# Nederlandsche Sagen en Legenden

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/nederlandsche-sagen-en-legenden-3455/index.md

De koopman droeg den visch binnen haar keuken, en liet haar alleen. Niemand in de stad had bemerkt, welk een kostbaarheid ze had gekocht.

De vrouwe van Stavoren nam een mes en knielde neder. Ze wachtte niet, en sneed met forsche rukken den kop af, en opende het lijf terzijde. Toen tastte ze diep in 't smeuïg vleesch--haar vingers stieten tegen iets hards--ze greep--In haar hand hield ze een ring--Ze duizelde.

Het was de ring, dien ze in zee had geworpen...

Ze staarde ernaar in waanzinnigen angst. Ze wilde iets roepen ... ze wilde zich verbergen--ze wilde den ring van zich werpen, doch deze vrees was nog machtiger dan de vreeze des doods, en ze moest zien naar het goud in hare hand. Ze had den drang te vluchten, en huilende liep ze naar buiten, op straat, waar de kinderen speelden.

Het volk stroomde toe en omringde haar. Geen mensch naderde.--Ze stond alleen in den wijden kring, met haar waanzin alleen.

"Help mij," kreet ze eindelijk in vertwijfeling. "Al mijn rijkdom voor wie me den ring ontneemt."

Niemand had ontferming. Toen wilde ze den ring van zich werpen. Het gelukte haar niet. Machteloos was ze gelijk een bedelaar, want haar rijkdom had geene waarde meer. Niemand wilde haar bijstaan. Zij was vervloekt door haar slechte daad.

Want van haar vijf schepen keerde er geen weder in Stavoren. Ze wachtte in haar eenzaam huis op hunne tijding. Ze zag het licht rijzen, het duister dalen, vele keeren. Als ze van straat hoorde, dat er een zeil was, aan den horizon der zee, liep ze naar de haven, en alleen stond ze. Maar nimmer was het een schip van háár.

Men vertelt van de vrouwe van Stavoren, dat haar geld slonk. Iederen dag kromde zich haar rug méér. Een oud, hulpeloos vrouwtje werd ze, met geel gerimpeld vel en met bevende handen. Ze leunde op haar stok, als ze naar zee zag. En dit was misschien wel haar vreeselijkste straf: dat ze hoopte op de terugkomst der schepen.

Haar oude, moede oogen tuurden naar de eindelooze verte en de angst der verwachting omknelde haar keel als een strop. Iederen dag strompelde ze naar naar huis, denkend: "Morgen zullen ze komen"--

En zoo gingen de dagen voorbij, tot er niets meer was in haar woning. Ze verkocht haar huis, en leefde voortaan in een krot. En toen kwam het uur, dat haar laatste duit voor brood was betaald.

Steunend op haar stok, en tastend--want bijkans blind was ze--ging ze van huis tot huis, bedelende om der barmhartigheid wille. Ze klopte aan de huizen, het vrouwtje van Stavoren. De deuren bleven voor haar gesloten, en ze betwistte met hare zwakke, bevende vingers den honden hun voedsel.

II

Straffe Gods

Dit is de legende der rijke vrouw van Leiden, die door God werd gestraft, daar zij haar zuster geen barmhartigheid bewees.

In het jaar 1315 was er groote hongersnood over het land, en Willem van Holland en Henegouwen, van Zeeland en Friesland, door het volk de goede Willem genaamd, wist niet, hoe hij de zorg uit zijn rijk moest wenden, doch toen men hem vertelde van zijn stad Leiden, weende hij.

Gelijk vergift doodde er de honger. De burgers stierven op straat. De kinderen aan de borst hunner moeders. De Dood bleef in Leiden, niemand sparend. 't Gras van de straat was reeds gegeten. De wachters aan de poorten stonden met knikkende knieën.

Er woonden in de stad twee zusters, Anne en Marie. Eertijds hadden ze samen gehuisd, maar Marie had een man liefgekregen, en ze had Anne verlaten. Het scheen, of ze in zusterschap niet gescheiden waren, en of Anne blijde was om Marie's geluk. Echter, wie menschen kent, weet, dat er vele zijn, dubbel van tale: de taal, die de mond spreekt, en de gezwegen taal der booze gedachte. Er is een glimlach, welke den haat verbergt.

Marie kende geen andere taal dan die zij sprak, daarom geloofde ze hare zuster.

De dagen van den honger kwamen, en éérst was er ellende in de huizen der armen. Het deerde Marie niet, dat haar vier kinderen voedsel behoefden: zij en haar man hadden geld gespaard, en ze gaven met volle handen. De armen loofden haar naam, en men zegende haar met rijke woorden.

De honger werd machtiger in de stad. Niet alleen de armen, doch reeds gezellen en meesters der gilden vroegen barmhartigheid. Toen eerst recht waren het Marie en haar man, die troostten. Ieder was welkom, en geen hongerige ging ongespijzigd uit haar woning.

De honger liet niet af.

Het was op een avond--en er werd zachtkens aan Marie's deur geklopt.

"Klop ... klop ... klop ..." tot driemalen toe.

"Open niet," fluisterde de man. "Wanneer het boos volk is--"

"Die zóó laat komt," zeide zij met vaste stem, "heeft mij meer noodig dan een ander."

En ze opende de deur.

Haar zuster stond vóór haar.

"Marie--" kreet ze, "om Gods wil, verhoor mij. In drie dagen heb ik geen brood geproefd--Help mij."

"Hebt ge geen brood meer?" vroeg Marie verbaasd.

"Neen, want alles, wat ik had, heb ik aan de armen gegeven."

"Zoo dit zoo is--zet u aan den disch, en wees een der onzen. Waar voedsel is voor zes, zal er ook voor zeven zijn."

Ze gaf haar brood en vleesch. Den beker schonk ze vol van wijn.

"Eet en drink en verlaat ons niet meer," zoo zeide zij eenvoudig.

"Ach neen--" riep Anne uit, "ik wil in mijn huis blijven, want wat zou men zeggen, als ik ten uwen koste leefde! Gij hebt de armen gegeven, zoodat iedereen het hoorde. Ik daarentegen heb de ware milddadigheid betracht, en mijn linkerhand wist niet, wat de rechter deed. Geen mensch wist van mijn goede daden, en daarom zal men het in mij misprijzen, zoo ik ten uwen koste leef. Laat mij slechts des avonds in het duister komen. Driemaal zal ik kloppen, opdat gij, mijn zuster, weten kunt: "het is de arme Anne, de hongerige Anne, die buiten staat."

"Zoolang wij te eten hebben--tot de laatste kruimel--zullen we het met u deelen."

Haar woorden waren haar daden.

Des avonds, als zij Anne verwachtte, stond zij aan de deur, teneinde haar de schaamte te besparen, dat ze als bedelares moest kloppen. Zelve zeide zij in de stad, dat Anne en zij tezamen het brood gaven, en niemand vermoedde de waarheid. Men prees de beide zusters in éénen adem.

De nood steeg. Een handvol meel moest men met goud betalen. Toen kwam de tijd, dat ieder gezin voor zichzelf zorgde, en dat niemand zich bekommerde om 't leed van zijn buurman. Niets, dat den mensch nuttig kon zijn, spaarde de dood. Doode visschen dreven op het water, het vee stierf aan vreemde ziekten, het gras was zelfs verdroogd. Boven de lijdende aarde was de diep-blauwe hemel en de verzengende zon, dag aan dag. Waaraan had de menschheid zulk een straf verdiend?

Slechts Marie's handen waren nog mild. Waar ze helpen kon, hielp ze. Met een glimlach zag ze ook voor haar den tijd van rouw tegemoet. Want wanneer de honger begint over een volk, kent hij geen einde.

Een avond, dat Anne aan haar tafel zat, deelde Marie het brood. Ze gaf haren man, haar kinderen en Anne gelijke stukken, doch zij-zelve nam niet.

Zij aarzelde met spreken, tot allen hadden gegeten. Op dat oogenblik zeide zij:

"Zijt gij verzadigd, mijn dierbaren?"

Anne antwoordde:

"Zoo gij nog een stuk brood voor mij hebt, wil ik het gaarne."

"Ik kan niet meer geven, want het brood is op."

"Bak dan nieuw."

"Ik kan niet meer bakken, want ik heb geen meel meer."

"Kunt ge dan geen meel koopen?"

"Zoo ik geld had, doch er is niets meer over."

Toornig verhief zich Anne en riep uit:

"Gij slechte vrouw! gij hebt dus uw zuster, uw kinderen en uw man vergeten! Waarom gaaft ge dan hedenmorgen nog een stuk brood aan een ellendigen bedelaar? Waarom gaaft ge uw geld aan de armen? O! ik ken u en uw streken. Steeds hebt ge de brave gespeeld, en men zeide: 'die goede Marie,' terwijl men dacht: 'die slechte Anne.' Daarom was het u te doen, dat ge mij vernederen zoudt. Dat was altijd uw doel, al lang geleden, toen ge met uw man trouwdet, en mij in de eenzaamheid achterliet, in plaats van voor mij te zorgen en te werken. Nu eindelijk ontvangt ge het loon voor uw hoogmoed."

Marie had haar hoofd gebogen, als ware ze waarlijk schuldig. Met moeite zeide zij ten laatste:

"Gij doet me onrecht,"

"Te veel recht doe ik u nog. Nooit meer zet ik een voet in uw woning. Nu zie ik, wie ge zijt."

Zij verliet 't huis, zonder een groet. Nog even hoorde men haar haastige schreden. Daarna was er slechts de geluidloosheid van den nacht, en voor 't eerst gevoelde men den angst om 't eigen behoud.

Dit nu was de dankbaarheid der menschen, dat men Marie niet achtte, en niemand, zelfs zij, die nog iets te missen hadden, haar hielpen. Zij was armer dan de armsten--immers ze had in dien tijd 't geloof in de menschheid verloren. Ze meende echter, dat ze haar zuster onrecht had gedaan en nog dacht ze dit, nadat de honger zich in haar woning had genesteld en haar gast was geworden. De honger zette zich aan den leegen disch, als de maaltijd moest beginnen. Onbewogen luisterde hij naar 't gekrijt der kinderen, en hij verzadigde zich aan hun smart. Hij drong--al zwijgende--booze, bittere gedachten in hun ziel. Hij was de overwinnaar der goede stad Leiden.

De nood werd zoo sterk in Marie's woning, dat zij ging bedelen om brood. Zij stond temidden van hen, wien zij vroeger gegeven had.

Een hunner zeide tot haar:

"Gaat naar uw zuster, die heeft nog brood genoeg. Ons wil ze niets schenken, doch u natuurlijk wel."

"Mijn zuster heeft geen brood, want zij heeft alles gegeven.

"Geloof dat niet! Uw zuster houdt zich als een arme. Gaat naar haar toe."

"Zelfs, als uw woorden waar konden zijn, zou ik het niet doen. Mijn zuster haat mij en zij zal mij niets schenken. Ik deed haar voorzeker onrecht."

Ze vroeg om een bete broods aan vreemden, en nooit ging ze tot Anna. Overal weigerde men haar voedsel, en iederen dag kwam zij met leege handen terug.

Wie het eerst gestorven is--?

Haar man; drie harer kinderen waren begraven, en met één kind was ze overgebleven.

"Moeder! geef me brood," vroeg het kind.

"Er is geen brood," snikte ze.

"Ga 't halen, moeder."

"Niet sterven, mijn eenigste! O! je moogt niet sterven."

"Moeder, geef me brood."

Dien avond ging ze naar haar zuster's huis. Zij naderde de deur.

"Klop--klop--klop," tot driemalen toe.

Niemand opende. Ze luisterde, of er van binnen geen geluid kwam. Het bleef stil, als de nacht om haar. Schuchter klopte ze weder.

"Klop--klop--klop--"

De deur bleef gesloten.

Ze peinsde:

"Mijn zuster zal uitgegaan zijn, daar ze geen brood heeft. Dus hebben de lieden toch gelogen, dat ik bij haar hulp kon vinden."

IJlings keerde ze naar haar woning terug. Het kind lag op den grond, en verhief zich niet bij haar nadering.

"Moeder," zeide hij met zwakke stem, "Moeder! hebt gij brood? Ik heb zoo'n honger."

"O! ik kan 't niet geven. Kon ik het van mijn lichaam snijden, mijn kind--Zoo ik één bete had, zou ik er zelve niets van nemen, al scheurt mij-zelve de honger mijn ingewanden aan stukken. Moed! De goede God waakt."

Zij zonk op haar knieën en smeekte om uitkomst.

Wonder! daar was een stem, ruischende, die tot haar sprak:

"Ga morgen in den vroegen ochtend naar uwe zuster Anne. Zij heeft het brood, dat gij behoeft. Uw goede werken zijn bekend in den Hemel, en de engelen zingen uwen naam. Zalig zult gij zijn."

Nog twijfelde zij en ze vroeg:

"Anne zette zich aan mijnen disch, en at van mijn brood."

Zoet antwoordde de stem:

"Heb vertrouwen."

Toen stroomden haar de tranen uit de oogen, en snikkende lachte ze tot haar kind:

"Morgen zal er uitkomst zijn."

Zij doorwaakte den nacht in gebed, haar zoontje aan haar zijde. En vroeg was het licht. Ze maakte zich gereed voor den tocht, en als den vorigen avond ging ze naar haar zuster's huis. De deur was geopend. Zoete baklucht stroomde haar tegemoet.

"Zuster!" zoo riep ze blijde, "heeft iemand u meel geschonken? Zeker waart ge van plan ten mijnent te komen, en mij rijk te bedeelen, zooals ik ook u heb gegeven. Ge zult mijn onrecht vergeten, nu ik in nood verkeer."

Anne zag haar aan, haat in haar oogen.

"Wat zoekt ge bij mij, daar ik u gevloekt heb?"

"Zuster--mijn kind is stervende!"

"Uw kind? Spreekt gij van één kind slechts?"

"God nam mij al het andere. Één slechts bleef mij behouden. Zuster! gij zijt gezegend, dat ge mijn laatste bezit redden kunt."

"Ik weet niet, wat ge meent."

"Niet voor mezelf kom ik, doch voor mijn kind. Ik wil sterven, zoo ge weinig hebt; deel dan het overige tusschen u en mijn zoon.

"Ik heb geen brood in dit huis."

"Zuster! er is hier geur van brood--"

"Ik zweer u, dat ik geen brood heb."

Marie zonk op haar knieën neer. Haar handen betastten Anne's kleed.

"Zuster! gij liegt. O! deze leugen zal u nooit vergeven worden. Bij uw zaligheid ... geef mij brood."

Toen sprak Anne een vreeselijken eed:

"Zoo waarlijk mogen mijn brooden in steen veranderen, wanneer ik ze heb. Zoo waarlijk moge het meel in mijn vingers tot steen worden, als ik bak. Ik heb geen brood."

Marie stond op, en legde haar handen aan 't hart. Ze zeide haar de woorden na met bevende, vreeselijke stem:

"Zoo waarlijk mogen uw brooden in steen veranderen, wanneer gij ze bakt. Zoo waarlijk moge het meel in uw vingers tot steen worden, als gij bakt. Amen!"

Zij ging heen, en liet haar, zuster achter.

Nadat zij weg was gegaan, sloot Anna de deur, en met zachte schreden liep ze naar den oven, waar ze gebakken had. Ze glimlachte, en ze peinsde:

"Voor mij is het alleen, en niemand zal er aanraken."

Werktuigelijk nam ze een der brooden, welke op tafel dagen. Haar vingers werden koud.

"Steen!," gilde ze.

Al haar brooden waren tot steen geworden.

Ze wilde het meel bakken. Steen werd het in haar handen.

Ze nam wat geld, dat in haar kasten was. Voor haar goud kocht ze meel. Steen werd het in haar woning.

Voor haar goud ontving ze steen. Ze stierf van den honger, met handen vol goud in haar huis. Overal lagen de steenen brooden, het steenen meel.

Hare zuster echter vond in haar woning brood en meel in overvloed. Zij spijzigde haar kind, ze spijzigde de armen, en ten laatste haar zelve. Doch op Anna was de vloek, en háár kon ze niets geven.

III

Hoe Montfort ordeloos ligt

Een ieder weet, dat de aartsengel Gabriël de steden en de dorpen van Limburg heeft gebouwd; maar dat Montfort zoo ordeloos ligt, de huizen zoo hotsedebotsescheef door elkaar, is de schuld van den veelnamigen Satanas, die het niet prettig vond, dat het de Limburgsche menschen zoo gemakkelijk werd gemaakt.

Limburg dan was eindelijk gereed, op de steden en dorpen na. Wie moest die eventjes klaarmaken? Natuurlijk de engel Gabriël.

"Luister goed toe," zei de Schepper, "hier heb je een zak vol met huizen en hoven en wegen, doe je best, en bederf 't landschap niet, want 't is een van de mooiste streken der aarde."

"Wees niet bang," antwoordde de engel Gabriël, "dat zal ik wel in orde brengen."

Hij keek na, of de zak goed gesloten was. Hij knikte--'t kon niet beter. Een stevige knoop was er van boven om gewonden, en geen scheurtje viel er te bekennen. Iedere huismoeder weet, dat een klein gat gemakkelijker te stoppen is dan een groot, en je mag niets ondernemen, voor je alles goed hebt nagekeken. Wat zegde gij daar nu van?

Weet ge, wie 't gehoord had, dat Gabriël de steden en de dorpen in Limburg moest bouwen? Eigenlijk is 't heelemaal niet goed, zijn naam te noemen. 't Was de booze, en hij dacht bij zichzelf: "Als ik den engel Gabriël een poets kan bakken, zal ik 't niet laten."

En hij mee. Wat vlogen die twee vlug. Maar hoe't kwam, is niet gemakkelijk te zeggen. Misschien dacht Gabriël aan wat anders--misschien had Beëlzebub weer een van zijn duivelsche listen toegepast--Hoe 't zij, de engel merkte van den booze niets, en in snelle vaart bereikten ze Limburg al spoedig. Welk een land! 't Is misschien wel 't allermooiste op de heele wereld, en dat 't daar Gabriël juist moest overkomen!

De duivel schoot naar voren en met een forsche hand sloeg hij zijn scherp zwaard tegen den zak. En daar kon de zak niet tegen. 't Was een stevige zak. Er was niets op den zak aan te merken. Probeer 't met iederen zak. Leeneen is daartegen bestand.

Rits! een scheur in den zak.

En daar tuimelden me daar veertig huizen naar beneden. 't Eene kwam hier terecht en 't andere daar.

Alle dorpen zijn netjes en ordelijk aangelegd, nietwaar, maar van Montfort is niets terecht gekomen. Ga maar eens kijken in 't land van Roermond.

En als Gabriël zijn hand niet gauw onder de scheur had gehouden, bewaar ons, dan was er van alle steden en dorpen in Limburg één ongeregelde, schots-en-scheef door elkaar gedrongene massa geworden. Gelukkig, dat hij tegenwoordigheid van geest had, en goed heeft nagekeken, vóór hij de andere dorpen in 't land legde.

IV

Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam kregen

Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum hadden nog geen namen, en dus werden benoemd drie bekwame mannen, die deze moesten bedenken. Het waren de dikke Stokkum, de lange Kortum en de smalle Bergum. Ze zaten langen tijd tezamen, doch ze konden geen namen vinden, en ze besloten het toeval als peetoom te kiezen.

't Eerste dorp, waar ze aankwamen, was naar den zin van den dikken Stokkum. Want hij kreeg daar voor zijn part te eten: drie borden erwtensoep met kluiven en varkensooren, er bij menigte in drijvende; toen een bruin-gebraden varkenscarbonade met lekker, wit vet er in flarden aan, gedompeld ineen sausje, om een dood mensch weer levend te maken; toen een geurig stuk kalfsvleesch, aan het spit gedraaid; en duiven en wilde eenden, malsch als 't jonge gras; enten laatste een rozig speenvarkentje, dat uit mekaar viel, als je er met je hand aan raakte. De buik van den dikken Stokkum zwol, of hij bersten moest.

Zijn beide vrienden zagen het gevaar tijdig, en ze lieten een smid komen, die een band maakte om Stokkum's buik.

's Avonds was er weder een rijk maal, en opgediend werden: een kapoen, zoo zoet als honing; een forel, wit gelijk sneeuw, en smeltend op de tong; kuikentjes, die een oud mensch kon bijten; en een bruin-korstig stuk rundervleesch, met fijnen rijnwijn begoten.

Stokkum liet 't zich zoo smaken, dat zijn buik weder begon te rijzen. Maar helaas! daar stiet 't uitzettend vet tegen den band ... met zulk een kracht, dat 't ijzer begon te kraken.

Toen riep Stokkum in doodsangst, bedoelend, dat hij nog een band wilde hebben ter versterking van den eersten:

"Nog _één 'r um_. Nog _één'rum_."

En sinds dien heet de plaats, waar dit gebeurde: _Eenrum_.

Eindelijk verlieten de drie vrienden het dorp, waar zij het zoo goed hadden getroffen.

Ze kwamen aan een riviertje.

"Daar durf ik niet over," zei de dikke Stokkum.

"Ik wel," snoefde de lange Kortum.

Hij nam den polsstok, en sprong naar den anderen oever. Om zijn meesterschap te bewijzen, zette hij weder, zoodra hij was aangekomen, den polsstok in den bodem, en sprong ten tweeden male, thans naar zijn vrienden terug.

"Kijk 'ns!" riep de smalle Bergum uit, "daar heb je 't _mensch-ing al weer_."

Natuurlijk heet het dorp, waar dit geschiedde: "_Mensingeweer_."

Ze moesten verder, en nu was 't de beurt van den smallen Bergum, om zijn kunsten te toonen. Ze kwamen aan een water, waar twee dorpen tegenover elkaar liggen. Nu zou Bergum eens laten zien, wat hij vermocht.

Hij wilde springen--Ocharme! Hij bleef met den polsstok in 't midden steken.

De dikke Stokkum was bang, dat zijn kameraad verdrinken zou, en kreet:

"_O Berg-um! O Bergum!_"

"Als hij 't leven er maar van af-brengt," riep de lange Kortum.

"_Ik winsch 'í um! Ik winsch 't um!_"

Sinds dien hebben ook de dorpen _Obergum_ en _Winsum_ een naam, gelijk het zulke flinke plaatsen betaamt.

En vol trots keerden de drie mannen naar hun huis terug. Ze hadden hun plicht volbracht--Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum waren gedoopt.

V

De Slaper in het Voorhout, de Vorst van éénen dag of de Vroolijke Willem

In den tijd, dat Filips de Goede, hertog van Bourgondië, graaf van Vlaanderen, van Holland, Zeeland en Friesland, Den Haag bezocht, om er met zijn gemalin, de vrome Isabella van Portugal den eed van getrouwheid te ontvangen, woonde er in de Korte Poten een vroolijke schoenlapper, genaamd Willem van Nieuwen, die meende zich ter eere van zijn soeverein te moeten bedrinken. Hij had een paar guldens bespaard, en binnen korten tijd had hij de gezondheid van den goeden Filips zoo dikwijls aangeroepen, dat hij er zelf zijn gezonde gedachten mede verloor. Hij wilde naar zijn woning, doch in het Voorhout weigerden zijn beenen hun plicht--en hij viel neer als een blok. Nog luider snurkte hij dan zijn gewoonte was.

