Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 16
Niemand sprak woorden van troost tot den boer, die zijn vrouw verloren had. Des avonds kwamen zijn buren bij hem, 't lampje brandde, en zij tuurden met hem in 't licht. Iederen avond weder namen zij in stijve houding afscheid--moeilijk de zinnen vindend, welke bij het afscheid worden gezegd--dan blies de boer 't licht uit, en gesterkt door hun gezwegen troost, kroop hij in zijn bedstede. Den volgenden dag was hij klaar voor zijn werk, want hij had te zorgen, dat zijn kind door 't leven kwam.
De buurvrouwen wilden wel voor 't kind zorgen, dat het gewasschen en gekleed werd. De boer verbaasde zich niet, dat het steeds zoo goed voor den dag kwam, even zoo, of de moeder het hielp. Nooit vroeg hij, wie het oppaste. Hij zou hetzelfde voor zijn buren hebben gedaan, wat ze nu voor hem deden, en des avonds in de stilte vroegen ze hem niets.
Het is echter bekend, dat vrouwen onder elkander meer praten dan mannen, en eens, toen de boerinnen uit de streek tezamen waren, bespraken zij, hoe flink het kind groeide, en hoe er een waarlijk-moederlijke hand voor waakte.
Ze meenden, dat nu degene, die zoo deugdzaam was om het kind te helpen, wel te voorschijn zou komen, maar de vrouwen zwegen, en zagen elkander aan.
Toen werd er gevorscht naar den naam der bescheiden helpster--: wie zou het wezen, die het kind zoo goed verzorgde? Niemand antwoordde.
De buurvrouwen letten nu voortaan op; wie er des morgens de hoeve binnenging--tot haar verwondering ontdekten ze geen mensch. Alles was stil om de boerderij. En toch was steeds 't kind goed verzorgd.
Men sprak er met den boer over. Wie zou 't wezen, die zóó, zonder iets in ruil te vragen, op den jongen paste?
Inplaats van naar 't werk te gaan, bleef de boer een ochtend voor de deur van zijn hoeve wachten. Geen mensch naderde het huis. Hij wilde al weer naar 't werk gaan ... daar hoorde hij eensklaps in de kamer zacht praten.
"Heb je goed geslapen, mijn kindje? D'r is nog zand in de oogjes--ik zal 't d'r uitvegen. En heeft 't kindje gisteren de pap lekker opgegeten? Is 't kindje zoet geweest?"
't Was de stem van zijn vrouw, die daar klonk, met een droevigen klank. Zachtjes opende hij de deur. 't Kind lag in de bedstede, de kleine handjes uitgestrekt, en lachend over heel zijn gezicht. Er was echter niemand anders in 't vertrek.
Op dat oogenblik begreep de man, dat zijn vrouw in der witte wiven macht moest zijn, en hij besloot des avonds met de buren erover te beraadslagen, hoe ze haar moesten bevrijden. Ze verlangde naar haar huis terug, en daarom moesten allen hem raden.
Tot laat in den nacht bleef men bij elkander.
Er werd besloten, dat men heel in de vroegte met een kar naar de belt zou rijden, waar de witte wiven woonden, en de vrouw met geweld mede zou rukken. Men zou zich met geweren wapenen, en deze tegelijkertijd afschieten, opdat de witte wiven op een afstand zouden blijven. Men doorwaakte dezen nacht en eerst, nadat een vage, troebele schemering zich uit den duister had geheven, spande men twee vurige paarden voor een wagen, en men reed weg, de bergen tegemoet.
De boeren spraken geen woord, opdat de witte wiven niet zouden weten, hoeveel zij in aantal waren, en dus niet met de vrouw zouden vluchten. Het geleek wel een doodgewoon boerenkarretje, dat op den weg reed, om naar de markt te gaan. De witte wiven kwamen te voorschijn, en ze wachtten bij den weg--
"Op zij," riep de boer, die 't paard mende, en hij knalde met de zweep.
De wiven lachten.
Ineens sprongen allen uit de kar en schoten de geweren af. De wiven vluchtten, de nevelen weken tot aan den horizon. De boeren volgden haar, en in een heidegroef vonden zij de vrouw, die smeekte:
"Neem mij mee. Ik heb zóó naar mijn kind verlangd."
"We zijn gekomen, om je los te maken," sprak de boer ernstig. "Stap nu maar dadelijk op, want anders komen de witte wiven weerom."
"Nee--nee," huiverde ze, smeekte ze, "nooit meer de witte wiven."
"Dat zal ook niet meer gebeuren."
Ze namen haar bij de hand, en leidden haar naar den wachtenden wagen. Dreigend omdrongen de nevelen haar, de monden wijd geopend (zoodat de witte, slierende tongen te zien waren), de klauwen uitgezet. Wild reden de vurige paarden naar de hoeve terug--met wijde passen liepen de onvermoeide wiven mede, en ze schreeuwden vreeselijke woorden.
"Je komt weerom--dansen op de bergen--gevangen in den sluier--voor eeuwig--Vrouw! we wachten jede tooverwoorden worden gesproken, al zijn ze vreemd--'t Leven gaat zijn gang--wie houdt het tegen? Ga dadelijk mede terug--dan zul je geen angst kennen. Later mag je niet meer uit vrijen wil komen, als de woorden niet gezegd worden."
Op deze wijze dreigden de witte wiven, tot zij de hoeve waren genaderd. De vrouw liep met gebogen hoofd 't huis binnen--gelijk iemand, die door berouw wordt gekweld.
Buiten dansten de witte wiven, en ze zongen, wachtende, daarbij een lied op een vreemde, eentonige wijs, maar de vrouw kwam niet naar haar toe. Ze hield de handen tot gebed gevouwen.
"God in den Hemel," zoo bad zij, "Vader der schepselen--verlos mij van den nood--red mij uit de scherpe tanden en klauwen. Leid mij, want de nacht is gekomen, en de morgen nog verre. Ben ik niet als een blinde, daar mijn oogen niet door de duisternis kunnen zien? Ben ik niet als een kreupele, daar er vele steenen liggen op den weg? Wanneer ik mijn armen uitstrek, voel ik, hoe zonder kracht ze zijn, doch met Uw hulp, o Heer, zijn zij sterk en geen zwakheid blijft in mij."
Haar kind legde men in haar schoot, en toen zeide zij vroom:
"Zoo ik alleen om mijnentwil smeekte, zou ik niet meer wagen, tot Uwen troon te komen. Doch Gij, o Heer, die ook ziet in mijn lichtzinnig hart, en Gij, die alleen weet, welk een moeielijken strijd ik voer tusschen de lokkende zonde en de plichten des levens, zult om der wille van mijn kind ...."
Ze snikte luid.
"Als 't om mijn kind is--dat ik niet in dit huis bleef geef dan Uwen wil te kennen. Want hoe weten wij, arme menschen, wat goed voor ons is?"
Aldus bad en weende zij, terwijl buiten de witte wiven dansten en haar lokten.
De volgende dagen sprak men weinig tot de vrouw. Men liet haar binnen haar gedachten leven, want wie zou kunnen helpen? Stil sloop ze door 't huis en de schuur, en langzamerhand leerde ze weder ieder hoekje kennen.
't Deed haar vreemd aan, dat alles zoo onveranderd was. De roodbonte koe kende haar weder--het dier hief den droomerigen kop, en liet zich vol vertrouwen streelen. De geit blaatte, toen ze naderkwam, vol tevredenheid. De hond voor 't hok bleef rustig op zijn plaats staan, turend in de verte. Zelfs de kippen en de haan wisten, dat de vrouw terug was, en als ze over 't erf kwam, liepen ze haar tegemoet, want zeker had ze een restje van aardappelen of kruimels brood. Was ze ooit weg-geweest?
En de dingen--hoe waren zij haar vertrouwd!
De haard, waarboven de ketel hing. De bleek-houten tafel, en de gekleurde, gekramde kopjes. De schotels op den schoorsteen. De klok met zijn vroolijken koekoek. De klompen van haar man. De steenen van den vloer. Buiten 't jaartal met de ijzeren cijfers. 't Riet van het dak met 't groene mos.
Het was goed, om weder tehuis te zijn.
Wanneer de woorden nu maar nooit gesproken werden, die haar weder in de macht der witte wiven zouden brengen! 'Zij gevoelde het, dat zij--hoe vreemd ook--gezegd zouden worden. De witte wiven hadden haar gewaarschuwd:
"'t Leven gaat zijn gang--wie houdt het tegen?"
Soms geleek 't haar, dat haar hart stil-stond, daar zij de woorden des verderfs in haar ooren hoorde. Ze zweeg zóó lang, tot eindelijk de man weder met haar sprak, en vroeg, of ze nu nooit, nooit weder naar de witte wiven zou terug-gaan.
"Als 't van mij afhing--," sprak ze, "nee! nooit meer, want ik weet, dat het slecht was, u allen te verlaten, en met de witte wiven van Tubbergen te dansen. Je weet 't, dat 't niet van mij afhangt ...."
Ze zweeg, en in haar oogen was al het leed harer ziel. Niets van haar smart bleef voor hem verborgen.
"Wat is er dan?" vroeg hij weder.
"Er zijn woorden, die nooit gezegd mogen worden."
Even wachtte hij. Toen hernam hij zachtjes.
"Welke zijn die woorden dan?"
"Weg, jou varken ...." heeten ze. Als die woorden gezegd worden, kom ik in de macht der wiven. Zorg, dat ze niet gezegd worden, die woorden."
Hij lachte luid.
"Ze zullen nooit gezegd worden."
Zij stond op, en zag hem aan, vol stille boosheid en angst.
"Hoe kun je lachen? Als die woorden gezegd worden, ben ik voor altijd verloren. Wie zal er dan op 't kind passen, en wie boerin zijn op de boerderij? Bid liever voor mij, dat de woorden nooit gezegd zullen worden. Ga naar de meiden en de knechts, ga naar de buren, zeg 't hun, dat ze op hun woorden passen."
Hij lachte niet meer. Er waren diepe groeven in zijn voorhoofd, nadat hij de meiden, de knechts en de buren had gewaarschuwd. Ze hadden hem allen beloofd, dat ze op zouden passen. En toch ... terwijl hij langs het weiland ging, bemerkte hij de witte wiven, en hij hoorde haar zegevierenden lach.
Wat kwam het er voor haar op aan, hoevele jaren het zou duren, dat de vrouw weder met haar op de bergen zou dansen? Zij wisten, dat de woorden moesten worden gesproken, omdat er geen strenger wet is dan het leven.
Het waren vreemde dagen, die volgden. Wanneer de boer van het land in zijn hoeve trad, verwachtte hij telkens, dat de vrouw reeds was vertrokken--dan was hij blijverwonderd, dat ze er nog zat.
"Is er niets gebeurd?" vorschte hij. "Niets? Was er niemand aan de deur?"
Ze antwoordde, zonder op te zien, met doffen klank.
"Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken."
In haar stem bleef de zekerheid, dat ze eens gezegd moesten worden, al deze dagen. Dikwerf stond ze aan de deur, en staarde in de schemerige verte. Ze had haar kind en haar huis lief--en toch ... Behoorde ze niet aan de witte wiven?
Ze boog haar hoofd voorover, om beter alles te kunnen onderscheiden. De witte wiven dansten iederen avond, en ze zongen een melodie van zondige bekoring.
Wat ze had volbracht in de dagen, dat ze bij de witte wiven was geweest ... deed zij thans niet meer: nooit zorgde ze voor het kind, en ze liet het aan haar buurvrouwen over. In haar geest was de donkere schaduw ... angst en verlangen, om weder op de bergen te mogen zijn, overheerschten haar nu.
Soms gleed zachtjes een witte wive langs de boerderij--als ze zoo op den drempel stond--even wachtende. Dan strekte de vrouw de armen naar haar uit, en de woorden, die verlossing en vloek zouden brengen, drongen zich naar lippen. Waarom zij ze niet zeide? Misschien dacht ze wel aan den eersten dag, dat ze weer tehuis was gekomen, of misschien was het toch wel vrees, om haar kind alleen te laten.
De witte wive gleed verder--gleed langs het hek--over de sloot--gleed in de nevelen van den avond--werd één met de onwezenlijkheid.
Als de man een uur later in de hoeve kwam, zag hij zijn vrouw als steeds bij 't haardvuur zitten. Wanneer hij haar vroeg, of er iets was gebeurd, dien dag, of iemand bij de deur was geweest, klonk haar stem dof en moedeloos:
"Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken."
Er kwam een dag, dat de man 't vergat, om de vraag te stellen. Hij had hard gewerkt, en was vermoeid. Daarom ging hij dadelijk slapen.
De vrouw herinnerde hem er niet aan, en voortaan bleef ze met haar gedachten alleen. Zij-zelf zeide het noch de meiden noch de buren noch de knechts, dat zij voorzichtig moesten zijn. Telkens weder streken de witte wiven 'thuis voorbij, toléén harer de vrouw toefluisterde:
"Spoedig wachten we je op de heuvelen."
Klankloos antwoordde ze, 't hoofd gebogen, de handen naar den grond gestrekt:
"Ik weet het, witte wive. Laat het gauw zijn."
Eenige dagen later was een van de knechten aan het werk, bezig met garven te vleien. Hij bemerkte niet, dat het varken kwam aanwaggelen, tot het dichtbij was, en aan het koren rook. Hij schopte het ... even later was 't dier terug.
"Weg jou varken!" riep de knecht ongeduldig.
Toen schoten hem de woorden weder in zijn geest, en hij liet 't koren in den steek. Hij liep, wat hij loopen kon naar den boer toe. Op den akker stond de man, maar die wist reeds, dat er iets vreeselijks was gebeurd.
"Je hebt de woorden gezegd," riep hij hem van verre toe.
"Ja baas."
Tezamen gingen ze naar de hoeve. Ze vonden de vrouw niet meer. Er was geen spoor van haar overgebleven. Nooit meer kwam ze terug, en de vloek had zich voltrokken.
Ze danst met de witte wiven op de belten, en ze behoort niet meer bij dit menschengeslacht. Velen hebben haar gezien--ze draagt lichte, grijze kleeren. In haar ooren heeft ze prachtige bellen, schitterend van goud. Om haar hals zijn paarlen. Doch men zegt, dat ze veel heeft geschreid, en dat men haar soms hoort weenen om de zonde, die het einde was van haar leven.
XXXVII
Wonderlijke Avonturen van den Ridder met den Zwaan
In het oude koninkrijk Lilefoort heerschte de vorst Pyrion, wier vrouw Matabrune was geheeten. Zij was slecht van hart, hoe slecht, zult gij uit deze schoone historie en miraculeuse geschiedenis van den ridder met den zwaan hooren.
Koning Pyrion en koningin Matabrune hadden een zoon, met name Oriant, een jongeling, die de jacht liefhad. Eens, dat hij een hert achtervolgde,--het was na zijn vader's dood en hij was koning van Lilefoort--moest hij 't lijdelijk aanzien, dat 't dier zich, vluchtend, in een stroom wierp, en zwemmende den anderen oever bereikte. Toen keerde Oriant terug, en ging rusten onder eenen boom, bij eene bron. Terwijl hij daar nu zat, kwam er een jonkvrouw met vier dienstmaagden, eenen ridder en twee knechten, en ze zeide tot Oriant:
"Wat doet ge in mijne heerlijkheid te jagen? Wie heeft u daartoe verlof gegeven. Of meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe ge een hert hebt achtervolgd? Voorwaar, ik zeg u, het had u niet behoord, zoo ge het had gedood! Doch ook thans zult gij uw misdrijf boeten."
Oriant had voortdurend haar aangezien, terwijl ze deze woorden sprak, en de stem, waarmede hij antwoordde, kende alreeds de ontroering der liefde.
"Schoone jonkvrouw--" zoo zeide hij, "ik zou niet gaarne tegen uwen wil handelen. Wat ik nam, nam ik als uw leenheer. Weet, wie ik ben! Mijn naam is Oriant, en ik ben de zoon van koning Pyrion en koningin Matabrune: koning van Lilefoort ben ik."
De ridder--Savari was zijn naam--sprong, na deze woorden te hebben gehoord, van zijn paard, en knielde neder. Groetend den edelen vorst, smeekte hij als volgt:
"Heer! vergeef Beatrijs, mijne gebiedster, wat ze u heeft misdaan. Zij kende u niet, en dit is de reden van hare misdaad."
Mild sprak de edele heer, Oriant, de zoon van koning Pyrion en koningin Matabrune:
"Wat zij boeten zal, zal met haren wil zijn. Ik ben ontroerd door hare schoonheid."
En hij keerde zich tot de jonkvrouwe en sprak:
"Welschoone maagd! wilt ge mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u."
Toen voerde hij de reine Beatrijs naar Lilefoort, en al zijnen ridders zeide hij, dat hij met haar zou trouwen. En men vertelde het Matabrune, dat Oriant Beatrijs tot koninginne zou kronen.
Nauwelijks had Matabrune het gehoord, of ze trad haren zoon Oriant tegemoet. Oriant lachte, daar hij meende, dat zijn moeder wel mèt hem verblijd zou zijn, en hij riep haar uit de verte toe:
"Wees blijde, wees blijde, want ik heb de schoonste vrouw der wereld gevonden."
Matabrune antwoordde toornig:
"Niet ben ik blijde, neen! niet ben ik blijde, gij hebt maar een eenvoudig meisje genomen, gij, een machtige koning."
Oriant lachte niet meer. Hij vervulde echter zijn belofte, Beatrijs gedaan, in tegenwoordigheid van den ridder Savari, en hij kroonde haar als de koninginne van Lilefoort. De booze Matabrune moest wel doen, alsof zij tevreden was, al haatte ze Beatrijs, de schoone koningin.
Matabrune verzoende zich niet met Beatrijs, en ze was niet gelukkig met allen, die Oriant liefhadden. Toen koningin Beatrijs moeder van een tweeling was geworden, fluisterde Matabrune, nadat de kinderen ten doop gebracht waren, tot Oriant den koning:
"Zien mijn oogen het goed, dat er twee kinderen zijn, die Beatrijs u heeft geschonken? Weet gij wel, dat deze twee kinderen niet beiden van u kunnen zijn? Ik vrees, dat Beatrijs ook eenen anderen man liefheeft."
Oriant wachtte niet lang met zijn antwoord.
"Waarom kunnen er niet twee kinderen tegelijkertijd geboren worden? Dat kan zeer wel geschieden, moeder, want God's goedheid kan ééne vrouw wel zeven kinderen geven, waarom dan niet twee?"
De booze Matabrune bemerkte hieruit, dat de koning te verblijd was, en haar niet geloofde. Daarom wachtte zij op een lateren tijd.
Nu geviel het, dat er eenige maanden daarna oorlog uitbrak, en de edele koning Oriant met zijne ridders ten strijde toog. Voor dien liet hij zijne moeder Matabrune bij zich komen, en hij zeide haar:
"Zult gij--wanneer ik weg ben--voor mijne vrouw Beatrijs zorgen, of zij uw dochter ware? Zie! ik vertrouw haar u toe."
Matabrune sprak hierop plechtig:
"Ik belove 't u."
Oriant nam van, zijn reine vrouw Beatrijs afscheid. Zij weenden beiden, en hun tranen vloeiden ineen. Hij kuste haar 't voorhoofd en den mond, en hij streelde hare armen, zonder woorden te zeggen. Hij besteeg zijn paard, en toen vertrok de vorst, de voorste der ridderen, gelijk 't behoort.
Zoodra hij was heengegaan, bedacht Matabrune, hoe zij zich op Beatrijs kon wreken. Ze liet de vrouw bij zich komen, die voor Beatrijs in hare krankheid had gezorgd, en ze sprak tot haar als volgt:
"Ge weet wel, dat mijn zoon Oriant tegen mijnen wil Beatrijs heeft getrouwd, die maar een arm meisje was, en hij was een machtig koning. Hoor nu, wat ik heb besloten, want ik wil, dat hij van haar afkeerig wordt."
"Ge weet--" zoo antwoordde de vrouw, "dat Beatrijs, de koningin, weder een kind verwacht. Wat meent ge, als we zouden zeggen, dat zij dit kind heeft gedood? Zeker zou de koning, Oriant, haar haten, wanneer hij dit zou hooren:"
"Dit is mij niet genoeg--" hernam Matabrune. "Zoovele kinderen als Beatrijs ter wereld zal brengen, zoovele jonge honden leggen wij ervoor in de plaats. Wij zullen dan zeggen, dat deze jonge honden hare kinderen zijn, en ik zal iemand bevelen, om haar werkelijke kinderen weg te dragen en te dooden. Dan voorwaar zal Oriant, de koning, wel van Beatrijs afkeerig zijn."
De vrouw beloofde, dat zij gehoorzaam zou zijn aan Matabrune's bevelen.
Beatrijs bracht zes zonen ter wereld en eene dochter. Ze hadden allen bij hun geboorte een zilveren keten om den hals, zoo edel was de moeder. Nauwelijks had Matabrune dit alles vernomen, of ze voerde de kinderen weg, en in de plaats daarvan legde ze zeven jonge honden naast Beatrijs, de zieke koningin.
Dit nu riep de vrouw, die Matabrune bij zich had laten komen. Ze riep met luide stem tot Beatrijs:
"Wee koningin Beatrijs! Wee over u! Gij hebt zeven jonge honden ter wereld gebracht! Wee! Wee!"
De slechte Matabrune zeide:
"Doe weg dat schandelijk stuk, en begraaf de honden op het veld. Houd het geheim, vrouw, opdat des konings eere niet gekrenkt worde."
Beatrijs dan was zeer zwak. Zij had het niet bemerkt, welk verraad er was geschied. Het duurde wel een tijd, voor ze bij haar zinnen kwam. Op dat oogenblik keerde Matabrune haar gansche haat tegen Beatrijs, de ongelukkige koningin uit, haar scheldend met booze woorden, dat zij jonge honden het leven had geschonken en geene kinderen. Met moede stem zeide Beatrijs:
"Toon ze me dan, want ik kan u niet gelooven."
Men liet haar de jonge honden zien, en toen schreide Beatrijs, omdat ze voor altijd de liefde van haren man, Oriant, had verloren.
De vrouw, die haar in haar ziekte had verzorgd, zeide met valsche stem:
"Ge behoeft niet te weenen, edele koningin, want ge hebt uw schoonheid behouden, en Oriant zal u niet minder liefhebben, wees er zeker van."
Beatrijs schreide door, en naar dezen troost luisterde ze niet.
Matabrune was verblijd, daar haar de schandelijke daad tot dusver was gelukt. Zij riep haren dienaar--Marcus was zijn naam.
"Vriend, ge moet mij eenen dienst bewijzen, maar ge moet geheim houden, wat ge voor mij doet. De koningin, de sluwe Beatrijs, is moeder geworden van zeven kinderen, zes zonen en eene dochter, die droegen bij hunne geboorte ieder een zilveren keten om den hals. Dit is een teeken, dat zij later dieven en moordenaars zullen worden, en daarom moeten ze sterven, vóór zij Oriant, den koning, in schande brengen. Voer de zeven kinderen met u in een bosch, en doe ze daar sterven."
Marcus boog voor de slechte koningin, Matabrune, en hij beloofde, dat hij naar haren wil zou handelen. Hij nam de zeven kinderen, verborg ze onder zijnen mantel, en reed naar 't woud, waar hij, van het paard stappend, ze nederlegde. Hij beschouwde ze, en toen zag hij, dat ze schoon waren. Hun zilveren kettingen blonken in de zon, en Marcus, de dienaar, bepeinsde, dat deze ketenen wezen op groote dingen in de toekomst. De kinderen lachten hem toe, en hij kreeg medelijden.
Hij beval de kinderen in Godes barmhartigheid aan, en hij keerde naar Lilefoort terug, om naar het paleis van Matabrune te gaan. De booze Matabrune beidde hem reeds, en ze vroeg hem ongeduldig, of hij haar bevel had gehoorzaamd, en of hij de kinderen had gedood. Haar dienaar, Marcus, antwoordde met een enkel "ja," en wendde zich van haar af. Matabrune was zeer blijde, en nu besloot zij, om Beatrijs ook te doen dooden, zoo het kon, door Oriant's hand.
Haar ongeduld behoefde niet lang te duren, want Oriant reed spoedig daarna de stad Lilefoort binnen, trotsch te paard gezeten, als overwinnaar der vijanden. Matabrune ging hem tegemoet. Hem groetende, weende zij, en zij weende:
"Lieve zoon! blijde ben ik, dat gij weder hier zijt, en dat gij als overwinnaar zijt teruggekeerd, maar ik ben vol droefheid om wat er met uwe vrouw, met Beatrijs, is geschied!"
De koning schrok, en hij boog zich voorover, zijn stem angstig voor de eerste maal zijns levens.
"Zeg mij dan, moeder, is Beatrijs gestorven?"
"'t Is de dood niet, het is een schandelijk stuk van uwe vrouw, waarom ik zoo droeve ben. Ik durf het u niet te openbaren, laat een ander het u zeggen."
"Neen, moeder, zoo het een schandelijk stuk van mijne vrouw is, vraag ik van u voorwaar, het mij te bekennen. Want uit uwen mond kan ik het 't beste hooren."
"O! heer, mijn zoon, o koning Oriant, verneem dan, dat niet Beatrijs moeder is geworden van menschenkinderen, doch dat zij zeven jonge honden ter wereld heeft gebracht."
Toen ging de koning, de edele Oriant, met eenen ridder in eene kamer, en hij weende langen tijd, tot uit zijn oogen geene tranen meer konden vloeien. In eene andere kamer was de koningin, de edele Beatrijs, en ook zij weende hare smart. Een schildknaap, die haar had gediend, was haar komen zeggen, wat Matabrune, de moeder des konings, haren zoon had bekend.
Vervolgens riep de koning zijnen raad tot zich, geestelijken en edellieden, en hij sprak tot hen:
"Ik heb u hier bijeen doen komen, om mij van raad te dienen in de zaak tegen Beatrijs, de koningin. Hoort, wat Matabrune, mijne moeder, mij heeft gezegd. Niet heeft Beatrijs mij kinderen geschonken, zonen en dochteren, menschen als menschen geschapen, doch jonge honden waren haar deel."
Na deze vreeselijke woorden zweeg de raad eenen langen tijd. Eindelijk stond een oud en wijs man op. Dit was de raad, welke hij den edelen Oriant gaf:
"Heer koning! zoo Beatrijs aan eenige misdaad schuldig is, kan deze wel buiten haar weten zijn geschied. Daarom is zij niet met den dood te straffen. Beter is het, dat ge wacht, tot God, die een rechtvaardig rechter is, de waarheid zal openbaren."
De koning was zeer getroost door deze woorden, doch weder rimpelde zich zijn voorhoofd, toen een ander ridder met booze stem uitriep: