Nederlandsche Sagen en Legenden

Part 20

Chapter 20 4,173 words Public domain Markdown

Reinout temde het edele ros Beyaert met gevaar van zijn leven, en het paard droeg hem over twee wijde grachten met één sprong. Beyaert stond daarna bevende voor hem, en hij boog zijn pooten tezamen, eerbiedig nijgende. Reinout reed op Beyaert, en zijn broederen op andere paarden. Als Reinout op Beyaert zat, beefde de aarde en het vuur sprong uit de steenen. En Aymijn met zijn kinderen werden ten hove genoodigd, omdat Lodewijk, keizer Karel's zoon, werd gekroond als koning van Frankrijk.

Zij gingen, de Aymijn's of Heemskinderen, met hun vader, allen welgewapend, zooals ridderen ten strijde trekken. Een bode kwam hen tegemoet, en deze vroeg:

"Ontwapent u."

Aymijn deed aldus, en daarna trok hem Karel met zijn baronnen en zijn jonkvrouwen tegemoet. En de beiden spraken vele vriendelijke woorden tezamen. Lodewijk zeide niets, noch tot Aymijn noch tot zijn kinderen, want er was boosheid in zijn hart, omdat de keizer zijn doodsvijand was gaan begroeten.

En de baronnen en jonkvrouwen zeiden tot elkander:

"Is dit Reinout, Aymijns zoon? Hij is de mannelijkste en schoonste jongeling van het Christenrijk."

Dit hoorde Lodewijk, en het bedroefde hem, daar hij ook schoon was van aangezicht en groot van lijf; en op velerlei wijzen tartte hij de broeders sinds dien, ook na zijn kroning. Reinout's roem werd hem tot schande, want hij, die afgunstig is, gevoelt de eer een ander gegeven als oneer voor zichzelven.

Ten laatste kon Reinout, de jonge held niet meer leven, zonder zich te breken uit zijn schande en schaamte; met Adelaert, zijn broeder, dien Lodewijk had geslagen, ging hij in de zaal. Ze hadden een mantel om, en in hun hand droegen zij het barre, bare zwaard. Keizer Karel stond bij zijn zoon, en Reinout en Adelaert liepen door de menigte, tot ze bij hen waren. Zij groetten den keizer, doch Reinout greep koning Lodewijk bij het hoofd, en hij sloeg het af, om het tegen den muur te werpen. Het spatte bloed, dat tegen 's konings gelaat aansloeg, druppelen bloed. De keizer werd zeer vertoornd en riep:

"Edele baronnen, die mij liefhebben, helpt mij wreken den dood mijns zoons."

Toen stonden alle baronnen op, en ze wapenden zich. Er was een groot gevecht, waarin Aymijn gevangen werd genomen. Maar Reinout en zijn broeders vluchtten op het ros Beyaert, en zij ontvloden den toorn des konings, tot waar zijn hand niet reiken kon; doch niet gelukkig is de banneling, want men onthoudt hem zijn recht.

Zij reden op het trouwe, sterke ros Beyaert, dat hen droeg van land tot land, en Beyaert was een ridder mede, hij werd gewond, zoo de broeders gewond waren. Eindelijk kwamen ze in 't land van koning Iewijn, en nadat ze dezen vier jaren hadden gediend in nood en dood, schonk hun de edele vorst een rots, waarop Reinout een kasteel liet bouwen, dik van muren en met sterke torens. Hij noemde het Montalbaen. Koning Iewijn gaf Reinout zijn dochter tot vrouw. Clarisse was de naam der schoone maagd.

Keizer Karel was nog zeer vertoornd over den dood van Lodewijk, zijn zoon, en hij zond koning Iewijn een brief. Wat er in den brief stond, kan men lichtelijk raden: dat de keizer boos was op den koning, daar hij de Heemskinderen land had gegeven en hun groote eer had bewezen.

Hij deed in 't land rijzen een groot leger, en hij sloeg het beleg voor Montalbaen, Reinout's veste. Doch niet ving hij de vier Heemskinderen, en na een jaar moest hij aftrekken, weinig tot zijn eer.