In dienzelfden nacht verliet--nadat de klapwaker middernacht had geroepen--Filips de Goede het Binnenhof en, den moestuin van het paleis doorgaande, ging hij linksaf het Tournooiveld op en kwam in het Voorhout. Hij had drie edellieden bij zich, die met name worden genoemd: Jacob de Roussay, Hue de Lannoy en Jan de Berghes, grappenmakers, zooals Den Haag ze sinds dien nooit meer heeft gekend, waardige kornuiten van den goeden Filips. Ze trokken Willem aan zijn been, en Jacob de Roussay zeide met een kennersblik:

"Hij heeft te veel bier en brandewijn."

Jan de Berghes riep uit:

"Bij den Hollandschen leeuw! die slapende man is de vroolijke Willem, die voorzeker de gezondheid Uwer Hoogheid vandaag gedronken heeft."

"Wij hebben deernis met het ontwaken van dezen man," aldus peinsde Filips, "en wijl hij de vroolijkheid mint, zullen wij hem morgen met een onverwachtsch feest verrassen. Daardoor zal hij tegelijk ook ons vroolijk stemmen. Neemt den man op uwen rug, heer de Berghes, heer de Lannoy, en draagt hem naar ons paleis. Het wordt morgen een dag, die ons zal heugen."

Op zijn bevel trok men Willem de kleeren uit, men waschte hem met reukwater, en trok hem een fijn Haarlemsch-linnen hemd aan. Een zijden muts zette men hem los op zijn verwilderd haar, en daarna legde men hem in het eigen bed van den hertog.

De schoenlapper snurkte.

En terwijl hij sliep, fluisterden de hovelingen het elkander toe:

"Filips wil, dat de vroolijke Willem zich voor den graaf van Holland zal houden."

Met ongeduld wachtte men den morgen.

Terwijl lach en gefluister in den nacht niet ophielden, sliep de schoenlapper den slaap der rechtvaardigen en der dronkaards, in het bed van den hertog, gelijk hij had geslapen in de koele nachtlucht, gelijk hij zou hebben geslapen in een varkenskot. Hij sliep, als had hij dagen lang gewaakt, en onafgebroken trompette zijn snurken in het hertogelijk vertrek, zoodat 't door 't gansche paleis te hooren was. 't Geheele hof verzamelde zich in den morgen om zijn legerstede ... een heir met kletterende wapens had hem niet kunnen wekken, laat staan wat jonge edellieden, hofdames, kameniers, pages .... 't Zonlicht streelde hem over 't gelaat, de geluiden van den dag drongen naar binnen--hij snurkte slechts.

Eindelijk naderde de maarschalk van Bourgondië in groot kostuum hem, en raakte hem even den schouder aan.

"Heer Graaf," zeide hij, "het uur van Uwer Hoogheids ontwaken is ook thans gekomen."

Om deze plechtige woorden bekommerde zich de slapende niet.

Een page sloeg hem tegen de hand. Een jong edelman stampte met zwaren voet op den grond.

De maarschalk in eigen persoon schudde hem.

Willem ontwaakte, richtte zich op, en zag verdwaasd om zich heen.

Liefelijke muziek was er, zoodra zijn gesnurk ophield. Hij, die gewoon was aan het gekijf zijner vrouw, hoorde nu het zachte tokkelen van snarenspel, en een stem, zoo vol en schoon als hij nog nimmer had gehoord, zong--Toen werd het stil.

Willem zag van den een naar den ander, doch allen behielden hun ernstig wezen. Hij lachte. "Ik droom zeker. Ja, ik heb te veel gedronken."

"Heer graaf," sprak de maarschalk van Bourgondië, "dit is het uur, waarop Uwe Hoogheid opstaat."

"Heer graaf--zoo heeft nog niemand tegen een schoenlappergesproken. Die droom moest maar altijd voortduren."

Hij betastte de zijden gordijnen, die om zijn bed hingen, het rijk geborduurde kamizool, waarmede hij was gekleed, de fijne lakens, die hem dekten, het vorstelijk hemd. Hij nam de muts en bekeek ze van onder tot boven. Hij rook aan zijn handen, en schudde zijn hoofd.

