Nederlandsche Doopnamen: Naar Oorsprong en Gebruik

Chapter 1

Chapter 13,331 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

Nederlandsche doopnamen naar oorsprong en gebruik

Door J. J. Graaf Oud-deken en -pastoor van Ouderkerk a/d Amstel

Bussum--Paul Brand 1915

INHOUD

Inleiding 1-27 Naamlijst I-XC Naamwijzer XCI-CLVI Beteekenis van oud-germaansche naamstammen CLVII-CLX

AFKORTINGEN

AB. Aartsbisschop Abd. Abdis Ap. Apostel B. Bisschop B. vóór den dag eener maand Bollandisten Bel. Belijder Eerb. Eerbiedwaardige Geloofspr. Geloofsprediker Gesln. Geslachtsnaam (Inter praeterm.) achter Beduidt, dat de behandeling de aanhaling der van den Heilige door hen nog Bollandisten. om redenen is uitgesteld. Keiz. Keizer of Keizerin Kluiz. Kluizenaar Kon. Koning of Koningin Kr. Kronenburg: Neerlands Heiligen M. Maagd Ma. Martelaar of Martelares Mo. Monnik (m.) mannelijk S. Sint of Sinte = Heilige Vlv. Vleivorm (vr.) vrouwelijk Wed. Weduwe Zal. Zalige

Imprimatur:

G. A. MEIJER, O.P. Libr. Cens. Zwollis, die 4 Nov. 1914.

Om te gehoorzamen aan de besluiten van Paus Urbanus VIII, verklaar ik, dat ik aan de titels van Heilige of Zalige, aan nog niet heilig verklaarde personen gegeven, geen ander dan menschelijk gezag toeken, behoudens die gevallen, welke reeds door den H. Apostolischen Stoel bekrachtigd zijn.

J. J. GRAAF.

INLEIDING

In het Rituale Romanum--het boek dat door de H. Kerk aan hare priesters ten gebruike is voorgeschreven bij de toediening der H.H. Sacramenten en verdere zegeningen--wordt aanbevolen, [1] dat bij het H. Doopsel aan de kinderen zooveel mogelijk de namen van Heiligen zullen gegeven worden, opdat de doopelingen door hun voorbeeld tot godvruchtig leven opgewekt, en door hunne voorspraak beschermd mogen worden. En onze katholieken zijn loffelijk gewend, zich naar dien wenk te gedragen.

Wanneer het echter op de uitvoering aankomt, blijkt er niet zelden eenig overleg noodig; want niet genoeg is het dat die naam eens gegeven wordt: hij moet ook heel het leven door gedragen worden; en de dragers ervan zijn evenzeer kinderen van een gemeenschappelijk Nederlandsch vaderland als kinderen van de Katholieke Kerk. En zoo behoort dan ook deze dubbele eigenschap zich zoowel bij het geven als bij het dragen van den naam kenbaar te maken.

De keuze dan van den naam regelt zich naar het gezegde verlangen der H. Kerk, maar ook naar de vaderlandsche zede, dat de kinderen tevens genoemd worden naar de voorouders of bloedverwanten en bijzonderlijk peters en meters. Niet zelden echter komt het voor, dat deze twee belangen moeilijk te vereenigen blijken, voor zoover namelijk niet juist genoeg geweten wordt, welke kerkelijk-latijnsche naam beantwoordt aan den verlangden vaderlandschen vorm. En deze vraag komt wel het veelvuldigst voor bij de Friezen, wijl zij meer dan de andere Nederlanders aan de voorvaderlijke namen gehecht zijn.

Reeds vroeger is getracht, den ouders zoowel als den geestelijken in deze moeilijkheid hulp te bieden door het opstellen van lijstjes waarin de aloude "Hollandsche en Friesche namen in overeenstemming gebracht worden met de namen der Heiligen die in de Kerk gevierd worden." Deze poging, door een onbekenden geestelijke ten jare 1657 gedaan, had hare verdienste en heeft nut gedaan en gemak verschaft. [2] Toch mag gezegd worden, dat ze te kort bleef in waardeering van de aloude namen, welke door den opsteller voor weinig anders gerekend werden dan "heidensche namen en die van Gothen en Wandalen".