Reinout's hart verlangde ernaar, zijn moeder weer te zien, en hij zeide dit tot Adelaert, die verstandig was als raadsman.

"Wat wilt gij!" zoo riep deze, "weet gij niet, dat vader en moeder voor Karel uw dood hebben gezworen?"

"Broeder! neen, dit tel ik niet, want de ouders hebben natuurlijk hun kinderen lief; daarom, het ga, zoo het gaat, ik wil moeder wederzien."

De broeders overvielen de pelgrims, die naar Jeruzalem waren geweest, en zij gingen in pelgrimspijen naar het slot Pierlepont, waar Aymijn woonde. Zij vonden het gesloten en zij klopten aan. De portier kwam, en hij vroeg:

"Wat is uw begeeren?" Reinout antwoordde met oude stem:

"Vriend! laat ons binnentreden in het slot Pierlepont, vier pelgrims zijn wij, die hebben gezworven van stad tot stad en land tot land; we hebben zulk een honger en dorst, wij bidden en smeeken u, laat ons binnen."

"Neen--niet ik! want een kwade mare is tot ons gekomen, dat onze Heeren in Frankrijk zijn gevangen, Ritsaert en Writsaert, Adelaert en Reinout."

Heilige woorden zeide Reinout en de portier liet hen, deze hoorende, binnen. De vier Heemskinderen traden in de zaal, en daar zat hun moeder. En allen zeiden:

"Vrouwe, God geve u goeden dag."

Dit zeide de vrouwe, Aye, de moeder van Ritsaert en Writsaert, Adelaert en Reinout:

"God loone 't u, pelgrims."

Zij gaf hun te eten en te drinken. Zij schonk goeden wijn, en Reinout ledigde twee schalen, en de vrouwe was verwonderd. Zij sprak:

"Vanwaar zijt gij gekomen, pelgrim, dat ge den sterken wijn zoo drinkt? Tien ridderen drinken niet zooveel als gij alleen." Reinout antwoordde haar.

"Geeft mij nog eens van den wijn, wilt gij?"

Nadat hij de derde schaal had geledigd--de schalen waren van goud--riep hij uit, dronken:

"Vrouwe, ik wilde, dat ik meer had, want had ik nog een schaal, mijn oom Karel zou ik niet ontzien." Adelaert, uitmuntende in verstand, schrok van deze woorden, en hij stiet Reinout met den elleboog aan, zoodat deze ter aarde viel, en hij bleef liggen, gelijk een doode: ja, zoo dronken was hij. Maar wie ter wereld was gelukkiger dan Aye, de moeder? Zij nam Reinout in haar armen, ze kuste hem, ze kuste hem, gelukkiger dan ooit een levend mensch wezen kan; men meende, dat zij sterven zou om der wille van deze vreugde. Adelaert, de wijste der broeders, nam haar in zijn armen en voerde haar van Reinout weg.

Een verspieder naderde thans vrouw Aye, en hij zeide:

"Vang Reinout, en levert hem over aan keizer Karel, want aldus hebt gij gezworen." Doch vrouwe Aye antwoordde hem:

"Mijn hart kan mijn kinderen geen kwaad doen: noch om het leven noch om den dood zou ik mijn kinderen verraden."

Ook Aymijn vernam, dat zijn zonen in de zaal waren, en hij deed zijn baronnen zich wapenen. Reinout lag ter aarde, dronken van den wijn, en Ritsaert en Writsaert en Adelaert stelden zich te weer, twee dagen lang. En Reinout lag ter aarde; toen de derde dag kwam, ontwaakte hij, en hij zag zijn broeders strijden.

Hij verhief zich en sprak:

"Broeders staat achter mij, gij zijt moede geworden, uw slagen zijn te zwak."

Reinout sloeg met zijn zwaard om zich heen, en men vreesde hem als den dood zelve. Reinout doorbrak de schare, tot hij bij zijn vader was, en hij wilde hem met het zwaard verslaan. Adelaert volgde hem, en hield hem tegen.

