Nederlandsche Sagen en Legenden
Part 10
"Ge moet heer Herman verzaken, mijn kind!" Ze fluisterde:
"Moet ik?"
"Zweer, dat ge Zweder zult volgen." Zij zwoer het, en de moeder stierf, gelukkig glimlachend na haar dood, zooals zij allen, die het leven welbereid achter zich laten. Eleonora wilde haar eed niet gestand doen en niet breken. Als Zweder haar vroeg, hem te huwen, zocht ze listige voorwendsels, want ze hoopte, dat het geluk zou komen. Ze zat eenzaam op den Wildenborch en ze wachtte ... ja, inderdaad wachtte zij op heer Herman, ocharme! Ze wilde hem tegemoet gaan, om tegen zijn borst te rusten, en zwijgend bij hem te zijn. Ze glimlachte: immers, ze wist zeker, dat hun dag komen moest.
"Ik heb lief," fluisterde ze tot zichzelf.
Het zonlicht was over de wegen naar den Wildenborch, het slot, waar zij toefde.
Ze stond, en riep den torenwachter.
"Zeg mij--blaas den hoorn--als er een ridder nadert."
Het was een droevige dag, dat hij den hoorn blies, luide over het veld. De brug werd opgelaten, en Eleonora's dienaren grepen hun wapenen. Niet een enkele ridder naderde, neen! het was Diebald, die in Zweder's naam kwam. Hij zond zijn heraut, en deze zeide:
Vrouwe Eleonora! ge zijt heer Zweder's bruid, en zult zijn vrouw worden. Wat blijft ge hem verre, vrouwe Eleonora! Waarom onthoudt ge hem den Wildenborch?"
Ze antwoordde:
"Zoo de Wildenborch heer Zweder's bezit is, waarom wil hij dan den burcht met geweld nemen? Verlangt hij zóó naar mijn erfdeel, dat hij niet wachten kan?"
"De Wildenborch komt heer Zweder rechtens toe, vrouwe Eleonora!"
Hij ging heen, en Diebald legerde zijn mannen om den Wildenborch. Zij wachtten geduldig, want er was weinig leeftocht in den burcht. Vrouwe Eleonora leerde de trouw harer lieden kennen, die den langzaam-martelenden honger niet vreesden, welke hun vleesch afvrat als een dier met scherpe tanden. Ze versaagden niet, zij leden, zoolang zij dit wilde.
Zij bad om uitkomst, want ze was angstig voor den heer Zweder, haar toekomstigen gemaal. Des nachts had ze niet geslapen en thans wachtte ze hulp, want veel zulke troostelooze nachten kon ze niet leven.
Buiten kletterden wapenen, zwaard sloeg tegen zwaard, en de brug sloeg neder met dof gedreun. De burcht was verloren, meende ze. Op het voorplein stond een ridder, nu de meester van den Wildenborch. Het vizier was gesloten, en hoog en zwijgend stond hij. De schoone Eleonora knielde, en omknelde met haar armen den ijzeren voet.
"Diebald! heer Diebald," zoo smeekte ze weenend, "nu gij overwonnen hebt in naam van Zweder, val ik neer in het stof, zie me liggen! Dit is Wildenborch en hier hebt ge mij. Begeert gij nog meer? Dood mijn dienaren niet, ze hebben de muren verdedigd op mijn bevel."
"En braaf hebben zij gehandeld."
Op het vizier.
"Herman," jubelde zij.
"Eleonora!"
"Ik dank u, Herman!"
"Ik ben ter bruiloft gekomen. Morgen zal het bruiloft zijn."
"Van wie?" vroeg ze schalksch.
"Van ons beiden!" lachte hij.
