Nederlandsche Doopnamen: Naar Oorsprong en Gebruik
Chapter 2
De Naamlijst is alzoo volgenderwijze opgesteld: Voorop staan, in aangedikte letter, de Nederlandsche namen voor welke de Heiligennaam verlangd wordt. Dan volgen, als verklarend gedeelte, de oud-germaansche namen met den hoofdstam in kapitale letter voorop, en in grootere of kleinere verscheidenheid van lezing, naarmate zulks noodig of nuttig is. Deze verscheidenheid is in de oude stukken lang niet gering, wijl ze te wijten is niet slechts aan den volksmond maar ook en vooral aan de Latijnsche vormen welke de namen in de oorkonden en kronieken zoo vaak verkregen. Als uitkomst wordt ten laatste de patroonheilige aangegeven, vaak meer dan een, volgens de Latijnsche spelling der _Bollandisten_ met opgaaf van sterfdag en -jaar, [11] alsook van den vierdag en de bladzijde van hun bekend werk de "_Acta Sanctorum_". Bij de vaderlandsche Heiligen wordt ook verwezen naar "_Neerlands Heiligen_ door Pr. _J. A. F. Kronenburg_".
Wijl het te omslachtig en plaatsroovend wezen zou, wanneer in de Naamlijst elke Nederlandsche naam naar zijn letter van het ABC zou moeten voorkomen, wordt elke namengroep van een eigen nommercijfer voorzien, dienstig voor een opzoeken in den algemeenen Naamwijzer, die aan het einde volgt. Raadzaam daarom, het zoeken allereerst te beginnen met het naslaan van dezen Naamwijzer.
Hadden de oud-germaansche naamstammen ook hunne beteekenis?--Oorspronkelijk zeker; en daarom volgt ook achteraan nog een lijstje van die stammen, waarover genoemzame zekerheid bestaat. De lezer zal met voldoening kunnen opmerken, hoe nog van een groot aantal de beteekenis overeenstemt met ons hedendaagsch Nederlandsch. Intusschen moeten we toch naar Heintze's [12] waarschuwing, die beteekenissen niet zoo streng opvatten. "Oorspronkelijk", zoo zegt hij, "hebben wel de ouders hun kind den naam gegeven als een wensch, bijv. de knaap moge sterk zijn als een beer: _Berinhard_; spoedig echter verstonden de Germanen zelf niet meer alle namen, en zochten zij vaak voor het kind eenen naam, welke dien der ouders op eenige wijze bevatte, zonder op den zin te letten."
Tot hiertoe over de vraag: hoe er bij het _geven_ van den doopnaam overeenstemming kan betracht worden tusschen Vaderland en Kerk. Maar ook bij het _dragen_ van den voornaam, heel het leven door, komen deze beiden met elkaar in aanraking. Hier hebben we te maken met de verschillende omstandigheden en eischen van het leven, zooals daar zijn: inschrijving in doopboek en burgerlijken stand, afkondiging in de kerk, kennisgeving in de leesbladen, en het dagelijksch gebruik in den huiselijken, gezelligen en vriendschappelijken kring. En nu wil het mij altijd voorkomen, dat ten opzichte van dat alles onze Nederlandsche katholieken wel het een en ander te verbeteren, of althans ernstig te overwegen hebben.
