# Nederlandsche Sagen en Legenden

## Part 13

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/nederlandsche-sagen-en-legenden-3455/index.md

Als de jonker een dag uitgereden was; zat zij alleen te schreien. Er was niet even geluk geweest, sinds zij den heer had ontmoet. Had zij gemeend, dat zij rust zou kennen? Was liefde dan ongeluk? En ze had den jonker lief, die haar in mooie kleeren kleedde, doch die nooit anders dan slecht voor haar was. Hij had nog niet gezien, dat zij schreide: de eerste tranen hadden geen sporen gelaten. Hoe zou het zijn, als eindelijk de groeven scherper werden, en de jonker dan zeker de oorzaak van haar smart zou weten? Ze huiverde. Als zij van het kasteel werd gejaagd, waarheen zou ze dan moeten gaan? De schande ....

Ze wist, dat de oude meid haar haatte.

Dikwijls had zij dien haat gevoeld, altijd-gezwegen, als een scherp woord. Ze moest ervoor zorgen, dat de oude meid haar geheim niet ontdekte. Mooi-Ann deed altijd vroolijk, opdat de ander niets zou merken. Ze trachtte te lachen, ze deed of ze gelukkig was, het arme, verlatene kind. Lang kon dit niet duren.

Want eens, toen de jonker verveeld en moede en knorrig tehuis gekomen was, en eenzaam bij het haardvuur zat, klopte de meid zachtjes aan de deur. Ze trad binnen. Ze vertelde hem, dat mooi-Ann gehuild had, dien middag, en ze wist wel waarom. Ze fluisterde. Hij vloekte. Toornig riep hij, dat zij de deerne bij hem zou brengen.

't Was anders dan eenige maanden geleden, nadat hij haar in het bosch had gezien, een mooi kind uit het volk, dat haar brood verdiende. Het was een schreiend wicht, dat angstig bij hem stond. Op al zijn vorschende vragen antwoordde ze "ja."

Hij vroeg:

"En als ik je uit 't kasteel jaag, zul je mijn naam te schande maken?"

"Neen heer!"

"Je bent leelijk geworden! Dat ik het nu eerst zie."

Ze wist geen antwoord te geven. Ze had kunnen zeggen: "door uw schuld"--wat kan men echter van zoo'n meisje verwachten?

Dreigend verhief hij zich.

"Dat zal niet gebeuren," zoo zwoer hij.

"Wat zult ge met me doen?" wilde ze angstig vragen. Ze zweeg. Minachtend bezag hij haar.

"Het is nog tijd."

Toen sprak ze het uit, wat zij gevoelde.

"Doe alles, wat ge met me wilt--Dood me, dat is beter."

Nooit had hij haar liefgehad. Wie kon zoo spreken tegen een vrouw, als hij ook maar één oogwenk in zijn leven van haar had gehouden? Alles was beter dan te blijven leven. In den dood zou ze niet meer schreien. _In den dood zou zij zich wreken_.

Het was avond, en de vijver van het slot Biljoen was roerloos. Niet één rimpel bleef. Onbewegelijk was ook de schemer boven het water.

Toen klonk er een schrei. 't Kon van een vogel geweest zijn, die in zijn nest werd verschrikt, of van een hulpeloos dier, dat door een vos werd gegrepen. Waarom van een mensch?

't Werd even stil, de stilte, als een levend wezen luistert, of er ergens geluid is.

't Water van den vijver spatte hoog.

Het zou wel een groote steen zijn, die in de kolk werd geworpen. Soms deden dat de jongens uit het dorp, hoewel het eigenlijk al te laat was, om dat te denken. De stilte kwam terug. Het was niets geweest.

Den volgenden ochtend vond men het lijk van mooi-Ann tusschen de biezen. Zeker had zij zichzelf gedood. Wie durfde den jonker bij Biljoen te verdenken!

Twee jaren waren voorbijgegaan.

Toen kwam, een avond, een jonge man uit Velp, langs het slot. In 't bosch, waar hij doorging stond een hooge eikeboom. Terwijl hij bedaard doorstapte, zag hij eensklaps tegen den stam geleund, een hooge, witte gedaante. Eerst was hij verwonderd, en hij naderde iets. De gestalte wenkte hem. Hij deinsde terug, en sprak de aloude, goede spreuk:

"Zoo gij van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij."

De nevel week. In de verte hoorde hij een milde stem, zeggend:

"Ken je me dan niet weer? Ik ben mooi-Ann! Morgen wacht ik nogmaals."

Den volgenden avond keerde hij terug. Door den dag had hij geworsteld als door een breeden stroom, welks vaart tegen hem was gewend. Ieder uur was een vijandige stortgolf, en al strijdende had hij slechts één gedachte:

"Hoe zal het eindigen?"

De avond was een weefsel van nevel. Hij had zijn oogen half-gesloten, en nu zag hij haar duidelijk voor zich. Ze was in het witte kleed, dat de jonker van Biljoen haar had geschonken, en in 't goud-blonde haar, dat ze had gekapt als een dame, blonken de edelsteenen. Ze had zijden schoenen aan met zilveren gespen, of ze ten dans ging. Om haar blanken hals droeg ze een ketting van paarlen.

Hoe wist hij, dat haar oogen blauw waren? Het was toch een avond schemerend en onwezenlijk, waarin geen kleuren standhielden. Wat was mooi-Ann anders dan een nevel?

Hij stond stil.

Zij was na zijn woorden geweken. Ze was niet van God. Van den duivel was ze. Het zou 't beste zijn, dat hij terugkeerde. Waarom toefde hij?

Aan 't eind van het bosch wachtte hem mooi-Ann. Ze hield haar armen naar hem uitgebreid, en diep haalde hij adem, voor hij zijn weg naar haar vervolgde. Nadat hij haar dichterbij was gekomen, zweeg hij; hij vond de woorden niet, welke hij den avond te voren had gezegd:

"Zoo ge van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij."

Het was, of zijn bloed hem anders drong. Hij moest tot zichzelven zeggen:

"Zoo ge van God zijt, wijk. Zijt ge van den Duivel, nader dan."

Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid. Een zware bloemengeur woei uit haar kleeren. Haar oogen, die hem star aanzagen, waren de lokkende zonde. Welke man zou niet eeuwig verdoemd willen zijn, om haar blanke armen te kussen. Haar roode lippen waren het verderf der ziel. Haar voeten stonden op 't gras, en vertrapten de madelieven.

Hij kon niet meer vluchten.

Was dit mooi-Ann, die eens door den wreeden jonker verrast werd bij het plukken der boschbessen, en die zich angstig gevoelde, om met den heer mede te gaan?

Ze trad naderbij, en sloeg haar armen om hem heen.

"'t Is goed, dat je gekomen bent," zeide ze met matte stem, "ik heb naar je verlangd, maar ik wist, dat je komen zou, anders had ik niet gewacht."

"Hoe wist je dan, dat ik komen zou?"

Ze lachte.

"Ik kan tegenwoordig in de sterren lezen."

Toen werd haar stem ernstig. Ze vroeg:

"Je hebt zeker een meisje lief?"

"Neen," antwoordde hij zuchtend, "sinds gisteravond niet meer. Ik was verloofd--nu ken ik er maar één, en dat ben jij, mooi-Ann."

"Dat is beter dan een ander," lachte ze. "Ben ik niet mooi?"

Ze nam een roos, die ze op haar kleed had gedragen. Die gaf ze hem.

"Ruik aan deze roos, als je niet meer aan me denkt."

Hij kuste haar. De nacht sloot zich over hen beiden, en een muur was de stilte van het bosch. De tijd gleed langs heen. Hij hoorde het ruischen van den tijd niet, zóó verre was het. Vol medelijden wachtte het licht van den morgen, waarschuwend met een schemer, dat de dag moest komen.

De jonge man stond haastig op. Er was niets naast hem. Hij had gedroomd ....

