Eindelijk moest ze wel terugkeeren.
Met een zweep dreef 't meisje haar muilezel aan, en 't dier liep, zoo hard 't kon. Dag en nacht reed zij, tot ze kwam in het woud, waar de witte ridder was. Hij zag haar en naderde haar.
"Jonkvrouw! waarom deze spoed?" aldus vroeg hij verwonderd, "kom af van uw muilezel. Ge hebt geen knaap bij u, om u te beschermen. Het is nacht."
"Ridder--laat mij gaan--want ik ben treurig," schreide Lunette.
"Heeft iemand u geslagen, heeft iemand u gekrenkt?"
Lunette hieuw op den ezel, opdat hij verder zou gaan. Ferguut greep den teugel.
"Jonkvrouw! ik moet weten, wat er is geschied, voor gij verder moogt trekken. Zeg mij, waarom ge schreit."
"Heer! uw naam weet ik niet--" kreet Lunette angstig, "maar ik smeek u, om me te laten gaan. Het is meer dan tijd. Aan den hemel zie ik de sterren, al lang is de zon ondergegaan. Ik moet verder, zeg ik u."
Ferguut sprak rustig:
"Ik moet alles van u weten."
Daarna vertelde Lunette, waarom zij was uitgereden. De ridder zeide:
"Zeg uw meesteres, dat zij niet behoeft te vreezen. Haar liefste zal haar beschermen."
"O! ge drijft den spot met mij," riep 't meisje, "laat mij toch vertrekken."
Hij liet haar heengaan. Lunette geeselde 't muildier, dat liep met al zijn kracht. Voor den dageraad was zij al ten Rikenstene, en onmiddellijk begaf ze zich naar Galiëne's kamer. Ootmoedig viel zij op haar knieën:
"Jonkvrouw--jonkvrouw--bedenk, wat ge morgen moet doen. Ik vind geen kampioen voor u. Spreek recht over mij, en laat mij verbranden--het is mijn verdiende straf."
"Lunette--Lunette--" klaagde Galiëne, "ik zal u geen kwaad doen. Weet ik niet, dat gij om mij lijdt? Ware ik dood, o! te moeten leven in zulk een pijn, te leven, Lunette! Er is geen graaf en geen koning, dien ik kan minnen. Hem, dien ik liefheb, kan ik niet van me verdrijven. Is hij dood? Ik moet aan hem denken. Leeft hij, leeft hij?! Hij zou niet naar me vragen, en toch heb ik hem lief. Lunette--God geve hem, wat hij verlangt. Ik min hem, die mij veracht. Lunette!--"
Verwonderd zag Lunette haar aan:
"Een ridder niet ver van hier--in een woud--deed mij u zeggen, dat uw liefste u beschermen zoude. Ge zoudt niet bevreesd zijn."
Galiëne schudde haar hoofd. Haar diepe stem--meer kwam ze uit 't hart dan van de lippen--was verder dan een echo, terwijl zij sprak:
"Dit, Lunette, kan niet waar zijn. De ridder, dien ik min, zal mij niet beschermen. De ridder in 't woud zeide het, daar hij u troosten wilde van uw leed." Lunette wist geen antwoord te vinden, en daarom zeide haar meesteres:
"Ik zal mijn gebed zeggen. Onze Heer zij onze kampioen, Hij zal ons van onze smart verlossen. Wat Hij doet, is welgedaan."
Zij zonken op haar knieën en smeekten om redding.
Dienzelfden morgen al vroeg had Galarant, de machtige koning, een boodschap naar zijn neef gezonden, dat hij zou komen. Hem was het vroolijk te moede. Hij liet zich zijne wapens brengen, en alle blijde liederen, die hij kende, begon hij te zingen. Heden was het de dag, dat Galiëne zijn vrouw zou worden. Vol vreugde liep hij zijn neef tegemoet, toen deze kwam, en met eigen handen wapende hij hem. Hun rossen sprongen als ten dans. Het zonlicht was op hun harnassen. Stralende ridderen waren zij voor de muren van den Rikenstene--vonken en vlammen schenen van hen af te schieten. Hoog richtten zij zich op.
De koning sprak:
"Vrouwe Galiëne--kom, vertoon ons uw kampioen. Wij zijn hier, de ochtend is reeds verre. Waar is uw ridder, die strijden zou? Ik zie hem niet. Ik zal hebben stad en land en uzelve. Spoed, ontsluit de poort, want te lang wachtten wij. Kom tot ons."
Galiëne antwoordde, en ze wist haar stem te bedwingen, in wier diepste diepte geen trilling was:
"Het is nog geen avond, nog kan mijn ridder komen, en mijn eer bewaren."
Ze keerde in haar kamer terug, en weende zeer, hulpeloos en eenzaam. Daarna deed ze haar lieden bij zich komen, en vroeg hun raad:
"Heeren! ik heb geen kampioen, zeg mij, wat is er, dat mijn lot kan keeren?"
Ze verschilden niet van meening. De oudste hunner stond op.
"Vrouwe! we moeten u den koning geven, of hij zou ons dooden. Hij is onze heer. Wij zwoeren 't bij onze trouw, en ook gij zwoert hetzelfde, koningin."
"Gij heeren, daar hij hier moet komen, en gij hem uw leeneed wilt zweren, houdt hem nog een luttelen tijd bij u--"
"Vrouwe, uw raad willen wij volgen."
Ze wist niet, dat de witte ridder al was uitgereden. Het was al laat op den dag, dat hij den Rikenstene naderde. Hij hoorde, dat de koning tegen de poort klopte, roepende:
"Ontsluit de poort, ontsluit, ontsluit, en geef mij have en goed! Ik hang u op, voorwaar, zoo ge mijn wil niet doet. Wat laat gij mij wachten en roepen--"
Ferguut trad hem in den weg. Pennevare's schaduw was ver over 't land.
"Heer--ge bedrijft kwaad," zeide hij met ontroerde stem, "dat gij deze vrouw, die u niet mint, met geweld wilt nemen. Laat haar met vrede, dan doet gij wel. Keer weder in uw land."
Galarant riep schamper uit:
"Ridder, wat wilt ge van ons? Rijd heen, zoover u uw paard kan dragen, of ik zal u met mijn zwaard doorsteken." Macedone was een driftig man.
"Als gij haar kampioen wilt zijn, laat ons strijden."
"Dit zal geschieden," beloofde Ferguut.
Zij zetten hun paarden aan, Macedone en de koning te eener zijde, Ferguut te anderer. Zij hieuwen tezamen op den ridder in, die het witte schild droeg, zóó krachtig, dat hem wel achthonderd ringen uit zijn pantser braken. Doch Ferguut bleef in den zadel, en glimlachte om de booze woorden, die zijn vijanden riepen. Zag niet Galiëne naar hem? Wat deerde hem pijn? Hij mocht haar beschutten.
Op Macedone keerde hij zijn volle kracht, en met zijn lans stiet hij hem van zijn paard. Dood bleef de ridder liggen.
De koning greep naar zijn zwaard, toen hij Macedone zag vallen. Smartelijk riep hij uit:
"Gij waart mijn troost, mijn schild en mijn speer. Nu zijt ge dood. Wanneer ik geen wraak om u mag nemen, zal mij 't hart breken."
Hij greep Ferguut bij den hals, en sloeg hem tusschen de opening van den helm. De wereld zonk van den witten ridder weg, ternauwernood had hij kracht, om te ontvluchten. De lieden van de stad werden angstig. De koning volgde hem. Maar in 't vlieden herwon Ferguut zijn tintelende leven. Hij deed Pennevare wenden, en het witte schild nam hij van den arm. Hij hieuw naar Galarant. De slag miste den koning, doch 't staal sloeg den kop van 't paard af. Onmiddellijk sprong Galarant van den grond, het zwaard in de vuist. Ferguut gleed uit den zadel, en te voet streden de helden, tot de zon onderging. Niet verre meer was de nacht. Daarom vreesde Ferguut, dat hem de koning zou ontsnappen, en hij greep Galarant om 't middel, met hem worstelende. De koning viel, en Ferguut hield 't zwaard gereed. Galarant smeekte om genade. Vorstelijk zeide de witte ridder:
"Heer koning! wil dan gaan ter koningin van den Rikenstene." Hij aarzelde met het uitspreken van den naam. "Galiëne is haar naam, zoo geloof ik. Wees haar onderdanig, en vaar henen ten koning Arthur. Zeg hem, dat u een ridder met een wit schild overwon, die eens door Keye werd bespot. Groet alle heeren, die ge ziet, maar vermijd het Keye te groeten. Zeg hem, dat ik hem niet vergeten ben."
Toen zag hij naar de muren der stad, en 't was hem, of Galiëne hem riep:
"Kom tot mij, Ferguut, gij die mij gered hebt."
Hij zag hare gedaante, en met moeite luisterde hij naar zijn schuchterheid. Was hij niet zoon van den boer Somilet, de arme, arme Ferguut? Wat had hij haar te geven in ruil voor haar schoonheid? Spoorslags reed hij heen, zonder nog naar den Rikenstene te zien. Galiëne liet hij eenzaam achter; in haar hart was zijn naam gevangen. Dacht ze aan iemand anders dan aan hem, toen ze haar raad tezamen riep? Ze had een sterken arm noodig, om haar te beschermen. O! ook haar land had een koning van noode. Daarom verzamelde ze haar heeren. Zij zaten stil om haar, en luisterden naar haar diepe, ernstige stem, door veel vrouweleed verdroefd. Zoo klinkt de stem des herfsts in een bosch.
"Gij heeren--hier tezamen--ik mag mijn land niet zonder vorst laten. Raadt mij. Kent gij niet in eenig land een ridder, wien ik zoo genegen zijn kon, dat ik hem tot mijn man koos? Zoo hij arm ware--" het was als stond Ferguut bij haar, terwijl zij deze woorden zeide, "zoo hij arm ware--ik ben rijk genoeg, en ik zou hem tot heer maken van mijn land. Die naar goed en rijkdom ziet, God geve hem schande."
Allen antwoorden ze haar. Één antwoord gaven zij altegader.
"Jonkvrouw! we zouden u raden, om den ridder te nemen, die u in uw nood heeft geholpen. Al ware 't, dat hij niet rijk is, zulk een man mogen vrouwen minnen. Wisten wij slechts, vanwaar hij kwam--wie 't is--werwaarts hij ging."
Galiëne glimlachte.
"Had ik hem maar hier--maar hij is heengegaan." Ernstig ging ze voort:
"Heeren, morgen wil ik ten hove gaan, en koning Arthur vragen, of hij geen man kent, die koning over mijn land kan zijn."
Al de heeren loofden haar om dit besluit. Het was diep in den nacht, dat de raad uiteenging. 's Anderen daags bij het opgaan der zon reed men echter al uit, Galiëne en haar gevolg, en ze togen naar koning Arthur's hof.
De jonkvrouw trad voor 's konings troon, en allen in de zaal werden stil. Men hoorde het, dat haar stem de zuivere echo was harer ziel. Wie er naar luisterde, kon een jaar langer leven.
"Heer--zoo het uw wil is," sprak ze .... "ik zou u dank zeggen, als gij mij een man gaaft. Want ziek zijn wij, vrouwen, die noch kunnen strijden, noch kunnen rechtspreken in ons land. Geef mij een voogd, die mijn rijk zal regeeren."
Arthur zag haar aan, en zeide vriendelijk:
"Zoo ware helpe mij God. Zoo Genovere dood ware, nam ik u tot vrouw. Ik ken geen ridder, die u betaamt. Hoor mij daarom aan, wat ik te raden heb. Ik zal boden zenden naar alle landen, en een tournooi uitroepen, waarin mijn ridderen zullen strijden tegen hen, die van buiten komen. Een maand lang zal het tournooi duren, en wie hierin overwint, zal waardig zijn voor uw liefde."
"Heer, ge bewijst mij vriendschap en groote eer. Wat gij wilt doen, is mij goed."
De koning deed brieven zenden naar alle landen, om in het strijdperk te komen, doch Ferguut hoorde niets van het tournooi, tot hij in het woud een dwerg tegenkwam, die er henen reed.
"Heer ridder! als gij er wilt zijn, moet gij u haasten."
Ferguut wapende zich.
"Nu zal ik Keye ontmoeten."
Op Pennevare reed hij. Het tournooi zou beginnen. Des konings standaard stond in het veld. Luide riepen de herauten:
"Ridders! het is tijd. Wapent u! Wapent u!"
Allerwege waren stellages, waar vrouwen op zaten, die blijde naar de stemmen luisterden, welke de ridders ten tournooie riepen. Op de hoogste stellage waren de koning Arthur, Genovere, Galiëne, de koningin van Avalons, Aglentine, Alemandine, Sibilie, alle schoone en voorname vrouwen. Keye kwam vóór koning Arthur. Alle ridderen van de tafelronde hadden de helmen gebonden. Keye riep uit:
"Koning! mij lokt 't eerste gevecht. Ginder zie ik een ridder, diens paard wil ik de koningin van Rikenstene geven."
Ferguut zag Keye, die met hem had gespot, en nooit had hij zich zoo krachtig gevoeld. Niemand kende hem. Keye meende al wel gemakkelijk spel te spelen. Hij stiet met zijn lans tegen 's ridders schild, en de schicht brak. Los, spottend, kwam Ferguut's slag terug. Keye tuimelde achterover, en hij viel in een beek, die door de vlakte stroomde.
"Help mij--" riep hij, "help mij, of ik verdrink. Mijn been is gebroken."
Men haalde Keye uit het water en droeg hem op een schild weg. Ferguut had zich wel gewroken. Het tournooi ging voort.
Goed streden Lanceloot, Gawein, Sagremort, Perchevael, Erec, Bohort, Lyonel, Mereagis, IJwein, Laquis, de koning van Spanje, de koning van Roemenië, ridderen van Anjou, van Provence, maar die 't beste vocht, was hij, die het witte schild droeg.
Allen prezen hem, en de vrouwen vroegen:
"Wie is die jonkheer? Zulk een zou men gaarne minnen." Koning Arthur zelf riep uit: "Voor heden geef ik den witten ridder den prijs. Het is nacht. Morgen zal men voortgaan."
Koning Arthur, zijn vrouwen, zijn ridderen trokken weg, ieder naar paleis of huis. Alleen Ferguut bleef eenzaam achter. Nadat men in de hofzaal had gegeten, zag de koning de tafel rond. Hij riep uit:
"Laat ons den ridder eeren, die Keye en mijn ridders heeft overwonnen. Is het niet recht, dat wij hem den prijs gunnen?"
Ze zochten hem ten allen kant, maar zij vonden hem niet, er waren graven en koningen, ridderen uit vreemde landen, doch de held der helden was niet aan den disch. Er was niemand, die hem kende, en vol droefenis ging koning Arthur slapen. Den volgenden ochtend vroeg ging hij ter misse, hij reed uit. Weder volgden hem vele ridders, doch nergens zagen zij Ferguut. De heeren van de tafelronde zeiden tegen elkander, dat ze zich schaamden, daar een vreemde ridder hen had overwonnen. Ieder sprak:
"Als ik hem ontmoet, heden, die gisteren zoo goed streed, ik zal hem overwinnen."
De wapenkoningen trommelden. Trommelslag op trommelslag klonk:
"Kom ten tournooi, kom ten tournooi."