Inmiddels echter hebben navorsching en studie het hare gedaan om die oud-germaansche vormen beter tot hun recht te brengen. Meer bepaaldelijk hebben in Duitschland de Koningsberger Professor _Eberhard Gottlieb Graff_ (1780-1841) door zijn _Althochdeutscher Sprachschatz_, en de Saksische Opperbibliothecaris _Ernst Förstemann_ (geb. 1822) door zijn _Altdeutsches Namenbuch_, waarvan hij zelf nog in 1900 eene tweede uitgaaf mocht bewerken, de wetenschap op de eenig rechte baan gevoerd. Bijzonderlijk heeft de laatste het namenstelsel der west-germaansche volkeren van het vasteland uiteengezet door scheiding in stammen, met onderverdeeling in groepen. Förstemann heeft daartoe met de vlijt van een middeleeuwschen monnik, zoo mag men zeggen, alle namen bijeenverzameld van de oudste oorkonden af tot het jaar 1100 toe. Het eigenlijke Noorden en de noordwestelijke eilanden echter waren in zijn plan niet begrepen. Door zijnen arbeid is het thans, naar mijne meening, mogelijk geworden juist te beoordeelen, op welke wijze bij het Christen worden van westelijk Europa ook de persoonsnamen gekerstend zijn, en de bevinding te maken dat deze kerstening een slechts zeer langzamen voortgang heeft gehad. Reeds heb ik dat verloop trachten te schetsen in een drietal opstellen, welke in _De Katholiek_ [3] verschenen zijn. Het moge hier voldoende zijn daarnaar te verwijzen.

Toch behoort datzelfde hier in een kort overzicht te worden saamgevat.

Welke is de geschiedenis der voornamen (praenomina) bij de Westersche Christenen? In de drie eerste eeuwen, die der vervolging, droegen zij namen die deels niet onderscheiden waren van die der heidenen maar ook deels een Christelijk kenmerk droegen. Voor het eerste gedeelte kunnen ze onder wel vijftien hoofden worden gerangschikt: [4] 1º naar _godheden_: Apollinaris, Bacchius; 2º naar _waarzegging_: Augurius, Auspicius; 3º naar _getallen_: Primenius, Secundinus; 4º naar _kleuren_: Albina, Fusca; 5º naar _dieren_: Agnes, Aquila; 6º naar _landbouw_: Cicercula, Rustica; 7º naar _bloemen_: Florentius, Liliosa; 8º naar _zeevaart_: Marinus, Navalis; 9º naar _rivieren_: Cydnus, Nilus; 10º naar _landstreken_: Cyprianus, Dalmatius; 11º naar _maanden_: Decembrina, Martius; 12º naar _lichaamsvorm_: Callistus, Longina; 13º naar _geaardheid_: Constantia, Generosus; 14º naar _slafelijke afkomst_: Servilius, Vernacula; 15º naar _historische personen_: Apelles, Pompeius. Voor het andere deel kunnen ze gerangschikt worden: 1º naar _geloofswaarheden_: Redemptus, Anastasius; 2º naar _feesten_: Epiphanius, Paschasia; 3º naar _deugden_: Charitas, Elpis; 4º naar _vroomheid_: Deicola, Pientia; 5º naar _strijd voor het geloof_: Valens, Victricius, en _vreugd om het geloof_: Gaudentius, Hilaritas. Deze echt Christelijke namen waren de belijdenis van het begrip, dat de bekeering uit het heidendom en het ontvangen van het H. Doopsel de mystieke beteekenis hadden van een sterven en begraven van den ouden mensch en eene wedergeboorte door Christus. Van eene naamgeving naar eenen Heilige is in deze eeuwen maar zelden spraak, of het mochten Apostelnamen zijn, meest nog die van St. Jan.