Al aanstonds moet in het licht gesteld, dat er sedert het laatste paar eeuwen bij ons Nederlanders een eigenaardige gewoonte is ontstaan, waardoor wij eene uitzondering maken op alle natiën om ons heen. Onder de knappe burgerij, vooral de katholieke, wordt, naar het wel lijkt, een Nederlandsche naamvorm als iets minderwaardigs gerekend, of althans niet fatsoenlijk, niet deftig genoeg. Men schijnt zich in te beelden, dat Nederlandsche vormen niet veel meer zijn dan verbasteringen van de Heiligennamen welke we als roomschen leerden kennen uit de deftige levens der Heiligen, uit de Allerheiligen-litanie en de Kalenders. De waarheid is echter deze, dat we in de laatste eeuwen der "deftigheid" de goede vormen hebben verwaarloosd, waarmee ons katholiek voorgeslacht gewoon was Gods lieve Heiligen te noemen. Gevolg is geweest, dat we als Nederlandsche namen niet veel meer dan de afgekorte vormen van het alledaagsche gebruik hebben overgehouden; en deze vinden we natuurlijk "te ordinair". Andere volken echter schamen zich niet hunne vóórnamen, ook bij de meest officiëele gelegenheid, in het gewaad der moedertaal te kleeden, zooals: _Jean_, _Johan_, _John_, _Giovanni_, _Pierre_, _Peter_, _Pietro_, _Jacques_, _Jacob_, _James_, _Giacomo_ enz. Zij staan er zelfs op, in onze kerken afgelezen te worden met hunne eigene Fransche, Duitsche, Engelsche, Italiaansche voornamen. Wij echter meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend, eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsch, waardige vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn helaas, door onverstand in minachting geraakt als waren ook zij slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn, en ze zijn gelijk gesteld met de verkorte, gemeenzame vormen van den alledaagschen omgang.
Zoo werden dan door het Latijn de van ouds geijkte Nederlandsche vormen verdrongen; want we hebben ze toch in vroegere eeuwen wel echt bezeten de namen, die geheel volgens het Nederlandsche taaleigen, op waardige wijze de strikt kerkelijke namen vervingen. Petrus was _Pieter_, Paulus _Pauwels_, Christophorus _Kristoffel_, Elisabeth _Liesebet_ of _Liesbet_, Martinus _Maarten_. En menige oud-vaderlandsche naam, die door den Latijnschen vorm der kroniekschrijvers zijne zuiverheid verloren had, droeg in de moedertaal veel ongerepter zijn afkomst en beteekenis ten toon. _Volkert_ is zuiverder dan _Volquerus_, _Koenraad_ dan _Conradus_, _Rombout_ dan _Romualdus_ enz. Wat vrouwennamen aangaat veranderde onze middeleeuwsche taal geregeld de _a_ van het Latijn in de Nederlandsche _e_, gelijk ons dat door verscheidene nog heden bestaande plaatsnamen vertoond wordt, zooals: S. _Anne ter Muiden_, S. _Annenburg_, [13] _Den Annenburg_, _Geertruidenberg_, _Mariënboom_, _Mariënbosch_, _Mariëndaal_. Zoo sprak en schreef men toen Ste _Aagte_, Ste _Christiene_, Ste _Margriete_, S. _Agnieten-convent_ enz. En gelijk de oud-germaansche _persoons_namen thans nog voortleven in de hoog- en nederduitsche _geslachts_namen, volgens hetgeen reeds boven besproken is: zoo staan de middeleeuwsche, goed-nederlandsche vormen nog te lezen in de hedendaagsche geslachten als _Evertsen_, _Gijsberts_, _Jaspers_, _Leenderts_, _Martens_, _Roelofs_, _Rombouts_ enz., evenzoo in de plaatsnamen, en voor het overige natuurlijk in de oorkonden onzer geschiedenis.
De strekking derhalve mijner nieuwe Naamlijst is ook deze: het gebruik van die goede en waardige vaderlandsche namen te bevorderen, en wel ten eerste als _doopnamen_. Dit wil zeggen, dat het niet langer ongepast worde gerekend, aan den pastoor of den doopenden priester den naam op te geven in de moedertaal. Zulks heeft ook nog dit voordeel, dat er dan in overleg met hem kan bepaald worden, welke naam, in den _vaderlandschen_ vorm zal worden ingeschreven bij den _burgerlijken stand_. Het doopboek, waarvan de officiëele vorm het Latijn is, neemt natuurlijk den kerkelijk-Latijnschen naam op, die trouwens bij de toediening van het H. Sacrament wordt aangewend; [14] doch de Nederlandsche vorm worde er, zoo noodig, met een enkel woord naast gezet. Dit overleg zal moeilijkheid en last voorkomen, welke anders nog wel eens later plegen te ontstaan door schuld van slordige aangevers of letterziftende beambten. Ook acht ik aangifte van den Nederlandschen naam bij den burgerlijken stand ten zeerste nuttig om bij de on-katholieke beambten de meening uit te roeien, alsof wij Roomschen met onze Latijnsche Heiligennamen maar halve Nederlanders zouden zijn. De waarheid toch is, dat juist wij katholieken "de oudste brieven hebben", omdat wij met de stukken bewijzen kunnen dat ons middeleeuwsch voorgeslacht gewoon was, de Heiligen met allen eerbied te noemen en aan te spreken als St. _Jan_, St. _Pieter_, Ste _Aagte_, St. _Laurens_, St. _Baaf_, Ste _Liesebet_ enz. En waarom dan toch zou dit thans ongepast moeten heeten?
