Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 21
"Wat zoekt gij--waarom staat ge daar?"
"Jonkvrouw--" zeide Ferguut bitter, "als iemand mij huisvesting had gegeven, zou ik niet nat geworden zijn. Geen mensch heeft mij genood, maar u vraag ik, schoone jonkvrouw, om een dak, het loon u God."
De jonkvrouw lachte, want hoe kon zij den knaap dezen dienst bewijzen? Het stond niet aan haar, doch aan haar vader, 's konings kamerheer. De arme Ferguut wist nog niets van hoofsche manieren, en ze kreeg medelijden te meer, nu ze hem daar zoo zag staan, zonder vrienden, zonder hulpe.
"Dit huis is van mijn vader--" sprak ze zacht, "'s konings kamerheer. Ik ben maar zijn kind en ik mag u niet herbergen. Toch moogt gij blijven, tot mijn vader tehuis komt. Zegt hij dan, dat gij heen moet gaan, ga dan."
Dit beloofde Ferguut gaarne, en ze gaf hem een mantel. Ze zetten zich bij het vuur, de jonkvrouw dacht bij zichzelf:
"Schooneren jongeren man dan dezen heb ik nog in geen land gezien. Had hij slechts 's ridders manieren."
Zij bleven zitten bij het warme vuur tot het eten bereid was; toen tafelden ze tezamen, vele smakelijke gerechten bracht men hun, en men schonk hem wijn en claret, om zijn dorst te lesschen. Vroolijk waren zij beiden, etende en drinkende.
Zoo vond hen de kamerheer des konings: 't eerst zag hem zijn dochter, en ze stond op, het bloed steeg naar haar gelaat. Ook Ferguut rees van zijn zetel: zij beiden wachtten, wat de edele ridder zou bevelen. Met vriendelijke stem zeide deze:
"Ga weder zitten, gij mijn dochter en gij vreemde man."
Hij zette zich nevens hen, en hij wendde zich tot Ferguut:
"Zijt gij met geweld hier binnengedrongen?"
Ferguut behoefde niet angstig te zijn, om te antwoorden. Nooit in zijn leven had hij eenig mensch kwaad gedaan, hij had den ploeg gevoerd in dienst van zijn vader. Rustig sprak hij dus, terwijl hij den kamerheer eerlijk aanzag:
"Ik bedreef nooit boosheid, ook thans niet. Ik heb 't beloofd, zoo gij mij niet wilt ontvangen, dat ik heen zal gaan."
"Neen, vriend," glimlachte de ridder, "ik ontzeg u mijn huis niet. Gij zijt mijn gast."
Welgemoed bespraken zij vele dingen, zij dronken wijn en aten gekruide spijzen, al pratende. Eindelijk vroeg de kamerheer den knaap:
"Hoe zijt gij ten hove gekomen? Sloeg men u alreeds tot ridder?"
O! de arme, domme Ferguut! Wat wist hij van ridders en ridders' manieren? Eerlijk zag hij zijn gastheer aan, en zijn jonge stem droomde:
"Heer! ik meen wel, dat ik ridder ben, want de boer Somilet gaf mij wapenen en een paard, zooals er geen beter ter markt komt. Hij wapende mij met helm, met zwaard, met schild, en ik geloof, dat geen koning ooit zoo edel staal droeg. Ja, ja, ik meen, dat ik een ridder ben."
Hieruit hoorde de kamerheer, hoe onnoozel Ferguut was. Hij vond behagen in den knaap, die nog zoo weinig van het leven af wist en wien daarom nog zoovele gevaren wachtten. Zou hij niet alleen om enkele uitdagende woorden van Keye, den zwarten ridder gaan bevechten, van wien nog nooit iemand levend was wedergekeerd? Arme Ferguut!
"Morgen zult gij ridder zijn--" sprak de kamerheer vriendelijk, "men zal u uw kleeren afnemen, en u betere geven; dan zullen wij voor den koning gaan, en hij zal u tot ridder slaan, u uw zwaard aangordende. Zoo is het hier de zede. Ik-zelve zal u de sporen aan uw voet spannen, ten aanschouwe van alle ridderen."