"Broeder--" zeide hij verstandig, "wat wilt gij? Nimmer zouden wij de schande ontwijken, noch voor God verzoenen, noch ooit kunnen komen bij een edelman; en Karel zoude ons nimmer vergiffenis schenken!"

Reinout echter zeide:

"Voorzeker, ik zal hem leeren zijn kinderen te belagen."

Hij bond zijn vader handen en voeten en legde hem op een paard ter neder. Een jongeling kwam voorbij, en Reinout beval hem Aymijn naar keizer Karel te brengen. De jongeling weigerde, en de edele ridder sloeg hem een hand en een oor af, en stak hem een oog uit. De jongeling had slechts één hand, één oor en één oog over, en angstig werd hij voor verder verlies. Dus bracht hij Aymijn naar Karel, en dikwijls vervloekte hij Reinout onderweg.

Ze kwamen te Parijs, aan Karel's hof; de knaap klopte aan de poort, en de portier opende, en hij vroeg:

"Vanwaar komt ge? Wien hebt ge daar gevangen?"

"Het is de graaf Aymijn van Nerboen."

De portier liet het paard doorrijden, tot in de zaal. En Aymijn was aan handen en voeten gebonden. Hij klaagde den keizer zijn nood, en op maakte zich Karel met een geweldig leger, om de Heemskinderen te belagen. Reinout ontvluchtte, en Ritsaert en Writsaert en Adelaert werden gevangen. Niet met geld, dat Reinout beloofde, niet met geweld, waarmede Reinout dreigde, werden ze bevrijd; neen, door de toovenarij van hun oom Malagijs. Met list trachtte nu de keizer Beyaert en Reinout te vangen, en 't lukte niet. Hij beloofde koning Iewijn veel goud, en de koning minde het goud zeer. Om het goud zeide hij, dat hij Reinout en zijn broeders zou uitleveren, en hij wilde hen verkoopen voor twintigduizend kronen. Daarom ging koning Iewijn haastelijk naar Montalbaen, en hij zeide:

"Ik heb vrede gemaakt tusschen Karel en u."

"Heer koning! blijde ben ik hierom, doch zeg mij, wat moet ik den keizer geven? Zal ik hem te voet vallen?"

"Gaat henen te Vaucoloen, om u met den keizer te verzoenen. Gaat henen barrevoets."

Reinout wilde hem kussen, want dankbaar en gelukkig was hij. Maar al verkocht de koning hem voor twintigduizend kronen, den kus wilde hij niet ontvangen.

"Reinout, kus mij niet, want mijn hoofd smart mij."

De vier ridderen reden op muilezelen naar Vaucoloen, en koning Iewijn meende, dat ze ongewapend waren.

Wat had Reinout's vrouw, Iewijn's dochter, gedaan? De schoone Clarisse .... Ze had Ritsaert vier zwaarden gegeven, die hij heimelijk onder zijn mantel borg.

Ze kwamen te Vaucoloen en ze zagen veel krijgsvolk.

Toen waren de broeders zeer bedroefd, en ze zeiden:

"Reinout, laten wij vluchten, want koning Iewijn heeft ons verraden."

Ritsaert gaf Reinout het goede zwaard, dat Florenberg heette, en ze streden met veel moed. Doch een dienaar van Reinout zag in de sterren, welk gevaar de broederen leden, en hij zeide het Malagijs: deze reed op het ros Beyaert tot redding. En het trouwe paard hielp mede hen te bevrijden, gelijk een krijgsman.

Veel strijds was er nog tusschen den keizer en de broeders, tot vrouwe Aye in de legerplaats trad, en ze viel voor haar broeder op de knieën, smeekende om verzoening. En Karel zeide:

"Wil mij Reinout Beyaert leveren, dat ik daarmede handel naar mijn wil, Beyaert, die hen uit zoo groote gevaren heeft gered, zoo geef ik hem vergiffenis en anders niet."

Toen ging de vrouw tot aan het slot Montelbaen, en ze klopte aan de poort, en men deed haar binnengaan. Zij kwam met een tijding van vreugde, en onder deze vreugde klonk doffe smart; zij kwam met een tijding van smart, en daaronder tinkte een belletje van vreugde. Ze zeide tot Reinout, wat keizer Karel had bevolen, en Adelaert riep toornig tot Reinout, die het weder vertelde aan zijn broederen:

"Hoe durft gij met zulk een ding voor ons te verschijnen? Zijt gij buiten uw zinnen? Liever duld ik onvrede met den keizer, mijn leven lang, voor ik dat deed."

De broederen Ritsaert en Writsaert spraken in denzelfden klank.

Reinout zag hen aan en hij sprak:

"Ten goeden tijd, ter zaliger uur is het geweest, dat ik won het Beyaert ros; door Beyaert zal ik lossen onze schuld en ontgaan het groot gevaar. Ik zal Beyaert geven." Hij ging naar zijn moeder, en niemand zag zijn leed. Hij zeide haar, dat hij volgaarne het paard den keizer gaf. Zij was blijde, en ze toog uit, om haar bodedienst voor den keizer te verrichten.

Karel beidde het ros Beyaert, en beidende sprak hij:

"Zij doen het tegen hun wil, want zij wachten zeer lang."

Eindelijk kwamen Reinout en zijn broeders, hand in hand, en met hen voerden ze het paard.

Reinout zeide:

"Doet er mede naar uwen wil."

De keizer leidde het ros naar de brug van de Oise en hij deed het twee molensteenen om zijn nek. Hij liet het in de rivier werpen. Hoog spatte het schuim, en Beyaert zonk; hij kwam dadelijk weder boven en ging zwemmen. Toen zag Beyaert zijn meester, en hij verbrak de steenen. Hij zwom naar het land, alwaar Reinout stond.

De keizer beval:

"Reinout, geef mij Beyaert weer, of ik zal u doen vangen."

Reinout gaf Beyaert, en de keizer deed aan iederen hoef van Beyaert een molensteen binden, en met twee bezwaarde hij diens nek. Hij deed het werpen in de rivier. Hoog spatte het schuim en Beyaert zonk; hij kwam weder boven en ging zwemmen. Adelaert sloeg zijn armen om Beyaert en kuste hem.

De keizer beval:

"Reinout, geef mij Beyaert weer, of ik zal u doen vangen en hangen."

Adelaert zeide:

"Vloek u Reinout, zoo gij Beyaert weg-schenkt."

Doch Reinout:

"Niet wil ik hebben den toorn des keizers om een paard."

En Adelaert weder:

"Beyaert! Beyaert! een valschen heer hebt gij gediend en met slecht loon wordt gij betaald."

Reinout gaf den keizer Beyaert.

"Dit is de derde maal, dat ik u Beyaert geef, het is de laatste maal, want mijn hart kan het niet lijden."

De keizer zeide:

"Reinout, wend u niet om, opdat het ros u niet zien kan, want zoolang het u ziet, zal het niet sterven."

Reinout zwoer een eed, dat hij zich niet zou omwenden.

Toen deed de keizer Beyaert aan elken hoef binden twee groote molensteenen, en aan den nek twee, en aldus deed hij hem werpen in de rivier.

Nog eenmaal kwam Beyaert boven, en den kop hief hij hoog, en boog tot zijn heer, als ware hij een mensch, die had geschreid om zijn lieven vriend.

Ten laatste zonk hij, en hij verdronk. En Reinout weende, en hij trok naar het woeste woud, en hij werd een pelgrim.

XLIII

Ferguut, Ridderroman uit den Fabelkring van de Ronde Tafel

Personen voorkomende in de Ferguut.

Koning Arthur. Perchevael. Gawein, neef van Arthur. Genovere, vrouw van koning Arthur. Keye, tafelmeester aan het hof. Ferguut, zoon van den boer Somilet. Galiëne, zijn geliefde. Lunette, haar kamerjuffer. IJwein, een ridder. Laquis van Portegale, een ridder. Lanceloot, een ridder. Bohort, een ridder. Sagremort, een ridder. Agravein, een ridder. Gariec, een ridder. Galarant, Ferguut's vijand, koning, die Galiëne's stad belegert. Macedone, diens neef en kampioen. Lokefeer, een reus, vijand van Ferguut. Barlebaen, een booze geest, zwart als een duivel. Vijand van Ferguut. Roovers. Een nar.