Toch, hij hield in zijn hand een bleek-roze roos. Hij rook er aan, en hij dacht aan de mooie neveling, die hij gansch den nacht had liefgehad. Met loome schreden liep hij huiswaarts: Wat zou er geschieden, wanneer hij zijn meisje weder ontmoette? Wat zou hij zeggen? Als hij haar eens moest verklaren, hoe hij aan de roos kwam. Wanneer ze hem dezen avond bij de berken wachtte, opdat ze samen zouden gaan, zooals 't vroeger hun gewoonte was. Een hevige pijn was zijn angst, want thans zou 't alles anders worden. Hij hoopte, dat het lang zou duren, voor hij zijn meisje weer zou zien.

Ze kwam reeds voor den middag, en, toen hij haar zag, bedacht hij schamper, hoe ze van mooi-Ann verschilde, in gelaat en kleeding. Haar stem klonk hem ruw. Had hij vroeger van haar gehouden?

"Was je gisteravond ziek, dat je niet kwam?"

"Nee--" zeide hij somber, "ziek was ik niet. Waarom dacht je dat?"

"Ik heb op je gewacht, maar ik had er nog kunnen staan. Waar was je?"

"Ik ben op mijn eentje uitgeweest. Mag ik dat niet?"

Ze keek hem verbaasd aan. Hij had haar nooit veel van liefde gesproken, en dat had ze ook niet verlangd. Ze mocht hem gaarne, en als ze aan de toekomst dacht, werd zijn beeld nooit vergeten. Ze zouden op een boerderij wonen, als man en vrouw. Meer behoefde ze niet te weten. Dat was haar liefde en haar geluk.

"Ik hoop, dat ik vanavond niet hoef te wachten," sprak ze lachend. Ze meende, dat hij mede zou lachen. Zijn gelaat bleef ernstig.

"Je hoeft niet op me te wachten," zeide hij, "ik kom nooit weer."

Nog meende zij, dat hij gekscheerde. Ze nam speelsch zijn hand.

"Ben je gisteravond naar de herberg geweest?"

"Nee."

"Waar was je dan?"

"Daar heb je niets mee te maken."

Toen eerst wist zij, dat hij haar haatte om een geluk, welk ze niet geven kon. Wanneer zij woorden voor haar leed had gekend, zou ze gezegd hebben, dat zij van hem hield. Ze wist niets te doen dan te zwijgen, maar ze nam haar schort, en legde die voor haar oogen. Weg was de toekomst, met den man, de boerderij, den bongerd en de koeien. Een donkere laan lag voor haar. Ze was bang, om erin te gaan, zóó alleen.

"Je hoeft me nooit meer te wachten," zeide hij norsch. O! de eerste schrede in de donkere laan. Er was niets van haar hoop gebleven. Haar eenvoudige ziel wist, dat er een ander meisje voor haar in de plaats was gekomen, en, haar schort stijf tegen de oogen geperst, overdacht ze gauw, wie 't wezen kon. Martha was 't niet en Mina niet en Aaltje niet en Geusje niet en Fine niet en Sine niet. Wie kon 't wezen? Ze gluurde over den boezelaar.

"Wie is 't?" vroeg ze.

Hij staarde haar verwonderd aan.

"Wat meen je?"

De oogen kwamen nu geheel boven de schort uit.

"Met wie heb je nou verkeering?"

Hij schaterde van het lachen.

"Met mooi-Ann."

Ze liet den boezelaar van pure bevreemding vallen. Haar oogen werden zoo groot, of er tusschen jukbeen en wenkbrauw geen plaats meer voor ze was. Thans keerde de hoop terug. Hij hield haar voor den mal, de dwaze jongen! De boerderij bestond weder. Ze zag zichzelve met de melkemmers naar de weide gaan. Hij deed niets dan lachen.

"Wat ben je d'r eentje," zeide ze.

"Kom vanavond bij den vijver en je zult het zien."

Hij liep zijn huis binnen. Ze bleef nog even wachten. Aarzelend ging ze heen.

Aldus heeft een menschenziel aanschouwd, wat er met hem dien avond geschiedde. Ze stond in 't bosch, en zag haar jongen, die haar voorbijliep, zonder op haar te letten. Uit den vijver steeg een nevel, die naar den man toeschreed, met licht-glijdende passen. Het meisje stiet een kreet uit, maar haar verloofde hoorde 't niet. Hij en de nevel naderden elkander.

Ja, het was mooi-Ann. Hoe had ze kunnen gelooven, dat 't een nevel was?

"Mooi-Ann," gilde ze.

Mooi-Ann was nu vlak bij den jongen. Ze wenkte hem, hij volgde. Het meisje riep zijn naam. Hij zag niet om. Hij liep rustig zijn noodlot tegemoet.

Aan den vijver beidde mooi-Ann hem.

"Kom," fluisterde ze, "ik heb je lief."

Thans weder werd ze een nevel, sluierend over het water. Langzaam boog hij zich voorover.

"Kom."

Hij liet zich in den vijver vallen. Toen hoorde 't meisje een schaterenden lach. Het was mooi-Ann, die zich had gewroken. Het was het eerste slachtoffer, dat ze gemaakt had. Er zouden er meerderen volgen.

Zoo was er een jong gezel, die naar Arnhem kwam, om een ambacht te leeren. De wereld was nog voor hem als een diep bosch, en hij kende nog slechts den eersten angst en het eerste verlangen, om het leven te kennen. Zijn vader had gezegd, toen hij heenging:

"Kom als een man terug."

Zijn moeder had geschreid:

"Blijf altijd dezelfde, die je nu bent."

Zoo was hij heengegaan. Welken raad had hij te volgen?

Op een avond naderde hij Velp. Bij den vijver van't kasteel van Biljoen bleef hij even staan, en toen gevoelde hij, dat hij moede was. Hij besloot, om te gaan rusten. Hij legde zich op den weeken grond, en spoedig sliep hij.

Hij wist niet, hoelang hij had geslapen, nadat hij in een blijden, onwezenlijken droom ontwaakt was. 't Was al nacht. Het maanlicht en 't sterrelicht legden een witten sluier over alle dingen, een zelfden glans over grond en water. Er waren geen geheimen, dien nacht! De jonge gezel vond het een weelde, om alles te bezien.

Eensklaps werd hij op zijn schouder getikt. Hij richtte zich op. Hij was verlegen, dat er een meisje stond, en zij glimlachte om zijn verwarring.

"Wie ben je?" zoo vroeg zij.

Hij noemde zijn naam.

"Dan ben je niet uit Velp?"

"Nee," zeide hij.

Even wachtte ze. Vervolgens nam zij zijn hand.

"'t Is goed, dat je bij me bent gekomen, als je hier vreemd bent. Heb je nog nooit in je leven van een meisje gehouden?"

"Nee--nog nooit."

"Heb je nooit van me gehoord?" vroeg ze weder.

"Nee nooit!"

"Ik ben mooi-Ann van Velp. Er is niemand in 't dorp, die me niet kent."

Haar liefelijke glimlach verkwikte hem. Hij gevoelde, hoelang hij gezworven had, en hoe mat hij was. Hij wilde in haar armen droomen, terwijl zij hem aanzag. Al het leed en geluk dezer wereld zouden haar kussen hem kunnen geven. Voor 't eerst strekte hij zijn armen naar een vrouw uit.

"Kom aan den vijver zitten," noodigde hem mooi-Ann.

Hij volgde haar. Was hij anders dan een dronkaard in zijn liefde? Met wankelende passen ging hij, blind-starende. Als mooi-Ann eens, toen ze den jonker van Biljoen had gezien, was hij. Den naam zijner moeder had hij vergeten. Zijn ziel was door de liefde bevlekt, ja, zoo hij was blijven leven, voor altijd besmet. Van den eersten, teederen droom, vóór ze hem gevraagd had, met haar mede te gaan, bleef zelfs de herinnering niet over. Het was gelukkig, dat hij stierf.

