Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 18
"De ridder met den zwaan is thans hertog van Bouillon, en hij zal trouwen met de dochter der hertogin, met de schoone Clarisse."
Den volgenden dag trouwde Clarisse, de dochter der hertogin, met Helias, den ridder met den zwaan, die nu geworden was hertog van Bouillon. Twaalf dagen en nachten duurde het feest, te hunner eer gegeven, en daarna vertrokken zij beiden naar hun rijk. Onderweg werden zij door vrienden en bloedverwanten van den hertog van Frankenburg aangevallen, maar Helias versloeg al zijne vijanden en welbehouden bereikten zij het land van Bouillon.
Ze leefden gelukkig, en ze kregen eene dochter, die zij IJda noemden, later de moeder der edele heeren Boudewijn, Godfried en Eustachius.
Eens, dat de hertogin en de hertog, Helias, waren uitgereden, vroeg ze hem:
"Heer! uit welk land zijt gij, welke vrienden hebt gij, wie zijn uwe ouders?"
Hij zeide met ernstige stem:
"Vraag daar nooit meer naar, hertogin, want dan zouden wij moeten scheiden."
Zes jaren lang zweeg Clarisse deze vraag, doch toen overviel haar plotseling in den nacht de nieuwsgierigheid der vrouwen.
"O Heer, zeg mij, van welke afkomst zijt ge?"
Met bedroefde stem antwoordde Helias, de hertog van Bouillon, haar:
"Ge weet wel, dat ge dit niet moogt weten, en morgen vertrek ik uit deze landen, en ik zal gaan naar den keizer te Nijmegen. om afscheid van hem te nemen." Toen riep de hertogin in grooten angst hare dochter IJda, opdat deze haren vader met smeeken en weenen zou vragen, te blijven. Maar in den ochtend verzamelde Helias zijne heeren, en hij beval hun te zorgen voor zijne vrouw en zijne dochter en het goede land van Bouillon. Al sprekende, hoorde hij, dat de zwaan al buiten was, slaande met de vleugelen een groot geraas. Helias begaf zich naar het scheepken, en de zwaan voerde hem door den stroom.
De hertogin Clarisse en haar schoone dochter IJda begaven zich naar Nijmegen, teneinde den keizer Otto van Almanien, te vertellen, wat er was geschied.
Nog waren zij aan het spreken, daar stiet Helias den hoorn, en hij ging naar den keizer, hem eerbiedig groetende, en hij gaf hem zijn land terug.
De keizer vroeg hem:
"Blijf, hertog van Bouillon, bij uwe vrouw Clarisse en uwe schoone dochter IJda."
Helias echter zeide:
"Ik kan dit niet volbrengen. Ik vraag u slechts bescherming voor mijne vrouw, Clarisse, en mijne dochter, IJda."
De keizer sprak:
"Ik belove ze u."
Toen vertrok de ridder, en de zwaan voerde hem van Nijmegen langs vele stroomen, naar Lilefoort.
Juist bij zijn aankomst zat Oriant met zijne vrouw en zijne vijf kinderen aan tafel, en daar hoorden ze den stoot van Helias' hoorn. Zij stonden allen op, en ze zagen uit de vensters van 't paleis, ze zagen den zwaan, en Helias zittende in het scheepken. Hij sprong aan wal, en zijn vader, Oriant, zijne moeder Beatrijs, zijne zuster Rosse, en zijne vier broeders ijlden hem tegemoet, en ze stelden hem vele vragen, maar zijne moeder, Beatrijs, vroeg, waar de zwaan was gebleven, en hij antwoordde:
"Hij is in het water teruggekeerd. Ik echter zal hem halen, en wij zullen beproeven hem door gebeden tot menschelijke gedaante te brengen."
De koning, Oriant, beval, dat men van de beide bekers weder eene keten zou maken, zooals die was geweest, en toen dit was geschied, hing hem Helias de keten om den hals, en tezamen baden ze tot God. Toen kreeg de zwaan zijn menschelijke gestalte weder, en men noemde hem Esmeri, en hij was een schoon jongeling.
Nadat Helias eenigen tijd in Lilefoort was geweest, liet hij eenen dag al zijne vrienden tot zich komen.
"Ik neem afscheid van u allen om de wereld te verlaten, want ik wil mijn leven beteren en voor u bidden."
Een ieder was zeer bedroefd om Helias' besluit, doch er was niemand, die zich durfde te verzetten, en, steunend op eenen stok, liep Helias naar een door Oriant gesticht klooster, en daar werd hij door de monniken met vreugde ontvangen. In het land van Ardennen nu deed hij een slot bouwen, gelijk aan het slot van Bouillon, over welk land hij hertog was geweest. Aan het klooster schonk hij vrijmarkten en vele voorrechten, en hij stelde dertig monniken aan, om Gode te dienen. Zelf leefde hij naar den kloosterregel.
Maar nog eene zaak moet er van hem verhaald worden, en eerst zult ge daarom moeten hooren, hoe het ging met zijne dochter, de schoone IJda.
Toen IJda veertien jaren oud was, huwelijkte de keizer, Otto van Almanien, haar uit aan eenen edelen ridder, en ze droomde, dat ze drie kinderen had, die zij voedde, en twee ervan droegen een kroon op 't hoofd, doch het derde niet, omdat het door een andere vrouw werd gevoed. En eene stem zeide:
"IJda, gij zult moeder zijn van drie kinderen, die gij zelve moet opvoeden, en met die kinderen zal Gods zegen zijn."
Toen IJda dit hoorde loofde zij God, en in drie jaren bracht zij drie kinderen ter wereld. De eerste werd genoemd: Godfried, de tweede: Boudewijn, de derde: Eustachius. Eens op eenen Pinksterdag--er waren vele groote heeren in Bouillon--ging de edele vrouw, IJda, ter kerke, en lang bleef ze weg. Daarom schreide het kindje Eustachius van honger, zoodat eene andere vrouw het uit medelijden voedde. De edele IJda kwam in haar paleis, en zag, wat er geschiedde.
"Ach, vrouw," riep ze, "wat hebt gij gedaan. Nu zal mijn kind, Eustachius, zijne waardigheid verliezen."
De vrouw antwoordde met deze woorden:
"Ik heb het gedaan uit medelijden, daar 't kindje, Eustachius, honger had."
De hooge vrouwe, IJda, bleef treurig den ganschen dag, niet groetende de heeren, die om haar waren verzameld.
Zij wist thans, wat leed was, de edele IJda. Want het leed wordt aan niemand gespaard, noch den edele, noch den gemeene.
En ook kende het leed Clarisse, de machtige hertogin.
Vele malen had zij reeds boden uitgezonden, om te weten, waar Helias was heengegaan, en eerst langen tijd na 't zenden van den eersten bode kreeg ze tijding, waar haar gemaal vertoefde. Eens zond ze een harer dienaren, Pontius genaamd, naar Rome, en op zijnen terugweg kwam deze een kerk binnen, waar hij eenen geestelijke vond uit zijn land. Ze besloten tezamen naar huis te reizen, doch Gods wil was anders dan de hunne, en zij verdwaalden in de wildernis. Ze trokken verder en verder, en kwamen ten laatste aan een kasteel, precies gelijkende op het kasteel van Bouillon.
"Ziet," zeide Pontius, "we zijn in ons land. Dit is het kasteel van Bouillon."
De geestelijke antwoordde met deze woorden:
"Mij dunkt--we zijn er nog verre van."
"Dan--" zoo riep Pontius uit, "gelijkt dit slot er precies op.
Ze vroegen toen in het dorp, in welk land ze waren, en ze hoorden, dat Helias dit kasteel had gesticht, en den volgenden morgen begaf zich Pontius naar het slot, waar zij vonden Oriant en Beatrijs, Rosse en Esmeri en vele anderen. Esmeri bracht hem vervolgens naar het klooster, naar den edelen Helias, die blijde was om de goede tijdingen, die hij hoorde van zijne vrouw Clarisse en zijne dochter IJda.
Toen vroeg hem Pontius:
"Geef mij een teeken, welk mij bewijzen kan voor mijne gebiedster, de hertogin Clarisse, dat ik u heb gesproken."
Als bewijs schonk hem Helias zijn trouwring, en hij gaf groote geschenken mede voor Clarisse, zijne vrouw, en IJda, zijne dochter, en ook gaf hij rijke geschenken aan den bode Pontius en den geestelijke, die hem vergezelde. Vervolgens namen zij afscheid van elkander en Pontius, de bode, kwam juist op Hemelvaartsdag aan in Bouillon.
Hij verhaalde hier Clarisse, dat hij Helias had gevonden, den zoon van den edelen koning Oriant, en de edele koningin Beatrijs: een koningszoon van een aanzienlijk geslacht was hij dus. Pontius toonde den trouwring, en de hertogin geloofde dit bewijs. Vol verlangen was ze, om Helias nog eens te zien, en met hare dochter, IJda, reisde ze naar 't klooster, waar hij woonde.
Ziek lag Helias te bedde, en lang zou de edele hertogin, Clarisse, niet bij hem blijven, want hij stierf korten tijd daarna. De hertogin weende om hem, en zoo groot was hare smart, dat ook zij stierf. Toen keerde IJda, hare dochter, naar haren gemaal terug, en ze onderwees hare kinderen in de dingen der deugd. Twee harer zonen wonnen naderhand het Heilige Land, en Godfried en Boudewijn droegen de kroon, stervende als koningen te Jeruzalem.
XXXVIII
De Schelpengrot op Nienoort
Eens was de schelpengrot op Nienoort een rijke schatkamer, waarin veel goud en zilver was verborgen--vaten waren er vol diamanten en paarlen, in gouden bekers waren topazen, opalen, robijnen, smaragden, in velerlei vorm en kleur dooreen: er lagen braceletten, als schitterende, kronkelende spiralen, en vijf en veertig halssnoeren, allen even fraai bewerkt. Het was een wereld van flonkering en flikkering, een trilling en golving van gloed. Rood en blauw en groen en krijtwit beefden zenuwachtig tegen elkander, en in al deze duizenderlei speling was slechts één motief: het licht.
Er zijn er niet velen, die de schatkamer van Nienoort hebben gezien, meest mannen en bijna geen vrouwen. Want de vrouwenoogen zagen niet de kleinodiën alléén, doch ze zagen tevens, hoe haar de kleinodiën kleeden zouden, en hoe ze om de teere, witte huid zouden schitteren.
Er woonde bij Nienoort een vrouw, die eens binnen de schatkamer een blik had geworpen, en nu nacht aan dag niets anders dacht dan:
"De schatkamer van Nienoort."
Ze had een armen, jongen man lief, en ze bepeinsde, door altijd te denken aan den rijkdom, die er in de kamer schitterde, dat zij zich van enkele halskettingen zou meester maken en ermede zoude vluchten. Dan zou ze geld genoeg hebben, om met den jongen man te trouwen, en één halsketting kon zij voor haarzelf behouden. Dit alles wist zij, zonder er zich rekenschap van te geven, zooals ook in de woorden:
"De schatkamer van Nienoort" welke eeuwig naar haar geest terugdreven, besloten was, dat ze al het nuttelooze van haar hoop wel inzag. Want telkens, wanneer ze de schatkamer voorbijging, scheen de zware, ijzeren deur een bespotting harer begeerte, en moedeloos was voortdurend weder haar tred bij het verder-gaan.
De zuster van haar verloofde leerde den man, die de schatkamer bewaakte, kennen, en ze kregen elkander lief. Hij was een weduwnaar met een kind, een meisje van negen jaar. Zoo ontmoette de vrouw plotseling dezen man, en dikwijls kwam ze bij hem aan huis. Eenige maanden lang, steeds maar in haar brein de woorden bewarend en behoedend, dat zij niet ontsnappen zouden, sprak ze over andere dingen, en hij kreeg vertrouwen in haar. Hij zocht dus achter haar vraag geen kwaad, toen zij eindelijk zeide:
"Wanneer je nu getrouwd bent--zal dan je vrouw de schatkamer mogen zien?"
Hij lachte.
"Ik laat liever geen vrouw de schatkamer zien, tenzij op last van mijn heer. De vingers van de vrouwen beven te veel."
"Maar je eigen vrouw ...."
Ernstig dacht hij na.
"Ik zou 't niet doen, of mijn heer moest me oorlof geven."
"En je eerste vrouw dan?"
"Mijn eerste vrouw heeft de schatkamer nooit gezien. De eenige vrouw, die er in- en uitloopt is mijn dochtertje. Zij weet 't geheim van het slot, en ze behoeft me nooit te vragen, of ze in de kamer mag of eruit."
Verder werd er niet meer over gesproken, doch na dezen tijd zag men de vrouw en het kind altijd tezamen, hand in hand gaande door de velden, pratend en lachend. Meestal had de vrouw iets voor 't kleine meisje: een snoeperij of een vrucht, en ze kende nog vele spelletjes van vlugheid en slimheid. Ook vroolijke liedjes kon ze zingen, en alle vogels wist ze na te doen in hun zang of slag. Wat was een dag voor 't kind, als ze met de vrouw ging? De vader had geenerlei wantrouwen.
"Kinderen met elkaar," dacht hij, als hij ze tezamen zag.
't Was op een zomeravond, dat zijn verloofde hem vroeg, of hij met haar op het meer wilde gaan spelevaren, maar eerst zeide hij zijn dochtertje, dat er niemand in de schatkamer mocht komen, en dat ze den heer zou waarschuwen, als er een mensch in de nabijheid kwam.
Nauwelijks was hij weg, of de vrouw riep 't kind bij haar naam, en tezamen zingend liepen ze een eind door 't veld. Dien avond echter wilde de vrouw niet spelen ... ze trok 't meisje naar zich toe, streelde het over de haren, en vroeg:
"Is je vader uit?"
"Ja--"
"Waar is hij heengegaan?"
"Hij zeilt op 't meer."
De vrouw haalde diep adem, en, een siddering in haar stem verscholen, vroeg ze, zich over 't kind buigend, en haar handen vattend:
"Dus ben je alleen thuis? En hoe laat komt vader terug?"
"O! heel laat, maar ik moet hier dichtbij blijven, om op de schatkamer te passen."
"Is de schatkamer mooi? Zijn er mooie dingen te zien?"
"O! 't is mooi in de schatkamer .... 't Is heelemaal licht, nog meer licht dan wanneer de zon schijnt, overal licht en alle steenen hebben licht."
"Mag ik de schatkamer zien, met al 't licht? Wil jij de deur voor mij openmaken, dan kan ik 't licht ook eens zien."
Toen haalde het kind den zwaren sleutel, en draaide dezen zeven malen links; daarna, hem aantrekkende, draaide het den sleutel een halven slag weerom, en de poort gleed geruischloos open, en zij beiden traden binnen. 't jonge meisje legde den sleutel bij de kleinodiën neer.
Inplaats van nu eenige sieraden te grijpen, en er naar een ver land mede te vluchten, bleef de vrouw staan en staarde naar al het glanzen en glinsteren om haar heen. Zelfs strekte ze haar vingers niet uit. Haar oogen waren vergroot, haar adem hijgde, en ze staarde slechts.
"Spelen," smeekte 't kind, "laten wij spelen."
Zij gaf geen antwoord.
"Kom bij ons," riepen de edelsteen met fluisterende stemmen, "neem ons in de hand, en zie van dichtbij naar ons." Ze wilde naar deze verlokking luisteren, maar 't was haar, of ze niet voort kon gaan. Ze moest blijven, gelijk ze stond, 't hoofd voorovergebogen, als iemand, die plotseling een schrikwekkende gedaante voor zich ziet. Voor haar flonkerden de diamanten, de paarlen, de robijnen, en uit de fontein dier heerlijkheden gudste met breede en dunne stralen het licht, wit en goud en groen en rood, mengelende in alle schakeeringen. De late dag met al zijn geheimen was in de schatkamer, en schiep in de gewelven een sluier boven deze kleuren.
"Spelen--ga mee spelen--" drensde het kind.
De edelsteenen riepen:
"Het wordt gauw avond--dan zul je ons niet meer zien--en niet meer weten, wat het kostbaarste is kom dan--kom dan--kom dan."
Eindelijk breidde de vrouw haar uit, en met weenende stem kreet ze:
"O! ik kan niet."
Het kind vatte haar hand.
"Ga mee--laten we buiten spelen."
Ze streek het kind over de haren, ze trok het naar zich toe en kuste het:
"Ga maar alleen. Ik kom wel dadelijk bij je."
Het kind sprong van haar weg, doch toen het den sleutel zag, die het naast de kleinodiën had gelegd, kwam het eensklaps tot de gedachte, om de vrouw te plagen, en, terwijl het heenging, trok het de deur achter zich dicht, en stak den sleutel in het slot, even maar draaiende: de deur zat als met vijftig grendels zóó vast. Buiten riep het:
"Zie, dat u eruit komt. Ik ga alleen spelen."
Op dat oogenblik vloog een kleine vlinder langs het kind, en het vergat de deur, en de vrouw, die binnen in de schatkamer was opgesloten. Het sprong den vlinder na, probeerde hem te vangen, als hij even op een bloem zat, en wanneer hij verder fladderde, liep 't kind ook verder de weide in, tot het moe was gespeeld, en naar huis toe ging. Ze zeide haar avondgebedje alleen en weldra sliep zij in. Haar vader kwam eenige uren later, doch 't kind werd niet wakker.
De vrouw onderwijl stond in de donkere schatkamer. Bij het dichtslaan van de deur, was de zware nacht onmiddellijk om haar, en de stemmen der edelsteenen hielden met spreken op. Hoe was het mogelijk, dat zij in een vertrek stond vol van kostbaarheden? 't Was alles duister, de diamanten waren niet minder nacht dan de tafelen, waarop zij waren neergelegd. Alles zweeg, ook de geluiden van buiten, en lang-uit liet de vrouw zich op den grond vallen, om te slapen. De slaap wilde echter niet voor haar komen, want in haar ooren was nog de echo der edelsteenen-fluistering, en ze trilde van verlangen, om hun stemmen weder te vernemen en hun gloed weder te zien. Nooit wilde zij van de plaats scheiden. O, het genadeloos duren van den nacht!
Het was buiten reeds lang dag, toen de eerste af glans der zon in de schatkamer daalde, en met den valen schemer herbegon het licht der edelsteenen te stralen en hun stemmen vingen weder aan te klinken.
"Het is dag, kom nu bij ons. Neem ons in uw handen, pas ons om uw vingeren, leg ons om uw hals."
Wankelend ging ze naar de tafels, en één voor één hield ze de sieraden vast. Ze glimlachte, terwijl ze ten laatste het kostbaarste snoer paarlen om haar hals wond, en vijf armbanden met diamanten bezet in haar hand nam. Ze wendde zich naar de deur, met het plan, te ontvluchten. Ineens bedacht ze, dat de deur was gesloten, en ze staarde naar het ijzer, dat haar tegenhield van de vrijheid en het geluk, gelijk ze den avond te voren naar de diamanten had gezien.
Zóó vonden haar de mannen, die--nadat het kind was ontwaakt en het verhaal had verteld, dat de vrouw was opgesloten--de schatkamer binnendrongen. Ze zagen, dat het snoer paarlen was gelegd om haar hals, en dat ze vijf armbanden in haar hand hield. Ruw voerde men haar naar den heer.
Voor hem bekende zij alles, hoe ze maanden lang had geloerd, om in de schatkamer te komen, en hoe 't haar eindelijk was gelukt. De stem, waarmede ze zeide, dat slechts de deur haar had belet, om haar plan uit te voeren, klonk als een vloek. Ze meende niet anders dan dat ze ter dood zou worden gebracht. Haar hoofd hield ze gebogen, en het scheen haar, of ze reeds voelde, hoe het scherpe zwaard sneed door den nek, en terwijl ze haar hoofd dieper nog boog, leek het zelfs voor haar als viel het terneder op den grond. Ze rilde. Ze was nog zoo jong! Van het leven te moeten heengaan, en de wereld was zoo jong. Met al de kracht van haar bloed had ze een man lief--waarom was de dood zoo wreed?
De heer zag haar aan, en zeide:
"Hoe komt het, dat ge hebt willen stelen?"
Ze antwoordde met doffe stem:
"Ik had met mijn bruidegom willen vluchten naar een ver land, doch toen ik de paarlen en diamanten het eerst zag, kon ik niet heengaan. Anders was ik zeker reeds lang weg-geweest, en nooit had ge mij kunnen vinden."
Om dit antwoord werd haar rechter toornig.
"Ik ken een betere straf voor u dan de dood. Ik zal de sieraden uit de kamer nemen, en gij zult van de grot een schelpengrot maken. Bij het eerste zonlicht zult gij beginnen en bij het laatste zult gij eindigen, zonder ooit een mensch te zien. Dat zal uw straf zijn."
Den volgenden ochtend ging ze al aan het werk. In den nacht had men in de eenzame grot duizenden schelpen gebracht, van velerlei vorm en kleur, en ze werden als edelgesteenten in der vrouwe handen. Tot haar door klonken van buiten de liederen der menschen. Soms hoorde zij in de verte de stem van den man, dien ze liefhad, en om wiens wille ze den diefstal had willen volvoeren. Misschien aarzelden haar handen dan even--misschien waren haar oogen dan een seconde blind--daarna hervatte ze haar werk. Wellicht meende ze, dat het kort zou duren. Verwachtte ze nog iets van haar leven? Dacht ze, dat ze eens in vrijheid zou worden gesteld, en dat ze het geluk nog zou kennen?
Dagen verbonden zich aan dagen, en in den krans der dagen werden de jaren gewonden. Iedere schelp was een groot deel van haar leven, en ze wist niet, dat in de wereld der menschen het meisje, met wie zij eens had gespeeld, reeds getrouwd was, en dat de man, dien ze liefhad, was gestorven. Soms meende ze, dat ze diamanten, paarlen, topazen, robijnen in haar hand hield, inplaats van schelpen. Ze liet ze flonkeren in het licht, en ze maakte er aan den wand een kunstwerk van, schitterende van glans. Even strekte ze er dan de handen naar uit, en ze fluisterde:
"Als morgenvroeg de deur open-gaat, zal ik vluchten, en alle edelsteenen zal ik met mij medenemen. Dan zullen hij en ik in een vreemd land trouwen. Één halssnoer zal ik om mijn hals dragen--"
Den volgenden morgen begon ze echter weder aan haar eindelooze taak.
Heur haren werden grijs--ze bemerkte het niet. Schelp sloot zich aan schelp, nooit beefden haar handen bij de eeuwige schikking.
Wanneer de schelpen bijna allen waren gebruikt, ging er boven de grot een luik open, en massa's werden er weder naar beneden geworpen. Haar ooren hoorden het niet. Voor haar was het, of het immer dezelfde edelsteenen waren, waaraan zij wrocht, tot ze een dag bemerkte, dat de stapel verminderde.
"Nu is de vrijheid nabij," zoo ongeveer dacht ze, en fel klopte haar hart. Het was goed, dat zij zichzelf niet kon zien: ze was een stokoude vrouw geworden, tanig en rimpelig van vel. Grauw fladderde 't haar om haar voorhoofd, diep lagen de oogen in de kassen.
De grot was klaar, en de deuren werden geopend.
Ze trad naar buiten, en ze zag 't zonlicht. Er speelden kinderen op de heide. Een kleine bok was aan een touw gebonden, en trachtte al met de horens te stooten. Was ze ooit weg-geweest? En toch ... geen der kinderen kende ze. Ze keek naar haar werk terug--Ach! ze kon niet bevroeden, dat het meer dan zestig jaar had geduurd. Een wonder was de schelpengrot van Nienoort, die haar jeugd had gevreten.
Ze was vrij, vrij! O! het alom-tegenwoordige, duizelingwekkende, verblindende, verdoovende, zegenrijke zonnelicht. De gansche wereld stroomde van geuren, er was geen grooter geluk dan te mogen leven! Nu wilde ze naar den man gaan, die ze liefhad. Het was vreemd, dat ze den weg niet weer kende. Alle huizen schenen veranderd te zijn; de paadjes gingen niet hun gewone lijn. Wat was er toch geschied in de enkele jaren, dat ze had gewerkt, overpeinsde ze.
Een jonge vrouw trad haar tegemoet, en 't leek haar, of ze haar kende. Was 't niet het meisje, met wie ze in haar jeugd had gespeeld? Ze begon te lachen. Wat was het groot geworden. Zou het zich nog herinneren, dat het haar eens had opgesloten? Ze noemde het bij den naam. De jonge vrouw stond stil.
"Dat ben ik niet, al ken ik haar heel goed, die u noemt."
"Wie ben je dan?"
"Ik ben haar kleindochter?"
"Ben je haar kleindochter?"
Toen ging de oude vrouw naar 't meer, en ze spiegelde haar gezicht in 't water.
Ze sloeg de handen aan het voorhoofd--'t Leven was haar voorbij-gegaan, en ze had er niets meer van te verwachten. Ze ging naar de grot. Haar werk was gereed, en 't schitterde haar tegemoet, angstwekkend als diamanten.
Op den drempel van den grot zeeg ze neer, en in den nacht naderde de dood haar hart. Zonder een klacht is ze gestorven. De wachters vonden haar den volgenden morgen, en inderhaast werd ze begraven.
XXXIX
Van eenen Ridder
Er was eens een ridder, die woonde aan den heirweg, ineen grootkasteel. Allen, die zijn slot voorbijreden, beroofde hij en deed hij lijden, zonder barmhartigheid, maar alle dagen groette hij Maria, de moeder Gods, met een oratie, die begint aldus:
"O! intemerata et in eternum."
Het was iederen dag, dat hij deze oratie zeide, om te loven Maria, de moeder Gods.
"O! intemerata et in eternum."
Eens reed een heilig man het kasteel voorbij. De knechten kwamen, om hem te berooven.
De heilige man wendde zijn gelaat tot hem en smeekte:
"Och! breng mij bij uwen heer--want ik heb iets met hem te bespreken, dat hij nog niet weet."
De knechten beraadslaagden onder elkander, en driftige woorden spraken zij wederzijdsch, het eene deel schreeuwend, dat zij den gevangene zouden dooden, het andere, dat zij hem zouden voeren tot den ridder, hunnen heer. Ten slotte werden zij, die den moord eischten, angstig, want wat zou de ridder zeggen, als zij den heiligen man niet alle dingen deden belijden, welke hij wist? Ze dreven hem voor hun heer, en die vroeg, wat de heilige man verlangde.
"Doet allen, die in dit huis wonen, tezamen komen, want ik wil u iets verkonden, dat u tot heil zal zijn."