Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 12
Zijn paard deed hij wenden naar de richting van des vijand's slot.
Wat deed hem echter plots weder de vaart van het dier inhouden?
Hij sloeg zichzelven tegen het voorhoofd.
Wat zou 't hem baten, als hij dezen versloeg. Zou het jonge meisje niet zeggen:
"Ge hebt u door 't dooden van dezen man weder een nieuwen tegenstander geschapen, een nog grooter vijand dan den vorigen. Bloed eischt bloed?"
Het duizelde hem.
Wie was zijn grootste vijand?
Hij keerde naar zijn eigen kasteel terug. In den nacht was alle rust hem verre. Gekweld door zichzelven, liep hij de zaal heen en weer, altijd nadenkend:
"Wie is mijn grootste vijand?"
De morgen was geen troost voor hem. Voor zijn oogen bleef een donker floers, gespannen als het duister in den nacht, en zonder ophouden pijnigde hem de angstige vraag. Hij trachtte rustig te bedenken, wien zij wel meenen kon. Nooit zou hij het haar kunnen vragen. Hij gevoelde 't als een vernedering, om weder bij haar te komen, zonder haar wensch te hebben gehoorzaamd. Een nog dieper schande ware het, haar nu te vragen, wien zij bedoelde. Had hij haar niet gezegd, dat hij den vijand wel kende?
Tien nachten en dagen hield hij 't uit. Daarna maakte hem de eeuwig-vragende vraag tot een willoos mensch. Hij reed tot haar, en zonder begroeting riep hij rauw:
"Wie is het, dien ge hebt gemeend! Mensch of duivel ... ik zal hem overwinnen."
Zacht antwoordde ze hem:
"Het is geen mensch en het is geen duivel, die uw grootste vijand mag heeten. Het is uw drift, edele ridder! Geen grooter vijand hebt ge dan dezen."
Hij deinsde terug, en riep angstig:
"Hoe zal ik dien overwinnen?"
"Gaat ter kerke, en luister geduldig naar de mis. Bid tot God."
Hij boog zijn hoofd, gelijk een vroom man, en zeide plechtig:
"Om uwentwil zal ik het zwaarste volbrengen."
"Ik zal u wachten."
Den volgenden dag wilde hij ter kerke gaan, en hij reed vroegtijdig uit. Hij had 't eene vaste voornemen te doen, wat ze bevolen had.
Hij nam den kortsten weg, en dat juist bracht hem ongeluk. Want, nadat hij het boschpad, welk onmiddellijk naar 't bedehuis voerde, had gekozen, zag hij een hert voor zich, dat even den kop met 't zwaar-vertakt gewei naar hem keerde, en vervolgens vluchtte. Toen vergat de ridder van Stenhuisheerd, waarom hij gegaan was. Zijn ziel wist slechts van één verlangen: te jagen.
't Hert vluchtte in dicht bosschage, en met moeite volgde hij het. Dan was 't licht geritsel van den vluggen hoef, strijkend tegen den grond, verre, tot 't dier weder kwam op een open plek, waar 't paard opnieuw won. De ridder herinnerde zich zelfs zijn liefde niet meer. Met driftige stem, met driftige voet en hand zette hij zijn ros aan tot vervolging. In 't kerkje werd de mis al gelezen. Hij had, zonder het te beseffen, zijn geluk verspeeld. En zelfs 't hert zou hij nog niet krijgen. Het lokte hem steeds verder van zijn doel.
Eindelijk was er een beek, waarover het vervolgde dier, even aarzelend, zwom. Daar tegenover werd de grond moerassiger. Licht-zwevend, zonder dat de hoeven den grond even drukten, meer glijdend dan loopend, drong het door het riet, en verdween. Wel kwam de ridder aan den anderen oever--zijn paard daarentegen, al vermoeid van den snellen rit, wist niet te ijlen over den weeken bodem, en, nadat hij vloekend op den grond gesprongen was, vond hij het spoor niet terug. Zooals een waanzinnige, uit onnaspeurlijke oorzaak, weder de dingen bemerkt, zooals hij ze vroeger heeft gezien--wat is er in den tijd geschied, dat hij zichzelven niet kende?--zoo was hij zich ook bewust van de werkelijkheid, en hij ging terug, met woeste gebaren zijn vermoeid paard aandrijvend.