Het maanlicht was over land en water gelijk. Hij wist het niet, dat hij met haar in den vijver schreed. Hij zonk in de diepte neder, en smetteloos, vol van glans, sloot zich het water over hem. De nacht verloor niets van den gloed. Mooi-Ann lachte niet, want ze dacht aan haar eigen ondergang terug.

Dit is de sage van mooi-Ann. Zij gaf dezelfde smart, welke zij ontvangen had, eerlijk terug, en ze was een schakel uit den ketting des verderfs.

XXXI

De Verborgen Schat

Dichtbij Echt, in het Limburgsch land, is een groote schat verborgen, en wie hem vinden kan, verlost de juffrouw zonder kop van den nood, om te moeten zwerven, waar aardsche menschen wonen.

In het schuchtere voorjaar, als nauwelijks nog de blaadjes durven te gluren, en de lucht van bedeesde blauwheid is, en het zonnelicht zich heel verlegen verschuilt, gelijk een jonge knaap, die zijn liefde niet vermag te uiten, lag bij de ruïne van het Sleutje een boerenjongen te slapen. Wellicht--wie zal het zeggen?--had hem het bier uit Susteren tegoed gesmaakt, en hij verdroomde den eersten lentedag. De verliefde zon vluchtte, zoodra de avond kwam, héél snel, en een gure wind verdrong meedoogenloos alles, wat er nog restte van de onvolkomen, teedere poëzie. Drikus, de boerenjongen, bleef snorken, eerst de milde warmte, daarna de barre kou ten spijt, ja, hij ontwaakte zelfs niet, toen er drie eikels op zijn neus vielen. Toch had hij wakend bewustzijn genoeg--een ondeelbaar deel eener seconde--om zich te verbazen, dat er eikels daalden in de vroege lente, een tijd, die meer is aangewezen op het moeizaam _zetten_, dan wel op het _rijpen_ der vrucht. 't Bleef echter slechts bij deze haast-wezenlooze verwondering, en het snorken ging bijna geheel onverbroken verder, zonder dat hij lette op den tijd, die verging, en op de plaats, waar hij nederlag .... Het ware beter geweest, dat hij erover had nagedacht: want middernacht naderde, en op deze plek spookt de juffrouw zonder kop, die den bewoners van Echt wraak heeft gezworen. Eeuwen geleden is ze door de burgers dier stad aangevallen, en zonder absolutie gestorven. Wee hem, die haar op Woensdag of Vrijdag ontmoet!

Gelukkig was het een andere dag, dat Drikus bij de ruïne lag te slapen!

Nauwelijks was de klok van middernacht uitgeslagen, of hij ontwaakte door een allervreemdste hitte, dichtbij hem. Hij richtte zich op, en wreef zich over zijn oogen.

"Wat is dat?" vroeg hij bevend.

Wat beteekende dat? Een blauwe vlam spartelde en sprankelde, en ineens rammelde een ketel door de lucht, welke haast je rep je op het vuur aanvloog, en daar juist boven bleef hangen. Daar begon het in den ketel te broddelen en te pruttelen en te sissen en te zieden, en de damp kwam eraf, niet aangenaam-riekend als wanneer tante Trees pannekoeken bakte, doch het stonk zonder genade.

"Hatsji!" zei Drikus. "Hatsji! Hatsji!"

Boven tegen den hemel begon het te rommel-donderen. De wilde wind woei en teisterde de takken der boomen. Drikus durfde niet omhoog te zien, en toch kon hij er niets aan doen, dat zijn nekspieren zich kromden en hij zijn hoofd ophief. O ijselijkheid! Aan den hemel reed een gloeiende koets, getrokken door twee zwarte bokken met knoestige hoornen en in hun razende vlucht klapwiekten de vleermuis-vleugelen, die uit de zijden der spookdieren schoten. In den wagen zat een dame in witten mantel. Drikus had nog net den tij d, om zich achter een struik te verstoppen.

Reeds was de juffrouw zonder kop uitgestapt, en vlug liep ze op den ketel toe. Zij nam er het deksel af, maar eensklaps wendde zij zich om, en liep tot Drikus' schrik recht naar den struik. Ze wierp het witte gewaad van zich, en zoo zag de jongen haar bloedrood lichaam, dat eindigde inden afgesneden strot. Bloed droop in groote druppelen van haar keel naar beneden, en bloed droop van haar nederhangende linkerhand, en bloed droop van 't hoofd, dat zij in de rechter hield. Bloed mengde zich met bloed, het daalde naar de aarde, en scheen weder 't roode lichaam op te kruipen, als het gevallen was. Ze was een fontein des bloeds, en niets ging er verloren, het keerde tot de bron weder, waaruit het ten tweeden male, ten derden male, ten duizendsten male ontvlood.

Van haar wendde de ongelukkige man zijn blik naar den ketel, die op 't blauwe vuur stond, en welks stank een angstwekkend geheim verborg.

"Menschenhoofden," zeide zij. "Ik braad menschenhoofden uit Echt."

In den ketel lag het vleesch ros te roosteren, de oogen der dooden (melk-wit opgezet met in het midden den appel van zielloos zwart) staarden onafgewend naar den jongen man, die met afschuw zag, hoe reeds het vuur de oogen naderde ....

"Stil!" beval de juffrouw zonder hoofd, "en luister naar mij."

Drikus stond bevende voor haar.

"Het was in tijden van oorlog, dat ik gedood werd, maar vóór dien heb ik mijn goud en mijn juweelen in drie kisten geborgen, en ze onder de aarde begraven, hier op deze plek. Neem dit berkenrijsje en plant het, opdat gij niet vergeten kunt, waar het is! Het is voor mij ook van belang ... want ik moet blijven zwerven, zoolang de schat nog niet door menschenhanden op een Dinsdag is opgedolven. Hoe moet gij graven? Met een nieuwe spade. Hoe diep moet gij graven? Zeven, zeven, zeven voeten. Wat moet gij spreken? Geen woord, geen woord .... Neem een helper mede."

Één kist--één kist Is voor de armen, De tweede, geef de kerk Uit uw erbarmen Met de derde, moogt gij Uzelf verwarmen

Rrrrt! daarmede verdween ze, en Drikus bleef alleen achter, zich de ooren krabbende. Hij liep zoo haastig hij kon naar Echt, om een gezel te zoeken, die hem den volgenden Dinsdag zou willen helpen, en wie was daar beter geschikt voor dan Hannes, zijn vrouw's broer? Hij zeide tegen hem:

"Je mag geen woord spreken," en Hannes antwoordde:

"Natuurlijk niet."

Wonderlijk-langzaam gaan de uren voorbij, wanneer ge wacht. Het zonlicht weigert te verschijnen na den langen, lijzigen nacht en als het eindelijk komen _moet_, op het allerlaatste oogenblik, dan klimt het zijn vaste baan aan den hemel treuzelig en traag, net of het zeggen wil:

"Kom ik er vandaag niet, dan kom ik er morgen," en vóór het twaalf uur is, heeft het wel een etmaal geduurd. Zijn gang van het Zuiden naar het Westen geschiedt al even kreupel, doch als het ten leste besluit, de aarde maar weder te verlaten, dan bezint het zich plotseling, en doet, of het ik weet niet hoe aangenaam bij ons is. Weggaan?! Geen sprake van. Het denkt er niet aan. Het blijft op de banken van den horizon rusten, strekt zich daar welbehagelijk uit in zijn volle lengte, en werpt een laatsten, zéér langen, weemoedigen blik naar de tintelende vlakte. Het heeft ruim spel, want de avond weigert ondertusschen op zijn beurt te komen. Vóór er een ster aan de lucht is, schijnt er geen tijd meer te bestaan. Zon en maan willen niet komen, en niet verdwijnen, en ze gelijken in dit opzicht op het slag menschen, dat veel bezwaren maakt, om u te bezoeken, doch dat, als het eenmaal een visite maakt, niet weg is te krijgen.

Drikus en Hannes, zij beidden ongeduldig, en ook voor hen werd het ongeduld beloond: immers, de eeuwigheid lokt het heden in haar afgrond, en alle tijd valt hierin geruischloos terneder. De Dinsdag kwam, en de twee kornuiten begaven zich tezaam op weg, de lippen vast op-één geklemd, om zich in het zwijgen te oefenen. Ze droegen fonkelende spaden op den rug, en ze voelden zich gelukkig als menschen, die in de toekomst hun vertrouwen stellen.

Ze vonden alras het berkenrijsje, en Drikus trok het uit den grond.

Vroom begonnen ze te delven in de gewillige aarde. "Zeven, zeven, zeven voeten," zong het in Drikus' ziel. Hij was er zeker van, dat hij de schat zou bereiken, en eensklaps hoorden zij, dat de schoppen stieten tegen een kist. Hannes sprong van vreugde in de hoogte.

"Drikus! daar zit de heks," schreeuwde hij.

Klingeleklingekling! de geldstukken hadden haast, om weg te komen, diep, diep, dieper in den grond, al maar zinkende, zóó ver weg ten laatste, dat 't gerinkel niet meer te hooren was.

En daarom spookt de juffrouw zonder kop nog altijd bij Echt; er is geen mogelijkheid, dat ze ooit verlost zal worden.

XXXII

Waarom de Reuzen in Limburg zijn uitgestorven

Men weet het, dat ons land vroeger door reuzen werd bewoond. Er waren reuzen in Drenthe, die hebben de Hunebedden gebouwd. Er waren reuzen op de Veluwe, die hebben daar de hooge bergen neergegooid. Er waren reuzen bij Hilligersberg; reuzen in Holland en Friesland.

Bij Haarlem leefde een reuzin, Walberech was haar naam. Ze was voor haar doen nogal groot. In één stap stak zij de Noordzee over, en eens, toen roovers haar vee hadden geroofd, en al een nacht zeilens verder waren, bereikte ze hun schip in één schrede, nam 't met één van haar vingers op, en wierp het in de lucht. Toen alle roovers dood waren, at ze hen met huid en haar, nam haar kudde mede, en kwam weer behouden aan land. De koeien had ze onder den linkerarm, de paarden onder den rechterarm en de schapen liet ze op haar hoofd weiden.

Niemand minder dan Picardt vertelt al verhalen van deze reuzen.

Hij zegt, dat er ongelijk meer reuzen in deze landen hebben gewoond, dan er steenhoopen gevonden worden. Want in sommige landen heeft men geen steenen, terwijl er evenwel reuzengebeentes met lang haar uit de aarde zijn gegraven. Bij Westerborg is dit geschied, te Sneek in Friesland. In 't jaar 1488 (het is aan geen twijfel onderhevig) spoelde er op het eiland Terschelling een reuzenlichaam aan, dat door den vloed uit zijn graf was gerukt. De reuzen waren bekleed met vellen van dieren en gewapend met knodsen. Wat ze aten? Beren, wolven, leeuwen, elanden, paarden, wilde zwijnen, herten, reeën, dassen, vossen, hazen, zwanen, raven, ganzen en visch! Hoe lang ze leefden? Het waren frissche en sterke lieden, en sommigen zijn driemaal zoo oud geworden als een mensch.

Ook in Limburg woonden de reuzen. Hun koning heette Halichem, en hij was ongetrouwd. Het was een ernstige kerel, die er weinig woorden op nahield. Als er iets moest gebeuren, sprak hij het kortaf, en wee hem! die zijn bevel niet gehoorzaamde.

Hij was zoo om en bij de vijftig jaar, toen vonden zijn onderdanen, dat het tijd voor hem was, om te trouwen. Niemand durfde 't hem recht te zeggen. Toch ging het op den duur niet langer. Het volk moest een vorst hebben, als Halichem eens iets menschelijks passeerde.

Eindelijk besloot een hunner met den koning te gaan spreken. Wat ze met elkander verhandeld hebben, weet niemand. Halichem bulderde zoo luid, dat 't huilen van den storm er een zefiertje bij is, en alle reuzen maakten zich uit de voeten. Daarbij zijn heel veel heuvelen en dalen ontstaan, te veel om op te noemen.