Ferguut's paard, dat hij Lokefeer ontnam, heet Pennevare.

SECTION I

Ferguut trekt op avonturen uit

Het was in den Pinkstertijd, en het blijde zonlicht was overal. Dit was geen dag voor koning Arthur en zijne ridders, om stil te zitten in de burcht Caradigaan, het was een dag, om te jagen. Koning Arthur kwam tot zijn heeren, tot Gawein en IJwein, tot Perchevael en Lanceloot, tot Keye en Sagremort.

"Niet wil ik zitten," sprak hij, "want het weder is schoon en klaar. Jagen wil ik in 't woud van Goriënde het witte hert, dat zal hooren het geblaf mijner honden. Mijn wil is, dat gij mijn wil doet."

"Wij zijn wel bereid," zeide Gawein.

De edelknapen sprongen op, en ieder zadelde het paard van zijn heer. Koning Arthur nam zijnen horen, en hij reed voor zijn baronnen, het woud tegemoet. Dit was een dag voor koene ridderen, die niet kunnen blijven in een donkere steê, als 't zonlicht schijnt. Ja, het bosch lokte den koning snel reed hij vóór de anderen, en hij speurde overal naar 't hert. Hij riep IJwein, en men ontkoppelde de honden, alle ridderen bliezen den horen. Toen sprong 't hert op, en vlood langs de rivier, de honden basten, de jagers schoten met hun pijlen, maar 't hert ontvluchtte door het diepe water, en verborg zich in het hooge gras. Ze volgden het weder, blaffende brakken, rijdende ridders, doch 't dier, dat zij joegen, ontvlood. Toen zwoer de koning, dat hij door bosch en haag, dag en nacht, wilde rijden, om het hert te dooden, en hij beloofde een gouden beker aan hem, die het vangen zou.

Hoog zat Perchevael te paard, en volgde 't hert met zijn hond, langs berg en dal, maar 't wist hem te ontwijken. Moede werd Perchevael's brak, en de ridder sprak hem met troostende woorden toe. De hond werd krachtig door zijn stem, sprong op, en sloeg 't hert de tanden in 't vleesch. Hert en hond vlogen tezamen voort, als één dier. De ridder volgde onvermoeid.

Niet af te schudden was de brak, als de Dood zelve was hij voor 't hert, dat trotsch dook in de diepe rivier, zijn noodlot tegemoet. 't Water sloeg het met felle golven in de keel, en het dier verdronk. De hond trok hem, toen het bovendreef, aan land.

De koning kende Perchevael's horen, die luid over 't land klonk. Hij zette zijn paard aan, roepende:

"'t Hert is gevangen, ik hoor 't wel, wij willen Perchevael helpen, die het witte hert gedood heeft, de moedige held."

Zij reden tot waar de ridder stond, en Arthur groette hem als een vriend, terwijl hij hem den beker deed reiken. De ridderen aten en dronken, het was nacht, doch de maan scheen klaar en schoon. Zij rustten dezen nacht op die plaats, en vroeg maakte men zich den volgenden dag weder op. Een edelknaap legde het witte, doode hert over een paard. Men wachtte niet lang, om naar Cardoel, 's konings stad, terug te rijden. Al rijdende kwamen ze een versterkte plaats voorbij, waar een boer woonde, die Somilet heette. Drie zonen had hij, die hij liet werken en zwoegen op het veld: twee dreven het vee, de derde ging achter den ploeg en was schamel gekleed. Toch was de boer rijk, en zijn vrouw van edelen bloede. Ferguut heette de jongen, die den ploeg dreef, en hij zag den koning met zijn ridderen rijden. O! de arme Ferguut. Hij was gewoon aan het moeilijke werk, en niet geleek hij de zoon van een rijk man. Toen de ridderen langs den akker kwamen, kwam al het leed en heimwee, dat hij zijn leven lang had gekend, in zijn hart, en angstig zag hij naar den edelen vorst, die hem voorbijreed, met alle zijn heeren. Toch wist hij niet, wie het waren, en hij vroeg het daarom een edelknaap, den laatsten van den stoet.