Ook moge hier tevens een goed woord gesproken worden tot aanbeveling der namen van onze vaderlandsche Heiligen, mannen en vrouwen die op onzen grond, geleefd, gestreden en geleden hebben. Daarom zal men in achterstaande Naamlijst die namen bijzonderlijk herdacht vinden zoo voor Zuid- als voor Noord-Nederland.
Vervolgens zijn er ook _afkondigingen van onze namen in de kerken_ te doen. Dit is, het moet bekend, een teer punt. Maar vooreerst dient in het oog gehouden, dat we begonnen zijn met onderscheid te maken tusschen waardige Nederlandsche vormen en de afgekorte, gemeenzame van het dagelijksch verkeer. Vervolgens komt vaak in aanmerking het onderscheid van plaats, stand en geslacht. Doch wanneer het gelukken mocht, een algemeen gebruik van den Nederlandschen naam in den eenvoudig netten vorm in te voeren, in der maniere zooals het in den vreemde gebruikelijk is; wanneer dus de deftigheid van het Latijn zou worden aan kant gezet, dan juist zou op de eenvoudigste wijze een eind komen aan den last, welken de gevoeligheden, grillen en aanmatiging van sommigen aan de parochiepastoors bereiden kunnen. In de groote steden weliswaar komt dit niet zoo licht voor, omdat aldaar, naar ik vermeen, als regel gehouden wordt: alle namen Latijn. Doch, al is dit nu gemakkelijk: het is voor het volk niet altijd naar behooren verstaanbaar en begrijpelijk; en het brengt het bezwaar mede dat daardoor de dwaze uitzondering die we in de wereld maken nog altijd meer bestendigd wordt. In de kleine steden echter en ten platten lande--bij eenvoudiger zeden en algemeener bekendheid der personen maar ook bekrompener opvatting--doet het verschil van stand met zijne aanspraken zich te gemakkelijker gelden. Doch ook daar juist behoort opgekomen te worden tegen het evenzeer dwaze als onvaderlandsche dwaalbegrip, alsof de namen der eigene moedertaal goed genoeg zouden zijn voor boerenknecht en daglooner maar te onfatsoenlijk en te gemeen voor den gezeten boer of burger. En bovendien, goed begrepen, klinkt het ten platten lande zelfs heel niet aardig wanneer een goed bekende Dirk, Frans of Toon tot een witgedasten Theodorus, Franciscus of Antonius worden opgeschikt.
We komen tot de _aankondigingen in de dagbladen_ bij overlijden enz. Daarbij plegen wij, hetzij dan juist niet opzettelijk, voor onze katholiciteit te getuigen door onze Heiligennamen in het Latijn te schrijven. En ik vrees dan ook al de opwerping te hooren: "Met Nederlandsche namen te onderteekenen staat zoo gereformeerd." Daar is inderdaad iets van aan, doch juist door eigen schuld. Maar zoo pas heb ik al met een enkel woord besproken wat er om onze schuwheid voor vaderlandsche vormen tegen ons opgeworpen wordt, als waren we geen echte vaderlanders. Derhalve komt het mij voor, dat er in dit geval meer reden bestaat om te getuigen voor onze vaderlandsliefde dan voor ons Roomsch geloof. Waarlijk men kan den ijver om als katholiek op te treden gerust voor betere gelegenheden bewaren. Immers, als we in _katholieke_ bladen onze kennisgevingen plaatsen, dan getuigt dit alleen reeds dat we Roomsch zijn. _Onkatholieke_ bladen met advertentiën te begunstigen en te steunen komt eigenlijk heel niet te pas.
