Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 17
"Heer koning! zult gij de vrouw laten leven, die een zoo groote schande over uwen naam heeft gebracht? Weet gij dan niet, dat gij, als zij gevangen blijft, nooit met eene andere vrouw zult trouwen? Beter is het, zoo ge haar doet verbranden, dan kunt ge een ander kronen tot koninginne van Lilefoort, en ge kunt uw droefheid vergeten."
Niet lang liet koning Oriant op antwoord wachten. Hij zeide:
"Zoo ook de koningin des doods schuldig is, nimmer zal ik den eed vergeten, dien ik de jonkvrouw Beatrijs heb gezworen in tegenwoordigheid van ridder Savari, aldus luidende:
"Welschoone maagd! wilt gij mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u."
"Zelfs als Beatrijs zou zijn gestorven, dezen eed zou ik altijd gedenken, want mijn liefde voor haar is mij liever dan het zonlicht. Daarom ook heb ik geweend, tot ik niet meer weenen kon, en mijn tranen niet meer wilden vloeien."
Men besloot hierop, om Beatrijs in eene schoone kamer gevangen te zetten, en haar door twee ridderen te doen dienen, tot het zou zijn uitgemaakt, of zij waarlijk zeven jonge honden ter wereld had gebracht.
Haar kinderen onderwijl waren door eenen kluizenaar in het bosch gevonden, en ze schreide jammerlijk van koude en honger. Hij wond ze in zijnen mantel, en voerde ze in een kluis. Niet lang daarna zond God hun een geit, die ze voedde. De kluizenaar--Helias was zijn naam kleedde hen in kleederen van bladeren, en deed voor hen, wat hij met zijn eenvoudige krachten kon. Een der jongens kreeg hij boven allen lief, en daarom gaf hij hem zijnen naam: Helias.
Eenige jaren later kwam de jager van Matabrune--Savari heette hij--in 't bosch, en hij vond daar zeven kinderen spelen onder eenen boom. Hij groette hen vriendelijk, doch de kinderen, die behalve den kluizenaar, nooit een mensch hadden gezien, liepen angstig weg. De jager Savari was nieuwsgierig, waar wel de kinderen tehuis behoorden, hij volgde hen, en trad in de woning van Helias, den kluizenaar.
"Wat zoekt gij bij mij?"
"Wees gerust--" zoo sprak de jager, "ik zal den kinderen geen leed berokkenen. Alleen was ik verwonderd, daar zij zoo slecht zijn gekleed, en toch zulke kostbare zilveren ketenen om den hals droegen."
De kluizenaar verhaalde hem, hoe hij de kinderen had gevonden en opgevoed, en daarna namen de beide mannen van elkander afscheid, omdat Savari weder naar Lilefoort wilde vertrekken. Daar vertelde hij de booze Matabrune, wat hij in 't bosch had gezien: zeven armoedige kinderen ieder met eenen zilveren keten om den hals.
Matabrune kreet:
"Ga weder heen en dood de kinderen, anders zal ik ze zelf ombrengen."
De jager Savari beloofde, dat haar wil zou geschieden.
Matabrune ging naar haren dienaar Marcus, en dolzinnig van woede, beval ze, dat hem de beide oogen zouden worden uitgestoken, tot straf, dat hij de kinderen niet onmiddellijk na hun geboorte had gedood.
De jager Savari nam zeven mannen mede, om de zes jongens en het eene meisje te vermoorden. Op hun weg kwamen ze door een dorp, waar een groote menigte volks was verzameld. Her en der vroegen ze, waarom zoo velen tegelijk tezamen gestroomd waren, en het antwoord luidde:
"Men zal eene vrouw verbranden, die haar kind heeft vermoord."
Dit stemde Savari tot nadenken.
"Om één kind verbrandt men deze vrouw al? Hoe zal ons vonnis luiden, wanneer men weet, dat wij zeven kinderen hebben omgebracht?"
En de anderen zeiden:
"Neen! we zullen de kinderen niet dooden. Wat zullen wij doen? Wij zullen de zilveren ketenen medenemen, en deze Matabrune toonen, ten bewijze, dat wij haar bevel hebben gehoorzaamd."
Ze traden in het bosch, en Savari voerde hen naar de hut. Ze vonden hier echter niet zeven kinderen, maar slechts zes, daar de kluizenaar met het kind, dat hij 't meest liefhad, met Helias, in 't naast-bij gelegen dorp was gaan bidden. De zes kinderen kreten bij het zien der woeste mannen.
"Wees niet bang, lieve kinderen," zeide de jager Savari, "we zijn niet hier gekomen, om u kwaad te doen. Ge behoeft niet te schreien."
Terwijl Savari, de jager, dit zeide, namen zijn mannen de ketens weg. Zoodra dit geschied was, werden de kinderen in witte zwanen veranderd, die opvlogen, en met een schreeuw zich hoog in de lucht verhieven. Savari en zij, die met hem waren, schrokken over dit wonder zoodanig, dat zij in onmacht ter aarde vielen. Nadat zij weder tot bewustzijn waren gekomen, beefden ze nog van vrees, en Savari riep uit:
"Laat ons trekken van deze plaats, waar wij te lang geweest zijn. Zes kinderen hebben wij gevonden, instee van zeven. Laten wij zeggen, dat wij zeven kinderen hebben gedood, en dat wij één der ketenen onderweg hebben verloren."
De mannen volgden Savari's raad, en ze spraken de woorden, die hij had gezegd, tot de booze Matabrune; deze werd uitermate vertoornd en schreeuwde:
"Zoo gij een zevende keten hebt verloren, moet gij mij de waarde hiervan vergoeden. Eerder zal ik niet tevreden zijn."
Ze liet eenen goudsmid bij zich komen, die één der ketens in het vuur legde, om te zien, of het edel metaal was.
Wonder! toen de keten heet werd, woog hij meer dan de anderen tezamen, en er was zilver genoeg, om twee bekers te maken van de ééne keten. De goudsmid bracht éénen beker naar de slechte Matabrune en behield den anderen voor zichzelven, en toch verwonderde zich Matabrune nog, dat ze zulk eenen grooten beker had ontvangen. Ze was verheugd om de schoone gave, die er haar aan herinnerde, dat nu de zeven kinderen van Beatrijs waren gestorven.
Ze kon toch niet vermoeden, dat er zes van in zwanen waren veranderd, en dat de zevende, Helias, nog in leven was?
De kluizenaar en Helias waren in het bosch teruggekeerd en ze verbaasden zich, dat zij de zes jonge kinderen niet vonden. Ze zochten den geheelen dag, en 's nachts sliep Helias niet; den volgenden morgen begon hij dadelijk weder te zoeken, weenende van wanhoop. Hij ging al schreiende voort. Eindelijk bereikte hij een water, waar hij zes schoone zwanen zag. Hij naderde den vijver, en riep de trotsche vogels tot zich. Ze zwommen naar hem toe, hij streelde ze, ze aten van het brood, dat hij hun gaf. Hij was getroost, en hij bezocht hen voortaan dagelijks.
Hij groeide op tot een krachtig jongeling, tot ridderlijke daden wel in staat. Hij wist het niet, dat hij zijn behendigheid spoedig zou moeten toonen. Want Matabrune was haar haat jegens Beatrijs nog niet vergeten, en steeds zon zij op middelen, om haar te doen dooden. Aan haar hof was een ridder, Macharis was zijn naam, en hij had een hart, even valsch als van Matabrune. Daarom liet hij zich overhalen, om weder tegen Beatrijs te getuigen, dat zij jonge honden ter wereld kon brengen, en dat zij den koning, den edelen Oriant, en zijne moeder, de goede Matabrune, had willen vergiftigen. En dit zeide Macharis onder den invloed van Matabrune:
"Ik verklaar te willen kampen tegen ieder, die het opneemt voor Beatrijs."
De koning beval, dat men Beatrijs uit de gevangenis voor hem zou brengen, opdat zij zich tegen de beschuldiging zou kunnen verweren. Ze trad voor den vorst, groette hem met teederen groet, en viel op haar knieën voor hem neder. Matabrune bemerkte, dat zij allen, de koning, de edele Oriant niet 't minst, medelijden hadden met de schoone koninginne Beatrijs, en ze riep haastig Macharis, opdat deze zijn aanklacht zou zeggen, hetgeen hij deed. Oriant, de koning, zeide toen tot Beatrijs:
"Ge wordt van een groot misdrijf beschuldigd, vrouwe, en ik zeg u, dat ge de waarheid zult belijden. Weet, als gij geen leugen uitspreekt, dat ge niet zult sterven, doch als gij de onwaarheid verkiest, zal een schandelijke dood u wachten, tenzij iemand uw recht verdedigt. Spreek de waarheid, Beatrijs."
De koninginne, de schoone Beatrijs, verhief zich, en zag hem in de oogen.
"Heer! ik weet, dat er niemand wordt gevonden, die mij gelooft, en die mij recht zal verschaffen; en toch ik zweer u allen, dat ik onschuldig ben. Bij God zoo betuig ik, dat ik nimmer het schandelijk kwaad heb bedreven." Zij vouwde haar handen. "Gode alleen zij de wrake over mijne vijanden, die mij zoo valschelijk betichten."
God in den Hemel hoorde hare spreuk, en hij zond een Zijner engelen naar den kluizenaar, om hem te zeggen, dat de zeven kinderen waren van koning Oriant en van koningin Beatrijs, dat er zes hunner in zwanen waren veranderd, en dat de edele jongeling Helias den valschen ridder Macharis moest bevechten.
Hierna riep de kluizenaar den jongeling tot zich, en hij zeide tot hem:
"Gij, Helias, zijt de zoon van koning Oriant en van koningin Beatrijs, en ge zijt met uw broederen en uw zuster te vondeling gelegd op bevel van Matabrune, de moeder des konings Oriant. Thans heeft dezelfde Matabrune één harer ridderen, genaamd Macharis, bevolen de koninginne Beatrijs te beschuldigen, als zou zij niet een mensch liefhebben, doch eenen hond, en als zou zij den koning Oriant en zijne moeder Matabrune hebben willen vergeven. Dit nu zegt God: 'gaat henen, en kampt voor de koninginne Beatrijs tegen den valschen ridder Macharis. Uw broeders en uwe zuster zijn veranderd in de zwanen, die gij dagelijks hebt gevoed.'"
De edele jongeling vroeg:
"Zult gij dan, als ik weg ben, voor de zwanen zorgen?"
"Ja," antwoordde de kluizenaar, "ik zal ze met brood voederen, gelijk gij hebt gedaan."
Vervolgens nam Helias afscheid. Hij was in bladeren gekleed, blootshoofds, barrevoets, en op eenen stok steunde hij. Aldus ging hij naar Lilefoort, naar 't hof van koning Oriant, waar men de koningin, de schoone en reine Beatrijs, ter dood zou brengen, daar niemand voor haar wilde kampen.
Juist op het goede oogenblik kwam Helias aan, en hij stond bij de poort, om binnen gelaten te worden. De wachter vroeg hem:
"Wat zoekt gij?"
"Den valschen ridder Macharis," was het antwoord.
De wachter wilde met hem spotten, en dus zeide hij:
"Ik ben het, dien gij zoekt. Ik ben de ridder Macharis."
Helias sloeg hem met zijn stok, en een andere dienaar wilde hem grijpen, daar hij meende, dat de jongeling in zijn vreemde kleeding waanzinnig was. Helias werd boos, en hij riep uit:
"Ik zeg u, laat mij gaan. Ik wil mij wreken op den valschen ridder Macharis, die mijne onschuldige moeder beticht."
"Macharis--" antwoordde een der wachters, "is in de zaal en klaagt Beatrijs aan. Ons echter schijnt het toe, dat het valschelijk is, want de koningin Beatrijs is goed."
Helias omhelsde hem uit dankbaarheid voor deze woorden, en de knecht leidde hem in de zaal, tot voor 's konings troon.
Oriant vroeg hem:
"Wien zoekt gij hier?"
"Ik zoek Macharis, heer."
Men wees hem den ridder, en Helias ging tot hem, en sloeg hem met de vuist recht in het gelaat.
"Gij, valsche verrader, ik daag u uit, om met mij te strijden."
De koning, Oriant, stond op van zijn troon, en riep tot Helias, den jongeling:
"Hoe durft gij, vermetele, Macharis in mijne tegenwoordigheid te slaan?"
"Heer," antwoordde Helias bescheiden, "ik ben gekomen om de waarheid te spreken."
En hij wendde zich tot Beatrijs, de koningin, met deze woorden:
"Lieve moeder, wees niet bedroefd, want met Godes hulp zal ik u in uw eer herstellen."
"Wat wilt gij dan zeggen?" zoo vroeg de koning.
"Zeggen wil ik de waarheid alleen en deze is, dat ik uw zoon ben, o heer, en de zoon van uwe vrouw, van Beatrijs, die naast mij staat. Ik verklaar, dat ik met Macharis wil gevangen blijven, tot het blijken zal, dat ik de waarheid spreek."
De koning zag toen Beatrijs aan, en mild was zijne stem en vol goedheid zijne oogen:
"Wat dunkt u, Beatrijs, van de woorden, die deze jongeling spreekt?"
Beatrijs boog haar hoofd.
"Heer! ik weet hiervan niets; want ik was krank, toen mijne kinderen werden geboren. Maar ik geef de zaak in God's handen en in die van dezen jongeling, en ik bid u hem te behandelen als uwen zoon."
De koningin, Beatrijs, werd naar eene schoone kamer gevoerd, en Oriant, de koning, begaf zich tot Matabrune, en vertelde haar van Helias, den jongeling. Matabrune verbleekte, en ze trachtte nu goede en zoete woorden te vinden, doch zij kon niet beletten, dat de koning beval, om Macharis gevangen te zetten. De koning reed naar 't woud, en hoorde daar van den kluizenaar 't verhaal, dat hem Helias voor waarheid had verteld. Daarom liet de koning voor den jongeling een harnas maken, en hij stelde de koningin, de edele Beatrijs, in vrijheid. Macharis werd door vier dienaren bewaakt, en moest tegen Helias kampen.
Macharis was angstig, toen hij 't strijdperk binnen-reed, ziende den edelen jongeling Helias, krachtig in zijn harnas. Hij wilde het niet laten blijken, hoe bevreesd hij was, en daarom riep hij spottend:
"Meent gij tegen mij te kunnen strijden, jongetje? Ik zal u laten zien, hoe sterk ik ben."
Helias nu antwoordde:
"Verrader, ik ben blijde u hier te zien, ik zal op u de eer mijner moeder wreken."
Ze reden op elkander in. Door het geweld van den stoot, stortte Macharis ter aarde.
Hij stond weder op.
"Ik zal u laten gevoelen, hoe krachtig mijn arm is."
Helias riep:
"Welaan! rijd maar wakker toe."
Ze lieten beiden hun lansen zinken, en, spiedend, ontdekte Macharis een plek in des jongelings harnas, die het vleesch niet bedekte. Daar stiet hij en Helias' bloed vloeide. Nu meenden Beatrijs en allen, die met haar waren, dat Helias was getroffen, en een ieder was hierover zeer bedroefd. Helias echter werd nog moediger, en hij kreet met een stem, fel-flitsend als de bliksem:
"Verrader, is het u niet genoeg, dat gij mijne moeder hebt verraden? Wilt gij ook nog haren zoon dooden? Thans zal ik u met Gods hulp toonen, wat gij van mij hebt te verwachten."
Hij sloeg hem den helm af, en hieuw hem zoo met 't zwaard, dat hij zich niet meer kon verweren, en daarna kloofde hij hem den arm. Toen gaf de valsche ridder Macharis zichzelf gewonnen.
"Jongeling! ik heb den slag verloren--zeg mij uwen naam.
"Ik ben Helias--de zoon van den edelen koning Oriant en de in haar leven zoo getrouwe koningin Beatrijs en ik wil zien, hoe gij zult sterven, vóór ik deze plaats verlate. Wacht uwen dood, verrader."
Het antwoord van den valschen ridder Macharis luidde als volgt:
"Laat mij leven, tot ik de waarheid heb bekend. Laat mij den goudsmid aanwijzen, die de ketens heeft van uwe zuster en uwe broeders."
De kamprechters kwamen, en ze wezen Helias de overwinning toe. Deze echter zeide slechts:
"Dat de koning hier kome met de koningin en al hunne heeren."
De edele Oriant en de reine Beatrijs, verzeld van hunne drommen ridders, traden in het strijdperk, om te hooren, wat de jongeling, Helias, hun wilde zeggen.
"Luister naar de belijdenis van dezen ridder hier, van Macharis, den valschaard."
Macharis trad naar voren, groetende den koning, Oriant, en de koningin, Beatrijs, met eerbiedige reverence. En hij bekende allen, die om hem heen stonden, de talrijke misdrijven van Matabrune, die hiervoren zijn verhaald, opdat zij geene navolging zullen vinden in der Kerstenen landen. Amen.
Men hing Macharis aan eene hooge galg, den valschen ridder, die Beatrijs valschelijk had beticht. De koning omhelsde Beatrijs om al het leed, dat zij onschuldig had geleden. Er waren vele vreugdefeesten, en daarna werd de goudsmid ontboden, dien men vroeg, wat er van de zilveren ketens was geworden.
De goudsmid nu bracht vijf zilveren ketens terug, en een beker, dien hij met den beker der slechte Matabrune uit ééne keten had gesmeed, en hij bad om vergiffenis, en de koning zeide:
"U zij vergiffenis geschonken."
Oriant en Beatrijs namen de ketenen, en ze kusten deze, klagende om hunne arme kinderen, die in zwanen waren veranderd.
Vervolgens werd Marcus geroepen, wien de booze Matabrune de oogen had uitgestoken, en Oriant, de koning, vroeg hem, hoe hij in blindheid was geraakt.
Op deze vraag zeide Marcus, al wat hem was overkomen.
Oriant gevoelde medelijden met den blinde, en hij bad innig tot God, dat Marcus weder zou genezen. Hij teekende over de oogen van den ongelukkige een kruisje, en daardoor herkreeg Marcus zijn gezicht. Allen waren verbaasd over het wonder, dat aan den dienaar was geschied.
Nadat Matabrune had vernomen, welk lot de valsche ridder Macharis had ondergaan, werd zij bevreesd, en zij gaf daarom den knechten, die haar bewaakten, veel wijn te drinken, opdat zij dronken zouden worden. Haar toeleg gelukte. De knechten sliepen zwaar in hun roes, en Matabrune kon ontvluchten. Helias echter, die door zijnen vader als koning was gekroond in Lilefoort, zette haar na, belegerde het kasteel, waarin Matabrune was gevlucht, veroverde het, nam de slechte vrouw gevangen, en deed haar verbranden.
Hij had gezworen, dat hij niet zou rusten, voor hij zijne zuster en zijne broeders terug had gevonden, en nauwelijks had hij zijn eed uitgesproken, of zes zwanen vlogen uit de hooge lucht, en daalden in de slotgracht. Helias riep Oriant, zijn vader, en Beatrijs, zijne moeder, en tezamen gingen ze naar het water. De zwanen zwommen op Helias toe, en lieten zich door hem streelen. Hij toonde hun de ketens, en de trotsche vogelen schaarden zich in een rij, om elk zijne keten te ontvangen. Helias hing ze een keten om, voor den laatsten zwaan echter bleef er geene meer over. Oriant en Beatrijs liepen hunne vijf kinderen tegemoet, vier zonen en eene dochter, en waren met hen blijde. De arme zesde zwaan was zeer bedroefd, en van smart wilde hij zichzelven de veeren uittrekken.
"Wees zonder smart," zoo troostte hem Helias, "want ik heb u lief als mijnen broeder, ook al hebt gij niet de gestalte van een mensch."
De zwaan was zeer dankbaar over deze woorden, en boog zijn hoofd, uit dankbaarheid voor den edelen jongeling.
De vijf kinderen werden gedoopt, en de dochter werd Rosse genaamd.
Nadat Helias reeds eenigen tijd koning was geweest, zag hij eens op een morgen het venster uit en hij bemerkte zijnen broeder den zwaan, een scheepje trekkende. De koning, Helias, hield dit terecht voor een teeken Gods, en hij riep zijn dienaren toe:
"Breng mij mijn harnas en mijn zilveren schild, want ik moet deze plaats, Lilefoort, verlaten."
Men gaf hem zijn harnas, men reikte hem 't schild, waarop een dubbel gouden kruis stond, en zijn vader Oriant schonk hem eenen hoorn, zeggende:
"Bewaar dezen hoorn, want die hem hoort blazen, dien zal geen leed of schande kunnen geschieden."
Driemaal schreeuwde de zwaan met wonderlijke stem, en Helias ging in het schuitje zitten. De zwaan klapte ten zijnen wellekomste met zijne vleugelen, en zwom aan, het scheepje achter zich, van stroom tot stroom, tot zij de plaats bereikten, door God voor hem beschikt.
Juist hield Otto de eerste, keizer van Almanien, heerschend over de landen der Ardennen, van Luik en Namen, rijksdag in Nijmegen, en de graaf van Frankenburg, beschuldigde de hertogin van Bouillon, dat ze haren man met vergif had gedood, en dat hare dochter onwettig was. Niet mocht daarom de hertogin blijven heerschen over het rijk van Bouillon, doch het moest hem, den graaf van Frankenburg, broeder van den overleden hertog, vervallen. De hertogin zeide, dat zij onschuldig was. De graaf tegenover haar gesteld, wierp zijn handschoen ter aarde, als bewijs harer schuld, en zeide, dat hij met een ieder zou kampen, dat zij des doods schuldig was.
De keizer sprak deze woorden:
"Vrouwe, zoo het waar is, wat de graaf tegen u volhoudt, zijt gij des doods schuldig. Zoek eenen ridder voor u uit, zie rond in deze zaal, opdat gij iemand kunt vinden, die u verdedigen zal."
De hertoginne deed haren blik smeekend gaan van den een naar den ander, doch de ridderen gaven geen geluid, en ze voelde zich van alle hulp ontbloot. Daar hoorde men eensklaps het stooten van eenen hoorn, en men keek ten venster uit. Op Nijmegen's stroom zag men een scheepken drijven, waarin een ridder stond, en dat scheepken werd door eenen zwaan getrokken. De ridder, geheel gewapend, sprong aan wal, en de zwaan zwom verder. De keizer ontbood den ridder tot zich, en terwijl hij al naderde, zeide de hertogin tot hare dochter deze woorden als volgt:
"Lieve dochter hoor! ik droomde dezen nacht, dat de graaf en ik met elkander dingden en dat ik werd veroordeeld, om te worden verbrand. Op dat oogenblik zwom een zwaan aan, die bracht water, om 't vuur te blusschen, en uit 't water kwam een visch; allen werden angstig, die deze visch bemerkten. Alleen ik stond rustig, en daarom geloof ik, dat deze ridder mij zal redden."
Helias, de koning van Lilefoort, naderde den keizer, hem groetende.
"Ik ben een arm ridder, uitgetrokken op avonturen."
De keizer antwoordde hem minzaam:
"Zoo gij een arm ridder zijt, uitgegaan op avonturen, dan vindt gij hier een avontuur, want de hertogin van Bouillon wordt ervan beschuldigd, dat zij haren man heeft willen dooden, en ook, dat hare dochter onwettig is. Het is aan u, dat ge voor haar eer kunt strijden, daar zij des doods is, wanneer er niemand wordt gevonden, die voor haar strijden zal."
Helias zag de hertogin aan, en het scheen hem toe, dat zij een vrouw was, rijk aan deugden; ook hare dochter vond hij schoon.
Hij wendde zich weder tot den keizer, en wel met deze woorden:
"Laat mij alleen spreken met de hertogin van Bouillon."
Dit zeide de keizer:
"Het zij u toegestaan."
Toen zij alleen waren, wendde zich de edele ridder tot de hertogin.
"Vrouwe! zweer mij de waarheid, en niets dan de waarheid, ik zal dan in uwe zaak zijn een getrouw dienaar."
Zij antwoordde trotsch:
"Zoo waarlijk helpe mij God almachtig, ik zal u de waarheid zeggen en niets dan de waarheid."
"Vrouwe, bij uwen eed, zijt gij onschuldig aan alle dingen, die men tegen u zegt?"
"Ja--ik."
Helias sprak:
"Gij hebt daarom heden een kampvechter gevonden, die voor uwe eer zal strijden."
Zij gingen in de zaal terug, en Helias groette den keizer.
"Heer! laat hem in het strijdperk komen, die de hertogin van Bouillon beschuldigt, want ik voorwaar zal tegen hem strijden."
Nauwelijks had hij dit gezegd, of de graaf van Frankenburg trad op hem toe, en lachte schamper, hem beziende van hoofd tot voeten:
"Vriendje! wat begeert gij? Wel toont gij u moedig in eene zaak, die u niet heeft geroepen."
Helias zeide rustig, en hij rekte zijn krachtig lichaam hoog op:
"Ziedaar mijn handschoen, ik geef dezen u, om de eere Gods en om de minne der edele vrouw. Heden zult gij bevinden, wat een ridder van avonturen doen kan."
De graaf van Frankenburg nam Helias' handschoen en de keizer ontving hun beider eed.
"Wanneer wilt gij kampen?"
Helias ging naar voren.
"Nog dezen dag."
Daar de graaf dit niet durfde weigeren, werd het strijdperk gereed gemaakt, en in een wijden kring gingen de keizer met zijne heeren, de hertogin en hare dochter zitten. De edele vrouwen smeekten God, dat de edele ridder van avonturen zou overwinnen, en de beide strijders reden op elkaar in. Bij den eersten stoot braken de lansen en daarom streden zij verder met hunne zwaarden, tot de graaf van Frankenburg zich niet meer kon verweren, en een spanne tijds vroeg, teneinde te mogen spreken.
"O edele ridder!" aldus sprak hij, "maak met mij vrede, ge kunt verkrijgen daarvoor mijne dochter en het land van Ardennen."
Dit was Helias' antwoord:
"Meent gij, dat ik u zal steunen in uw verraad? Spreek daarover niet meer, want van mij hebt gij geene genade te wachten. Ik zal de hertogin verlossen, en hare dochter zal ik trouwen tegen uwen wil."
Na deze woorden sloeg de graaf den ridder, Helias, het zwaard uit de handen. Deze echter sprong van zijn paard, greep den graaf van Frankenburg vast, sleurde hem ter aarde, brak zijn schild, en ontwrong hem zijn zwaard. De graaf van Frankenburg smeekte om genade. Helias sloeg hem 't hoofd af.
Helias keerde zich weder tot den keizer, hem groetende, en de keizer, Otto de Eerste van Almanien, herstelde de hertogin in haar eer, en gaf haar heur land terug. Ze dankte hem vriendelijk.
"Dan geef ik mijne dochter en mijn land aan hem, die 't eerlijk heeft gewonnen."
Daarna sprak de keizer dit oordeel, opstaande van zijnen troon: