# Nederlandsche Sagen en Legenden

## Part 14

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/nederlandsche-sagen-en-legenden-3455/index.md

Halichem hield van zijn vrijgezellenleven! Waarom? De oude kronijken zwijgen hierover. Misschien had hij over eten en drinken niet te klagen. Het dierenvel, dat hij over de schouderen droeg, zag er zeker steeds keurig uit. Ook kon hij 't waarschijnlijk met zijn vrienden goed vinden. Bovendien kon hij wel wat verlegen geweest zijn tegenover de teedere sekse, want dat heb je tegenwoordig zelfs vaak met groote kerels.

't Doet er ook eigenlijk niets toe.

Halichem wilde niet trouwen, en de eerste poging, om hem van zijn plan af te brengen, mislukte geheel en al. Eerst na dagen durfden zijn onderdanen terug te komen.

Met zijn weigering was het immers nog niet geheel afgeloopen.

Op een zomerdag kwam zijn volk in een geheime vergadering tezamen. Wat daar besproken is, weet niemand. Het besluit echter is algemeen bekend. Men zou een deputatie van sterke reuzen naar Halichem afvaardigen, en hem tot rede brengen.

Aldus geschiedde. Zeven van de sterkste reuzen organiseerden zich, en de petitie werd overgereikt. De vorst had zich naar den wensch zijner natie te schikken. Hij ontving de gedeputeerden allergenadigst, en beloofde hun verlangen in overweging te nemen.

Maar ... wie was er waardig, om koninginne te worden?

Halichem ging zelf op den zoek. Hij vond een aardig meisje, zoowat vier voeten kleiner dan hij. Alle bestanddeelen van een goed huwelijk waren dus aanwezig, want voor een nette, fatsoenlijke bruiloft behoort 't meisje niet zoo groot te zijn als de jongen. 't Andere staat niet.

Het volk was dronken van vreugde.

Inderhaast werd het paleis gebouwd. Daar de trouwplechtigheid spoedig zou plaats vinden, werd er niet veel zorg aan de architectuur besteed. Dit behoefde ook niet. In 't nederigste hutje immers kan geluk wonen?

Maar ....

't Volk was tevreden--maar .... Maar Halichem, de vorst, vond zijn poging, gedaan in het belang van zijn volk een groote teleurstelling. 't Was wel een aardig meisje, om te zien, doch hetgeen eraan ontbrak, was eigenlijk, wat ze te veel had.

Ze kon alleronmenschelijkst, allerongedanigst, allerverduiverkaterst veel praten. Ze praatte van den vroegen morgen tot den laten avond.

"Ratteretalleratatteratattertatatatterteta," ging het den heelen dag, dat het den armen Halichem duizelde in zijn ooren. Waar ze over praatte? Over de reuzin die en over de reuzin zoo; over den armband van de reuzin zus, en de oorbellen van reuzin gindsche. Over den ouden reus, dien ze niet had willen hebben, en over den jongen, dien ze had geweigerd. Over de nicht van reuzin X, die de oud-tante van reuzin IJ had beleedigd, en wat de reus Z daarover had gezegd, wat de reus Dubbel X daarover zou zeggen, en wat Halichem meende van de nicht van reuzin IJ, die altijd anderen zoo bekladde. Ook had de reuzin dubbel IJ haar eens zoo gekrenkt, door haar met een mensch te vergelijken. Daarom wilde ze de reuzin dubbel IJ niet op de bruiloft vragen; zóó ze haar toch op de bruiloft vroeg, koel bejegenen.

"Ratadeplantadeplan--allodadadadada--"

Den ganschen dag.

Nu was Halichem in het begin verwonderd geweest, dat iemand zoolang achtereen kon redeneeren. Hij had ademloos gewacht, wanneer ze zou ophouden. Zoon wezen had hij nog nooit ontmoet. 't Eten liet ze ervoor staan, om met hem te babbelen. 't Merkwaardigst was, dat ze nimmer naar zijn antwoord verlangde. Ze vroeg hem wel, wat hij over een of ander onderwerp dacht, maar op het oogenblik, dat hij zijn meening zou zeggen, riep ze uit:

"Stil! jij praat den heelen dag--laat mij nu ook eens wat zeggen,"

en dan begon 't van voren af aan, over alle dingen der wereld, van de paplepel tot aan de liefde toe. Eerst de nacht bracht rust.

Wanneer dan de afgetobde reus probeerde te slapen, drong hem de echo van haar stem weer in zijn bewustzijn, en dan herkauwde zijn brein al het geestelijk voedsel van den dag, zonder ophouden. Als de morgen kwam, bemerkte het meisje in het geheel niet, dat Halichem moede was, en, daar zij een uitmuntenden slaap had genoten, begon zij frisch, van voren af aan.

Halichem werd nog stiller dan vroeger. Doch zijn verloofde lette daar niet op. Het waren eenige oude reuzen van zijn volk, die 't eerst bemerkten, dat hun vorst er slecht uitzag. Ze vorschten naar de reden. Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden, dat zelfs hun wijsheid haar niet begreep. Langzaam, 't hoofd schuddend, gingen ze terug. De jongste zeide:

"Ik heb op de wereld geleerd, dat alles zijn grond heeft."

Die op hem in jaren volgde, voegde hieraan toe:

"'t Is beter ten heele gekeerd, dan ten halve gedraaid."

Toen eindigde de oudste ernstig:

"Er is veel kwaad ontstaan, doordat men te weinig heeft gesproken. Maar te veel is nog gevaarlijker. We moeten den vorst waarschuwen."

In den nacht, toen hij alleen was, gingen ze naar hem toe. Ze kwamen in zijn vorstelijk slaapvertrek, waar hij nederlag, de oogen brandend en wijd-open. Hij sprong overeind, op het oogenblik, dat hij voetstappen hoorde. Arme man! hij meende, dat het zijn verloofde was, die met hem nog wat wilde babbelen.

"Wij zijn 't," sprak de oudste grijsaard, "om met u de zaken des lands te bespreken."

Woest schudde Halichem zijn vuist, zoodat ze bijna den neus van den ouden reus raakte.

"Bespreken?" zoo schreeuwde hij. "Bespreken?" En toen afgemat: "bespreken." Wat moet er nu nog besproken worden?"

"Ge moogt niet trouwen."

Halichem viel hem, snikkend van vreugde, om den hals.

"Dat zijn de eerste wijze woorden, die ik sinds lang heb gehoord. O! wijze raadslieden, zoo gij wist de smart, die ik om der wille van mijn volk heb geleden. Maar nu! hoort mij aan! Nu wil ik mijn volk gelukkig maken. Van deze stonde aan, roepen wij de mannen toe: "als gij uw wijsheid wilt bewaren, zoo gij wilt werken naar uwen aard, trouw dan niet." Het zal morgen bij het krieken van den dag door mijne herauten alom worden bekendgemaakt."

Aldus is geschied, dat de reuzen in Limburg niet meer trouwden, en daarom is hun geslacht uitgestorven. Het zijn nu de eens zoo verachte menschen, die in het land van Maastricht, van Roermond en Venloo heerschen.

Doch ter eeuwiger gedachtenis aan het mislukte huwelijk staat nog de half-voltooide woning der reuzen bij het plaatsje Echt, als een stille waarschuwing voor de Limburgers, die er zich echter niet aan storen!

XXXIII

De Stille Ronde van Bergen-op-Zoom

Een graf houdt beider asch vereend; Maar 's ouden geest vindt rust noch vrede In d' ijsbren nacht van 't lijkgesteent', En vaak ontsluipt hij aan die stede Te middernacht als 't stormt en tiert, En regent, als men de uilen Hun grafgezang hoort huilen De weerhaan knersend giert.

Het klinkt in den stillen nacht. Leeft de sage dan nog? Verhaalt men ze, wanneer het lamplicht uit is, en geen vreemde kan luisteren? In het duister vagen stemmen. Nu wordt verteld de historie van den plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom, bijgenaamd de Duivel. Eensklaps is er een oude stem, hortend en angstig ....

"Ik heb 't dikwijls gehoord. Heel dikwijls hebben ze 't mij verteld."

Een streng militair was de Duivel. Wanneer hij door de stad reed, door de Steenbergsche straat, de Blauwe Handstraat, of over de Groote Markt, zagen de burgers hem vreezende na, en menigeen dacht bij zichzelven:

"Liever zou ik willen sterven dan onder den Duivel te staan."

In zijn hand droeg hij een kleine karwats, die één scheen te zijn met zijn hand. Graag drukte hij 't paard de sporen in de zijden, dat het steigerde, en vonken uit de steenen sloegen. Wanneer dan de voorbijgangers angstig wegstoven, lachte hij schor, en schudde de karwats, of hij zeggen wilde:

"Ik wou, dat ik ze allemaal kon ranselen, en dat ik de bloedige striemen zag over hun gezicht en hun handen. Of dat ze onder de hoeve van 't paard raakten, en dat ik ze van pijn zag kruipen."

Hij had een zoon, die als vaandrig bij het regiment diende: Alfons was zijn naam. Het was een vroolijke kornuit, die geen enkele vreugde versmaadde, en die de meisjes van Bergen-op-Zoom liever had dan de krijgstucht. Hoezee en hier ginder! de Brabantsche meisjes, die anders zoo kieskeurig zijn, noemden hem den schoonen Alfons, ziedegij!

"Een schooneren jongen dan Alfons vindt gij in Brabant niet," zoo zeiden ze.

Wie kon begrijpen, dat hij de zoon was van den stuurschen plaatsmajoor, die in geheime lust niets liever deed dan pijn te doen, en die eerst genoot, wanneer hij een levend lichaam kwellen kon?

Een morgen waren de officieren op de binnenplaats der kazerne tezamen, toen zij dof tromgeroffel hoorden. Zij staakten hun gesprek, en luisterden.

"Zou er weer iets met den Duivel zijn gebeurd?" vroeg een jong luitenant.

Nooit noemde men den plaatsmajoor anders, zelfs niet in tegenwoordigheid van den zoon. 't Was een Duivel, dat wist ieder. Ja, velen zeiden, dat hij erger dan de Duivel was, slimmer in zijn streken en onmenschelijker in zijn wreedheid.

De plaatsmajoor trad op hen toe. Op dertig el afstands schreeuwde hij al:

"Dat moest uit zijn. Als ik een schildwacht in slaap zie, schiet ik hem dood. Hoe kan ik op mijn soldaten vertrouwen, wanneer ze in slaap vallen?"

In de verte werd een baar gedragen, waaraan een zwart kleed hing. Dof rommelde de trom.

"Nu zal 't ze duidelijk zijn," grijnsde de Duivel. "Ik heb er vannacht een gesnapt, die stond net als een paard te slapen. Hij kan er in den Hemel of hel over nadenken."

De officieren zwegen steeds. Wie durfde een woord te spreken? De Duivel zag hen aan en gromde:

"Ik ben blij, dat ge 't mij eens zijt, en, versta me wel, ik verwacht van u hetzelfde. Geen genade voor den schildwacht, die niet waakt. Ik dank u!"

Hij groette met kort, dreigend gebaar. Heel in de verte bromde de trom. Niemand zag den zoon aan. Men gevoelde lust, om buiten hem de zaak te bespreken.

Toen zeide Alfons rauw:

"Mijn vader is een goed militair."

Misschien hoorden zij allen, dat er angst en schaamte in hem was. Zij wisten het allen, dat de man zijn straf had verdiend, doch er was wroeging in hun ziel, omdat de Duivel hem had gedood. Een huivering voer langs hen heen. Hun gezichten werden strak, en menigeen bemerkte, dat hij onwillekeurig de hand aan den degen had geslagen.

Alfons vooral bestreed zijn jeugd. Hij hoopte, dat een der anderen iets beleedigends over zijn vader zou zeggen, opdat hij dezen zou kunnen aangrijpen. Toch was hij zichzelven niet meester, en voortdurend hoorde hij een stem spreken:

"Duivel! duivel! jij bent een duivel's zoon."

Eindelijk stelde een gemoedelijk kapitein voor, om heen te gaan.

"Wij hebben niet te oordeelen ...."

Langzamerhand scheen het, dat zij vergeten zouden. Nooit spraken zij er met elkander over. Het waren meerendeels jonge menschen, die 't leven liefhadden, en de ouden hadden reeds te veel ondervonden. Binnen eenige dagen was het weder tusschen hen als steeds.

Wanneer zij echter nog eens een schildwacht zagen, die op zijn post was ingeslapen, was 't een geheime overeenkomst, dat ze hem wekten.

Had de Duivel dit bemerkt?

Hij liet een order bekend maken, die ineens weder de oude, geleden geschiedenis in herinnering bracht. Nog strenger dan vroeger luidde het bevel.

Alwie een schildwacht slapende zou aantreffen, had 't recht hem te dooden. Wanneer een soldaat het bemerkte, rustte op hem de plicht--zoo hij deze plicht niet volvoerde, zou hij zelf moeten sterven.

Angstig luisterde Alfons naar deze woorden. Nu bemerkte hij, dat de wrok langer bleef in de oogen zijner kameraden, en dat ze hem ontweken. Dikwijls zag hij, dat ze onder elkander fluisterden, maar als hij hen naderde, was 't altijd over onbeduidende dingen, dat zij spraken.

Zijn vader hield van hem.

Dat het een vreemde liefde was, van Duivel, kunt gij wel begrijpen. Toen de knaap jong was, had hem de vader naar Den Haag gestuurd--de moeder was jong gestorven--en daar was hij bij een tante opgevoed. De Duivel reed tot Dordrecht, om hem te halen. Op den huisweg had hij geen enkel woord gesproken. Eerst op het oogenblik, dat zij Bergen-op-Zoom in 't zicht kregen, zeide hij enkele woorden:

"Voortaan sta je onder mijn commando. Over zaken van dienst wil ik niet met je praten."

Zoo was 't gebleven.

Thans weder wist Alfons, dat hij gehoorzamen moest, al gevoelde hij, dat men een deel van den haat ook aan hem gaf. Zou hij niet als spion dienen? Men vertrouwde hem niet meer. Hoe wist de Duivel alles zoo nauwkeurig, wat er in dienst geschiedde? Wie kon een betere handlanger zijn dan Alfons?

De jonge vaandrig wist, dat hij gemeden werd. Waar hij vroeger algemeen kameraden had gekend, waren thans zijn vijanden. Hij was vogelvrij verklaard. 't Gerucht sloop door in de stad Bergen-op-Zoom. De meisjes gingen hem voortaan zonder lach of groet voorbij.

Niemand vermoedde, dat hij met zijn vader gesproken had. Hij was te trotsch, om dit te vertellen.

Een avond had hij den Duivel buiten de Steenbergsche poort ontmoet. Even had hij geaarzeld ... toen besloot hij hem te zeggen, wat er in hem omging. De Duivel hield zijn schreden niet in. Met lange passen liep hij over den weg. Hij had den kraag tegen 't hoofd geschoven, en hij ging iets gebogen, zijn sporen kletterden. Dat gaf zijn geheele figuur iets afwerends, maar flink streefde hem de vaandrig terzijde.

"Vader!" riep hij.

De plaatsmajoor matigde zijn rhytmisch-snellen tred niet.

"Vader! een verzoek ...."

Nog altijd zweeg de Duivel.

"Vader! ik verzoek ... om mijn overplaatsing."

"Overplaatsing?" gromde de oude militair. "Waarom?"

"Omdat ik hier niet op mijn plaats ben."

"Niet op je plaats?"

"Vader! ik wil overal zijn, behalve hier. 't Is een hel voor mij, hier!"

"Meen je--dat ik--je zal--overplaatsen?"

"Als u me niet overplaatst--"

"Bewaar--den afstand--jonge kemphaan. Jij wordt niet--overgeplaatst. En daarmee--zeg ik je--ingerukt--marsch! Val mij niet weer--lastig!"

Als een echo van zijn vader's scherpen tred was de smart voortaan in zijn jonge ziel. Kon hij zich verweren tegen de gedachte zijner kameraden? En hoelang zou het duren, dat hij nog in Bergen-op-Zoom moest blijven?

Eerst een jaar later bewees hij zijn makkers, wie hij inderdaad was, trouw tot in den dood. Hij, de blonde, jonge vaandrig, een spion van den Duivel? Alles mocht men van hem zeggen, dit niet.

Het was tijdens een feest. Overal klonk muziek, tot diep in den nacht. Men kon niet begrijpen, dat er ooit eenige smart in Bergen-op-Zoom was geleden. De beenen werden niet moe van het dansen, de ouden van dagen waagden nog eens een horlepiep, en waar was al het bier gebrouwen? Er waren vreemde dingen te zien--een Vlaamsche reuzin en een grijnzende neger, de dikste vrouw ter wereld was ook in Bergen-op-Zoom. Op de Markt blies en stampte een doedelzak-man, een beer sprong duizend sprongen, een heidin zeide de toekomst. Marskramers klopten aan de huizen, en ze lieten de schoonste kralen in de zon schitteren. Want het waren dagen van zonlicht, waarin men leefde! 't Kan in Brabant niet regenen, als er feest is. 't Zonlicht werd niet moede tot laat in den avond, en het was een festijn, waarin de heele wereld schik had, van 't kleinste kind tot de gerimpeldste bes. De soldaten en officieren waren vooraan.

Niet de Duivel, en niet de jonge vaandrig.

Wee den soldaat, die op het appèl ontbrak! Iederen avond hield de plaatsmajoor zijn stille ronde. Het pistool hield hij stevig in zijn vuist.

Niemand bemoeide zich met den zoon. Stil ging hij zijn weg. Er was op zijn jong, roerloos gelaat geen leed. Het leed was binnen hem besloten.

Den derden avond van het feest passeerde een troep jonge officieren, luid-lachend, een schildwacht. Hij riep geen "werda," toen ze hem voorbij gingen.

"De Duivel zal hem halen," lachte een luitenant, "de kerel is in slaap gevallen. Hij mag blij zijn, dat de plaatsmajoor de ronde niet heeft gedaan." Goedhartig wekte hij hem.

"Vooruit kerel! uit den dut. 't Is goed dat jou de Duivel niet gesnapt heeft."

Verschrikt was de soldaat opgesprongen. Hij was niet in staat, om een woord te zeggen, want de angstige werkelijkheid, dat hij ternauwernood den dood ontgaan was, deed hem den roes vergeten. Zij hadden hem getracteerd, en de slaap had gemakkelijk ingang gevonden in zijn beneveld brein.

De officieren lachten.

"Arme kerel! die vandaag niet kan feestvieren."

"Vooruit!" riep een jong luitenant, die nooit genoeg van het leven kon krijgen, "daarginder wacht ons Bergen-op-Zoom. We hebben de Vlaamsche reuzin nog niet gezien. En avant!"

Zingend en jubelend verliet de vroolijke schare de eenzame post. In de verte klonk de duizendstemmige muziek der stad. Wat is ieder feest ter wereld tegen de echte Hollandsche kermis? Een week per jaar is de Hollander uitbundig--leve de vreugde!

De soldaat luisterde naar 't gejoel en geraas. Zijn handen beefden .... Als de officieren niet toevallig voorbij waren gekorven, zou hij dood geweest zijn.

Nu kon hij luisteren naar de geluiden van het verre geluk.

Een half uur later kwam de Duivel de post voorbij.

Hij zag, dat de schildwacht was ingeslapen. Zonder een oogenblik te aarzelen, trok hij zijn pistool, en schoot. Hij ging verder in zijn stille ronde.

Den volgenden dag vond men Alfons dood terneder liggen bij het schildwachthuisje.

Toen de officieren hun weg waren gegaan, kwam Alfons te voorschijn, en met rustige schreden liep hij naar de schildwacht.

"Je wilt zeker wel graag feestvieren?" De arme kerel wist niet, wat hem geschiedde. Zou 's Duivels zoon geen listen willen gebruiken, om hem in 't verderf te storten? En toch ... hoe lokte de kermis. Alle stemmen van jeugd en blijdschap lokten hem.

"Kom,"--zeide Alfons, en zijn eerlijke woorden hadden den trillenden klank der geheime smart, "ga maar gerust heen, vriend. Ik zal waken, als de Duivel komt. Het is donker weer."

De schildwacht geloofde hem. Hij moest hem gelooven. Hij bedankte hem met geen woord. Hij groette zwijgend en ging heen. Zijn stem zou een golf zijn van het bruisende feest, zijn vreugde zou teloor gaan en toch een deel zijn van deze ontzaglijke vreugde, welke geen grenzen kende.

Alfons stond op zijn verlaten post.

Het zou niet lang meer duren, of de Duivel zou zijn ronde gaan. Dan zou hij vinden, dat alles in orde was. Hij loerde er natuurlijk op, om weder iemand te snappen!

Thans bedacht de jonge vaandrig, dat hij moede was. Niet moede van lichaam, doch moede van ziel. Meden niet alle kameraden hem? Vroeger was hij de eerste geweest bij ieder feest, elk jaar weder. Men minachtte hem. Men beschouwde hem als een spion. Niemand gaf hem gelegenheid, zich te verdedigen.

De vreugde in de stad, welke hij in zijn verlatenheid hoorde, lokte hem in geen enkel opzicht. Ze voerde stroomen van droefgeestigheid door zijn bloed. Hij weende niet. Hij gevoelde zijn leed, zooals men angst gevoelt: in heel zijn wezen.

Voetstappen naderden.

Door al het gedruisch hoorde hij den klank der naderende voetstappen, ja zelfs hun echo trilde in zijn geest en zijn ziel. Dat was de stille ronde, sluipende, gereed om te springen. Dat was de vloek van zijn jeugd.

Zijn smart was als een vuist, die zijn keel dicht knelde, en hem ruggelings ter aarde wierp. Wilde hij opzettelijk doen, of hij sliep? Was het buiten zijn wil om, dat hij zijn adem inhield, terwijl de dreigende voetstappen naderden?

Hij lag stil. Uit de stad kwamen de klanken van het feest, doch al zwakker en zwakker werden ze, en ze verstomden tegen den regelmatigen tred van zijn vader, den strengen plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom. Het was niet waar, dat er een andere klank bestond.

Hij kende geen vrees. Hij was een held gelijk, stervend voor zijn plicht.

't Heeft niet één seconde geduurd, dat de Duivel zich over hem heen-boog.

"Dat is de derde maal," mompelde hij, toen hij zijn pistool had afgevuurd.

Eensklaps, fel-uit, klonk het blijde feest weder door. Niemand had 't gehoord, dat er een schot was gevallen. 't Geluid is er nooit anders geweest dan als een echo van verre, en ongehinderd ging alles verder.

Men was verwonderd, toen men den volgenden morgen Alfons vond. Men berichtte den plaatsmajoor, dat zijn zoon door een pistoolschot was gedood, op de plaats, waar de schildwacht was geweest. Recht-op hoorde de Duivel het bericht aan.

"Ik zal mijn eigen zoon dooden, als hij zijn plicht niet doet." Zijn handen bleven strak op tafel liggen, en geen oogwenk beefden ze. Zijn oogen zagen star voor zich uit. Onbewogen ging hij door de stad, met gelijkmatigen tred. Hij ging tot de plek, waar het lijk van zijn zoon ternederlag. Wie weet, wat de Duivel dacht? Herinnerde hij zich niet de dagen, dat hij met den kleinen Alfons had gespeeld? Zonnig was de wereld geweest, het kleine knaapje stelde hem duizend vragen over menschen en dingen, en de duistere Duivel beantwoordde ze allen. Het kind had geluk gekend bij iedere bloem, bij iederen vlinder en vogel; alles, wat hel was van kleur had hij liefgehad, en naar alles, wat vliegen kon, hadden zijn teedere handen gegrepen. Later nog had de Duivel hem op een paard getild en rechtop, als groote menschen, had de kleine jongen zich gezet, en glimlachend van trots naar zijn vader gezien. Het waren zeker de kleine dingen, die de plaatsmajoor zich herinnerde, en alle waren ze machtig binnen-in zijn ziel. Ze fluisterden en hoonden tot hem. Liefelijke gedaanten waren het geweest--plots werden ze dreigend van stem en gebaar.

Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats, waar zijn zoon was gestorven. Niet met zijn scherp-regelmatigen tred, maar moede. Hij trok het pistool, en met rustige hand schoot hij zichzelven dood.

Wanneer het stormt, gaat de plaatsmajoor uit, in Bergen-op-Zoom.

Eerst hoort ge de lachende stemmen--zijn het de officieren, die den slapenden soldaat wekken? Dan wordt 't even stil. Er is dan een zacht geritsel, geschuifel--in de verte klinkt wanluidende muziek, het is de kermis, die blijft doorrazen, steeds verwijderd, terwijl er klanken murmelen: de soldaat en de vaandrig spreken tezamen. Een helsch lawaai is er in de verte. De kermis wil niet eindigen, de Duivel gaat zijn stille ronde. Zijn rhytmische tred klinkt scherp, zijn sporen rinkelen. Een pistool wordt afgeschoten.

Alles eindigt in een langen kreet van bovenmenschelijke smart.

XXXIV

De Witte Wive van Lochem

In de diepte van een kuil, even-gaans van Lochem, dichtbij de Koerbelt, waren eens drie witte wiven, die zusteren geleken in leelijkheid, met ontvleesde armen, en lange, grijze, dunne haren. De oogen lagen diep, en de tanden kwamen uit als bij een geraamte. De oudste was de meesteres van alle witte wiven in den omtrek, tot de Veluwe toe. Ze had echter geen naam.

Overdag lagen zij in 't zand, één met het zand. Eerst des avonds stegen zij, meestal hoog naar de lucht. Waren het nevelen of wolken? Soms bleven zij op aarde, en renden dan over de vlakte, de scherpe nagels dreigend vooruit, den mond wijd-geopend. Ook wel klonk haar kreet gillend door de lucht, wilder dan de stormwind.

Herbert en zijn zuster Aleid waren niet bang voor de witte wiven. Als kinderen gingen ze dikwerf des avonds langs den kuil, om nog een boodschap voor moeder te doen, en als ze dan voorbij de Koerbelt kwamen, en in de verte de nevelen zagen rijzen en dalen, wezen de kleine vingertjes er zonder vrees naar. Want hoe gaarne de witte wiven ook jonge knapen rooven, zij wisten, dat geen harer hun kwaad wilde doen. Soms zelfs daalden zij in den kuil, en plukten er bloemen. Dan gleed meermalen de oudste der witte wiven spiedend langs hen heen, de klauwen uitgestrekt als een kat, die aangevallen wordt, doch wanneer zij dan onder elkander lachten, vloog de witte wive weer verder. Ze zagen haar nevel in een oogwenk verdwijnen, en, als ze huiswaarts gingen, joeg de witte wive krijtend aan den horizon, sneller dan een paard. Daarom hadden Herbert en zijn zuster Aleid geen angst voor de witte wiven, al waarschuwde hun buurmeisje Johanna, de dochter van Scholte Lodink, hen voor hun moed.

"Ga niet den kuil in," zoo zeide ze, "Herbert ... want van de witte wiven is nooit iets goeds gekomen."

Hij lachte.

"Wie weet ... misschien gooien ze mij in mijn hand nog eens goud."