Zelfs in de drie volgende eeuwen waren de Heiligennamen in de westersche Kerk nog volstrekt niet algemeen in gebruik. Ook na de bekeering van westelijk Europa hebben de Heiligen hun deel onder de doopnamen maar langzaam aan verkregen. Blijkbaar is het overgeleverde gebruik om de kinderen naar de voorouders te blijven noemen bovenmate taai en sterk geweest, zoodat ook bij de volkomen Christene volkeren de oud-germaansche heidensche namen in gebruik bleven. Het bewijs daarvoor wordt gemakkelijk gevonden in de Heiligen-lijsten welke door schrijvers zooals Butler naar tijdsorde zijn opgesteld. In de vijf eerste eeuwen der Kerk zijn van de Heiligen de persoonsnamen die niet-grieksch of niet-latijnsch luiden zeer gering in getal. Van de zesde eeuw echter af nemen ze meer en meer toe totdat in de achtste eeuw de klassieke namen uitzonderingen worden. En zoo blijft het doorgaan heel de middeleeuwen door.

Met de zestiende eeuw daarentegen verdwijnen de Heiligen die germaansche namen dragen zeer opmerkelijk, blijkbaar door den invloed van humanisme en klassieken geest, die de oud-germaansche namen als barbaarsch begonnen te verachten.

Dat taai voortbestaan der oud-heidensche namen bij de Christenvolken behoeft ons echter hoegenaamd niet te verwonderen, want dat zulks niets meer dan natuurlijk is, wordt zeer eenvoudig bewezen door het feit, dat de Roomsche Heiligennamen nog altijd trouw in gebruik zijn gebleven bij onze eigene onkatholieke landgenooten. Immers, wat sinds de zestiende eeuw met de persoonsnamen onder ons plaats had, mag ook vermoed worden geschied te zijn bij de kerstening onzer voorouders. Hoe ging het hier te lande tijdens en sedert de Hervorming? Vader verliet de Moederkerk, maar behield natuurlijk zijn doopnaam, gelijk ook de kinderen. En al ontvingen de nakomendende kinderen geen eigenlijken doopnaam meer: ze bleven toch geregeld en hoofdzakelijk naar grootouders of naaste verwanten genoemd worden. Dat leeren ons de doop- en grafboeken der protestantsche kerken, gelijk ook de verdere archieven. Uitzonderingen waren schaarsch; men kan er de gilde-schilders- en regentenlijsten over naslaan tot bewijs. En ook thans gaat het nog niet anders, met uitzondering alleen van de Friezen; maar dezen hebben altijd, ook in de roomsche eeuwen, het minst gebruik gemaakt van de Heiligennamen der Martyrologiën.

De studie dan van Förstemann's Namenbuch heeft mij de overtuiging bezorgd, dat nagenoeg alles wat er van echt Nederlandsche namen onder ons en vooral in Friesland is overgebleven, niet, volgens de al te zeer verbreide misvatting, beschouwd moet worden als verbastering of verminking van de deftig latijnsche of grieksche namen, maar dat over het algemeen veeleer de klassieke namen uit de van ouds overgeleverde oud-germaansche opgekomen zijn. Bewijzen daarvoor vermeen ik geleverd te hebben in de reeds vermelde opstellen. [5]

Het zal nu mijne taak zijn, voor die nog gangbare Nederlandsche namen de noodige en geschikte Heiligen aan te wijzen. En nu kan ik al aanstonds verklaren, dat, meer dan ik verwacht had, de vervulling van die taak mij gemakkelijk is gebleken door de bevinding, dat er uit den overvloed van namen welke Förstemann verzamelde, zeer vele door middeleeuwsche Heiligen gedragen zijn, en dus nog heden als doopnamen kunnen worden toegekend.

Hoe heb ik nu kunnen samenbrengen wat er nog tegenwoordig van oud-germaansche namen onder ons gevonden wordt? Daartoe is mij zeer dienstig geweest, dat in het tijdschrift De _Navorscher_ van de jaren 1868-72 uitvoerige lijsten verschenen zijn van Nederlandsche voornamen, door _P. Leendertz Wz_. verzameld. [6] En wat meer bijzonder de Friesche namen betreft, gaf mij de _Friesche Naamlijst_ door _Johan Winkler_ in 1896-98 bewerkt volledige opgaaf. Voor de middeleeuwsche Heiligennamen eindelijk verkreeg ik alle begeerlijke hulp uit de Algemeene Lijst die aan het eind van het groote werk der _Bollandisten_ gegeven wordt als _Index alphabeticus generalis_ van al de Heiligen door hen behandeld, of, wat de maanden November en December betreft, nog te bewerken.

De verzameling van Leendertz is thans reeds veertig jaar oud, en die van Winkler vijf-en-twintig. Niet onwaarschijnlijk derhalve, dat menige naam in die Lijsten voorkomend in onze dagen alreeds buiten gebruik is geraakt. Vervolgens is het een feit, overigens zeer natuurlijk te verklaren, dat onder de Friezen de oud-germaansche voornamen minder voorkomen bij de roomsche dan bij de protestantsche bevolking. Om al deze redenen moet ik wel vreezen, dat mijne Naamlijst, die toch haar grootste doel vindt in het katholieke doopboek, eer te uitgebreid dan te bekrompen zal worden bevonden. Toch geloof ik, dat het minder erg zal zijn te misdoen door een te-veel dan door een te-weinig; immers, ik mag rekenen, dat ook buiten het belang van het doopboek om, mijne studie nog eenig nut kan hebben voor de geschiedenis van onze vaderlandsche taal.

Vóór alles zal het nuttig zijn hier een goed en recht begrip te geven van de oud-germaansche persoonsnamen.

"De oudsten onzer voorouders" (Friezen, Saksen en Franken) [7] "droegen slechts éénen enkelen naam. En hoe ouder, hoe vroeger de namen der Germanen in de geschiedboeken vermeld worden, zooveel te eenvoudiger waren de namen. _Abo_, _Athal_, _Bercht_, _Dodo_, _Edo_, _Fritho_, _Gero_ enz. waren zulke eenvoudige mansnamen. Deze namen waren, bij honderden in getale, bij de verschillende volken van germaanschen bloede in gebruik. Eenigen er van zijn ook tot op den dag van heden in gebruik gebleven; bij de Friezen vooral is dit met betrekkelik velen dezer namen het geval. Men noemt deze enkelvoudige namen wel naamstammen, wijl de latere samengestelde namen uit deze naamstammen ontstaan zijn en geformd. Weldra toch, bij toenemende volkrijkheid, waren deze namen niet meer voldoende ter onderscheiding. Immers kwam het wel voor dat verschillende personen, leden van een en den zelfden stam, soms wel van eene en dezelfde maagschap, den zelfden naam droegen. Dit gaf verwarring; maar tevens aanleiding om nieuwe namen te zoeken. En men vond die, door twee namen, tot dus ver elk op zich zelven in gebruik, te verbinden, saâm te voegen tot éénen enkelen nieuwen naam. Van de enkelvoudige namen of naamstammen _Gero_ en _Hart_ b.v. maakte men _Gerhart_ (Gerard, Gerrit, Geert), van _Athal_ en _Win_ formde men _Athalwin_ (Alewijn), en _Thiudo_ (Tiede) en _Rik_ voegde men samen tot _Thiudorik_, _Theodorik_ (Diederik, Dirk). De samenstelling dezer namen was aan weinige of geene taalkundige of andere wetten gebonden, behalven aan die der welluidendheid en zoetvloeiendheid. Men kon in den regel de naamstammen samen voegen, gelijk men wilde. Zoo kon men b.v. van de naamstammen _Gang_ en _Olf_ of _Wolf_ zoowel _Gangolf_ maken als _Wolfgang_; van _Hart_ en _Gero_ zoowel _Gerhart_ als _Hartger_; beide formen komen voor. Men had dus tamelik vrij spel, en vooreerst geen gebrek aan eigennamen. Want zoo de oude enkelvoudige namen bij honderden telden, door willekeurige samenvoeging van al deze naamstammen kon men honderdduizenden van nieue namen formen. Bij duizenden zijn deze samengestelde namen ons in oude geschriften en oorkonden overgeleverd geworden; bij honderden zijn ze nog onder ons in gebruik. Men kan er duizenden vermeld en beschreven vinden in Förstemann's _Altdeutsches Namenbuch_."

Wijl mij nu gebleken was, dat dit werk een betrouwbare grondslag zou zijn, waarop de verlangde Lijst van doopnamen kon worden gevestigd, mag het dienstig geacht worden hier uiteen te zetten, op wat wijze dat boek door mij gebruikt is.

Zooals pas gezegd werd, vinden we de oudgermaansche namen tweeledig samengesteld. Het eerste lid kan _hoofdstam_, het tweede _bijstam_ worden genoemd. Tot bewijs van den overvloed aan hoofdstammen diene, dat Förstemann er onder de letter A niet minder dan 58 en onder B niet minder dan 68 gerangschikt heeft en nog meer groepsgewijze onderverdeeld. De bijstammen zijn minder in getal doch duiden op hunne beurt grootendeels aan, of we met een mansnaam dan wel vrouwennaam te doen hebben. Zoo zijn de mannelijke kenbaar aan de bijstammen: _bald_, _bercht_, _bod_, _brand_, _bord_, _dag_, _frith_, _funs_, _gang_, _gar_, _gard_, _gast_, _gis_, _gisil_, _grim_, _hard_, _hari_, _hath_, _helm_, _hraban_, _hroc_, _hrod_, _laic_, _laif_, _land_, _man_, _mar_, _mod_, _mund_, _nanth_, _nod_, _rad_, _ric_, _rid_, _scalc_, _stain_, _thanc_, _thiu_, _wald_, _ward_, _wig_, _win_, _wulf_. Als vrouwelijke bijstammen worden aangetroffen: _balda_, _berga_, _burga_, _berta_, _drudis_ en _trudis_, _fledis_, _garda_ en _gardis_, _gildis_, _gunda_ en _gundis_, _haid en heid_, _hilda_, _hildis_, _lind_, _lindis_, _sind_ en _sinda_, _swind_, _widis_ en _wis_. Met den hoofdstam ATHAL b.v. werden gevormd de mannelijke voornamen: Athalbald, Athalbert, Athalfrid, Adelfuns, Athalger, Adalhard, Athalwulf enz., en de vrouwelijke: Adalberga, Adaldrud, Adelgardis, Adalhaid, Adalhildis, Adallindis, Adalsind enz.

Wanneer derhalve een patroonheilige werd verlangd bij een oudnederlandschen persoonsnaam, had ik te zoeken onder welken hoofdstam die te rangschikken zou zijn, en vervolgens of onder de groepen der met bijstammen gevormde namen een Heilige van dien naam gevonden wordt, nogtans met dien verstande dat de eene bijstam in de plaats van den andere kan treden (dit blijkt dikwijls onvermijdelijk) ja ook wel zóó dat toevlucht moet genomen worden tot een aanverwanten hoofdstam.

Om alles met een paar voorbeelden duidelijk te maken. Gesteld dat een zekere _Gijsbert_ zijn patroonheilige verlangt te weten. Welnu, gevonden wordt de hoofdstam GIS, waaronder de namen: Giso, Ghiso, Gizo, Kizo, Gisipert, Gisebert, Gisbert, Gisibrand, Gisfrid, Gisolf enz. We zijn alzoo met Gisebert, Gisbert, al aanstonds klaar. Toch nog niet geheel; want ongelukkiglijk geven de lijsten der Bollandisten geen Gisbertus onder de Heiligen aan. Gelukkig echter weer, dat GIS eigenlijk maar "die einfache Gestalt des unten folgenden GISIL ist"; [8] en zoo gaan we dus tot den verwanten hoofdstam GISIL en vinden daar, met een overvloed van naamvormen: Gisilbert, Ghisalbert, Kyselbret, Giselbart, Gislebert, Gillibert, enz. enz. Daarmee hebben we dan den geschikten Heilige bekomen: S. _Gislebertus_ of _Gilbertus_, Bisschop van Meaux (Naamlijst No. 295). En nu verder nog. De namen _Gijsbrand_ of _Gijsfried_ werden in geene lijsten door mij aangetroffen als nog heden voorkomend. Maar wanneer dit nu eens wél het geval ware, dan zou ik, wijl al evenmin Gisbrandus of Gisfridus bij de Bollandisten vermeld staan, toch slechts den H. Gilbertus als Heilige kunnen aangeven, wijl we vaak niet anders kunnen dan tevreden zijn met een Heiligennaam, die, hoezeer verschillend in bijstam, toch in hoofdstam, om zoo te spreken, van dezelfde familie is. Men zal mij toegeven, dat zulk een naam ver te verkiezen is boven andere, die naar de oude manier op den klank af uit de Grieksche of Latijnsche namen van het Martyrologium werden aangesleept.

Niet altijd is het mij gelukt een passenden Heilige aan te geven, wiens naam tot een Germaanschen hoofd- of bijstam terug te brengen is. In zulke gevallen heb ik dan _bij aanpassing_ eenen Heilige opgenoemd, wiens naam naar den vorm voldoende aan den Nederlandschen nabijkomt. Op enkele, slechts 3 plaatsen, heb ik eenen naam geplaatst die in zijn Latijnschen vorm eene vertaling bevat van den Nederlandschen (N. 168, 257, 812), en ja, in 2 gevallen bleek mij geheelonthouding de veiligste weg (N. 244, 247).

Met opzet ben ik niet karig geweest in het opnemen van verschillende vormen die aan de bijstammen hun bestaan danken. Doch er zijn bovendien nog andere redenen. Vooreerst toch getuigen deze vormen voor de omwisseling die er zoo vaak tusschen de letters, klinkers zoowel als medeklinkers plaats greep en waardoor a en e, e en i, o en u b en p, d en t, f en v werden omgezet. Men zal zien dat zulke omwisselingen menigmaal van veel beteekenis zijn.

Vervolgens durf ik vertrouwen, dat nog wel menig lezer, die oude naamvormen van genoeg taalkundig belang zal achten om er kennis mee te maken.

Ten derde bleek mij eene ietwat ruime vermelding dier vormen, ook al staan zij met de Heiligennamen in geen rechtstreeksch verband, toch nog daarom nuttig, wijl er uit blijken kan, dat er van de oudgermaansche _persoons_namen nog vele resten zijn overgebleven in de hedendaagsche _geslachts_namen. Reeds al van zelf werd mijne aandacht op dit feit gevestigd doordien Förstemann aan het eind van zijn werk een "Register neuhochdeutscher Familiennamen" heeft laten volgen. En ik moet bekennen, dat dit "Register" mij menigmaal bij het nazoeken goeden dienst heeft bewezen, in verband met de letterwisseling waarvan zoo even spraak was. B.v. ik had den voornaam _Bamme_ te behandelen. Dien vond ik ook als hedendaagschen Duitschen geslachtsnaam vermeld, doch met verwijzing naar _Pammo_, _Pamo_ als "koseform aus unbestimbaren Quellen" (Zie N. 78). Of, soms trokken Hoogduitsche geslachtsnamen van dat Register toevallig mijne aandacht, als vroeger of thans nog voorkomend in ons eigen land. (Men zie b.v. N. 113, 182, 212, 526). Om deze laatste reden dan werden hier en daar hedendaagsche _geslachts_namen bijgevoegd, nogtans zonder hoegenaamd eenigen toeleg op volledigheid; deze toch zou de Naamlijst al te zeer hebben uitgebreid. Maar de toevoeging bedoelt slechts een opwekken tot aandacht en belangstelling. De lezer trouwens zal gemakkelijk zelf kunnen aanvullen.

Doch om hem beter daartoe in staat te stellen worde hier nog het volgende gezegd. Algemeen bekend is, dat tal van familienamen niet anders zijn dan een oude vadersnaam die van het oorspronkelijk aangehechte: _'szoon_ alleen nog maar _son_, _sen_ of de enkele _s_ als tweeden-naamvalsvorm overhield: Janson, Jansen, Jansz, Jans. Minder is het bekend, dat er ook een tweeden-naamvalsvorm op _en_ bestaan heeft, die ook nog hier en daar voortleeft, onder anderen in het zoogenaamde "Strand-hollandsch" onzer zeedorpen, waar men spreekt van _Krynen_ dochter voor _Krijns_ dochter. Het minst algemeen bekend is wel, dat in den oudsten tijd het achtervoegsel _ing_ of _ink_ gediend heeft om het zoonschap aan te duiden. Zoo beteekent dan _Alink_ zoon van Ale, _Bedding_ zoon van Bedde, _Poppink_ zoon van Poppe. "Dit gebruik om patronymika (vadersnamen) met _ing_ "te formen, stierf na 't jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankische volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu." [9] Het zijn daardoor in onze dagen meer bijzonder de friesche en twentsche geslachtsnamen die aan _ing_ of _ink_ kenbaar zijn. Doch, meer algemeen gesproken, zoo iemand thans een familienaam draagt, uitgaande op _s_, op _en_, bijzonderlijk op _ing_ of _ink_, dan heeft hij kans om door vergelijking met de oude persoonsnamen, de germaansche afkomst van zijn geslacht op te voeren tot aan het jaar 1100, want de naamvormen door Förstemann bijeengebracht zijn niet jonger dan de elfde eeuw. Van de zoo geheel eigene tweede-naamvalsvormen der Friesche vadersnamen, uitgaande op _inga_, _ia_, _a_, _ma_, _na_ en _sna_, kan ik zwijgen, wijl zij van zelf kenbaar zijn en ook te groot in aantal om plaats te verkrijgen.

Toch hebben de Friesche persoonsnamen, die gelijk reeds vroeger gezegd, meestendeels oud-germaansche zijn, de eigenaardigheid, dat ze met de achtervoegsels _se_, _te_, _le_, _tse_, _ke_ en _tsje_ voorkomen, die wel oorspronkelijk als verkleinvormen (vleinamen) hebben gegolden, thans echter bij de mansnamen die beteekenis niet meer hebben. Het aanhechten dezer achtervoegsels heeft echter aan de Friesche Naamlijst van Winkler zulk een overvloed van vormen verschaft, dat het mij ondoenlijk gebleken is al die vormen voortdurend op te nemen. Het moge daarom volstaan dit te vermelden. Ook zij hier eenmaal voor goed bericht: [10] "de Friesche vrouwennamen zijn in den regel rechtstreeks van de mansnamen afgeleid, door de achtervoeging van verkleinende uitgangen... Het grootste gedeelte der Friesche vrouwennamen bestaat dus eigenlijk uit mansnamen in verkleinvorm, soms in eigenaardigen verkleinvorm." Ook daarvan was het niet mogelijk veel op te nemen en veel minder nog, Heiligen daarvoor aan te geven. Toch heb ik nog verscheidene oud-germaansche vrouwennamen aangetroffen die kunnen worden aangewend.