Bedroefd was Ferguut, dat men hem de kleederen, die zijn vader hem gegeven had, ontnemen wilde. Hoe gaarne wilde hij ze behouden.
"Somilet, de boer--riep hij geërgerd uit, "heeft mij al ridder gemaakt--heer! als ik doe, zooals gij me raadt, zal ik tweemaal ridder zijn."
Met rustige woorden en rustig gebaar wist de kamerheer troost te vinden. Ferguut leerde dien avond al veel, dat tot het leven behoort, doch nadat twee knapen hem naar zijn vertrek hadden gevoerd, om te rusten, sliep hij spoedig in, zonder dat droomen hem kwelden. In den vroegen morgen werden hem de kleederen gebracht, en vol blijdschap stond hij op, want dezen zonlichten dag zou hij door den koning tot ridder worden geslagen.
Koning Arthur kwam van de mis en hij beval, om het schaakbord te brengen, daar hij wilde gaan spelen. Maar de kamerheer en Ferguut wachtten al op hem, en ze gingen voor den koning staan. Ferguut groette, en deed zijn mantel uit. Hij knielde neder, en smeekte, om tot ridder geslagen te worden.
Gawein naderde.
"Het is niet goed--" zeide hij ernstig, "dat Keye de vreemde ridders bespot. Dezen hier koos ik gaarne tot mijn vriend."
"Uw naam," riep Ferguut uit, en hij voelde zich vol stille blijdschap, dat hij een vriend had gevonden, "weet ik niet, maar goedertieren zijt gij. Ik wil voor u zijn, wat ge van mij verlangt, doch eerst moet ik den horen hebben en den sluier. Ik moet vechten met den zwarten ridder, of hij zal mij overwinnen! Mocht ik echter ongedeerd terugkeeren, dan kom ik tot u als een vriend."
Met smarte vernamen het nu Gawein en de andere ridders, dat Ferguut den zwarten ridder wilde bestrijden. Zij allen vervloekten Keye, die door zijn spot den edelen jongeling naar het avontuur had gedreven. Ferguut kon echter niet langer wachten, en hij smeekte den koning, om hem 's ridders wapenen te geven. Noch door goed, noch door smeeken was hij terug te houden. Men bracht hem harnas, lederen broek, en een helm van staal, hoe fraai kleedden ze hem. Gawein voerde tot hem zijn ros, Perchevael reikte den koning een zwaard, opdat hij het den knaap zou aangorden. De kamerheer spande hem een spoor aan den rechter- en Lanceloot aan den linkervoet. IJwein hield den stijgbeugel, toen hij zich op het paard wierp, en nog gaf men hem een schild en een sterke speer. Was er ooit eenig ridder, wien men meer eer bewees, dan den armen Ferguut?
De nar zat bij het vuur, en warmde zich de handen. Even wendde hij zich om, zag Keye aan met honenden blik, en riep toen met luide stem tot den koning:
"Binnen korten tijd zult gij den ridder zien van de zwarte rots, aan den hals het gebroken schild, om u den sluier en den horen te brengen, en voor u neer te, knielen."
Keye begreep het wel, dat de nar dit zeide, om hem te ergeren, en hij barstte bijkans van toorn. Zoo men het hem niet euvel had geduid, had hij den nar gaarne gegrepen en levend verbrand. Nu deed hij, of hij niets kon verstaan, en hij lachte, terwijl hij voor den koning stond.
Ferguut nam afscheid, van Arthur en zijn ridderen. Tot Gawein ging hij en met hem sprak hij nog, voor hij vertrok. Gawein beval hem aan in de hoede der Moeder Gods, en Ferguut reed heen, terwijl allen, behalve Keye, in rouwe achterbleven, maar krachtig en vroolijk was Ferguut, want op alle wegen was zonnelicht.