Zoodra het zijn vaart minderde, sloeg hij het, en woest lachte hij, als het steigerend sprong. Hij zwoer en vloekte, dat hij nog op tijd zou komen. Met vreeselijke woorden verdoemde hij het hert, dat hem van de kerk gelokt had. Zeker was de mis al gelezen ...
Hij naderde het dorpje.
Uit de kerk zag hij de menschen reeds komen, in vrome aandacht nog 't hoofd gebogen. Hij reed midden door de schaar, riep één hunner kort toe, dat hij 't paard zou vasthouden, sprong op den grond, en holde 't bedehuis binnen.
De priester was alleen in de kerk. Hij had zich reeds naar de poort gekeerd, om heen te gaan, en verwonderd zag hij den ridder komen.
Diens stem riep hem reeds van de deur luid tegemoet:
"Zeg voor de tweede maal de mis! Zeg voor de tweede maal de mis."
Zonder angst luisterde de priester. Goed en rustig antwoordde hij:
"Ge vergist u, mijn zoon! Hoe kunt gij van mij verlangen, dat ik de mis ten tweeden male leze?"
Toen toonde hem de ridder zijn zwaard, en hoonde:
"Ik zal u dooden met dit zwaard, zoo gij mij niet gehoorzaamt."
"Mijn leven is in uw macht, doch niet mijn wil. Ik vrees den dood niet."
Weder was het den heer van Stenhuisheerd, of hij het zwarte floers voor zich zag, en het scheen hem toe, dat hij nederstortte. Het zwarte floers werd rood, het week terug voor het daglicht. Hij zag den priester ruggelings op den grond terneder liggen, hemzelf omstuwd van het volk; hij had 't bloedende zwaard in zijn hand, en hij zwaaide ermede, dat iedereen ter zijde liep.
"Moeten er nog meer gedood worden dan deze ellendige priester?" zoo dreigde bij.
Buiten sprong hij op zijn paard. Nogmaals dreef hij 't met wild dreigen aan.
't Was in den laten middag, dat hij 't slot van zijn meisje bereikte. Zij wachtte hem.
"Hebt gij de mis gehoord?" zoo vroeg ze glimlachend.
"Neen."
Niet een vage rimpel van den glimlach bleef op haar gelaat. Hoog richtte zij zich op.
"Dus hebt ge niet gedaan, wat ik u heb gevraagd?"
Hij hernam met doffe stem:
"Ik kwam te laat."
Ze zag naar zijn harnas, met bloed bevlekt, en naar de punt van zijn zwaard, welk geen blankheid meer had.
"Wien hebt ge gedood?"
"Den priester."
"Waarom?"
"Omdat hij de mis niet ten tweede male las."
"Ga heen, gij, die een priester hebt gedood. Ik zal vergeten, dat ge mij hebt liefgehad. Vloek over u."
Tegen haar kon hij niet driftig zijn. Haar kon hij slechts smeeken, hem lief te hebben. Hij zeide in vertwijfeling:
"Niemand kan u zoo groote liefde geven als ik. Wanneer gij mij bevaalt, den priester ten tweede male te dooden, zou ik 't doen."
"Ge hebt niets meer van mij te hopen. Ik vloek het uur, dat ik u heb ontmoet."
"Verdoemd," fluisterde hij. Hij sprak geen enkel vaarwel, hij ijlde naar buiten, sprong weder te paard, en reed ditmaal naar zijn eigen kasteel.
Hij had geen berouw.
De priester had zijn bevel niet gehoorzaamd, daarom was hij gestorven. Wel gevoelde de ridder, als een band om zijn borst knellend, een vreemde onrust, of hij op de wereld niet thuis ware. Niemand had hem lief. Vijanden waren er aan alle zijden, en de grootste vijand was hijzelf. Wanneer hij dezen zou kunnen dooden ....
Thans zette hij zijn paard niet aan. Nu kon hij rustig bedenken.
Hij zou dus als eenzaam man in 't leven staan?
Er was nog een andere onrust in hem, een vrees, of er iets gebeuren ging, dat hij niet kende. Neen, berouw had hij niet, doch een verlangen, om zich met zichzelven te verzoenen.
Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante. Niet op een paard--op een bok. Hij zat achterstevoren, zoodat de heer van Stenhuisheerd het gezicht kon onderkennen. Het was de duivel, met zijn grijnzend gelaat, en hij wenkte hem.
Achter elkander reden ze over de slotbrug, hun beide dieren gingen stapvoets, het een onmiddellijk bij 't andere.
"Wat wilt ge van mij?" riep de ridder.
De duivel schaterde.
In den grond zonk het rijke slot, honderden vademen diep, en mèt zijn steenen zonk de heer van Stenhuisheerd, zittend boven op 't paard. De vlakke, kale bodem dekte alles, en wat er overbleef van den trotschen ridder, die over honderden had geheerscht, was niets dan zwavelstank.
XXIX
Doodendroom
In den nacht lag het doodenschip voor 't eiland Walcheren. Op het dek stond de zwijgende schipper. Geluidloos werkte de bemanning, en de stuurman bij het roer zag peinzend vóór zich. Op alle gezichten was 't licht der maan--maar buiten hen viel geen licht.
Er was een onzichtbare hand, die, wanneer iemand dood zou gaan, aan het venster klopte. Dan weder gleed de gedaante, wien de hand behoorde, verder, één met den nacht, zonder een trilling, zonder een nevel. Overal, waar een mensch moest sterven, klopte zij, zoo zacht, dat 't stiller was dan het ritselen van een blad. Wie kan zeggen, wat het voor geluid was? Een klanklooze klank, onweerstaanbaar voor hem, die van 't leven scheidde. Zooals in den avond een uil wiekt door de stilte, of gelijk een luwte ondeelbaar-even vaagt en vervaagt, zoo moet 't zijn geweest, dat het voor den stervende klonk--klonk?
Er was een jonge knaap, die lang ziek geweest was, en de hand aarzelde nog even. Toen gleed ze langs 't venster, en zooals een ander kind droomerig volgt 't blij geluid van trommel en fluit, wanneer 't zonnelicht schijnt, zoo stond de jonge knaap op, en volgde de geluidloosheid, die hem voorafging. Het vreemde was, dat hij zijn weg wist. Telkens stond hij even stil, als de hand der schrijdende gestalte een venster beroerde--om dan weder te volgen, wat een vormlooze, kleurlooze, alleen maar voortgaande gedaante was.
Voor een huis had hij langer te wachten dan anders.
Het was een man, iets ouder dan hij, die tot den dood werd gewekt. Altijd was deze gewoon geweest de dingen des levens te beheerschen, en hij was over de wereld gegaan, of ze een danszaal ware. Nu moest hij sterven, en hij wilde zich tegen den dood verzetten. Het wordt verteld, dat hij een meisje liefhad, en daarom niet met het doodenschip wilde varen. Toen de hand aan het raam tikte, verzette hij zich met al zijn macht tegen de verlokking, en stil wachtte hij.
De knaap buiten gevoelde een hevige pijn. Om zich heen hoorde hij overal zacht gekerm, en 't was, als klaagden en riepen duizenden stemmen van dooden. Hij zag alles door den nacht, behalve de eene gestalte, en hij zag ook den man, door de gedaante geroepen, op zijn legerstede nederliggen. Ook hij klaagde van hevige pijn. De knaap hoorde, dat hij smeekte, om nog te blijven leven.
"Een enkel jaar!" zoo riep hij. "Laat mij nog een jaar van de wereld genieten."
Nadat hij dit had gesmeekt, schreed de gestalte verder, en de knaap volgde. Wat was het vonnis geweest? Het gekerm der dooden was opgehouden, en als de gedaante aan een venster klopte, volgde de geroepene.
Eindelijk kwamen ze allen bij het schip, en hun namen werden gefluisterd. De naam van den man was er niet bij. Ze stegen in het schip, en licht voer het over de zee, zonder dat de golven den romp raakten. Het was, als vlogen ze op de vleugelen van een vogel door de ijle lucht. Soms kwamen zij een ander schip tegen: dan zwenkte hun vaartuig niet, doch het ging recht-door, en weder kraakte geen hout.
De knaap vroeg den schipper--hij kende zijn stem niet weder--en hij meende, dat nooit meer een levend mensch ze zou kunnen hooren:
"Waarheen varen wij?"
Zacht antwoordde de schipper:
"Naar 't land van den nevel aan de overzijde der zee. Engelland noemen het de menschen. Daar zult gij in nevelen opgaan."
"Voor hoelang?"
"Weet gij wat zeven millioen jaren zijn? Weet gij wat zeven honderd millioen jaren zijn?"
"En dan--?"
"Aan 't einde der eeuwigheid is het begin der nieuwe eeuwigheid!"
"Zal ik nooit meer naar 't levende leven terugkeeren?"
"Verlangt gij?"
"Ik hoor mijn moeder schreien."
"Eens zult gij terugkeeren--maar niet om bij uw moeder te zijn!"
"Waarom dan?"
"Ge zult 't weten."
In de nevelen van Engelland voer het schip. Schimmen van schemering wachtte hen, en leidden hen in 't geheimzinnig rijk. Werden ze één met den nevel, bleven zij toch bestaan binnen den nevel? Eeuwig was het stil, en er woei geen klank meer over van Zeeland, waar de levenden wonen. Als in een bosch, wanneer de nacht nabij is--iedere klank zou bevreemding wekken waren zij tezamen. Hoelang? Wie meet den tijd in de eeuwigheid?
Het was den jongen knaap, als had hij even slechts in den nevel getoefd, toen hij de gedaante weder op hem zag toeschrijden, die hem wenkte. Hij volgde haar. Het schip lag zeilree, het was met dezelfden bemand. De schipper stond op het dek, de stuurman aan het roer. Weder gleed hij over de zee.
"Hoelang is het geleden, dat ik gegaan ben?"
"Zij, die leven, noemen het een jaar."
"Waarheen voert men mij?"
"Gij zult 't weten."
Als een jaar geleden, zeilden zij over de zee, geen golven raakten het schip, geen ander vaartuig ontweken zij. Zelfs door de branding, in bruisend, brekend water, gleden ze ijl, en zonder schok kwamen zij aan land.
"Volg uw weg," sprak de schipper.
Teerder dan een damp, die bij het overvloeien van den ochtend in den vollen dag het laatst op den akker blijft (even voor 't zonnelicht ze gelijk stemt met de gansche atmosfeer) sluierde zijn nevel langs de dingen des levens. Hij wist niet, of het dag was of nacht. Hij ging verder, totdat hij voor 't huis van den man stond, die vorig jaar niet sterven wilde.
Weder ging de gedaante langs de huizen. Soms bleef ze wachten, en haar, hand raakte de ruiten aan, zonder te kloppen. Toen kwam ze aan de hoeve, waar de doode hem beidde, en tezamen zagen ze naar binnen.
De man en een vrouw zaten bij de wieg van een kind, en de vrouw neuriede een lied. Hij had zich voorovergebogen, om 't gezicht beter te zien. Daarna klopte de gedaante, onbewogen, als trof ze den man in ongeluk aan: deze stond op.
"Wat is er?" vroeg de vrouw verschrikt:
"Niet dit jaar--niet dit jaar. Ik kan dit jaar nog niet gemist worden. Ik ben gelukkig, neem een ongelukkige voor mij in de plaats."