Intusschen begint er eene betere richting op te komen, die van de vormelijkheid der Latijnsche namen gaat afwijken, niet zoozeer in de namen der personen die als overleden enz. worden aangekondigd, maar in de vóórnamen der familieleden die onderteekenen, en die daarbij het gebruik aannemen om hun eigenlijken doopnaam voluit te schrijven. Dit kan niet anders dan navolgenswaard genoemd worden. Vooreerst geschiedt daardoor te meer hulde aan den Patroonheilige; en vervolgens klinkt het veel vriendelijker en hartelijker dan met de simpele en saaie beginletters alleen. Doch, in het voorbijgaan gezegd, dan moest men ook tevens de vóórletters der overige namen maar inhouden; immers het schrijven van bijv. Herman J. L. H. of van Frans C. J. W. enz. maakt maar een erg peuterigen indruk. Bovendien zou het in onzen tijd, die door het groot aantal van opkomende instellingen en vereenigingen, waarlijk van beginletters ál te breed haar deel krijgt, een winst zijn als er in het opsommen van vóórnaamletters wat opruiming plaats vond. En tegelijk moge hier nog gevraagd worden, of het ook niet in handel en bedrijf aanbeveling verdienen zou, dat bij aankondiging en onderteekening doorgaans niet meer dan één voornaam, maar dan voluit, geschreven werd?
Nu is mij echter juist uit die met vollen voornaam onderteekende advertentiën gebleken, dat men onder ons jammerlijk weinig er aan denkt om die persoonsnamen in het _Nederlandsch_ te schrijven. Latijn, Fransch, Duitsch, Engelsch, alles warrelt in die onderteekeningen echt wereldburgerlijk door elkaar, en de moedertaal komt er op droeve wijze veel bij te kort. [15] Ik begrijp, dat in familiën met buitenlandsche verwanten de vreemden in hun eigen taal optreden. Dat zij dit doen strekt hun tot eer, maar moest dan ook juist ons ten voorbeeld zijn. Wie echter een weinig acht wil geven op de advertentiën der dagbladen zal telkens familiën aantreffen, bij welke van buitenlandsch bloed geen spoor te bekennen is, en die toch met hare doopnamen modezuchtig in het Fransch of Engelsch voor den dag komen.
Nu zal ik hier niet komen vorderen dat de stadsmenschen zich bij hunne kennisgevingen als Aagtjen, Betjen of Kaatjen zullen aandienen. Wanneer men op de "teekenen des tijds" wil letten, kan men gemakkelijk begrijpen, dat persoonsnamen die met diminutieven d. i. verkleiningsuitgangen gevormd worden, bij veel vrouwen uit den booze zijn; maar daarom heeft ook de nieuwe Naamlijst de bedoeling, aan te geven, op wat wijze de Latijnsche doopnamen naar den eisch van staat en stand in beschaafd Nederlandsch kunnen worden weergegeven. Onze katholieke voorouders hebben dat in de middeleeuwen vaak niet ongeschikt uitgevoerd als zij den Latijnschen naam een weinig naar den eisch der moedertaal wijzigden en bijv. _Aagte_ zeiden en schreven voor _Agatha_, _Barbele_ voor _Barbara_, _Baarte_ of _Berte_ voor _Bertha_, _Geertruide_ voor _Gertrudis_ enz. En zoo zijn er ook thans nog namen genoeg, die in den vaderlandschen vorm toch waardig en deftig genoeg klinken om bij den burgelijken stand, bij afkondigingen en aankondigingen heel niet "ordinair" te heeten en met eere gedragen te worden. Ziehier eene kleine opsomming: Adriaan, Aagte, Agniete, Albert, Ambroos, Andries, Antoon, Antonie, Bernard, Barend, Bastiaan, Boudewijn, Catriene, Cornelis, Diederik, Ernst, Evert, Ferdinand, Fernand, Filips, Frank, Frans, Frederik, Frits, Geerte, Geertruide, Gijsbert, Godfried, Govert, Herman, Huibert, Jacob, Jan, Jasper, Jeroen, Joost, Karel, Kasper, Koenraad, Laurens, Leendert, Lidwiene, Liesbet, Lodewijk, Maarten, Machtelt, Maurits, Max, Meindert, Pauwels, Roelof, Rombout, Sanne, Steven, Volkert, Winand, Wilbert, Willem, Wouter. Beginnen we maar vrij en kloek dergelijke namen te gebruiken, dan zal spoedig de onredelijke noot van "te ordinair" ervan afraken. Mij dunkt ook dat de groote namen onzer vaderlandsche geschiedenis toch waarlijk aanzien en voornaamheid genoeg bijzetten aan _Arnoud_ en _Diederik_, aan _Floris_ en _Karel_, aan _Maurits_, _Frederik_, _Hendrik_ en _Willem_, zooals we onze graven en vorsten nog altijd met eere noemen. En dan zullen we misschien ook nog aanleeren liever _Wilhelmiene_, of waarom zelfs niet _Willemiene_ en _Juliane_, te schrijven en te zeggen dan het toch altijd wat gemaakt-deftig Wilhelmina en Juliana.
Een eeresaluut moet hier gebracht aan de Friezen, die in het openlijk voeren van den oudvaderlijken naam en zelfs in het gemoedelijk bezigen der verkleiningsvormen heel wat flinker en vrijer zijn dan wij. "Deze zoogenaamde vleivormen der namen zijn bij geen enkel Germaansch volk zoo veelvuldig, zoo algemeen in gebruik als bij de Friezen, ja hebben zelfs bij hen volle recht verkregen als geijkte namen, zoo bij de doopvont als in de registers van den burgerlijken stand." [16] Doch ook buiten Friesland behoort aan die vleivormen en afkortingen beter recht toe te komen dan gewoonlijk het geval is, ik bedoel _in het huiselijk, gezellig en vriendschappelijk verkeer_.
Voorop echter moet gewaarschuwd, dat er degelijk onderscheid is te maken tusschen echte en welbekende vleivormen en willekeurige verminkingen, die menigmaal geen anderen oorsprong hebben dan den stamelenden mond der kleinen. Reeds in 1657 werd er geklaagd: [17] "Er is geen eind aan het afknotten, verminken en veranderen der namen, zooals iedereen dat naar willekeur doet. En wat de kinderen stamelend voor den dag brengen, dat herhalen de kindermeiden en ten laatste raken allen eraan gewend." Men zal gereedelijk begrijpen, dat er in de Naamlijst voor al zulke wanvormen geen plaats is, maar daarom ook nog veel minder voor de hedendaagsche modezuchtige namen, die naar vreemde talen, en het Engelsch in het bijzonder, of misschien ook het Maleisch, gemaakt en dwaselijk gedragen worden. Al die spitse en bitse naampjes op y en ie uitgaande (ik gaf er al een lijstje van [18]) hebben toch waarlijk iets onbenulligs en stumperigs dat te zeer aan de kinderkamer herinnert. Dáár mogen ze blijven!
Hoort toch dat gestamel eens aan!
Addy Kitty Aly Leni Amy Lizzy Annie Lotty Betsy Maddy Carry Madzy Conny Minny Corry Molly Dolly Nelly Dorry Pommy Edi Rossy Eddy Sitty Emmy Soezie Fanny Teddy Ferry Tilly Florry Toetie Henny Tommy Hetty Wally Jenny Willy Jettie Wimmy
Voor het overige moet natuurlijk aan een ieder vrijheid blijven voor de wijze waarop hij in het dagelijksch verkeer eenen doopnaam wille vereenvoudigen, bekorten, samentrekken, vloeiend en vleiend maken. Men kan hier zeggen: maak het zooals ge wilt; doch ééne voorwaarde moet gesteld blijven, dat alles geschiede naar den aard der vaderlandsche taal. Uit den aard der zaak echter kan ook aan deze vormen geen plaats worden ingeruimd in de achterstaande Naamlijst. Ook past hier nog een bijzonder woord tegen alzulke afkortingen die nergens anders in bestaan dan in het half doorsnijden van een Latijnschen naam met behoud van Latijnsche spelling, zooals: _Dorus_, _Janus_, _Kobus_, _Manus_, _Theo_. Dit zijn wanspellingen die aan het Latijn evenzeer als aan het Nederlandsch op dwaze wijze te kort doen.