SECTION II
Ferguut en Galiëne
Den ganschen dag had Ferguut gereden, toen hij eindelijk kwam aan een groot kasteel; op de brug zag hij een ridder, die een valk in de hand hield, en naast hem stond diens nicht, de schoone Galiëne, schoonere jonkvrouw kende men niet in het land van Alney. [8] Ze had grijze, klare oogen, een glad en hoog voorhoofd; haar gelaat was lang, recht en blank; rood waren de lippen, en ze had een kleinen mond. Smal was ze van schouder, de armen waren lang, en de handen klein en wit. Toen zij geboren werd, bedacht de natuur, om haar alle schoonheid te geven, en volmaakt werd zij. Ferguut nam haar, toen hij van zijn paard sprong, bij de hand. Een dienaar ontdeed hem van zijn wapenen, en de jonkvrouw zag den ridder in liefde aan, want ze vond hem schoon en wel van wezen. Ze dacht stil in zichzelf:
"Moge mijn oom het niet bemerken, dat ik den vreemden ridder min."
Men bracht het paard naar de kribbe vol haver, en toen togen zij tezamen, de oude ridder, Ferguut en Galiëne, naar de zaal, waar zij zich nederzetten. Doch Galiëne sprak niet tot Ferguut, den ganschen avond niet, zoolang haar oom bij hen zat. Ze had te wachten, tot haar oom sliep, en alles stil was. Toch, voor zij Ferguut haar smart beleed, spraken veel stemmen in haar, met driftig-verwijtenden, met loktienden, met spottenden, met twijfelenden klank.
"Lieve vriend Ferguut," zeide een stem, "dat ik lijd, hoe luttel weet ge 't--"
Een andere stem, binnen-in haar hart, hoonde:
"Wat spreekt gij van vriend, zottin, nooit hebt ge hem vroeger gezien! Erger ben ik dan een dief, omdat ik van hèm houd, dien ik niet ken."
"Morgen zal hij heengaan," fluisterde een andere, vleiende stem, "en spoedig zal hij mij vergeten zijn. Hoe zal hij weten, dat ik om hem lijd?"
"Wist hij--wist hij--hij zou mij zijn liefde niet ontzeggen--"
"Zeg ik 't hem niet, nooit zal hij 't weten. Zeg ik 't hem ik zou mijn geslacht in oneer brengen. Liever legde ik mijzelf in de doodkist, dan dat mijn mond 't hem zou vertellen."
"Wat zal ik doen? Ja, ik zal heengaan--en zien, of er iemand anders--Mijn vader wil mij altijd een rijk vorst geven, schooner dan dezen jongeling."
"Schooner? Wat heb ik gezegd--Geen schooner jongeling vind ik--"
"Wist hij--wist hij--Hij zat bij mij--en zeide geen woord tot mij--Had hij niet met mij gesproken, als hij me minde?"
Zachtkens fluisterde de liefde haar in de ooren, dat ze hem alles zou zeggen. Toen kon ze geen weerstand meer bieden aan de lokkende stemmen in haar hart, en in den duisteren nacht beleed ze hem luide, wat zij leed.
"Niemand troost mij," zeide zij tot hem, "en ik gevoel pijn om uwentwil. Mijn hart heb ik verloren--geef mij mijn hart, Ferguut."
"Jonkvrouw--antwoordde de domme ridder--wat wist hij nog van leed?--"ik zag uw hart niet. Had ik uw hart, ik gaf 't niet. Ik zag 't niet .... Ga van mij heen."
"Ach, heer ridder, wel hebt gij mijn hart, gij doet mij pijn. Mijn hart is ten uwen dienst, luid en stil, ik behoor u toe. Geen geluk is er voor mij zonder u. Gij hebt mijn leven en mijn dood."
Toen begon Ferguut te lachen. Meende de jonkvrouw, dat hij zich door haar zou laten tegenhouden?
"Niet om deze dingen ben ik uitgegaan," sprak hij, "maar om te strijden. Daarna zal ik tot u wederkeeren, jonkvrouw, maar gij moet mij uitstel geven. Voorwaar! er is zelfs geen keizerin, die ik zou vergunnen, om mij te minnen, voor ik den ridder bij de zwarte rots heb overwonnen."