Waar was het leed, waar was de honger? De lieden togen met boog en spies ten poorte uit, om herten en evers te jagen. De spitten blonken al, en de vrouwen gingen in het woud, om hout te sprokkelen, opdat het vuur zou laaien. Er zijn veel grootscher feesten geweest, maar geen gelukkiger. Men zong liederen ter eere van Herman en zijn vrouw; en deze dag scheen zonder begin en zonder einde, gelijk de eeuwigheid. Ja, in dezen dag was eigenlijk al hun geluk besloten, want de booze Zweder wilde zich wreken, en niet lang liet hij wachten. Men zegt, dat reeds den volgenden ochtend Herman uitreed, en dat hem toen de speer in den rug trof. De moordenaars vloden.
De knapen vlochten een baar van sterke takken, en hierop legden ze den held. Langzaam droegen ze hem naar den Wildenborch, zonder hem te wiegelen, opdat zijn pijn zoo licht mogelijk zou zijn. Wel wilde hij sterven, hoe jong hij ook was, doch dan in Eleonora's armen, en met haar zoeten troost gezegend.
De fakkels brandden in den avond.
Eleonora ging naar buiten, en ze zag haar Herman, nederliggende op de baar. Ze zag bij den glans van het vuur, dat er bloed was aan de takken en twijgen en bladeren, welke den held als laatste rustbed dienden. Met al haarliefde kuste ze hem en in dezen kus stierf hij, glimlachend.
Op een stille plaats werd zijn graf gedolven. Het lijk lag op het slotplein.
De moordenaars kwamen tot den heer Zweder, en zeiden:
"Uw vijand is niet meer."
Toen trok hij-zelf met zijn heir naar den Wildenborch. De trompetten schalden.
"Geef over den Wildenborch! De rechtmatige heer is gekomen."
De brug viel terneder, en de heer Zweder deed zijn intocht. Hij kwam met geopend vizier, en hij zag den doode en de levende, die erbij stond. Hij zeide:
"We zullen dat lijk dezen avond begraven." Zij antwoordde met zachte stem:
"Het graf is reeds gedolven." Hij lachte, of hij zeggen wilde, dat dit des te beter was. Zoodra het duister werd, reed men uit, om den doode naar de groeve te voeren. Onder de boomen was het reeds nacht, en naar de zijde der boomen dreef Eleonora haar paard. De bladeren ruischten--was er nog een ander geluid?
Nadat men den heer Herman ter aarde had besteld, ging men naar den Wildenborch terug. Alom was het nacht, en men kon elkaar niet onderscheiden. Toen gleed Eleonora van haar paard en het trouwe dier liep door. Ze ging in een greppel liggen--en het duurde niet lang, of alle klanken van den stoet, het stappen der paarden, het praten van ridders en knechten, waren vervloeid. Ze stond op, en liep naar Herman's graf.
Wat nam ze van den grond? Wat zand, en niets meer. Bleef ze nog langen tijd? Neen, ze vluchtte voor den boozen Zweder.
Ze verborg zich als het dag was. In den nacht ging ze verder.
De regen sloeg neer, en de wilde winden woeien. Op den weg--zoo zij althans een weg ging--schramde zij haar voeten aan puntige steenen.
Het was in den morgen, dat ze bij Staveren's burcht stond, en voor 't eerst trok ze overdag verder, want hertog Reinold zou haar hier beschermen. Ze had den heer Zweder nu nooit meer te duchten, zoolang ze leefde.
Ze klopte aan de poort, en ze werd binnengelaten. Ze was gekleed in het gewaad, dat ze ten uitvaart van Herman had gedragen; gebogen ging de zwarte vrouw naar de kamer, waar hertog Reinold's vrouw haar wachtte.
"Niet lang zal ik meer leven," zoo zeide zij; "laat mij hier sterven."
Neen, het duurde slechts korten tijd, of men groef bij het slot een graf voor de jonge vrouw, doch de meeste graven zijn dood en 't hare leeft. Des nachts ziet men haar rijzen uit Eleonora's Poll, en ze neemt van de aarde wat zand, gelijk ze eens heeft genomen van het graf bij den Wildenborch. De wind verwaait het.
Hoe vreemd ritselen er de bladeren in den herfst ....
