Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 19
De ridder peinsde, langen tijd. Hij strekte eindelijk zijne handen uit, en beval, dat zij allen zouden komen, oud en jong, voornaam en arm, ze zouden allen komen, vrouw en maagd en man en jongeling, ze zouden allen komen, de minstreel, die juist op het kasteel was, en de zwijnenhoeder, ze zouden allen komen, onmiddellijk, zooals zij gekleed waren, midden-uit hun doening.
Ze kwamen, en ze stelden zich om den ridder en den heiligen man.
De monnik zag hen aan, één voor één, als wilde hij ieders gedachten weten. Toen riep hij met vreeselijke stem:
"Één van allen ontbreekt. Doet hen allen komen, heb ik gezegd."
Verwonderd antwoordde de ridder:
"Zij zijn hier allen, allen."
De heilige man echter ging voort:
"Beziet het wel! Iemand uwer ontbreekt."
Één der knechten peinsde; en zeide plotseling:
"Heer! uw kamerheer is niet hier."
De ridder was verwonderd, keek om zich heen, en sprak vervolgens toornig:
"Voorwaar, ik wist niet, dat hij zoo ongehoorzaam was. Gaat heen, en doet hem komen."
De kamerheer trad in de zaal, doch niet als een gewoon mensch. Zijn gelaat was vertrokken als van een gek, en hij schreide en schreeuwde.
De monnik ging naar hem toe.
"Ik bezweer u bij onzen Heer, Jezus Christus," zoo zeide hij, "dat gij hier zegt, wie gij zijt."
De man sloeg zijne oogen neer, wrong zijne handen, en hij antwoordde:
"Ik moet de waarheid zeggen, tegen mijnen wil, ik ben geen mensch, maar ik ben de duivel. De gedaante van een mensch heb ik aangenomen. Ik heb hier dertien jaar gewoond, want mijn vorst heeft mij hierheen gezonden, opdat ik met ijver zou wachten den dag, dat deze ridder Maria niet zou groeten:
"O! intemerata et in eternum."
Want dan zou ik--als hij zijn oratie niet zou hebben gesproken--de macht hebben gehad, om hem te dooden, en ter helle zou ik hem hebben gevoerd--"
Hij zweeg. Met boosaardige stem vervolgde hij toen:
"Maar nooit heeft hij dat verzuimd, om te zeggen:
"O! intemerata et in eternum,"
en wijl hij dit nimmer verzuimde, had ik geen macht over hem, en ik mocht hem niet dooden, en niet ter helle doen varen."
Nadat de ridder dit had gehoord, werd hij angstig, daar een zoo groot gevaar had gedreigd. Hij viel op zijn knieën neer voor den heiligen man en hij smeekte hem om genade. Hij verlangde zijn leven te beteren.
De monnik richtte zich recht en strekte zijn hand uit. Hij beval den duivel:
"In naam van onzen Heer Jezus Christus, ga van hier. Doet nimmer meer een mensch kwaad, die Maria, de Moeder Gods dient."
Toen scheidde de duivel, en van hem bleef niets dan stank.
XL
Van eenen Koster en eene Kosterin
Twee Sint-Bernards-kloosters waren er, niet verre van elkander, 't een was van mannen en 't andere van vrouwen. Allen in de kloosters leefden heilig in een heilig leven naar den regel der orde, en in elk der kloosters was een persoon, koster in het convent. Beiden waren ze vroom en van een geestelijk leven, ze hadden elkander lief in onzen Heer Jezus Christus, en ze hielpen elkander, waar zij konden, al zagen zij elkander nooit en al spraken zij ook elkander nimmer. Beiden waren ze zeer devoot in den dienst van God en Maria, Zijne lieve moeder. De koster dan had Maria, de moeder Gods zeer lief en met groote devotie vereerde hij haar, zoodat hij te Harer eer een beeld deed maken, zoo schoon als het wezen kon. Hij plaatste daarbij den duivel onder Hare voeten, zoo leelijk als het wezen kon, waarom de duivel zeer vertoornd was, ook omdat de koster Maria zoo liefhad. Dus kwam Satan den koster eens in den nacht tegemoet in de gedaante, waarin hij was afgebeeld onder Maria's voet. Smadelijk sprak de Duivel den koster toe:
"Waarom?" zoo vroeg hij, "hebt gij mij zoo leelijk gemaakt onder het beeld van Maria? Tenzij gij mij ervan afstoot, zal ik het u doen gevoelen, totdat het u berouwen zal. Zeer hebt gij mij vertoornd."
De koster was over Satan's wezen en woorden vol van angst, doch zijn vroomheid overwon zijn vrees, en hij antwoordde hem:
"Ga weg van mij, duivel, ga heen--het is mij onverschillig, dat gij me dreigt, want Maria, de moeder Gods, die ik dien, zal mij tegen uwe handen beschermen."
De duivel ging heen, en er verliepen wel tien jaren--de koster was 't vergeten, wat er geschied was--toen kwam de duivel in eenen nacht, om het den koster te doen gevoelen, dat deze hem zoo Teelijk had afgebeeld. Hij kwam in de gedaante der kosterin en klopte aan zijn deur. De koster nu was het niet gewoon, dat er des nachts eenig geluid was. Daarom stond hij onmiddellijk op en ontsloot de deur, roepend in den duister, wie er was.
De duivel zeide met fluisterende stem:
"Ik ben de kosterin van het vrouwenklooster, die u lang getrouw is geweest, en naar u heeft gesmacht, in liefde. Om deze reden ben ik tot u uit het klooster gegaan. Ik heb medegenomen de allerschoonste juweelen en kleinodiën, waar wij lang van kunnen leven. Komt dan, o kom haastelijk, zonder marren, en neemt, wat gij kunt krijgen en dragen. Laat ons tezamen trekken uit het land."
Niet in zijn ooren alleen hoorde de koster de woorden klinken, maar ook zijn ziel werd bekoord, zoodat hij geen antwoord wist te geven; hij was overwonnen door's duivels fluistering, meenende, dat 't alles waar was. Hij ging haastig heen. Hij verzamelde al het zilverwerk en de juweelen, die hij kon krijgen uit het klooster, en hij deed het in een zak; hij toog naar buiten, met den duivel, meenend, dat deze de kosterin was. Toen zij een eind wegs waren gegaan, begon de duivel te klagen.
"Ach! ach! wee mij, ik heb in uw klooster vergeten het allerschoonste kleinood, dat ik had. O! blijf hier, en wacht op mij. Ik zal snel loopen en ik kom spoedig weerom."
De koster geloofde hem en hij bleef bij den zak in het land zitten. De duivel echter ging in het klooster, en riep luide:
"Waakt op! waakt op! en vervolgt den koster, den dief, want hij heeft al de juweelen van het klooster gestolen en is daarmee weggeloopen."
De abt stond op, alle broeders stonden op en ze vonden alle sloten ontsloten en de juweelen waren weg. Ze liepen uit het klooster, den koster na, dien ze niet ver van het klooster vonden zitten, met het goed, dat hij gestolen had. Ze vatten hem, ze ondervroegen hem, maar hij wist geen antwoord te geven, omdat hij beangst was en beschaamd--daar hij niet begreep, hoe hij in al den last was gekomen. Ze voerden hem in het klooster, ze wierpen hem in den kerker, en ze sloten hem met beide voeten in den stok. De abt beval één van de monniken te luiden als het tijd was, en daarna gingen allen weder ter ruste.
De koster zat onderwijl in den kerker, en hij voelde zich door zijn grooten angst bezwaard. Jammerlijk schreide hij, daar hij zoo door de verleiding was overwonnen--nergens wist hij troost of raad te vinden, tot hij zich gaf met devotie aan Maria, de moeder Gods, die een troosteres is van allen, die bedroefd zijn.
"O Maria, maagd en moeder Gods, lieve barmhartige vrouw, ontfermende u over de zondaars, daar gij weet, dat ik u heb gediend, devoot van hart, bid ik u om der wille Uwer barmhartigheid, wil mij bijstaan in den nood, waarin ik ben verkeerd."
Al biddende aldus, alleen zijn hoop strekkende naar Maria, de moeder Gods, kwam de duivel bij hem in de gedaante, zooals hij hem had doen maken onder het beeld van Maria, en begon te spotten met den koster.
"Hoe heb ik u thans behandeld?" vroeg hij. "Ik heb 't u beloofd, dat gij door uw berouw zoudt worden gekweld. Gij hebt mij leelijk gemaakt, en ik heb u uw loon gegeven."
De koster, ocharme! hij was beschaamd en terneergeslagen, hij wist niet, wat hij moest antwoorden, en hij zweeg.
De duivel zeide, en alle list had hij verborgen diep in zijn hart, zoodat er niets van uit-klonk in zijn stem; ootmoedig zeide hij:
"Nu heb ik u uw loon gegeven, maar toch heeft Maria, die gij dient, medelijden met u, en ze heeft mij met Hare macht gedwongen, om te doen, wat ik slechts noode doe."
De duivel trok den stok op, en hij verloste den koster.
"Ga eruit," zoo beval hij hem.
De duivel nu ging in den stok zitten, de gedaante des kosters aannemend.
De koster sloop zijn cel weder binnen, zonder dat iemand hem zag. In zijn cel was hij blijde, en hij dankte en loofde God en Maria, zijn lieve vriendin, omdat ze hem had geholpen vol goedertierenheid. Hij wachtte op den tijd dat hij zou moeten luiden, en toen het tijd was, luidde hij.
Dit hoorde de monnik, dien de abt had bevolen 's kosters plaats te vervullen, en hij verwonderde zich. Haastig ging hij in de kerk en hij vond daar den koster, luidende de klok. Vol angst was hij, want hij had gezien, dat men den koster in den stok had gesloten, en hij ging tot den abt en de monniken, zeggende, dat de koster uit den stok was gebroken. De abt en de broeders gingen naar den kerker, dien zij gesloten vonden, en zij openden daarom de deur. Ze zagen toen, dat de koster in den stok was. Vervolgens togen zij ter kerke, en daar stond de koster, en luidde de klok. De abt zeide daarop tot de broeders:
"Den ganschen nacht heeft de duivel ons bespot."
Hij nam een kwast met gewijd water, en hij besprenkelde er den koster mede, die het ootmoedig ontving. Daarna ging de abt met de monniken naar den kerker, en hij wierp den duivel, in de gedaante van den koster, ook met gewijd water. Satan vloog heen, en hij liet grooten stank achter. Hieruit bemerkten zij, dat het de duivel was, die alle deze moeite had gegeven, en zij vonden geen fout in den koster, die met de hulp van onze lieve Vrouwe Maria voortging in deugden, Maria, de maagd en moeder Gods heel zijn leven dienende, zijn leven lang. In 't geheim zond hij een bode naar het klooster der vrouwen, om te onderzoeken, of de non ooit uit het klooster was geweest, en of ook iemand wist, wat er des nachts bij hem was geschied. Niemand had daar iets vernomen, en de koster biechtte den abt alles.
Nadat de koster was gestorven, openbaarde dit de abt aan allen, die Maria, de maagd en moeder Gods dienen, tot een exempel: dat Zij, Maria, hen, die haar getrouw zijn, in geenen nood laat en hen vertroost.
XLI
De Bergtoren van Deventer
Twee torens staan er op de Bergkerk van Deventer, en men zegt, dat de eene iets grooter is dan de andere. Van twee zusters vertelt men, haar namen waren: Martha en Beatrix.
Eens waren ze gelijk van rijkdom, gelijk van vroomheid, maar Martha was iets grooter dan Beatrix, en daarom verschillen ook de torens der Bergkerk van lengte, zoo vertelt de sage.
Nooit speelde Martha zonder Beatrix, Beatrix zonder Martha, toen ze kinderen waren. Tezamen zochten ze de bloemen aan den zonnetintelenden IJsel, de madelieven en de boterbloemen, eeuwig 't eerste wonder des levens voor alle kinderen van Nederland.
Het was Palmpaschen, en beiden hadden ze een vogeltje van brood op een stokje. Ze zongen hetzelfde liedje:
"Palm--palm--paschen Eikoerei--eikoerei, Noe nog êêne Zundag En dan kriege we 'n ei En dan kriege we 'n ei Één ei is geen ei Twêê ei is een half ei Drêê ei is een Paaschei."
Het was Pinksteren, en ze dansten, hand in hand, met de anderen om de Pinksterkroon. Het was Paschen en ze stonden bij de vuren, die allerwege laaiden. Ze hadden later, toen ze jonge meisjes werden, de herinneringen der jeugd gemeen, en daarom hadden ze elkander lief. Ze behoefden hierover nooit met elkander te spreken: eensgezind waren ze zonder woorden. Zoo bereikten ze den leeftijd, dat het verlangen naar liefde liefelijk is, en een teeder, nooit-gezegd geheim.
Er kwam uit verre streken een ridder, die al veel liefde in zijn leven had gekend. Dit was te zien in zijn oogen, die een diepen glans hadden, en het was te hooren aan zijn stem, vroolijk als dansmuziek. Hij was niets dan jeugd. Hij was voor ieder, die hem tegenkwam, gelijk een blijde herinnering. Het duurde niet lang, of Martha en Beatrix ontmoetten hem, en beiden lachten ze om zijn leutig wezen, de liedjes, welke hij zong, en de grappen, die hij bedreef. Gezamenlijk bespraken zij het, hoe schoon van gestalte ze hem vonden, en ze waren beiden gaarne in zijn gezelschap. Toen kwam de dag, dat Martha over hem zweeg, en Beatrix alleen over hem praatte.
"O! bleef hij hier, instee van verder te gaan--" zoo zeide Beatrix--"want in Deventer is er geen, die aan hem gelijk is, vindt gij wel, zuster? 't Schijnt me, of voortaan mijn leven zonder hem dor zal zijn, ja, ge zult mij wel gelooven, als ik u zeg ... dat ik soms verlang: "o! had ik hem niet gekend."
Maar eens hoorde Beatrix in de kamer, waar ze met Martha sliep, zacht snikken, en verschrikt vroeg ze, waarom haar zuster weende. Ze kreeg geen antwoord, en den volgenden morgen herhaalde ze haar vraag.
"Ik geschreid?" glimlachte Martha. "Dat beeldt gij u in. Den ganschen nacht heb ik rustig geslapen."
Beatrix nu geloofde haar. Eenige maanden later echter hoorde ze wedernacht schreien, en daarom vroeg zij, waarom Martha leed. Hoe verwonderd was ze, toen deze haar rustig zeide, dat er niets was, en dat ze slechts even wakker had gelegen.
Spoedig zou Beatrix dit alles vergeten. Want ook voor haar kwam het leed. Een dag zeide haar de ridder:
"Ik moet u verlaten, zoete Beatrix."
Na dien weende zij in den nacht. Maar _zij_ ontkende het niet, toen Martha haar zeide, dat ze haar had hooren schreien.
Ze boog zich over tot haar zuster.
"Heb ik 't u niet gezegd," zoo klaagde zij, "dat 't beter ware geweest, als ik hem nooit gezien had! Ay mij--zusterlieve--het is mij niet wel te moede. Ik ben angstig om te leven. Zou de dood nabij mij wezen? Ik voel geen krankheid, maar o! het is mij, of ik erger ben dan ziek, en of ik voortaan alle nachten zal schreien." Martha nam hare hand, en streelde ze. Vast klonk haar stem.
"Ge hebt te veel over den jongen ridder gedacht, die Deventer verlaat. Beatrix! luister niet naar zijn stem, en volg hem niet over de wegen, die hij kiest. Blijf bij uw zuster, die u meer liefheeft dan hij, en bij wie ge veilig zijt."
"Ik zal niet naar hem luisteren," zoo beloofde Beatrix.
Ze ontmoette hem den volgenden dag niet, doch den daaropvolgenden zocht ze hem. Het was op een stille plaats bij de rivier, waar de vlugge Koerhuisbeek in den IJsel valt. Daar smeekte ze hem, om de stad te verlaten, zoo spoedig mogelijk.
"Waarom dan--" lachte hij lichtzinnig, "zijt ge bange voor mij?"
"Ik weet niet waarom--ik weet niet waarom--maar mijn hart dringt me--ik ben bange voor u--ga heen--blijf--ga heen--"
Hij zag haar aan, en hij vond haar schooner dan eenig meisje, dat hij ooit had gezien. Hij dacht erover na, hoe dwaas het zou zijn, alleen verder te trekken, en haar in de stad achter te laten. Hoe had hij niet eerder ontdekt, hoe waardig ze was tot liefde, en koen beschouwde hij haar.
"Beatrix," zoo lachte hij, "ik zou niet heengaan, als gij in de stad blijft, want ik zou geen rust meer kennen, en aan Deventer moeten denken als een moede vogel aan zijn nest. Ik kan niet meer zonder u en toch moet ik u verlaten."
Zijn stem werd angstig, terwijl hij haar handen in de zijne nam.
"Vaarwel, Beatrix--vaarwel! Ik min u--vaarwel! Gij zult nooit meer vragen, waar ik ben, en toch, waar ik ben, zal ik aan u denken. Als ik gewond word, en mijn wonden mij pijnigen, zal ik naar uw zachte, troostende handen verlangen--"
Ze zag hem aan.
"Heb _mij_ niet lief," smeekte ze, "heb Martha lief."
Rustig antwoordde hij.
"Martha kan ik niet lief hebben. Nooit denk ik aan Martha, zonder aan u te denken. Doch laat ons van elkander gaan, en elkaar nooit weer zien. Vaarwel, Beatrix, en vergeet me."
Ze staarde voor zich uit, en in haar ooren klonk de stem harer zuster. Was ze bij Martha veiliger dan bij den ridder? Angstig vluchtte ze, zonder hem te antwoorden. Bij Martha schreide ze, en ze bekende haar alles, ook, dat ze hem had gevraagd, om Martha lief te hebben. Martha vroeg niet, wat de ridder had geantwoord. Ze sloot haar in de armen.
"Vergeet, zusterlief. Vergeet hem, of ge zult uzelf vergeten."
"Ik zal hem vergeten."
Hij reed 't huis voorbij, en ze hoorde zijn stem. Doch ze trad niet naar buiten. Verre klonk zijn lied.
"Het waren twee conincskinderen, Si hadden malkander soo lief Si konden bi malkander niet komen, Het water was veel te diep."
Angst was er in haar hart, na haar belofte, dat zij hem vergeten zou. Bovenal waren voor haarde nachten vreeselijk. Zoodra het donker werd, en zij probeerde te slapen, werd de nacht een levend, dreigend wezen voor haar, en met wijdopen oogen staarde ze naar de vreeswekkende gedaante, die zich over haar heenboog, met wreede stem roepende:
"Vergeet hem, dien ge niet vergeten kunt. Spoedig zal hij heengaan, en beiden zult ge eenzaam zijn. Als hij gewond is, zijt gij niet bij hem."
Soms spotte de nacht met haar.
"Ge zijt hem toch vergeten, hoe komt het dan, dat ge aan zijn naam denkt? Beatrix, meent ge, dat ge gelukkig zult worden, als ge in een klooster gaat, want ge zult toch niet hier blijven wonen, waar ge hem iederen dag hebt gezien? Zal ik hem u eens vóórtooveren?"
Dan trad de gedaante van den nacht terug, en in den luister des lichts stond rank en recht de jonge ridder. Als zij de armen naar hem uitstrekte, verdween hij weder. Eens kwam er een visscher voorbij haar huis, die aan de deur klopte. Hij liet haar een visch zien, dien hij gevangen had, en hij vroeg haar, of ze dien wilde koopen, voor den maaltijd van haar en haar zuster.
"Hoeveel deze visch?" vroeg ze, bereid tot koopen.
Instee den prijs te noemen, begon hij te lachen. Zij riep driftig:
"Neem den visch weer mede, en ziet, dat gij hem verkoopt, waar gij niet lachen zult."
"Moet ik dan niet lachen--als ik in dienst van een rijk heer sta?"
"Ik heb met uw grappen niet van doen. Ga heen."
"Ik zal heengaan," sprak hij, "maar niet, voordat ik u heb gezegd, dat morgen vóór den avond mijn heer u wacht--bij de Koerhuisbeek--waar ge hem al eerder hebt ontmoet."
Ze legde de hand aan haar hart. Ze zeide met zachte stem:
"Zeg den ridder, dat ik niet zal komen."
"Hij doet u weten," hernam de visscher, "dat hij Deventer wil verlaten. Hij is er zeker van, dat ge komen zult, en nog iets droeg hij me op, u te zeggen: ge zult er niet met uw zuster over spreken."
"Dat had ik nu niet gedaan--maar zeg uw heer, dat hij alleen zal trekken, en mij niet wachten zal."
"Mijn heer heeft gezegd, dat ik u dezen edelsteen tot pand zal reiken, van groote waarde. Ge moogt dien behouden, ook al komt ge niet. Doch de steen is hem een bewijs, dat ge hem niet zult laten wachten."
Ze bezag den schitterenden steen, en ze week terug. Want hij lag, vloeiende van verleidend licht op haar hand, en ze wist, dat hij haar liefde hooger schatte dan aardschen rijkdom. Toen wendde ze haar gelaat af van deze flonkering.
"Geef den emerant aan uwen heer terug, want ik wil hem bewijzen, dat ik niet komen zal. Zoowaar ik u den steen geef, zoo waar zal ik niet komen."
"Behoud den emerant," sprak de visscher, "daar hij van u is. Ik heb geen recht hem terug te vorderen. Mijn heer verwacht u."
Hierop vertrok hij met den visch. Beatrix bleef alleen achter, en nu ook was het licht genadeloos voor haar, en de dag was een wreede gedaante, een reus met vreeselijke stem, die zijn groote handen zwaar op haar schouder legde. Ze zocht rust in den schemer van haar huis, bij Martha, hare zuster, doch de dag volgde haar met onbarmhartigen tred en gebaar. Ze hoopte, dat de nacht wel troost zou brengen, en haar van den druk zou bevrijden. Al kwam loom de nacht, eerst met zware groeven en voren van het avonddonker door den glans, toen met volle duisternis, geen verandering bracht hij voor haar, want even zoo huiveringwekkend boog hij zich over haar heen. Ze kende geen slaap, ze moest denken met bonzend voorhoofd aan den morgen, en den ridder, die haar bij de Koerhuisbeek wachtte.
Zonder afscheidsgroet verliet ze hare zuster) en ze kwam aan de beek. Den emerant droeg ze in haar vingeren. De ridder wachtte haar, en hief haar op zijn paard. Zoo verlieten ze tezamen de stad, en niemand in Deventer heeft hen ooit weer ontmoet.
Martha werd ouder, en slechts leefde zij in één verlangen dat ze nog eens haar zuster zou zien, die terugkeerde, om rust bij haar te zoeken en te vinden. De dagen en de nachten gingen voorbij, doch van Beatrix hoorde ze niets. Maar toen ze zou sterven, deed zij den priester bij zich komen, en ze zeide hem:
"Ter nagedachtenis van de liefde van mijn zuster en mij, wil ik van mijn geld een kerk doen bouwen op den berg. Twee torens zullen erop worden gebouwd, de een iets grooter dan de ander, twee kinderen van één vader gelijk, en onafscheidelijk. Zoo zal eeuwig blijven de gedachte aan onze liefde en na onzen dood althans zullen er twee zusteren zijn, die elkander niet verlaten."
XLII
Een schoone historie van de Vier Heemskinderen
Het Pinksterfeest werd gevierd, en vele dappere ridderen waren bij Keizer Karel te gast.
Huigen van Dordoen naderde den Keizer, en hij sprak:
"Wilt gij niet mijn ooms Aimijn van Dordoen en Aimerijn van Nerboen beloonen? Vele diensten hebben zij u bewezen." Keizer Karel zeide:
"Zij hebben het mij zelf dikwerf gevraagd, ik gaf hun niets en zal hun niets geven."
Huigen van Dordoen ging voort, zijn woorden te zeggen, welke niet alle van pas waren voor 't oor des heerschers. Deze werd driftig, en greep zijn zwaard. Toen werd de ridder door 's keizers hand gedood. De vloer der zaal was nat van zijn bloed.
Nu was de oorlog in het land, en de bloedwraak werd gezworen. Aimijn wilde den dood van Huigen niet straffeloos dulden, en hij toog met zijn vrienden ten strijde. Toen werd hij in den ban geslagen, en hij moest gehoorzamen, tegen den drang van zijn ziel.
Karel's vrienden verzamelden zich, en ze kwamen tot den keizer.
"Vrede! Vrede! Vrede tusschen u en Aimijn van Dordoen." En de keizer zeide:
"Het zij zoo."
Hij bood Aimijn verzoening. Geen bloed zou er meer tusschen hen zijn. Neen, ze zouden vrienden worden, en keizer Karel had een dochter, Aye, die schonk hij Aimijn tot vrouw. Maar Aimijn wrokte binnen-in de geheime diepten van geest en bloed, en hij zwoer:
"Aye is van 's Keizers geslacht, en zoo zullen haar zonen zijn. Haar zonen zijn mijn vijanden, en bij hun geboorte zullen zij gedood worden."
Aye, dit hoorende, werd zeer bevreesd, en wanneer ze een kind verwachtte, verliet ze Aimijn's slot heimelijk. Vier zonen werden haar geboren, zonder dat de vader dit wist. Zij werden in een klooster opgevoed, en hun kracht wies. De jongste van de vier echter was groot en sterk boven de andere, gelijk een valk boven den sperwer.
Toen ze dan jongelingen waren, ging Aye een dag naar Aimijn, en ze vroeg:
"Edele Heer, als gij kinderen had, hetzij weinig, hetzij vele, zoudt gij ze dooden?"
"Vrouwe, had ik kinderen, ik zou hen liefhebben."
"Voorwaar heer--" zeide de edele vrouwe, "ge hebt gezworen, dat ge hen zoudt dooden."
"Eeden gezworen in verbolgenheid zijn geen eeden. Had ik kinderen, ik zou vroolijk wezen."
"Gaat met mij en ge zult uw kinderen zien."
Toen beproefde Aymijn den moed zijner zoons, en hij tartte hen, zoodat Reinout hem ter aarde hieuw. De grijsaard lag op den grond en smeekte:
"Edele jongelingen, slaat mij niet, ik ben uw vader en hedenavond nog zal ik u ridder maken."
"Zijt gij onze vader--," riep Reinout uit, "het doet me leed, dat ik u geslagen heb."
Aymijn echter was blijde, dat zijn zoon onbevreesd was.
Den avond sloeg de vader hen tot ridderen. Maar ze hadden nog geen paarden, om te rijden en te strijden naar ridders-wijze, en men voerde voor Reinout sterke rossen, welke hem te zwak waren, en hij sloeg ze dood met de vuist of drukte ze met zijn knieën de lendenen stuk. Aymijn was zeer verblijd hierover, zooals men wel begrijpen zal. Hij zeide:
"Zoon, ik weet een paard voor u, dat de kracht van tien rossen heeft. Beyaert is zijn naam, en hij staat in een sterken toren. Hij is van 't geslacht der dromedarissen, en zoo ge erop rijdt, kunt gij een sperwer in zijn vlucht kortwieken."