Nadat de jonkvrouw dit had gehoord, ging ze naar haar kamer, zich schamende, dat zij den jongeling haar liefde had beleden. Zij bleef wakker, en weder vingen alle stemmen in haar te spreken aan. Toen besloot ze, om in den morgen, aleer iemand was ontwaakt, het kasteel te verlaten. Zóó ging zij heen, voor Ferguut te paard was gestegen. Hij vroeg niet, waar zij was. Hij liet zich den weg wijzen naar de zwarte rots.
"Komt gij na uw strijd tot ons terug?" zoo vroeg hem zijn gastheer.
"Ik kom terug," antwoordde Ferguut, "zoo ik den horen en sluier heb."
Een wolk van stof was er aan het eind van den weg. De oude ridder tuurde er nog lang naar, angstig om der wille van Ferguut. Doch hij wist nog niet, dat Galiëne het kasteel had verlaten en door een paar spottende woorden van Keye, zocht Ferguut het avontuur, terwijl hij de liefde had kunnen vinden.
O! een avontuur, dat hem langen tijd zou heugen.
Want naar den top der rots ging maar een kleine weg, die niet breed genoeg was voor man en paard. Hij bond het dier aan een olijfboom en met veel moeite klom hij naar boven. Dikwijls bij het opwaarts-gaan gleed hij naar beneden, en zijn hand werd wreed aan de doornen gewond. Hij scheen niet verder te komen, en waar was de leeuw met horen en sluier? Waar de ridder, die met hem zou strijden? Had men hem dan ten hove niet de waarheid gezegd?
Toen vond hij eindelijk een kapel, waar hij binnen wilde treden. Daarvoor stond een metalen beeld, een hamer in zijn hand, dreigend van houding, maar Ferguut was niet angstig, en wierp hem den hamer uit de vingeren. Nu bemerkte hij, dat er geen leven in het beeld was, en hij schaamde zich, dat hij gestreden had met een man, die zich niet kon verweren. In de kapel zag hij den leeuw, die van ivoor was gemaakt. Hij rende erheen, hij ontnam hem horen en sluier. Hoog richtte hij zich op. Driemaal stiet hij den horen, dat het geluid verre in de ronde klonk. Trotsch daalde hij van de rots--zou hij zonder gevecht bij koning Arthur komen? Hij ging naar den olijfboom, hij sprong op zijn paard, hij nam schild en speer en riep:
"Waar is de ridder, die mij dooden zou. Hij kome hier! Al waren het vijf ridderen, ik zou hen niet ontvluchten!"
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er was een donderend geluid in het woud. Een zwarte ridder naderde Ferguut, zwart was hij van hoofd tot voet, alleen zijn tanden waren wit. Zwart als de nacht was zijn paard. Hij riep uit:
"Dief--wie ben je--jij, die mijn horen hebt--je bent verloren. Ben je uit Allemanje, of uit Engeland? Heeft de koning je gestuurd? De zwakken zendt hij mij toe, maar niet mannen als Gawein, als Lanceloot, als IJwein, als Sagremort, als Perchevael. Waarom kwam Arthur zelf niet, dat galgenaas, met twintig ridderen of geheel zijn leger? Morgen zal ik hem jouw hoofd sturen, boven op een stok--te zijner schande zal ik dit doen."
Zeker waren er nimmer twee ridders strijdende, zoo na elkander in moed, kracht en lenigheid. Ferguut was zeer vertoornd, dat de zwarte ridder met den koning had gespot, en in de eerste drift stak hij hem met zijn lans door schild en harnas, en nauw gleed het scherpe ijzer het vleesch voorbij, maar zijn vijand hieuw hem het schild aan tweeën, en ook door Ferguut's harnas stak hij. Ten tweeden male aanvallend drong de speer van den jongen knaap in het lichaam van den zwarten ridder, wel een el diep, doch met een geweldigen slag stootte de zwarte ridder Ferguut met de groote lans in de hand, zóó forsch, dat het ijzer in tweeën spleet.
Met zwaarden vochten zij beiden, en van elkander's helm sloegen zij groote stukken. Zwaard raakte zwaard en schild, de strijd duurde voort. Toen brak het zwaard van den zwarten ridder, en hij moest nederknielen, teneinde Ferguut om genade te smeeken.