Weder gevoelde de doode een hevige pijn, en van alle zijden hoorden hij de klagende stemmen der gestorvenen:
"Neem weg die smart. Breng hem bij ons."
"Spreek!" beval nu de gestalte den knaap.
Toen hoorde hij zichzelf spreken. Hij noemde den man bij zijn voornaam.
"Ga mee met ons. Je bent den dood vervallen."
"Neen--neem" kreet de man in angst, "kom het volgend jaar weerom. Dan zeker zal ik u volgen."
"Wat is er toch?" riep de vrouw. "Tegen wien praat je?"
"Stil ... stil ... 't gaat voorbij. Dit jaar niet. 't Volgend jaar."
De doode en de gedaante schreden voort. Bij hen voegden zich de schimmen van dezen nacht. 't Schip lag klaar. Het was als altijd.
Weder werd de knaap in de nevelen opgenomen, en hij herinnerde zich niets van wat er was geschied. Het leven was niet voor en niet achter hem. Er was geen tijd geweest, en er zou geen tijd komen. Als in een diepen droom was zijn geest gezonken, doch nog peilloozer. Zoo 't leven een droom is, welk een droom is dan de dood?
Maar eensklaps, als schrok hij wakker, en met hem alle nevelen, hoorde hij duidelijk 't geluid van een menschelijke stem:
"Laat mij nog één jaar leven," en tegelijkertijd gevoelde hij een hevige pijn, en hij hoorde zijn eigen stem en de stem der andere dooden weeklagen:
"Breng hem hier. Laat hem niet leven."
Het ging voorbij, en de schemering herbegon. Hoevele malen dit zich herhaalde? Hoevele malen zij hoorden, dit?!:
"Ik ben gelukkig! Laat mij niet in 't geluk sterven."
Na wat menschen jaren noemen, werd de nevel weder losgemaakt, en nogmaals voer hij van Engelland, het rijk der dooden, over de zee. De schipper zeide hem niets, nadat zij aan land waren gekomen. In onbewustheid wist hij, wat hij moest doen, en hij gleed tot aan 't huis, waar de man woonde.
De doode kon de gedachten van den levende hooren, als waren zij stemmen. Zij spraken:
"Dit jaar zal ik evenals vorig jaar weer geroepen worden. Het zal nu ook mijn tijd niet zijn .... Ik zal wel het medelijden weten op te wekken. Het is nu, dat ik in zorg verkeer, want mijn jongen moet een ambacht leeren, en voor dien mag ik niet sterven. Wie zou voor den jongen zorgen, als hij zonder vader was?"
De doode hoorde dit zoo duidelijk, of de levende met hem praatte. Hij wist, dat 't onmogelijk was, den man te waarschuwen, die de orde der wereld had verstoord. Toch trachtte hij hem te zeggen, wat hij peinsde. Hij begon weder met den voornaam.
"Je weet niet, watje wacht. Het was reeds de laatste maal, dat je het leven kon houden. Er zijn al zooveel anderen voor jou in de plaats gedood. Jij behoort niet meer in het licht, in den nevel is je woning."
De man wist niet, dat er iets tegenover hem stond, en hij ging voort te denken:
"Ik durf niet te denken, wat er gebeurd zou zijn, wanneer ik voor dezen tijd was gestorven. Dan waren mijn vrouw en kind alleen in zorgen achtergebleven, en niemand hier was zoo barmhartig geweest, om hen te helpen. Nog veel jaren moet ik leven--misschien over twintig, dertig jaar kan ik hier gemist worden. En dan nog--Neen! ik wil wachten, tot ik oud ben, en het leven me een last is. Voor dien tijd niet--voor dien tijd niet."
Zijn zoon trad aan de deur en ging vervolgens naar zijn vader toe. Ze spraken over de onverschillige dingen, welke van het leven zijn. Het zonlicht blonk over de wegen en het land, met blijdschap wezen zij elkander op de rijke oogsten, welke te wachten vielen, van graan en vruchten.
"Wanneer het vannacht regenen zal," zeide de vader, "mogen wij wel 't allerbeste hopen."
"Er is daarop geen kans," meende de zoon. "Er zweeft geen wolkje aan de lucht."
"Het gebeurt meer, dat er dan toch onweer komt men zegt wel eens uit een onbewolkten hemel."
"Kom vader! dat zal wel nooit gebeuren."
De man antwoordde niet. Hij staarde voor zich uit.
Toen zag de doode, dat in de verte de avond kwam. Het zonlicht aan den horizon werd mat-rood gesluierd, een huivering beefde door het graan, en het groen der boomen werd donkerder, ervoor was een violette tint.
"Onweer zal er niet komen," zeide de jongen.
Ze zwegen beiden.
Langzamerhand begon de avond lucht en aarde te omvatten. Was er ginder een weg geweest, waaraan boomen stonden? Even nog geleden was de zon een vuurbol--thans was er slechts nagloeien van den ontzaglijken gloed, en overigens was 't al grauw aan den horizon. Ook het graan, ook de bongerd, ook de slooten, ook de molen werden door warrelingen van schemer omhuld, het geleek, of alles verder werd gezet dan het in den dag had gestaan, verdwijnende.
Het oogenblik kwam, dat de doode de gedaante zag schrijden, schrijdend door het koren, met rustige schreden, als iemand, die zijn plicht vervult. Ze kwam rechtstreeks naar den man, die niet sterven wilde. Ze liep niet naar het venster, om daar te kloppen. Ze bleef staan, waar de man stond, en ze sprak in menschentaal, en met menschenstem, zoodat vader en zoon haar beide verstonden.
"Jijt gij bereid?" vroeg ze zacht en mild.
"Nog één jaar."
"Jijt gij bereid?"
"Ik moet voor mijn zoon zorgen."
"Dat behoeft ge niet meer," zeide ze streng.
Een bliksemstraal laaide langs den hemel, schoot naar de aarde, en doodde den jongen. De vader was ongedeerd. Twee dooden volgden de gedaante.
Achter hen klonk de wanhopige klacht van den man. "Laat mij nu ook sterven. Neem mij nu ook mede."
"Kom," fluisterde de gedaante. "Het schip wacht ons weder. Over dertig jaar kom ik bij den man terug. Dertig jaar heeft hij nog te leven."
XXX
Mooi-Ann van Velp
Velen hebben de geschiedenis al verteld, die smartelijk is van het begin tot het einde, van Mooi-Ann van Velp en den jonker bij Biljoen.
In den zomer, als de boschbessen vol en zwart zijn, trekken de vrouwen en meisjes erop uit, om deze te plukken, en ze vergaren de rijpe vrucht in karren, waarmede ze naar de steden rijden. Dan roepen ze en 't klinkt droefgeestig, daar zij zich niet thuis gevoelen binnen deze vijandige wereld:
"Mooie boschbessén. Prachtige boschbessén," heel langgerekt, in eentonigen deun.
Wie het eens heeft gehoord, vergeet het niet.
Sommigen zeggen, dat mooi-Ann de dochter was van den heer van Velp [7], en dezen vertellen, dat het lange jaren geleden is geschied. Maar dit is nietwaar. Zij hoorde tot de boschbessenpluksters, en de heer bij Biljoen zag haar voor 't eerst, toen zij aan het werk was.
Het zonlicht speelde in het bosch--de vogels zongen. Haar jong figuur had zich over de struiken gebogen, en haar fijne handen plukten. Zoo moogt ge hen zien, een eenvoudig meisje uit het volk, en de trotsche, slechte heer, die lachte.
Ze keek om, en was verschrikt. Hij naderde haar.
"Wie ben je?" vroeg hij.
Ze durfde hem niet te antwoorden.
"Ik zal je niet opeten," lachte hij. "Wist je wel, mijn kind, dat je mooi bent?"
Wat zou ze moeten zeggen? Ze bedacht, om weder aan 't werk te gaan, maar ze moest naar hem zien, zooals hij daar stond, zelfbewust en zeker van zijn onweerstaanbaarheid.
"Weet je wel, hoe ik heet?" Nauwelijks hoorbaar zeide ze:
"Ja--ge zijt de heer bij Biljoen."
"Goed--maar nu moet ik jouw naam ook weten."
"Men noemt me Ann van Velp."
"Mooi-Ann van Velp zal ik je noemen. Mooi-Ann! wil je met me meegaan, en op mijn kasteel wonen?"
"'t Past mij niet, om met u mee te gaan. Ben ik niet maar een arm meisje?"
De heer bij Biljoen richtte zich rechtop, en schuw bezag ze hem. Heeft niet ieder meisje hare gedachten over den man, dien ze zal liefhebben? Hij stond forsch voor haar, 't blonde haar golfde onder-uit zijn blauwe baret, zijn voorhoofd was hoog, zijn neus gekromd, zijn lippen rood. Reeds lang had zij, zonder het te weten, van zijn grijze oogen gedroomd, welke scherp waren, als zag hij in de verte een dier, dat hij dooden wilde. Hoe angstig en rustig moest het wezen, om aan zijn borst te liggen, door dien sterken, dikken bovenarm te worden omvat. Hij wist, dat hij haar bekoorde. Hij glimlachte. Door dien glimlach werd hij nog machtiger voor haar.
Er zijn er velen, die zich aan de beschrijving van haar schoonheid hebben gewaagd, en een spreekt van "biddend albast." Ze was misschien kleiner dan hij, al scheen ze met hem schouder aan schouder te staan. Heur blond haar droeg ze los, en het schoot bandeloos neer, in wijden boog langs den ronden arm tot aan de kloeke heup. Dit was haar grootste bekoring, dat haar gelaat kinderlijk was en haar wezen een meedoogenlooze lijn van schoonheid. Haar glimlach was vertrouwend--ach! waarom had ze den jonker bij Biljoen lief van het eerste oogenblik, dat ze hem ontmoette?
De dobbelsteenen worden geschud en geworpen geen menschenhand heeft meer macht, om het getal der oogen te bepalen. Onzichtbare krachten werken aan hun wending, hun val, hun even-kantelen, hun liggen. Tel de punten. Drie zessen of drie eenen--ge hebt het te wachten.
"Wat doe je dan den heelen dag, mooi-Ann?"
"Ik werk voor mijn moeder."
"Voor mijn moeder werk ik, in schuur en stal, In 't huis en op den akker, overal."
En hij:
"Maar arbeid geeft maar zorgen, en geeft maar angst en pijn, Wanneer gij mij wilt volgen, zult gij zonder zorgen zijn!"
"Neen! neen!" riep zij in vertwijfeling, "ik wil u niet volgen, ik ben bang voor u."
"Waarom dan? Zie ik er zoo naar uit, om bang voor mij te zijn?" Hij kwam naderbij, en nam haar hand. Zij sloeg haar oogen neer. Toen begreep hij, dat zijn wil de hare was, en woest sloot hij haar in zijn armen.
Van dit oogenblik was zij hem onderdanig. Zij vergat, dat zij een moeder had. Hij gaf haar kostbare kleeren, want wreed wilde hij, dat zij schoon was. Wat bleef er over van het meisje, dat boschbessen had geplukt, om haar brood eerlijk te verdienen?
Er woonde op het kasteel bij Biljoen een oude meid, die ijverzuchtig was, dat mooi-Ann een dame werd, en haar bevelen mocht. Vroeger had zij het meisje wel gekend als een arme deerne, gelijk aan de anderen in het dorp. Moest ze haar nu bedienen, als was ze van adel?
Ze was een listig karonje, de oude meid.
Ze wachtte 't oogenblik af, dat de jonker minder van mooi-Ann hield dan vroeger. Mooi-Ann? Mooi-Ann?
Het was niet lang geleden, dat ze mooi-Ann werd genoemd. Toch, wat was er van haar schoonheid gebleven?