XXIV
De Kamper Raadslieden
Het was een koude winterdag, en bij den haard van het stadhuis zaten de Kamper raadslieden tezamen, heel gezellig na lange en wijze debatten over diverse resolutiën, welke op de burgers zouden worden uitgestort. Men durfde eigenlijk niet goed heen te gaan: want de vinnige Oostenwind had zelfs voor de raadsleden geen clementie over, en men besloot nog wat te redeneeren over alles en nog wat.
"Wat een storm!" rilde een der raadsheeren. "'t Heeft vannacht harder gevroren dan ik 't ooit gekend heb, en mijn vrouw's tante zegt, dat het de strengste winter is, dien ze ooit heeft meegemaakt. En dat wil wat zeggen, want ze wordt met 't voorjaar zeven en negentig jaar."
"Hu--," riep de burgemeester. "Laten we den bode roepen, opdat deze nog wat houtblokken op de haard legge."
De bode werd geroepen. Hij kwam, en groette de edelachtbare heeren met een zeer bijzondere reverentie, waaraan niemand eenige aandacht schonk. Met een stem echter, of hij een veldheer ware, die bevel geeft een lang belegerde veste te bestormen, riep de burgemeester:
"Wij hebben 't koud. Leg blokken op den haard."
Toen de blokken gebracht waren, en naar den eisch nederlagen op de vlammen, om hun vonnis te ondergaan, schikten de wijze raadslieden nog dichterbij het vuur dan tot dusver. De zegenrijke hitte vleide zich zoet over 't kippevel hunner armen, en de handen, welke wit van de kou geweest waren, werden teeder-rood geroosterd.
"'t Is hier beter dan buiten," zei de burgemeester, en hij schoof nog wat dichter naar voren, in den rug gevolgd door zijn raadsheeren.
"Dat is een waar woord," antwoordde het oudste raadslid.
"Dat zou ik denken," voegde er het jongste aan toe.
De burgemeester dacht een oogenblik na. Eindelijk sprak hij:
"Buiten gaatje de wind door merg en been." 't Oudste raadslid zuchtte.
"Als 't maar weer voorjaar wordt," en zijn buurman peinsde luid:
"Hier zitten we gelukkig goed."
De burgemeester zette zijn zetel weder iets meer vlammenwaarts, en de wijze raadslieden drongen met hem een paar duim op. De burgemeester deed opmerken:
"Over een bevroren rivier kunnen de schepen ook niet varen." 't Oudste raadslid was 't met hem eens.
"Sinds de rivier dicht is, komen er ook geen schepen meer aan." En 't jongste, de optimist van 't gezelschap, troostte:
"In den zomer zal de rivier wel weer open zijn."
Plotseling zwegen ze allen, en keken elkaar verschrikt aan. Er was brandlucht. De bode werd geroepen, en de burgemeester vroeg:
"Is er brand hier in de buurt?"
"Neen," zei de bode, "maar met oorlof der edele heeren is burgemeester's pantalon aan 't schroeien."
"'t Is goed, we zullen hierover beraadslagen."
Langen tijd dacht men over 't geval na. Het kwam niet te pas, dat het vuur zoo vermetel was, om de broek van den Kampenschen magistraat aan te tasten. Doch hoe kon men dit verhelpen? Niemand durfde een woord te spreken, totdat de burgemeester zijn oordeel had gezegd.
"Edele heeren van den raad dezer stad," sprak deze eindelijk, "de zaak is van een bijzonder perikel. Ik, uw burgemeester, ken slechts één middel, om het kwaad te verhelpen."
Met spanning wachtte en luisterde men.
"Edele heeren van den raad dezer stad .... De schoorsteen moet naar achteren worden gebouwd. Wanneer dit is geschied, zullen wij voortaan van de vlammen geen last meer hebben."
En aldus werd met veel bijval besloten.
XXV
De Weerter Rogstekers
In de dagen van Olim, toen Weert Weert nog niet was, woonden er tòch in het stedeke van Jan van der Croon reeds moedige mannen, die gaarne wilden laten zien, wat zij t' avonture vermochten. Zij lieten de spierballen hunner armen dikwijls opzwellen, en zij schudden de wapenen, als gingen zij den vijand tegemoet: ojammer echter! de vijand bleef uit, en de Weertenaren dienden hun dapperheid tot later gebruik in te pekelen.
Op een dag reed er door het stadje een vischkoopman, die de goede burgers eindelijk tot de befaamde helden zou maken, over wie nog in gansch Limburg en Noord-Brabant met stillen eerbied wordt gesproken.
De vischkoopman dan had een rog op zijn wagen, die, zonder dat hij 't merkte, van zijn kar op de straat glipte en in 't mulle zand der straat bleef liggen. Hij ging door, en de Weertenaren bleven met 't monster alleen. Ze wisten niet, wat het was, en met schuifelende schreden kwamen ze, de hoofden vooruit, dichterbij. Hoog sprong het in de lucht, en met geweld sloeg het, daar zijn krachten hem begaven, door de zwaartekracht weder naar beneden. Een wilde, wanordelijke vlucht der aanvallers volgde, en de rog had zich dus ten eersten male goed tegen de helden verdedigd.
Een der Weertenaren ging op het dak zitten, en keek vandaar naar het gruwelijk ondier. Een ander klom in een boom, en begon het met steenen te bombardeeren. Men zou het duivelsch gebroed, dat in 't rustig stadje uit de lucht was komen vallen, wel klein krijgen!
Gillende vrouwen hielden onderwijl haar mannen bij de jas. Kinderen schreiden om de algemeene angst, en iedereen was klaar, om nog verder weg te loopen, als de rog weder een van zijn slangelijfkunstenaars-grappen zou uithalen.
Gelukkig overlegde een burger, dat men in Weert nog een schout had. Doch waar was de schout? Als er niets gebeurde, zag men hem met strenge passen en met vreeswekkende rimpels in zijn voorhoofd over de straat gaan. Dan keek hij naar ieder onschuldig varken, dat in den grond wroette, als ware het dier een vermaarde roover, die onschadelijk gemaakt moest worden, en zoo nu en dan bleef hij plechtig staan, of hij de goede burgerij verzekeren wilde: "Zoolang ik schout ben, zal er in Weert niets buiten de welvoegelijkheid geschieden."
Aan den anderen kant ... áls er werkelijk eens wat voorviel! Dan waren nóch de schout nóch zijn rakkers ergens te vinden. Men klopte tevergeefs aan hun deuren. Ze waren spoorloos verdwenen, totdat zij weder zonder gevaar konden naderen, en de delinquent door de burgers zelf gevangen was genomen. Dan klonken hun krijgshaftige passen al dichter en dichterbij. Hun oogen waren klein en stekelig. Hun wenkbrauwen borsteliger dan ooit, en hun wapenen rink-rinkelden onder 't gaan. Als ze den misdadiger naar het kot sleepten, deden ze dit naar de eischen der hoogste kunst.
Ook op het oogenblik, dat de rog zoo'n vervaarlijken salto-mortale had gemaakt, was de schout niet aanwezig, maar de vrouw van den smid snapte hem net precies, toen hij zich wilde verstoppen. Zij jubelde:
"De schout! de schout!" en ze trok hem naar voren.
Wat moest hij beginnen, de arme kerel? Hij gevoelde de verantwoordelijkheid zijner betrekking, hij kuchte met een moed, die iedereen vertrouwen gaf, en hij stapte naar voren, teneinde een toespraak tot de mannen van Weert te houden, gelijk helaas zoo menig veldheer, die zeer goed zijn _troepen_ moed weet te verschaffen, doch die zelf op den achtergrond wenscht te blijven, waar 't gevaar hem niet bereiken kan.
"Burgers!" zoo sprak hij, "de eer onzer goede vaderstad eischt, ja eischt, dat wij gindschen draak verslaan. Gij allen hebt wel eens van Sint Joris gehoord."
De rog sprong in de hoogte, en alle Weertenaren, de schout incluis, maakten, dat ze weg kwamen.
Op een afstand zette de schout zijn rede voort.
"Wat ik zeggen wil! als men oprukt voor het gemeenebest, dan dient men niet alleen te beschikken over den Weertschen moed, maar ook over Weertsche trouw en Weertsch beleid. Zoo de vijand binnen onze poorten is, kunnen wij hem niet tegemoet trekken in wanordelijkheid, zooals ik daareven uit mijn hinderlaag heb ontdekt, neen! burgers of leeuwen, wij moeten ons in vaste rijen scharen, en, zonder te wijken, ineens op den belager, die wreedheid aan lafheid paart, afstormen. Zeker kunt gij hierbij uw leven verliezen, maar weet! dat er voor een burger niets schooner is dan voor het vaderland te sterven. Daarginder ligt het vaalzwarte monster, zijn oogen loeren naar ons, en hij heeft den bek open, om ons allen tegelijk te verslinden. Op voor Weert! Uw wapenen vooruit, zooals zij in uw handen zijn, spiesen en lansen en messen en mestvorken en schoppen, en dan allen tegelijk voorwaarts. Één, twee, drie."
En daar schoten de Weertenaren naar voren, slechts gehinderd door de vrouwen en verloofden, die hen trachtten tegen te houden bij schouder of been, en die zich desnoods mede lieten sleuren, om _hun_ man maar niet de eerste te doen zijn. De schout had geen eega van noode: hij bleef vanzelf wel achter, teneinde op een afstand de strategische kansen van voor- en tegenpartij te wikken en te wegen; booze tongen willen wel eens beweren, dat hij zich gaarne in zijn hinderlaag had teruggetrokken. Hoe dit zij, zijn zware stem gaf den anderen dapperheid genoeg, totdat de rog, misschien zelf verschrikt door al het kabaal, zich met zijn laatste kracht in de hoogte hief, en de burgers, losgelaten doorhun vrouwen, denzelfden weg _terug_ snelden, dien ze met zooveel voorzichtigheid _heen_ hadden afgelegd.
De schout schudde 't hoofd, toen zij zich weder om hem verzamelden.
"Mannen van Weert!" zeide hij, "ge zult 't me niet euvel duiden, wanneer ik verklaar, dat ik meer van u had verwacht! Leer van mij, dat iedereen wel zeggen kan: 'Ik heb moed.' Maar moed, burgers van Weert, is moed, dien men toont."
Dit waren allen met hem eens, en de schout ging voort.
"Ik geef toe, dat de overmacht te groot is, om met goed gevolg te worden bestreden, en daarom is versterking onzer troepen een gebiedende eisch. Laat ons dus de klokken luiden, teneinde onze trouwe bondgenooten in den omtrek te verwittigen, dat er groot gevaar is in Weert, en laten we ons zoolang hier op den achtergrond houden. Wanneer de vijand ondertusschen mocht naderen, kunnen wij nog de wijk nemen, want het is geen gebrek aan moed, burgers van Weert, als men vlucht, om later een aanval des te beter te doen slagen."
De klokken werden geluid, verkondigend, wijd-uit, dat de burgers in groot perikel verkeerden; de boeren daarbuiten hoorden het, en ze maakten zich op, om te helpen, zooals het goede buren betaamt. Ze kwamen aanrijden op dikke paarden, of wel snelden ze toe met zeis en met sikkel, met schaar en met ploegijzer, en met dichte drommen drongen ze de stad binnen.
"Wat is er hier te doen?"
"Waarmede kunnen wij helpen?"
"We konden niet eerder komen!"
De schout knikte hen vriendelijk toe.
"Landlieden! het is ook uw belang, dat de vijand, die gij ziet, wordt verslagen. Want verneemt, dat de draak, die daar ligt, uit Rusland is komen aanvliegen, recht op Hamont toe, waar het drie menschen met huid en haar heeft verslonden. Dit was nog niet voldoende voor zijn onverzadiglijken honger."
De stedelingen en boeren rilden.
"Van Hamont snelde het naar Budel, en daar viel het onverwacht een koopman aan. Met één slag behoorde deze tot het rijk des doods, en 't ondier opende den muil, om het lijk te verzwelgen. Nadat hij hiermede gereed was, verlangde hij nog een kleine toespijs, en onder het vliegen naar Weert greep hij, ondanks het gejammer der moeder, een driejarig kind bij de beenen op, en met een hap en een snap was 't al in zijn keelgat verdwenen."
Langen tijd zweeg men, met hijgenden adem naar den rog starende. Eindelijk riep één der boeren:
"'t Is geen dier, 't is de Duivel, welke zich in deze gedaante aan ons vertoont. Wat helpen ons deze wapenen tegen hèm?"
Maar de burgers mokten:
"Als hij zoo gevaarlijk is, kunnen wij hem hier niet laten. Want anders kunnen we nooit meer over de straat wandelen, zonder dat hij één onzer als zijn prooi uitkiest. Te wapen! te wapen! we zullen hem aan onze spietsen steken."
Nu waarlijk trokken ze met man en macht vooruit, bereid, om te sterven. Doch nauwelijks waren ze het monster genaderd, of de koopman, die het had laten vallen, drong zich nog vlugger naar voren dan de Weertsche helden.
"Och heeren, och heeren, 't is de rog, dien ik verloren heb. Heeren, heeren, hij doet niemand kwaad, waarom zou u mijn rog steken? 't Is maar een visch!"
Hij nam, denk eens aan, het ondier in zijn handen en legde het weder op de kar. De Weertenaren zagen, dat hij er rustig mede weg-reed.
De boeren lachten om de stadslui, dat zij schudden.
"Jullie moeten eens weer de klok luiden, domme _rogstekers!_"
Sindsdien heeten de lui van Weert alom in het land van Brabant en Limburg: "de rogstekers," en ze zullen dien naam behouden, zoolang Weert Weert blijft.
XXVI
Kabouterwraak of de vrijage van Hilbert en Japikje
Ze konden bij malkander niet komen ....
Hilbert liep fluitend over 't Ellertsveld, en hij dacht aan niets. Van de andere zijde kwam Japikje, en ook zij dacht aan niets. Toen ontmoetten zij elkander, en beiden dachten ongeveer hetzelfde.
Hilbert peinsde:
"Dat is een aardig wicht, om een poossien mee te vrijen."
En Japikje dacht:
"Dat is een aardige vent, en vroeg hij me maar, om een poossien te vrijen."
Hilbert kwam uit het Zuiden van 't Ellertsveld, waar de manskerels niet voor een klein geruchtje vervaard zijn, en Japikje uit 't Noorden, waar de wichten zich niet laten kennen.
Ze gingen elkander voorbij, en Japikje zong:
"Moeder zet mien mussien teregt, t' Aovend kump mien vraoijer, Komp ie niet, ik hael um niet, Al komp ie van mien levent niet."
Zingende antwoordde Hilbert:
"Spien mooi meissien spien Spienst du niet Dan wienst du niet Dan kriegst doe t' aovond oew vraoijer niet."
Ze sloegen zich lollig tegen de dijen, keken om, en lachten tegen elkaar.
"Hoe heet je?" riep hij voortgaande.
"Alberts Japikje."
"Ik kom Zaterdagavond, om 'n poossien te vrijen."
"Dat mag om mien part wel wezen."
Vervolgens liepen ze weder door, ieder de eigen richting.
Uit vreugde zong Hilbert 't lied van zijn kinderjaren:
"Rondom de ketel! Wat zullen wi t' aovend eten Broam, broam, sprikken, Leêr, leêr, lappien leêr Doe er uut en ik er weêr."
Uit de verte schalde haar vroolijke stem:
"Haken en oogen, Tikke, takke, toogen, Wit pampier Zwart pampier Zoo komt Pouwel Jones hier."
Toen tegelijkertijd:
"Lange, lange riegel Twintig is de stiegel, Dartig is de riegellang, Veertig is de ummegang."
Ze keken om, en ieder zag een zwarte stip, dat was de ànder, die den volgenden Zaterdag zou vrijen.
De week was eindeloos lang. Waren dat gewone etmalen van vier en twintig uren, en was een uur niet méér dan zestig minuten? Dat was een plaagzieke zon, die in het Oosten niet wilde rijzen, naar het Zuiden niet wilde keeren, uit het Zuiden niet wilde dalen. De wijzers der klok kwamen nooit vooruit, en de koekoek kwam slechts schaarsch uit zijn huisje. Iedere dag had berouw, dat hij gekomen was.
Ten laatste echter ging de tijd zijn noodzakelijker gang. De Zaterdagavond verscheen, of hij nimmer geaarzeld had, en Hilbert liep over het Ellertsveld, naar Japikje toe. Ze wachtte hem reeds.
De avond was donker.
En ach, wat de uren in de afgeloopen week verzuimd hadden, haalden ze nu in. In een oogenblik vervloeide de donkere avond in den duisterder nacht. Vóór Hilbert eigenlijk goed begreep, dat Japikje in zijn armen had gerust, drong het fel-gewapende licht van den dag op tegen den zwarten burcht aan den horizon, en 't heir der zonnestralen deed er zijn glorieuse binnenkomste, terwijl zes hanen tegelijkertijd de blijde overwinning bazuinden.
Woorden had Hilbert niet veel. Hij keek Japikje aan, en vroeg:
"We mosten mit menner [2] wat eten."
Hij wachtte gespannen op haar antwoord. Doch bij haar was het ... wel vrijen in den avond, doch overdag geen vertrouwelijkheid. Hij zou 't moeten ervaren, hoe er bij een Drentsch meisje, dat haar manieren kent, een groot onderscheid is tusschen minnekoozen en de liefde; om van 't huwelijk nog heelemaal niet te spreken. Ze bezag hem wel minder minachtend dan zij 't haar andere vrijers deed, bij het licht, doch hij mocht er zich nog niet op beroemen, haar uitverkorene te zijn.
"Mi lust niet, 'k doe bedanken," lachte zij.
"Japikje," vervolgde hij smeekend, en hij streek haar over 't jak--onwillig liet ze het toe--"ik vind oe zoo'n himmel wicht [3]. Ik mag oe zoo geern. Och, mien wiggien, mien wiggien [4]. Ben ik geen knap jonk kerrel? Zullen wij trouwen?"
"Hold op met oew praeties. Ik wil oe niet, en zie, da'j een ander kriegt."
"Mag ik dan Zaturdagavond weer een poossien met oe vrijen?"
"Nee!"
"Mag ik dan nooit weerom kommen?"
"'t Volgend jaar, niet eerder en niet later. Je mot op denzelfden dag kommen, en dan wi'k--dan wi'k--" ze schaterde, "met oe trouwen, allenig met oe." Ze trok hem aan zijn neus, draaide in den ronde, en liep van hem weg, zonder nog om te zien. Met verwonderde domheid keek hij haar na, totdat 't laatste tipje verdwenen was.
Den volgenden Zaterdag ondernam hij denzelfden tocht als een week geleden. Zijn vriend Lammert was meegegaan, omdat hij in 't Noorden ook eens de wichten wilde zien, en hun gemeenschappelijk avontuur verbroederde hen. Ze liepen tot aan de boerderij. Alles was donker. Hilbert kuchte, floot, Lammert klopte tegen 't venster. 't Was zoo stil, als stonden ze voor een onbewoond huis.
Lammert krabde zich 't hoofd.
"Was ik maar in 't dorp gebleven," peinsde hij wijsgeerig, "daar had ik met Trientien een puossien kunnen vrijen."
"Waar zou ze wezen?" vroeg Hilbert.
"Dat komt er nou van, dat je mien mee wol hebben. D'r is op de stoel nog geen plaats voor een, en nou moeten wij er met ons beiden zitten."