"Geef u gevangen den koning Arthur," beval hem Ferguut, "en breng hem den sluier en den horen. Dan wordt uw leven gespaard."
"Dood mij liever dan mij tot den koning te doen gaan, want vele zijner mannen heb ik hem met dit zwaard, dat hier gebroken ligt, ontroofd."
"Zeg, dat ik u gezonden heb. Ik ken den koning, die u zijn genade zal betoonen. Ga tot hem in de zaal, en breng al zijn heeren mijn groet, behalve Keye, die met mij heeft gespot."
"Ik zal gaan--" antwoordde de zwarte ridder, "dan zal ik mij aan hem gevangen geven. God verleene mij hulpe." Hij zwoer, dat hij tot den koning zou gaan. Ferguut vroeg den ridder, dat hij eerst zich van zijn wonden zou doen genezen, vóór hij vertrok, en hij besteeg zijn paard. Hij reed dien dag door een woest land, zonder avonturen te vinden. Daarna wendde hij zich terug naar zijn vroegeren gastheer, den oom van Galiëne, en in schemerenden avond naderde hij het kasteel. Onder de poort stond de oude ridder, een valk in zijn hand. In de zaal waren vele ridders en vrouwen verzameld, die weenden om Galiëne. Ferguut zag den goeden, grijzen man aan, die daar stond met zooveel angst en smart op zijn gelaat, en hij riep uit:
"Zeg mij, waarom gij zoozeer lijdt--"
"Al mijn vreugde--," zeide de oude ridder met doffe, uitgeleefde stem, "die ik vroeger had, is heen, want Galiëne is gevlucht. Nooit kwam het in mijn gedachte, dat zij vlieden zoude. Heb ik haar iets misdaan?--"
Zij zwegen, en met moeite bedwong zich de edelman. Hij wees met hoofsch gebaar naar zijn slot.
"Blijf heden bij mij, heer ridder, de nacht komt al nader, spreken wij over andere dingen. Uw wapenen wegen zwaar, gij hebt met den zwarten ridder gestreden. Uw harnas is vol deuken, uw schild is gebroken. Vertel mij, hoe de wedkamp was."
Thans ook leed Ferguut, hij wist niet waarom. Een nevel was er voor zijn oogen, en hij had het gevoel, dat zijn strijd vergeefsch was geweest. Zijn strijd? Zijn strijd was achter hem, en wat vóór hem lag, was zijn liefde. Hij wilde niet meer hooren van zijn strijd en vol angst vroeg hij:
"Heer--zeg mij--waar is Galiëne?"
"Ik weet het niet--waar zij is heengegaan, doch deel mij mede, wat er met u is geschied."
"Ach--waarom is ze heengegaan? Dat zij weg is ... verstaat gij mij--? doet me pijn--"
Ze stonden tegenover elkander, twee mijlen had men kunnen gaan, zóó langen tijd, elkaar vragend, zonder elkaar te beantwoorden. Had Ferguut slechts geluisterd naar de schoone jonkvrouw Galiëne, die hem haar minne beleed, doch hij verkoos avontuur en strijd om Keye's hoon. Hij wist niet, waar Galiëne was, zoo hij 't geweten had, hij ware haar gevolgd.
Het duurde langen tijd, voor de oude ridder bemerkte, dat Ferguut droeve was. Hij schrok.
"Waarom lijdt gij, heer?"
"Ik heb verworpen, wat in mijn hand lag," kreet Ferguut, "wee mij! dat ik gaan moest naast hen, die de liefde kennen, en dat ik daarom schreien moet. Heel mijn leven dien ik haar te zoeken--dag en nacht--tot ik haar vind. Kwam er een ridder, om mij 't harte uit te rijten--kwam er een ridder, die mij dooden zou, om mij van mijn smart te bevrijden."
De goede man greep hem vast.
"Het dunkt mij, dat het oneer voor u is, om uw smart te toonen. Het is niet ridderlijk, om een vrouw te treuren. Ridder! ga met mij--ik zal u geven, wat gij behoeft--spijzen--en rust."
"Nimmer meer wil ik wonen onder een dak, noch in dorpen, noch in steden, noch onder eenige poort, tot ik weet, waar uw nicht is. Houd mij niet tegen, zoo smeek ik u. Allen, die tot aan de Donau [9] wonen, kunnen mij niet beletten te gaan."
De oude ridder deed geen moeite meer, om den jongen man tegen te houden. Milde berusting was er in zijn gebaar.
"Vriend--," zeide hij, "God moge u beschermen. Het doet mij leed, dat gij niet wilt blijven."
Ferguut antwoordde hem niet. Hij reed heen, het schild aan zijn hals, de speer in de hand. Alomme was het nacht, doch in het duister was een nevelende sluier van maanlicht.
SECTION III
Ferguut zoekt Galiëne
Niet lang had hij gereden, of hij zag een tent, opgeslagen in een Bosch. Voor den ingang stond een dwerg, niet grooter dan vier voet, hij hield, er de wacht. Zijn neusgaten waren wijd en plat, de lippen zwart, de tanden wit, de mond was gespleten tot aan de ooren. Diepe rimpels lagen er om zijn pikzwart lijf, een bult had hij op rug en borst.
Toen de ridder naderbij kwam, hief hij den stok, en sloeg fel 't paard. Ferguut gaf het de sporen, dat het hoog-op steigerde en den dwerg omver reed. Luid kreet de dienaar en de ridder binnen in de tent ontwaakte. Hij schreeuwde:
"Wie is de man, die, terwijl ik sliep, mijn knecht sloeg?"
Hij was aldra ten bedde uit. Zonder wapenen trad hij naar buiten. Daar hij zag, dat zijn dienaar lang-uit op den grond gestrekt lag, werd hij toornig.
"Ware ik gewapend," zoo riep hij, "ik zou den dwerg wel weten te wreken."
"Hebt gij wapenen in uw tent," zeide Ferguut rustig, "neem ze dan op, en strijd tegen mij."
De ridder ging heen. Ferguut wachtte hem.
Bij de tent riep de ridder tot zijn geliefde:
"Haal mijn wapenen, ik moet strijden."
De jonkvrouw wist, welke wapenen hij verkoos. Zij bracht hem zijn harnas, zijn stalen schild en zijn zwaard. Het ros voerde ze voor hem, zij hield den stijgbeugel. Snel reikte ze hem nog de scherpe lans, en hij reed woest Ferguut tegemoet.
"Wacht u, heer ridder! die mijn dwerg sloegt ... wacht u voorwaar! het gaat om uw leven."
Ferguut, die hem zag komen, glimlachte om deze woorden. Hij gaf zijn paard de sporen, en de ridders reden elkander tegemoet. De rossen bogen de knieën en met zulk een kracht stiet Ferguut zijn vijand tegen het schild, dat de vreemde ridder uit den zadel sloeg. De stijgbeugels bogen beide.
De ridder sprong op, en trok het zwaard uit de scheede. Ook Ferguut trok zijn zwaard. De jonkvrouw zag toe.
Zwaar van slag was iedere houw, en als met bijlen geslagen dreunde het woud. Nu eens was het Ferguut, dan weder de ridder, die scheen te overwinnen. Hun schilden waren gebroken.
Ferguut hief 't zwaard hoog, en gelijk een dalende hamer zoo fel, deed hij het snijdend staal komen op zijn's vijands helm, die spleet en in één ruk gleed 't zwaard door in den harden schedel.
Tot Ferguut kwam nu de ridder, om hem te smeeken:
"Ridder! genade, laat mij leven. Ik ben overwonnen, nooit zal ik tegen u kunnen strijden. Wilt gij mij dooden het is in uw macht."
"Ga morgenvroeg naar koning Arthur," zeide Ferguut mild, "met den dwerg, en uw vriendin--geef hem ulieden gevangen."
's Daags, dat hij verder-reed, was hij den strijd al weder vergeten, en zoo ging het hem na ieder avontuur. Want hij was niet uitgegaan, om te strijden, doch om Galiëne te vinden, en als zich roovers of ridders op zijn weg stelden, strafte hij hen voor hun euvelmoed, doch dan reed hij weder verder, denkende aan Galiëne, en aan zijn liefde. De ridderen, die hij overwon, togen naar 's konings Arthur's hof, en ze zeiden, dat Ferguut hen gezonden had. Ze groetten den koning en zijn heeren, behalve Keye, die met Ferguut den spot had gedreven. Toen werden boden gezonden, om Ferguut te zoeken, doch ze vonden hem niet.
Want Ferguut reed uit om het witte schild.
Een dag, dat hij meer had geleden dan ooit te voren, kwam hij aan een fontein, en daar hij in twaalf dagen niet had gedronken, bukte hij zich naar het water, en gretig leschte hij zijn dorst. Wonder! nauwelijks had hij zich weder opgericht, of alle pijn was hem verre; niet was hem Galiëne's naam meer een wonde, diep gesneden, in zijn vleesch, tot in zijn bloed brandend, maar zoet was het te denken aan verleden en toekomst. Zijn ziel was blijde, als zongen er leeuwerikken. Hij meende al wel, dat hij hier Galiëne zou vinden, zoo blijde was 't om hem.
Bij de fontein stond een marmeren kapel; daarvoor zat een kleine dwerg, die tot Ferguut riep:
"Ridder! wat zoekt gij hier? Meent ge, dat ge hier Galiëne vinden zult? Een zot zijt gij. Eeuwig kunt ge hier weenen, aleer ge Galiëne hier zoudt zien."
"Lieve dwerg," aldus antwoordde Ferguut, "hoe kent gij de schoone vrouw, van wie ge spreekt?"
"In een ander rijk, voor gij waart geboren. Nooit zult ge haar vinden, Ferguut, gij moet 't witte schild hebben, dat van ivoor is gemaakt. In donkren nacht geeft het drie mijlen in den ronde licht. Hij, die 't draagt, zal niet worden overwonnen, is hij ten doode toe gewond, hij wordt genezen. Die het schild draagt, hij wordt nooit oud, hem is het wel te moede, des avonds en des morgens is hij blijde. Hij wordt overal geëerd, zulk een man. De vrouwen minnen hem. Vaar wel, ridder."
In de kapel stond thans de dwerg, hij sloot de deur, en grendelde ze. Luid smeekte Ferguut:
"Lieve dwerg, hoor mij, zeg mij, waar ik het schild kan vinden. Doe de deur open en laat mij bij u komen. Ik heb Galiëne lief--dwerg--"
Er kwam uit de kapel geen antwoord, en Ferguut, die eerst aan de fontein zijn kracht had herwonnen, zag nu, dat de dag voor hem terugweek. Nevelen daalden van den hemel, stegen uit de aarde. Galiëne was verder van hem dan ooit te voren. Het witte schild stond hoog en onbereikbaar tusschen hen.
Weder ving zijn eindelooze zwerftocht aan. Velen stelden zich op zijn weg, dan bevocht hen Ferguut met alle kracht, doch ook hier was hij niet gegaan, om te dooden. Nergens hoorde hij van het witte schild, tot hij kwam in een land, waar het stil was, en waar in de verte een jongen schapen hoedde. Hij reed tot hem, en vroeg met moede stem, daar hij hetzelfde reeds talloos-velen had gevraagd, twijfelend, of hij wel antwoord zou ontvangen:
"Hebt ge wel ooit ergens van het witte schild gehoord?"
"Ja--" zeide de herdersknaap verwonderd over een zoo eenvoudige vraag, "ik heb 't vele malen gezien."
Ferguut viel op de knieën en dankte God. Daarna wendde hij zich tot den jongen.
"Vriend--" zoo sprak hij, "het witte schild wil ik hebben."
De knaap zag hem angstig aan. Was de ridder waanzinnig geworden?
"Ge spot met mij," riep hij uit. "Kent gij het witte schild wel? Ga heden met mij mee, en leg u ter ruste."
"Lieve vriend ... zeg me ... waar ik het witte schild kan vinden .... Ik heb het lang gezocht, ik kan zonder het schild niet meer leven."