Boven is reeds gesproken over de verkleinende achtervoegsels die bij de Friezen in veelvuldig gebruik zijn, en die trouwens ook al in de oudgermaansche namen zijn na te wijzen. Ook de hedendaagsche, zoogenaamd Romaansche talen hebben met ons het vermogen om kinderen- en vrouwennamen aanvallig te maken door een verkleiningsuitgang. De Franschen b.v. hebben _on_, _ine_ en _ette_; de Italianen: _ino_ en _ina_, _ello_ en _ella_, _etto_ en _etta_. En wij hebben, (van Friesland niet gesproken) nog maar alleen _je_ (oorspronkelijk _jen_, _gen _ en _ken_), waarnaast de Duitschers _chen_.
Nu moge gerustelijk onze verkleiningsuitgang bij velen niet meer in de gunst staan: ik durf toch zoo vrij zijn, dat innig te betreuren als eene verarming der moedertaal en wezenlijke schade aan klank en welluidendheid. En aangezien nu het gebruik van _jen_ en _ken_ nog altijd in een aanmerkelijk deel van ons vaderland is blijven bestaan, namelijk in het Geldersch, Overijselsch en Drentsch dialect en als _ien_ nog in het Groningsch: [19] zoo verdient de volkomene vorm daarvan wel degelijk nog in eer gehouden te worden. Reden waarom ik dien in de Naamlijst overal gebruiken zal.
Nog behoort hier eene algemeene opmerking plaats te vinden, om teleurstelling te voorkomen bij vele lezeressen die hare H.H. patronessen zullen zoeken onder de -_dina_'s, -_mina_'s, -_sina_'s en -_stina_'s. Ook deze naamvormen hebben naar mijne bevinding oud-germaanschen oorsprong en werden gewis sinds eeuwen gedragen, doch in den vorm ongeveer waarin ze onder ons voortbestaan als _Dientjen_, _Mientjen_, _Sientjen_ en _Stientjen_. Zóó gingen ze oorspronkelijk in eenvoudige volksdracht gekleed; maar ze werden in de laatste tijden naar Fransche mode opgesierd als juffers die eerst aan den uitheemschen vleivorm op _ine_, welke aan een mansnaam werd aangehangen, haar fatsoen mochten danken. Vandaar onder ons een bedenkelijk aantal _Arnoldines_, _Gerardines_, _Albertines_, _Wilhelmines_, _Clasines_, _Ernestines_ enz. enz., die onder de Heiligen niet te vinden zijn. Geschikte patronessen nu zal men aantreffen onder de Nrs. 149, 546, 711, 736 en 866.
Natuurlijk mogen in de nieuwe Naamlijst ook de eenvoudige vormen niet ontbreken, welke door onze eerzame landbouwers- en handwerkersstanden gelukkig nog zonder schroom gedragen worden. Namen als: _Aart_, _Fop_, _Jaap_, _Klaas_, _Krijn_, _Leen_, _Thijs_ enz. getuigen voor eenvoud van zeden, zij spreken van opene trouwhartigheid; en, kort en krachtig als ze zijn, verzinlijken ze niet ongeschikt den stevigen grondslag die landman en werkman altijd voor de maatschappij zijn, en blijven zullen.
Zoo moge dan de Naamlijst, behalve den dienst, dien zij, naar ik verhoop, bewijzen kan voor eene juiste keuze en gepaste toekenning van den Heiligennaam, tevens opwekking geven tot nadenken, en vooral tot het begrip, dat een katholiek vaderlander zorg behoort te hebben om, naar den eisch van plaats, stand en geslacht, zijn doopnaam te dragen in beschaafd _Nederlandsch_, van vreemde smetten vrij.
Aan het eind van deze Inleiding mag ik niet nalaten mijnen innigsten dank te betuigen aan de Zeer Eerw. Heeren der Geestelijkheid die mij bij dezen arbeid zeer welwillend hulp hebben verleend door aangifte van gewestelijke vormen der vaderlandsche namen uit Friesland, Zeeland, Breda, Noord-Brabant, Twente en Limburg, namelijk: Rector J. van den Dries (Amsterdam), Kapelaan J. H. Laane (Breda), Rector Alf. Meijer (Oostrum), Pastoor J. H. Scholten (De Steeg). Bij dezen echter moeten meer bijzonder vermeld worden Kapelaan W. F. A. Overmeer (Zeddam) die, Fries van geboorte, zich voor de namen zijner moedertaal bijzonder beijverd heeft, en Rector J. van der Ven (Groesbeek) die bovendien door een openlijk uitspreken van zijn verlangen naar eene nieuwe Naamlijst, [20] mij aansporing gaf tot het doorzetten van eenen arbeid, die, vóór verscheidene jaren aangevat, sedert door omstandigheden onderbroken werd, doch thans in deze uitgave aan geestelijken en leeken bescheidenlijk wordt aangeboden.
Overveen "Duinrust."
S. Aagtendag 1914. J. J. GRAAF.
NAAMLIJST
A
_Aagjen, Eegje, Eke._ AG: Agia, Agga, Aga, Eecha, Egizza, Egiburga. _S. Agia_ 7e eeuw, Wed. te Orleans. B. 1 Sept. I, 266. [1
_Aagte, Aagtjen, Aagt._ _S. Agatha_ 251, M. en Ma. in Sicilië. B. 5 Feb. I, 595. [2
_Aal (m.) Alo, Alle, Alewijn, Aalse._ ALA: Alo, Allo, Alako, Allowin. _S. Alloynus_ = _S. Bavo_ omstr. 657. B. 1 Oct. I, 199. Gesln. Alwin, Alewijn, Halewijn. [3
_Aaldrik, Aldrik, Alderk._ ATHAL: Adalric, Adalrad. _S. Aldricus_ 856, B. v. Le Mans. B. 7 Jan. I, 387. Gesln. Aaldriks. [4
_Aalmoed._ ATHAL: Adalmod, Adalmuat, Adalmut, Almoth. _S. Almedha_ 6e eeuw, M. en Ma. in Wales. B. 1 Aug. I, 70. [5
_Aalt, Alte._ ATHAL: Athalbald, Adalwald. _S. Adalbaldus_ omstr. 645, Hertog te Douay. B. 2 Febr. I, 295. [6
_Aaltruide._ ATHAL: Adaldrud, Adaltrut, Altrudis. _S. Adeltrudis_ 7e eeuw, M. te Gent. B. 19 Mrt. III, 34. [7
_Aam, Aamke (m.), Amele, Amse._ AM: Amo, Amico, Emico. _S. Amo_ 4e eeuw, B. v. Toul. B. 23 Oct. X, 48. _S. Amicus_ 8e eeuw, Ma. te Mortara. B. 12 Oct. VI, 124. [8
_Aamke (vr.), Eemke._ AM: Ama, Amica, Emmika, Emmiga. _S. Ama_ 6e eeuw, M. te Joinville. B. 24 Sept. VI, 691. [9
_Aan, Anne, Aanke, Aanse, Ene, Een, Eenke._ AN: Anno, Annico, Enno, Eniko, Enneco. _S. Anno_ 1075, AB. v. Keulen. B. 4 Dec. [10
_Aanke, Eenskje._ AN: Anna, Enna, Ennika, Enike. Thans naar _S. Anna_, Moeder v. O. L. Vrouw. [11
_Aant._ AND: Ando, Anthelm. _S. Anthelmus_ 1178, B. v. Belley. B. 26 Juni VII, 226. [12