"Zeg me--wie de heeren zijn--die ik daar zie."

"Het zijn de koning en de ridderen van de tafelronde," antwoordde de knaap, "het zijn de heeren van 's konings raad."

Droomerig zeide Ferguut, de arme jongen achter den ploeg:

"Ik zal gaan naar 's konings hof, om te wezen van zijn gevolg, en van zijn raad. De boozen zal ik van hem verjagen."

Weg reed de dienaar. Ferguut echter spande de paarden van den ploeg, en liep snel naar zijn's vader's huis. Zonder te groeten wierp hij Somilet, den boer, het ploegijzer voor de voeten.

Zijn vader zag hem aan, en vroeg verwonderd:

"Waarom hebt gij uw werk verlaten?"

"Heer"--zoo zeide Ferguut, "ge spot met mij. Geeft mij wapens, laat mij ten hove gaan."

De boer greep een stok, en wilde hem slaan, maar de moeder hield zijn arm tegen, hem smeekende:

"Lieve heer--och! och! gij doet kwaad, dat gij uw zoon wilt slaan."

Toornig schreeuwde Somilet zijn zoon toe:

"Jij wilt zijn een vriend van ridderen? Ga heen en pas op het vee, dat uw zorg behoeft. Wilt ge niet achter den ploeg? Ik weet wel werk voor u. Strooi mest op het land."

"Heer--" zoo hernam de vrouw, "verwonder u niet, dat uw zoon begeerte heeft naar wapenen; in mijn geslacht zijn vele ridderen, en mij dunkt, dat gij goed doet, om hem ten hove te laten rijden. Zijn twee broeders blijven hier, hij is de oudste, geef hem wapenen ...."

Zacht zeide ze, doch de boer verstond het wel:

"Hij kon wel eens komen tot roem en macht, want hij is een schoon en sterk man."

Nog even praatten ze zoo tezamen, in eensgezindheid; daarna riep Somilet een jongen, opdat hij hem het harnas zou brengen, dat vele jaren ongebruikt was en bloedrood van roest, doch sterker en beter dan menige smid kon smeden; de helm was van fijn staal. Daarbij wierp Somilet een witte broek, die de knaap aandeed. Was het Ferguut, de arme boerenjongen, dapper en koen te paard gezeten, gewapend met schild en speer, met spiets en bijl? De arme Ferguut! Hij kende de wereld nog niet, met allen strijd, want achter den ploeg was hij gegaan, zijn leven lang.

Zijn moeder schreide. Hij echter trok vroolijk van zijn huis, het duistere leven tegemoet; op den eersten weg, dien hij ging, verdwaalde hij. Hij kwam in een donker bosch, en het waren roovers, die hij 't eerst zag. Ze wilden hebben zijn paard, zijn wapenen, en dan nog zijn leven. Onbeschroomd trad hij ze tegen, en hij vroeg hen, met zijn jonge stem, vol vertrouwen:

"Lieve heeren--zeg mij--hoe kom ik het beste naar Cardoel, wijs mij den weg. Ik wil den koning dienen, en hem raden, wat hij doen moet."

Één der roovers lachte en zeide ten antwoord:

"In duivels naam moet dat zijn! Uw vader en grootvader waren 't niet gewoon, Ferguut, om den koning te dienen. Zij kloofden hout, zij voerden den ploeg, ze laadden mest. 't Ware beter geweest, dat ge bij uw ploeg waart gebleven. Nu zal ik u doodslaan."

Het was de eerste strijd van Ferguut, en hij streed dezen zeer dapperlijk, zoodat twee der roovers sneuvelden. De koppen sloeg hij af en hing ze aan zijn zadel. Zoo reed hij naar Cardoel, 's konings hof.

Ach, Ferguut! Daar waren vele spotters in Cardoel. Ze lachten, toen de knaap binnenreed, maar de koning was vriendelijk voor hem, en zeide hoofsch en ernstig:

"Vriend, welkom zijt gij hier. In welk land zijt gij geboren, waar wilt gij heen? Zeg mij, wat er met u is geschied en noem mij uwen naam.

"Heer--" sprak vroom de knaap--hij had niet op het gelach der spotters gelet--"ik heet Ferguut, en om uwentwil aanvaardde ik den tocht, al waren mijn vader en moeder boos, dat ik u zoo verre volgde. Ik wil u met mijn raad bijstaan."

Toen stond mijnheer Keye op, en zijn hoon was scherper dan een snijdend zwaard. Hij bezag den armen jongen, schudde 't hoofd en smaalde:

"Ge ziet er wel naar uit, of ge den koning met uwen raad kunt dienen. Niemand wilde ons tot dusver immers raden? 't Is goed, dat _gij_ gekomen zijt--Er staat geschreven: 'dien God wil helpen, heeft geen gebrek.' Wanneer God u 't leven laat, zult _gij_ ons goeden raad geven."

Even zweeg mijnheer Keye. Daarna stelde hij zich dicht bij den knaap.

"Vroed en goed van wapenen zijt gij, Ferguut. Hoe schoon staat u de helm, ik denk, dat gij een koningszoon zijt. Nooit zag ik een vorst, die beter de spiets hield, het schild droeg. Gij zult zeker wel willen rijden naar de zwarte rots, in het woud? Luister--Om den hals eener leeuwin hangt daar een sluier en een horen, die door een zwarten ridder worden bewaakt. Begeef u morgenvroeg op weg, om met den zwarten ridder te strijden, en om den sluier en den horen te halen. Breng ons den ridder, die zoo menigeen kwaad heeft gedaan, dan zult gij tot grooten roem komen, en in ieder hof zult ge worden ontvangen."

Rustig stond Ferguut, en hij had zijn woorden klaar, waarmede hij zich tegen Keye verdedigde.

"Het is waar--" zoo antwoordde hij, "de mond spreekt, wat in 't hart is. Gij hebt nijd in uw hart."

Toen durfde Keye niet veel meer te zeggen, want hij vreesde Gawein, die den moedigen jongeling wilde beschermen. Deze echter ging toornig voort:

"Ware de koning niet hier, uw leven ware ermede gemoeid. Ik zou de scherts wel hebben gewroken."

De koning wendde zich tot hem, en zeide ernstig:

"Vriend, dat zou niet goed van u wezen. Sluit vrede met heer Keye."

Nog ontsloot Ferguut zijne vuisten niet. Daarom wilde Arthur zijn gedachten wenden van den smaad, die hem was aangedaan.

"Waar naamt gij de hoofden, die aan uw zadel zijn?"

Forsch antwoordde de jongeling:

"Heer! van roovers, die mijn paard wilden stelen. Ik streed met vier hunner, en zij waren onmachtig tegen mij. Wilt gij mij nu behouden als uw raadsman?" Hij zag Keye aan. "Morgenwil ik rij den, en den sluier enden horen halen."

"Vriend," zeide de koning met milde stem, "ge waart verloren, zoo gij dit deed, en de eerste waart ge niet. Geen man kon tegen den zwarten ridder strijden. Niet wil ik u aannemen, knaap, op zulk een daad."

Weder zag Ferguut den heer Keye aan, maar hij sprak tot den koning.

"Heer--," zeide hij met vaste stem, "uw ridder spot met mij. Daarom wil ik strijden, al zal het mij den dood kosten." Hij boog het jonge hoofd.

Ferguut wilde nachtverblijf zoeken in de stad, o de arme jongen! Wreed was de wereld, niemand sprak er tegen hem, niemand zeide:

"Kom bij mij. Bij mij vindt gij hedennacht rust."

Stil reed hij, hoog-geheven de speer. Het begon te regenen, het water stroomde uit de donkere lucht, en nat werd Ferguut tot aan zijn huid. Loom zat hij te paard, het hoofd gebogen van zwaren slaap. Hij zocht onder een ouden boom een schuilplaats. Een jonkvrouw zag hem zoo, en vol medelijden trad ze hem tegemoet. Ze groette hem en vroeg: