Nederlandsche Sagen en Legenden

Part 15

Chapter 15 4,031 words Public domain Markdown

"Nee--nee Herbert--ga nooit weer in den kuil. Ze zijn slecht, de witte wiven."

Na dezen volgde hij haar zin. Wanneer hij des avonds den kuil voorbij-kwam, liep hij naar zijn huis door, en zacht klonk hem dan Johanna's stem:

"Nee--nee Herbert."

Liefde was zelfs nog geen woord voor hem. Toch dachten zijn ouders en de hare--zij bekenden het elkander glimlachend--dat Herbert en Johanna wel een paar zouden worden. Scholte Lodink, een oud soldaat, schertste, terwijl hij met de vuist op tafel sloeg:

"Als dat eens waar was--dat ze man en vrouw waren--in Barchem zouden er geen twee gevonden worden met meer rijkdom."

En zijn vrouw Christine lachte witjes.

"Maar"--riep eens Scholte Lodink uit, "ze moeten niet gedwongen worden. Al wil mijn dochter Johanna trouwen met een keuterboer, mijn gezegde is: "je mag twee jonge lui niet van mekaar halen."

Toen lachte juffer Christine niet meer. Ze dacht bij zichzelve:

"'t Is goed, dat Herbert en Johanna bij elkaar zijn, want mijn dochter zal niet met een armen jongen trouwen, daar zal ik voor zorgen." Ze sprak haar gedachten niet uit. Zuinig zat ze te kijken, den mond vast-gesloten.

"De liefde, zeg ik maar, voor alles," ging de rijke Scholte voort, "als er geen liefde is, kun je met geld ook al niets beginnen. Herbert en Johanna zullen een paar worden, al had hij ook geen geld."

Eenige jaren later kon hij zijn woorden waar-maken, want Herbert's ouders wonnen een proces, doch ze verloren er hun spaarpenningen mede. Toen waren de gedachten van moeder Christine vol zorg over de toekomst van haar dochter. Was zij niet de vrouw van Scholte Lodink, en moest Johanna dan trouwen met zulk een armoezaaier, die alleen met zijn handen zijn brood kon verdienen? Ze ging voor den haard zitten, en peinsde. De vlammen speelden hoog-op en gloeiden langs den ketel, de vonken vlogen van 't droge hout, dat zichzelf telkens wentelde. Moeder Christine hield haar handen uitgestrekt, dat alle warmte over de vingertoppen streek. Altijd zeide ze, dat ze zóó het beste kon denken.

Wat haar inviel, was niet gelukkig voor Herbert en Johanna. Want terwijl ze zich vooroverboog, om vooreen stuk hout grooteren doorgang te maken dan het tot dusver had, ontdekte zij, dat ze een anderen vrijer voor Johanna wist dan Herbert ...: Albrecht! Albrecht had alles, wat je van een huwelijkscandidaat mag verwachten, zoo meende ze; hij was een kloekgebouwd man, en hij was rijker dan wien ook in den Achterhoek. Hoe zou ze de beiden bij elkaar kunnen brengen, zonder dat Johanna het sluw opzet bemerkte?

Geen beter koppelaar dan het toeval!

Eens ontmoette moeder Christine Albrecht, terwijl ze er eigenlijk 't minst op verdacht was. Ze hield hem aan, dadelijk tot een gesprek gereed.

"Wel Albrecht," zoo sprak ze, "wat zie ik je tegenwoordig weinig."

"We loopen elkaar uit den weg, juffer Christine," lachte de jonge man.

"'t Lijkt wel zoo--Je moest eens een avond bij ons komen, dan kun je met den Scholte nog eens over politiek praten."

Dat haar dochter thuis zou zijn, wanneer er over de politiek zou worden gesproken, kan iedereen gemakkelijk begrijpen. En ziet! moeder Christine speelde haar beste kaarten uit: want Johanna was dien avond op haar blozendst en mooist, en als speelde er de wind door, zoo dartel waren haar krullen over 't blanke voorhoofd. Alle geheimen van haar jeugd, anders zoo verborgen achter den nevel harer oogen, las je nu op haar vroolijk gezicht, vrij-uit, of ze een kind was, en geen meisje, dat de liefde kende. Moeder Christine kon niet vermoeden, dat ze Herbert gezien had, en dat ze langs Albrecht heen-keek, als ware hij maar een levenloos ding. Moeder Christine, hoe slim ook, wist niet, dat er reden voor was, waarom Johanna op den drempel had gestaan, de handen boven de oogen. 't Was niet om de stralen der avondzon, 't was om Herbert beter te kunnen zien. Moeders, die willen koppelen, zijn slim en dom tegelijkertijd.

Ze kon er ook niets aan doen, dat er weinig over politiek werd gesproken, dien avond. Want er was met Herbert iets vreemds gebeurd, en Scholte Lodink wist het te verhalen. Herbert's naam werd meer genoemd dan het de vrouw van den Scholte lief was, en haar dochter zat te luisteren, of ze engelenmuziek hoorde.

Het was nu eerst bekend geworden, al was het een paar maanden eerder geschied.

Op een zomeravond kwam Herbert te paard van den hoefsmid. Hij reed op den smallen weg een kolk voorbij. Plotseling vloog een watervogel met luid geschreeuw op. Het paard schrikte, en sloeg aan den hol, rechtrennend naar den Wittewijvenkuil--

"Nee--neen," wilde Johanna roepen, maar op hetzelfde oogenblik bedacht ze, dat ze Herbert toch dezen avond gezond en wel had gezien, en ze glimlachte tegen zichzelve. De Scholte had even met zijn vertelling opgehouden. Vervolgens ging hij voort, zijn stem bedachtzaam, heel langzaam sprekend, en hij zag Albrecht daarbij aan.

"Zeker zou Herbert in de kuil zijn gestort, als niet een oude vriendin hem te hulp was gekomen, de oudste der witte wiven. Zij sprong op, haar klauwen grepen het dier in de manen en haar knieën stieten het in de zijde. Even nog trilde het paard. Herbert klopte het tegen den nek, streelde het, en rustig deed hij 't keeren. Stapvoets reed het naar huis."

Dit alles vond de oude Scholte gelukkig voor den jongen man. Maar niet voor niets was hij soldaat geweest: hij bewonderde Herbert om zijn moed.

Johanna schoof iets naderbij, om beter te kunnen hooren. Albrecht had den mond wijd-open van verbazing. Moeder Christine schoof onrustig op haar stoel.

Ja, wat had de drommelsche jongen gedaan? Teeder werd Lodink's stem.

"Op het oogenblik, dat hij gevaar liep verpletterd te worden, had Herbert in den kuil gezien--alles, wat de witte wiven er deden. Ze zaten voor een vuurtje, en daarboven was een groene boomtak, waaraan een vogel hing, netjes geplukt, of het door menschenhanden was geschied. Ze braadden 't vleesch, de witte wiven. 't Was maar goed ook, dat Herbert zijn oogen den kost had gegeven. Want daardoor had hij later zijn dankbaarheid kunnen bewijzen.

Hij was thuis gekomen, en had zijn zuster Aleid, met wie hij vroeger zoo dikwijls in den kuil was gedaald, onder vier oogen alles verteld. Hij had haar gevraagd, of ze voor de witte wiven een Driekoningenkoek wilde bakken, bruin van korst en zoet van binnen, en die wilde hij voor zonsondergang brengen. Aleid had geglimlacht. Was 't méér niet? Ze wilde nog meer voor hem doen. En toen hij haar had gevraagd, of ze alles netjes voor hem wilde klaarmaken, had ze hem aangezien en gezegd:

"Natuurlijk wil ik dat doen, maar onder één voorwaarde."

"En die is?"

"Dat ik mee mag gaan naar den Wittewivenkuil."

"Aleid," riep hij angstig, "dat niet."

"Zouden de witte wiven je kwaad doen?" had ze gevraagd. "Dan wil ik het gevaar met je deelen. Vroeger hebben wij er bloemen geplukt, Herbert, tot Johanna je vroeg niet meer te gaan. Dacht je, dat ik nu bang geworden was?"

Dagen lang van zelfopofferenden strijd hadden zij gekend. Aleid had overwonnen. Ze bakte de geurige Driekoningenkoek, en deed ze in een aarden schotel. Ze omstak het gebak met klimop, dat den aarden schotel bedekte, zoodat het scheen, of ze haar gave bood in een krans van groene bladeren. Ze wilde de koek dragen tot aan de groeve: Herbert bracht ze naar beneden. Wel klopte haar hart van angst, toen zij zag, dat dichtbij vanonder een struik, zich een groot hoofd naar voren schoof, en een groen oog haar bestaarde, maar zij hield zich moedig; en rustig, nadat Herbert weder boven gekomen was, schreed zij naast hem, huis-toe.

Den volgenden dag was Herbert naar den kuil gegaan. In de diepte had hij den aarden schotel gezien. De klimopbladeren lagen ernaast."

Toen zweeg Scholte Lodink. Hij knikte even zijn dochter toe, en wendde zich vervolgens naar Albrecht. Wilde hij den jongen man iets zeggen? Zijn dichte wenkbrauwen had hij hoog opgetrokken, er lagen rimpels in 't voorhoofd, en diepe groeven om den mond.

Na zijn verhaal was 't gesprek tusschen moeder Christine, Johanna en Albrecht slechts traag. Er was één woord in hun brein--doch hoe verschillend van klank--dat hun lust tot praten stremde: Herbert.

Moeder Christine dacht het met woede.

Haar man--de Scholte--had de vertelling al wel eerder gehoord, doch hij had op een goede gelegenheid gewacht, om ze mede te deelen. Hij had weder waarlijk getoond, dat hij een oud soldaat was, die zijn wapens op 't juiste oogenblik gebruikt, niet te vroeg en niet te laat. Ze moest het zichzelf eerlijk bekennen, dat hij de sterkste geweest was. Ze zou later wel eens kijken, besloot zij stil. 't Spel was nog niet voor hem gewonnen.

Johanna gevoelde den klank van het woord "Herbert" als een zoete troost. Zooeven had ze hem gezien. Krachtig ging hij over den weg. Hij had haar met een glimlach vol vertrouwen gegroet. Wie was tegen hem bestand? Er bestonden geen gevaren voor hem. Zelfs in den Wittewijven-kuil was hij gedaald, en waarom? Om zijn dankbaarheid te bewijzen. Goed en moedig was hij van harte. Welk meisje verlangde er niet naar, door hem te worden beschermd? Albrecht zat naast haar, en 't woord "Herbert" was in zijn bewustzijn gelijk een vloek, terwijl hij 't mooie, jonge meisje aankeek. Hij haatte de dapperheid. 't Leek hem, of Scholte Lodink hem minachtte, daar hij Herbert prees. Was hij eigenlijk minder dan Herbert? _Hij_ kon met zijn geld koopen, wat hij wilde--en wat was Herbert? Diep in hem brandde de wraaklust en de zekerheid, dat hij Herbert als zijn daglooner kon krijgen, en dat hij hem kon laten slaven. Herbert was een knecht, en hij de meester! Dat wilde hij Johanna duidelijk maken. Hij balde zijn handen tot vuisten. Wanneer hij 't verlangde, kon hij Johanna tot vrouw vragen, en Herbert kon hij laten zwoegen voor hem en haar. En als Herbert met Johanna zou trouwen--dan wist Albrecht een goeden zet. Dan zou hij de man voor zich laten werken, en hij zou hem 't leven zuur maken.

Zijn plannen stonden vast, toen hij afscheid nam. Maar hij liet niets merken. Zelfs Scholte Lodink wist niet, wat hij in 't schild voerde--

De arme Scholte Lodink!

Dien avond nog had hij van juffer Christine meer te verdragen dan daarvoor tijdens geheel zijn huwelijk. Zoo'n sermoen had hij nog nooit gehoord. De tong der vrouw kende geen rust--ze klapperde maar door, zonder dat hij er een woord tusschen kon krijgen. Hij was als oud soldaat anders niet vooreen klein geruchtje vervaard--hij had tegen vele soorten van vijanden gestreden, maar zulk een helsch vuur was er nog nooit over hem uitgegoten. Of hij zich verbeeldde, dat zij, Christine, haar toestemming tot 't huwelijk zou geven van Herbert met haar dochter? Wist hij dan niet, wat Albrecht bezat, en wat hij zou erven? Wat deed het ertoe, of iemand in den Wittewijven-kuil daalde--dat durfde Albrecht ook. Als 't daarom te doen was--of er in het leven niet nog heel wat anders kwam kijken! Wel twee uur ratelde ze zoo door, van 't een naar 't ander, van 't ander naar 't een, en het scheen Scholte Lodink toe, of hij er zelf buiten adem van geraakte.

Eindelijk lukte 't hem, haar stop te zetten.

Was Albrecht even moedig als Herbert! Dat had hij te bewijzen .... Boven 't geld stond mannemoed. Een man, die niet dapper was, zou zijn dochter niet krijgen. Er loeren allerlei gevaren voor het meisje, dat niet beschut wordt. Een sterk gemoed en een sterke arm zouden haar te pas komen, beter dan al 't goud der aarde. Wanneer Albrecht durfde, wat Herbert durfde, zou hij Johanna kunnen krijgen. Hij, als oud soldaat, wilde 't niet anders ... en sabels en kogels! hij zou zien, wie in dezen hem den voet dwars zou zetten.

"Meen je, dat Albrecht niet naar den Wittewivenkuil durft gaan?" vroeg hem zijn vrouw.

"Neen, dat durft hij niet."

"Ik zou niet weten, wat daar voor waagstuk aan was." Ze klemde de lippen op elkaar, tot haar mond de nauwe gleuf van een spaarpot geleek: er kon nog wel wat in, maar eruit kwam niets meer.

Haar woorden hadden den Scholte Lodink op een denkbeeld gebracht.

Den volgenden dag, toen hij met Johanna over 't veld ging, vroeg hij haar ronduit:

"Wien mag je liever lijden, Herbert of Albrecht?"

Zij bloosde om de plotselinge vraag. Hoe kon haar vader zóó dom zijn. Ze nam haar schort aan de tippen vast, op alle gebeurlijkheden voorbereid. In ieder geval--bij smart en bij vreugde--waren hier tranen te verbergen. Ze kende haar vader genoeg, om te weten, dat hij op haar kwaad niet doelde; doch tevens had ze wel gehoord, dat het gesprek tusschen haar vader en moeder lang had geduurd, den vorigen avond, en dat haar vader's bromstem het tegen haar moeder's fluitstem had afgelegd. Wat zou er geschieden? Haar boezelaar was gereed.

Weder klonk Scholte Lodink's vraag, en ze moest nu wel eindelijk een antwoord geven.

"Wien mag je liever lijden, Herbert of Albrecht?"

Angstig zeide ze:

"Herbert, vader."

"Dat heb ik wel gedacht," loofde hij vol blijdschap.

Dat was een goede tijding! Een paar kernachtige vloeken werden Albrecht's karakter nog nageknetterd. Op dat oogenblik tilde Johanna haar schort op, en wischte haar tranen van vreugde af. Ze wist nu, hoe sterk haar vader voor Herbert en tegen Albrecht was. Ze liet haar boezelaar weder vallen--ze nam zich den tijd niet, om de kreuken glad te strijken--ze legde haar wang, nat en wel, tegen 't behaard gezicht van den Scholte, en smeekte:

"Vader! help mij."

"Dat zal ik, mijn kind."

Hoe eenvoudig waren haar woorden, waarmede ze hem zeide, hoe ze Herbert liefhad. Gelijk een vogel in de Mei--(eenvoudig is zijn lied--diep de liefde, waarmede hij zingt)--minde zij. 't Was alles overgave, en verwachting. Want het allerteerste der liefde is, dat zij meer verwacht dan verlangt.

Toen sloeg de oude Scholte zijn armen om haar heen, en zij hadden beiden 't gevoel, vader en dochter, of zij kinderen waren. Was 't leven anders dan een licht spel? Geld had geen macht, de wereld was als een weide, waarop men slechts kransen had te vlechten. Wie slecht was, mocht niet medespelen.

Ineens begrepen zij het beiden, dat het maar een droom was. 't Leven was wreed, en moeder Christine had ook nog wat in te brengen!

Scholte Lodink kwam met zijn plan voor den dag.

Moeder Christine had gezegd, dat Albrecht even moedig was als Herbert. Dat zou hij moeten bewijzen.

Dit zou hij van de beide minnaars dus eischen: te middernacht zouden zij tweeën naar den Wittenwivenkuil rijden--Herbert van den Westkant, Albrecht van den Zuid. Als zij de groeve waren genaderd, moesten zij beiden een haarspit in den kuil werpen, en wie dan--natuurlijk elk door een witte wive achtervolgd--'t eerst aan de boerderij van den Scholte zou aankomen, werd Johanna's man.

Nu kon moeder Christine laten zien, dat Albrecht even versaagd was als Herbert.

Zoowel Herbert als Albrecht, hoorden zijn besluit rustig aan. Ze begrepen het wel, dat de Scholte gelijk had, zeiden zij. Want in die dagen zwierf er veel kwaad gespuis over den weg, en 't zou goed zijn, als Johanna niet den eersten den besten tot man had ....

Albrecht dacht bij zichzelven, dat het gemakkelijker zou gaan, dan hij zich had voorgesteld. Hij behoefde niet in den kuil te dalen. Voor zijn geld kon hij een edel paard koopen, en Herbert had maar een oude bles. Slechts éénmaal in zijn leven had hij zichzelf tot een flinke daad te dwingen, en bij slot van rekening beteekende deze nog niet zooveel. Hij kocht van een koopman 't allerbeste paard. Hij besloot stil en sluw in zichzelf, om 't haarspit van verre te slingeren--dan wilde hij wel eens zien, of de witte wive hem zou vangen, en of hij niet 't allereerst aan de hoeve van den Scholte zou aankomen.

Herbert dacht niet zoo verre. Hij had maar een ouden knol, en hij begreep wel, dat hij met alle macht had te rijden, om niet in de wive's macht te vallen. Toch wilde hij voor Johanna alles volbrengen, en rustig reed hij op den bepaalden avond van den Westkant naar den kuil. In de verte hoorde hij hoefslagen. Dus Albrecht's paard naderde ook? Hij dreef de bles met kort woord aan, tot hij vlak voor de groeve stond. Albrecht was er nog niet. Met vermetele kracht wierp hij het spit naar beneden, en riep met forsche stem:

"Wit--wit--wit-- Hier komt een ijzeren spit."

Woest ijlde Bles den berg af. Uit den kuil steeg de witte wive, haar klauwen uitgespreid, den mond wijdgeopend en onmiddellijk was ze achter den ruiter. De stormwind stak op en sloeg het graan naar beneden; de takken der boomen kraakten.

De witte wive was zóó dicht bij Herbert, dat hij haar adem gevoelde. O! als haar scherpe klauwen hem grepen.

Hij zette 't paard tot meerder drift aan.

"Hahaha," gierde de witte wive, "Herbert--je kunt me niet ontkomen. Voor 't huis van den Scholte zullen mijn klauwen je hebben. Ik zal me wreken, zooals ik me nog nooit op een menschenziel gewroken heb. Sta maar stil met je paard--dat is te oud voor zulk een wedloop. Albrecht, die een vurig ros heeft gekocht, heeft het zelfs niet gewaagd met mij te wedijveren. Halverwege is hij omgekeerd."

Als de witte wive geloofde, dat zij hem met deze woorden zou tegenhouden, vergiste zij zich. Neen, integendeel ... dat Herbert hoorde, hoe Albrecht had gefaald, gaf hem reeds de macht van den overwinnaar. Was zijn paard oud? In den meester was moed, in het dier angst. Vooruit ....

Hij voelde al even haar klauwen langs den nek--schrammend--toen hij 't erf van Lodink's hoeve op-reed. Een hard voorwerp suisde hem na. De witte wive holde naar den kuil terug.

"Hoezee!" riep de Scholte. Moeder Christine zeide niets--haar voorhoofd bestond alleen maar uit rimpels. Johanna viel den kranigen ruiter om den hals.

"En 't zal over een paar dagen bruiloft zijn," schreeuwde de gelukkige vader, "en ik zal een horlepiep dansen, zooals alleen een soldaat het kan."

"Heeft ze je niet geraakt?" vroeg Johanna bezorgd.

"Een lichte schram--en dan--heeft ze me nog wat nagegooid."

"Nagegooid?" zeide Scholte. "Laat eens kijken."

Ze gingen naar 't erf--

Herbert lachte.

"De witte wive wil ook niets houden .... Een stuk van den aarden schotel, dien wij haar gegeven hebben."

"Vreemd, dat die heel is gebleven," peinsde de Scholte, en hij nam de scherf op, en hield ze in de hand. "Wat is die zwaar."

Johanna trok hem aan de mouw.

"Kom ... vader ... laten we weer in huis gaan ... het is koud buiten."

De lamp brandde. De Scholte had de scherf in zijn hand. Eensklaps stiet hij een juichkreet uit.

"Die aarden schotel ... die aarden schotel ... is van goud. Dat is 't huwelijksgeschenk van de witte wive. Ze heeft je eerst nog wat vrees willen aanjagen, maar dat was haar wraak--Jongen ... Herbert ... je bent rijker dan de Scholte Lodink ... en rijker dan Albrecht."

Dit zeide de oude man, en hierbij keek hij schalksch zijn vrouw aan. Toen ook glimlachte juffer Christine, en ze breidde haar armen uit.

Maar Johanna--ja, Johanna--rustte al tegen den schouder van een ander, van een jongen man--en de armen van haar moeder had ze niet meer noodig.

XXXV

Het ontstaan der Namen van verschillende Hollandsche plaatsen. Haarlem met de Bakenessergracht, Deventer, Markeloo, Zandeweer, Domburg

In oude tijden--'t is algemeen bekend--werden Holland en Friesland door reuzen bewoond. Onder dezen had er een, Lem genaamd, te Leiden zijne woonplaats. Deze kreeg van eene reuzin eenen zoon, dien hij mede Lem noemde, en die daarom gewoonlijk Lem de Tweede heet. Toen de knaap volwassen en ridder geworden was, stichtte hij in de nabijheid van Leiden eene stad en noemde deze naar zichzelven Haarlem (Heer Lem).

In dien tijd was het tegenwoordige Haarlemmerhout aan Bacchus gewijd, die daar een' schoonen tempel had. Hiernaar heet nog heden eene gracht in de nabijheid van Haarlem Bakenessergracht en eene kerk Bakenesserkerk,

De Chatten of Hessen hadden voor vele jaren hun vaderland verlaten, en waren onder hun hoofd en leidsman Bato in de Betuwe aangeland, waar zij hun woonstede hebben gevonden. Een ander deel van dien stam trok echter Noordwaarts en kwam _op avontuur_ aan in een plaats, gunstig aan een rivier gelegen.

"Hoe zullen wij de stad noemen?" vroeg de eene Hes den anderen Hes.

Goede raad was niet goedkoop.

Eindelijk vond een der wijsten hunner bij ingeving den knapsten raad.

"Dat is te zeggen ...." zoo sprak hij met verstandig beleid, "we hebben dit bij avontuur gevonden. Laten wij de stad dus D'avontuer noemen."

Zijn voorstel vond bijval. Hij werd op een schild geheven.

Sinds dien heet de vermaarde koekstad Davontur of Deventer!

Met Zandeweer vallen we in de moderne historie.

Een paar inwoners van 't Zandt waren aan 't kuieren op een kronkelweg, en bij iedere kronkeling zagen zij een toren, precies gelijkend op zijn collega in hun geboortedorp. Telkens, wanneer ze den toren weder bemerkten, riepen zij beiden in koor:

"Daar heb je 't Zandt-al-weer. Daar heb je 't Zandtal-weer."

Sinds dien heet Zandeweer: Zandeweer.

Met Domburg draagt het zich heel anders toe.

Terwijl eenige timmerlieden bezig waren een balk in de kerk aan te brengen, gelukte het hun niet, dezen op haar plaats te schuiven. Toen kwam een vogel binnengevlogen, die de juiste richting aangaf.

Toen zeiden de timmerlieden tot elkander:

"Wat zijn wij toch _domme burgers?_"

Dat is de oorsprong van den naam: Domburg.

Op de Hulpe of Helpe in Overijsel stond een Mariabeeld, dat allerlei wonderen verrichtte. Daarom heet de plaats mirakel-loo, waarvan later Markeloo is afgeleid.

XXXVI

De Witte Wiven van Tubbergen

Eens, dat een vrouw uit Tubbergen uit den put water schiep, voelde ze plotseling, dat zich een kille hand op haar schouder legde. Ze wendde zich om, en ze zag tot haar schrik, dat haar wel twintig witte wiven hadden omringd. Groot stonden ze bij haar: nevelen, dreigend van vorm en gebaar. Ze kwamen dichter- en dichterbij, zoodat er geen enkele uitweg voor de vrouw bleef Alles was donker, behalve de witte wiven.

Angstig riep de vrouw haar man, doch deze hoorde haar niet.

De witte wive, die haar de hand op den schouder had gelegd, sprak:

"Waarom ben je zoo bang--ga met ons op de bergen dansen."

"Ik wil niet meegaan," riep de vrouw uit. "Jullie zijn slecht, dat weet iedereen."

"Als je bij ons bent, verlang je nooit weer naar de wereld terug."

"En mijn kind dan? O! witte wiven, laat mij gaan."

Alle witte wiven, in den kring om haar zwegen. Deze starheid was haar vonnis. Zonder genade waren ze. Als met geboeide handen ging de vrouw mede.

Des avond vermiste men haar op de boerderij. Overal zocht men, doch men vond niets van haar terug. Zelfs niet 't geringste spoor van haar voetstappen was te vinden: een paar stoere knapen daalden in den put, zonder ook maar één vermoeden te brengen, waar zij kon wezen.

Men dacht eerst niet aan de witte wiven, hoewel er bij Tubbergen vele zijn. Het is een kwaadaardig soort in die buurt, met scherpe nagelen, en ze houden van de jacht, die de witte wiven van Lochem haar hebben geleerd. Zij loopen nooit hard ... haar passen zijn lang-glijdend en gelijkmatig ... echter kan zelfs de vlugste boerenjongen het op den duur niet tegen haar volhouden. Bovendien trekken zij altijd in dichte drommen uit, en, net als koeien, die een hond omsingelen, sluiten zij zich in een kring, tot de benarde mensch zich niet meer weet te verweren. Geen gevaarlijker witte wiven dan die uit Tubbergen! Ze weten, wanneer ze een menschenziel kunnen vangen.

't Was een groot verdriet voor den boer, dat hij zijn vrouw had verloren.

Want het zijn menschen der eenzaamheid uit deze streek, trotsche droomers. In geheel Nederland vindt men niet gemakkelijk lieden, die zoo hun gedachten weten te verbergen, en, wat ze eens lief hebben gehad, vergeten ze nooit, daar zij moeilijk de poort van hun hart ontsluiten. Zij toonen geen vreugde en geen smart. Altijd is hun wezen stug. Wie ze veel ontmoet heeft, denkt aan hen met schreiend heimwee terug--en waar hij woont, de menschen van Overijsel kan hij nooit vergeten.