Nederlandsche dames en heeren: Novellen

Part 9

Chapter 93,822 wordsPublic domain

Meneer en mevrouw de Leeuw vormden op dat oogenblik geheel andere gedachten. Ze leefden in de blijde hope, eerlang hun gezin met een telg te zien vermeerderd. De teekenlessen gingen geregeld voort en de zeer matige inkomsten werden met vreugde door de echtgenooten geïnd. Inderdaad had mevrouw de Leeuw eene kleine som aan contanten ten huwelijk meegebracht, waarvan de onbeduidende rente het huiselijk budget maar zeer onvoldoende kwam aanvullen. Daarom deed zich een en andermaal de noodzakelijkheid gevoelen, om het kleine kapitaaltje voor een deel te gebruiken in de hoop, dat toekomstige winsten dit te kort zouden dekken. De Leeuw ontwierp daarom ook eene kapitale schilderij: „Eene episode uit den watersnood” voorstellend, en waarvoor de bezieling hoofdzakelijk in eene oude vergeten gravure uit de Muzen-Almanak van 't jaar 184* gezocht was.

Een ander verschijnsel was van zorgwekkender natuur. Door de onuitputtelijke goedhartigheid van zijn karakter had de gelukkige teekenmeester in de eerste maanden van zijn huwelijk zijne dwergachtige echtgenoote zoo volkomen gevierd en toegegeven, dat zijn wil allengs eene vrij onbeteekenende omstandigheid in het gezin werd. Mevrouw de Leeuw had een vroolijk en luchthartig karakter met eene kleine overhelling tot zelfzucht, die door de medeplichtigheid van haren echtgenoot zich langzamerhand ontwikkelde tot eigenzinnigheid en heerschzucht. Nu de tijd meer en meer naderde, dat hare blijde verwachting zou vervuld worden, kon de arme de Leeuw wel eens oogenblikken doorleven, die hem aan zijn huiselijk geluk, zoo luid geprezen bij de club, in allen ernst deden twijfelen. Reeds hadden de vrienden uit kortswijl hem verweten, dat hij „onder de pantoffel” zuchtte, en had hij zijne onafhankelijkheid bewezen, door getrouwer dan ooit de fatsoenlijke sociëteit: „Oefening en Vermaak” te bezoeken.

Mevrouw de Leeuw was zeer tegen het laat blijven op de sociëteit, 't zij des avonds, 't zij des morgens. Haar echtgenoot wist dit en paste inderdaad voorbeeldig op zijn tijd. Eens gebeurde het hem, dat hij tot kwart na tweeën aan het biljart bleef toeven, en toen ontstond er aan tafel tusschen de echtgenooten een zeer ernstig geschil. De Leeuw was altijd toegevend en goedhartig, tot laf wordens toe, maar als zijne gevoeligheid eens was opgewekt, gaf hij toe aan eene plotselinge uitbarsting van drift, die aanstonds plaats maakte voor een diep berouw. Zoo ging het hem thans. Zijne vrouw kreeg een hevig zenuwtoeval, gilde, huilde en wrong zich in allerlei bochten. De radelooze teekenmeester stiet in zijn angst meubelen omver, riep om artsen, heelmeesters en spiritus, doch de persoon, die weldra bleek het meest noodig te zijn, vergat hij: de baker.

Mevrouw de Leeuw stond den schok dezer onverwachte gebeurtenis redelijk wel door—zij schonk haren berouwvollen echtgenoot vergiffenis, en beiden verheugden zich over hun telgje, waaraan niets opmerkelijks dan eene bijzondere kleinheid en dwergachtigheid was waar te nemen. De keerzijde van deze gebeurtenis was echter een noodzakelijk aantal uitgaven, waartoe het grootste deel van het overblijvend kapitaaltje gebruikt werd. Een jaar na zijn huwelijk kon Hendrik de Leeuw de gedachte niet onderdrukken, dat de toekomst meer bezwaren aanbood dan vóór zijn trouwen. Daarbij kwam, dat zijne kapitale schilderij: „Eene episode uit den watersnood”—door de commissie van de Tentoonstelling geweigerd was!

De arme kunstenaar had nu rust noch duur. Zijne schilderij geweigerd, zijne uitgaven zich uitbreidend voor zoover hem dit mogelijk was, zijne inkomsten verminderd door de vertering van het gering kapitaal zijner vrouw—alles drukte hem diep ter neder. Daarbij kwam dat zijn krediet allengs verminderde. Een jaar was verloopen en wederom was de nu vrij aanzienlijke huishuur niet betaald. Daar werden beleefde briefjes gewisseld met den banketbakker, wiens bovenwoning men gehuurd had. Een uitstel van betaling werd toegestaan. En intusschen schreeuwde het wicht in duodecimo, 't welk in die bovenwoning het licht aanschouwd had, op zoo oorverscheurende wijze, dat De Leeuw ten einde raad zijn hoed greep, en radeloos in de sociëteit zich met al de kranten boven zijn leed poogde te verheffen.

In 't eind vertrouwde hij zijn moeilijken toestand aan den postdirecteur. Deze schudde verschillende malen ernstig zijn hoofd. Zij zaten in Van Schilferen's zwierige voorkamer en dronken, om de zaak bedaard te kunnen overwegen, een glas Schotsch bier.

„Had je me dat maar vroeger vertrouwd, amice! dan was er nog wat aan te doen geweest, ik heb je altijd gezegd, je moest eens bij me komen!”

De Leeuw zuchtte. Aan dien raad had hij niets. Van Schilferen dronk zijn glas deftig uit, wreef met zijn wijsvinger tegen zijn dikken, knobbeligen neus, en ging voort:

„In zoo'n akelig nest als Valendam kunnen eigenlijk geene kunstenaars, als wij zijn, bestaan. Als ik dat ellendig baantje van postdirecteur er niet bij had, dan zou ik ook niet kunnen leven. Ik had een ruimer en beter werkkring moeten kiezen!”

„Je meent, dat het voor mij beter zou zijn, in een grooter en bevolkter stad teekenlessen te zoeken?”

Van Schilferen schonk zeer bedaard de glazen in, dronk het zijne leeg, en zeide langzaam:

„Juist!”

De Leeuw verzonk in diep gepeins. Dit was althans een raad. Maar Van Schilferen sloot zijne secretaire open en nam er een tal manuscripten uit, die hij op de tafel uitstalde. Weldra had hij er een opgevat.

„Ja, De Leeuw!”—begon hij—„'t Is wel treurig, dat de kunst zoo om brood moet vragen. Ga daarom zoo spoedig je kunt. Ik moet hier blijven. Maar ik verlies nog alle hoop niet. Ik wijd mij ijverig aan de Muzen. Eenmaal zal misschien een dezer zangen de opmerkzaamheid wekken van een echt kunstkenner. Hoor eens, wat dunkt je daarvan?”

En met eene kunstmatig trillende basstem hief hij aan:

#Verzuchting.#

„Wen 't bliksemvuur der maagdenoogen Mijn aangezicht beroert, Word ik gants, ja gants bewogen Want ik ben.....”

„Een ploert!”—schreeuwde eene luide stem door het geopende venster.

De postdirecteur verbleekte van woede, en mompelde driftig eenige vloeken. De Leeuw zag toevallig, hoe de oudste zoon van den notaris met twee zijner zusters zachtjes den hoek omsloeg. Zij hadden staan luisteren.

Twee maanden later werd door den teekenmeester en zijne echtgenoote het plan vastgesteld, om hunne huisgoden naar de hoofdstad der provincie over te brengen. 't Werd hun in Valendam toch reeds moeielijk genoeg gemaakt. Het laatste overblijfsel van hun klein kapitaaltje werd geofferd, om het noodigste te voldoen. De Leeuw kondigde zijnen leerlingen weldra zijn aanstaand vertrek aan. De meesten namen het vrij luchtig op. De zonen van den burgemeester kwamen met een fraai plaatwerk als herinnering hunne dankbaarheid betuigen. Anton Lanting, de jongen met den hoogen rug, kwam een der allerlaatste dagen van De Leeuw's verblijf bij zijn teekenmeester, om hem vaarwel te zeggen. Hij vond de geheele bovenwoning in verwarring. Overal stonden de meubels gepakt—overal stof en wanorde. Mevrouw de Leeuw was uitgegaan, om hare kennissen in Valendam voor 't laatst te groeten. Der waarheid getrouw, mocht beweerd worden, dat zij waarschijnlijk sedert haar verblijf in Valendam geen driemalen met dat doel hare woning verlaten had.

Anton Lanting vond zijn meester in groote onrust, het bovenvertrek op en neer loopend. Hij droeg zijn telgje op de beide armen sussend heen en weer. Het wicht gierde en schreeuwde van verontwaardiging, misschien over de onhandige wijze, waarop het werd gedragen. Hendrik de Leeuw vertoonde een buitengewoon mistroostig gelaat. Zijn schilderachtig jasje met strikken en lussen als een huzarenpak hing gelijk een oud vod om zijne leden, zijne roode muts, met vlakken olieverf bezoedeld, slingerde achter op zijne verwarde blonde hairen. Hij gevoelde zich buitengemeen ongelukkig. Toen hij Anton Lanting zag, riep hij aanstonds:

„Mevrouw is niet thuis, jongelief! Mevrouw maakt visites voor afscheid. Ik ben alleen thuis.... Stil, mannetje, schreeuw dan toch zoo niet!”....

Het mannetje in duodecimo op zijn arm, tot wien deze laatste woorden gericht waren, ving aan nu nog veel luider te gieren.

De Leeuw begon aanstonds nog ijveriger te sussen en rond te loopen. Anton Lanting stond besluiteloos in een hoek. Daar eindelijk De Leeuw zijn dwergachtig welpje tot eenig stilzwijgen scheen bewogen te hebben, trad de jonge Lanting uit zijn hoek.

„Ik kwam meneer bedanken voor 't onderwijs!”—zeide hij met jongensachtige verlegenheid.—„'t Spijt mij, dat meneer weggaat, want ik was nu al een mooi eind op weg met teekenen, zeit vader.”

„Ja, Anton! 't spijt me voor jou, jongen—maar 't zal nu veel beter met mij gaan. Ik zal ginder ook wel een aardig troepje leerlingen krijgen, zeker meer dan hier.... stil dan toch, stil kereltje!”

Wederom deed het gekrijt van het kind hem de kamer op en neer loopen.

Anton Lanting bleef wachten, want hij had zijne taak nog niet volbracht. Toen De Leeuw weer op hem toetrad, zei deze goedhartig, als altijd glimlachend:

„Neem me niet kwalijk, dat ik je geen stoel kan geven. Ze zijn altemaal ingepakt en naar 't schip gebracht, waarmeê we verhuizen!”

„O, dat komt er niet op aan, meneer! Maar als meneer 't niet kwalijk neemt, vader zei, dat ik meneer als gedachtenis”—hier bracht hij met moeite en haast een pakje te voorschijn—„dit drinkglas moest aanbieden!”

De Leeuw had geen vinger, waarmee hij het geschenk kon aanvaarden. Hij glimlachte zeer vriendelijk en verlegen, en verzocht of Anton het hem eens wilde laten zien. Anton pakte het voorzichtig uit en deed hem een kristallen bierglas zien, waarop met sierlijke krulletters de woorden: „Tot eene gedachtenis aan Anton Lanting” gegraveerd stonden. Had zijn kind niet zoo onophoudelijk gekraaid, De Leeuw zoude stellig zeer getroffen geweest zijn, en zich in dankbetuigingen uitgeput hebben. Thans was hem dit onmogelijk. Daarenboven werd er op dit oogenblik luide gescheld. Omdat er niemand thuis was, zette de dankbare leerling zijn geschenk op den schoorsteenmantel, en ging openen. Hij keerde terug met een brief. Op verzoek van De Leeuw verscheurde hij de enveloppe, en liet den brief aan zijn meester zien.

Deze herkende aanstonds de hand. Het was eene nota van Tjerko Meindert Hattinga, wijnhandelaar: „voor aan UEd. geleverden wijn volgens rekening.... ƒ84.40.” Onderaan stond: „NB: Meld mij ~vóór uw vertrek~, wanneer ik over dit sommetje kan beschikken!” De Leeuw fronste de wenkbrauwen, liet de nota vallen en schudde zijn kind zoo heftig op en neer, dat het luider dan ooit begon te kraaien. Anton Lanting, die reeds lang hunkerde om te vertrekken, en die den armen teekenmeester vrij ondankbaar vond voor zijn fraai geschenk, haastte zich weg met een:

„Nu, ik wensch u het beste, meneer! mijn complimenten aan mevrouw!”.

„Dank je wel, Anton!”—en met den linkerarm zijn welp vasthoudend, drukte De Leeuw met aandoening, haast en verlegenheid de hand van zijn vertrekkenden leerling. Wat zij verder elkaar toeriepen, had niemand kunnen verstaan, het luid geschrei van de kleine maakte het onmogelijk. Zoo spoedig Anton vertrokken was, hoopten zich de donkere wolken op De Leeuw's voorhoofd samen.

„Stil kind! stil!”—schreeuwde hij met de uiterste drift.—„Frederike mag niet uitgaan! Neen, ze mag niet uitgaan! Ik verbied het! Ik wil het! Dat lamme geschreeuw! Stil dan toch.... zwijg!”

En een oogenblik later met de uiterste moedeloosheid zijn hoofd schuddend, fluisterde hij:

„O God! was ik maar grutter gebleven!”

VI.

De heer Mr. Johan van der Lely bewoonde een zeer deftig huis in de hoofdstad der provincie. Juist met het klokkenspel van twaalven treedt hij deftig in 't zwart zijn huisvertrek binnen, waar zijne echtgenoote met stil ontzag zijne komst verbeidt in gezelschap van een koffiekan, die niet loopt, en den witten poedel, die slaapt. Zwijgend zet de Rechter der arrondissements-rechtbank zich neer. Voordat hij echter de lippen zet aan den eersten kop koffie, zegt hij met zijne daverende stem:

„Waar blijft Frans?”

„Ik begrijp het niet, misschien heeft hij straf op het Gymnasium!”

„Kom, kom! een jongen van zeventien jaar en vlug als Frans wordt nooit gestraft. Bovendien er moest niet gestraft worden op het Gymnasium! Ik heb het den Rector laatst gezegd. Als een jongen zich onbehoorlijk gedraagt, is het altijd de schuld van den docent!”

„Maar Johan....”

Dreunend werd de huisdeur toegeworpen, er klonken snelle stappen in de gang. Met een luid galmenden uitroep trad Frans van der Lely binnen. Hij was een lang opgeschoten knaap geworden, zag er rood opgezet uit, als zijn vader, en trok snel een stoel naar de tafel, om zijn kop koffie te ledigen.

„Hoe kom je zoo laat, jongen?”

„Ik heb in de Slijtersstraat staan kijken naar eene verkooping van een inboedel!”

„Waarom?”

„In 't begin maar om zoo eens te kijken, maar gauw zag ik een paar dingen, die ik heel vreemd vond. U herinnert zich wel dien meneer de Leeuw, waarbij ik in Valendam een poos teekenles had?”

„Ja, voor een halfjaar zoo wat is hij hier komen wonen!”

„Nu, het was zijn inboedel!”

Mr. Johan van der Lely verzonk een oogenblik in deftig gepeins. Frans vervolgde:

„Ik zag het aan de schilderijen en teekeningen in waterverf. Er was ook eene massa nog vrij aardige en nieuwe meubels bij, stoelen, tafels, een wieg....”

„Maar was dat alles van meneer de Leeuw, Frans?”—vroeg zijne moeder.

„Zeker! Ik sprak een man aan, die er bij stond, en die zei, dat het boeltje voor schulden moest verkocht worden. Daar waren er van hier en uit Valendam, die geld van De Leeuw moesten hebben!”

De Rechter der arrondissements-rechtbank had intusschen den loop zijner gedachten vervolgd. Plechtig, maar luid, viel hij nu in:

„Ik heb het hem wel voorspeld! Daar was in Valendam niets te halen, 't was een ellendig nest in mijn tijd, en het zal het nog wel zijn. Eene hoofdplaats van een kiesdistrict, waar ze zoo'n kwast, zoo'n babbelaar naar de Tweede Kamer hebben gestuurd! Zoo'n liberaal van den kouden grond! Bah!”

„Ik heb maar medelijden met zijne arme vrouw en zijn arm kind!”—fluisterde mevrouw van der Lely.

„En ik mocht De Leeuw wel!”—voegde Frans er bij.—„Hij was heel goed en hartelijk voor zijne jongens, en hij teekende toch zoo kwaad niet?”

„Hij schreef ten minste zeer net!”—merkte de heer des huizes aan.—„Dat bleek uit zijne nota's!”

„Gunst, Johan!”—viel zijne echtgenoote in.—„Gisteren vertelde je me, dat eene klerksplaats op de provinciale griffie vacant was, en dat iemand je gevraagd had naar een geschikt persoon. Help nu die arme menschen daaraan!”

„Hm! hm.... Zou hij niet te trotsch zijn.... een kunstenaar klerk te maken? Maar.... nu ja, ik wil het wel eens probeeren. Hij heeft onzen Frans teekenen geleerd.”

* * * * *

Een jaar, na dit gesprek, in den vroegen zomerochtend snelden twee personen, die beiden van verschillende kanten der straat kwamen, te X.... naar elkaar toe. Eene opgewekte en hartelijke begroeting volgde.

„En wat kom jij hier in den vroegen morgen doen, Van Schilferen?”

„Van alles zoo wat, amice! Ik kom ~emplètes~ maken voor mijne huishouding, want in Juli trouw ik. Bertha is allerliefst. En dan moet ik ook bij den postdirecteur zijn.... daar is eene kleine verwarring op mijn kantoor geweest! Ik zal 't wel goed maken! A propos! Het Leeskabinet heeft een paar van mijne verzen geplaatst! En hoe maak jij het, De Leeuw?”

De oud-teekenmeester Hendrik de Leeuw, nu zeer eenvoudig in 't zwart gekleed, antwoordde kalm:

„Och, het gaat me redelijk! Ik ben klerk op de provinciale griffie door de protectie van meneer van der Lely geworden. Ik neem nog een paar andere besognes van schrijfwerk waar, en verdien omstreeks negenhonderd gulden in 't jaar. Dat is nog weinig, maar ik ben weer met mijn oom den grutter verzoend, en dat helpt in de huishouding!”

„Bij al de Goden! Is 't mogelijk? Ben jij klerk geworden? Heb jij de kunst vaarwel gezegd? Neen, dan dien ik mijne Muzen trouwer! Een bundel verzen ligt klaar, en als de zaak met het postkantoor goed afloopt, dan draag ik hem op aan den Minister van financiën! En jij klerk, De Leeuw! hoe is 't mogelijk?”

De Leeuw glimlachte, en antwoordde:

„Neem me niet kwalijk, ik moet aan 't werk. Men kan die zaken verschillend beschouwen. Een eerlijk beroep trouw te vervullen is voor den man zonder talent beter dan plichtverzuim bij gebrekkige en leelijke kunstoefening. Goeden morgen! Als ik aan de griffie wat voor je doen kan, reken op mij. En denk er aan: ~n'est pas poëte qui veut~!”

Mijnheer Apollo en de menschen in Beötië.

I.

#Hier begint de waarachtige historie van mijnheer Apollo, den wonderbare, en hoe hij aankwam in Beötië.#

't Was maar eene zeer gewone herberg. Het uithangbord was vroeger op prachtige wijze donkerblauw geschilderd, en te midden van dien blauwen grond schitterde weleer eene zon van echt verguldsel. De tijd had de kleuren veel kwaad gedaan, de zon was koperrood geworden, en scheen steeds op het punt van onder te gaan. Duidelijkheidshalve schilderde men er weleer nog bij: ~In de Zon~, opdat niemand zich vergissen mocht. De herberg was van meer opschriften voorzien. Eene witte plank met zwarte letters riep den voorbijganger toe: ~Logement en Stalling, Wed. F. C. van der Zwaag~. Het Logement had maar eene verdieping, met een soort van opkamertje boven den hoofdingang. Toch was het een groot huis met zeer ruime kamers, stallen en een grooten tuin. Bovendien was de ~Zon~ de eenige fatsoenlijke herberg van Oosterwolde, een soort van klein stedeke in het Noorden van ons vaderland.

Voor de deur van dit logement stond bij 't vallen van de duisternis eens guren November-avonds van het jaar 1849 een reiziger met eene groote menigte bagage. Eene kar, door vier sjouwers onder veel geschreeuw en gemor voortgeduwd, droeg voornamelijk eene enorme houten kist, die hoog opstond en door een paar solide koffers in evenwicht werd gehouden. Een fraai valies, een reisdeken en andere kleinigheden verrieden, dat de reiziger een zeer welgegoed man was. Met zeker ongeduld trok hij aan den koperen belleknop van de glazen deur. Eene lange vrouwelijke gestalte opende weldra.

„Kan man dat hierein brengen?”—vroeg de reiziger met uitheemsch accent.

„Wat 'n groote kist!”—antwoordde de gestalte.—„Droag 'm moar in 't veurhuus!”

Dit was tot de vier sjouwers gesproken, die met tragen spoed de koffers naarbinnen brachten, en eindelijk onder toezicht van den reiziger ook de kist van den wagen tilden. Verscheidene malen riep de vreemde heer iets in zijne taal, terwijl hij angstig de kist ondersteunde; eindelijk plaatste hij haar met behulp zijner mannen in het breede voorportaal. De vrouwelijke gestalte had een koperen blaker met walmende vetkaars ontstoken, en deze verspreidde een zwak licht in 't ronde. Daarna stonden de sjouwers stil met de hand aan de pet. De vreemdeling tastte snel naar geld, en gaf ze een gulden. De mannen zagen elkaar even snel aan. De kleinste van hen riep:

„Doar ken' wie 't nijt veur doun!”

Een ander voegde er bij:

„Twij kwartjes de man!”

De vreemdeling tastte wederom snel naar geld, en gaf nog een gulden. De vier sjouwers klompten de gang uit, en de vrouwelijke gestalte met den blaker schudde deftig het hoofd, 't was „veul te veul.”

Intusschen werd eene groote dubbele deur in de gang geopend, waardoor een stroom van licht naar buiten golfde. Onze reiziger richtte zich aanstonds naar dat licht. Hij trad eene ruime kamer binnen, welke de ~genius loci~ met den naam van „jachtweide” bestempeld heeft, anders gezegd: de gelagkamer van 't logement. Aan den open haard brandde een vroolijk turfvuur. Met opgewektheid trad hij naar 't vuur, en strekte zijne voeten uit, die verstijfd schenen, hoewel de hooge reislaarzen met bont gevoerd waren. Het gezelschap in de „jachtweide” gluurde met groote, eenigszins schichtige nieuwsgierigheid naar den nieuw aangekomen gast. Dit gezelschap bestond vooreerst uit de vrouw met den blaker, die ook binnengetreden was, en op een soort van buffet aanliep, waar zij met een koperen domper haar licht uitbluschte. 't Was eene groote, vrij deftige matrone, geheel in 't zwart gekleed, met een breed wit voorschoot, waaronder zij nu hare handen en armen verborg, terwijl zij tegen het buffet, aldaar „tapkast” genoemd, aanleunde. Opmerkelijk was in deze figuur een gouden hoofddeksel of oorijzer met „stiften”, waarover eene fijne kanten muts, die met plooien naar de schouders afdaalde. Vervolgens waren er twee jongere vrouwen, evenals deze gekleed, maar met grijze of bruine kleedjes zonder voorschoot, terwijl ook oorijzer en kanten muts twee bolronde, blozende gezichtjes omlijstten. Eindelijk zaten er aan een tafeltje, ter zijde van den haard, drie mannen in zwarte jassen van een everlasten stof, zwarte vesten, zwarte dassen, zonder linnengoed en met lompe vetlaarzen. Zij bliezen allen dikke rookwolken uit lange Goudsche pijpen en hadden wijn in flesschen en glazen voor zich.

Allen hielden het oog onafgebroken op den reiziger. Niemand sprak. Het voorwerp van hunne oplettendheid scheen zich weinig om hunne tegenwoordigheid te bekreunen. Hij warmde zijne voeten, daarna zijne handen, geeuwde een paar malen zeer luid, en wreef zich in de handen. Bij het turfvuur kon men duidelijk de ringen zien flonkeren aan zijne vingers. Daarna zag hij vluchtig in 't rond, wendde den rug naar 't vuur, en sloeg zijne blikken naar de vrouwen. Hij droeg een ruimen pels met grijs bont en op zijne borst schitterde een groote diamant in eene das van donkerblauwe zijde. Al de personen in de „jachtweide” schenen den blik des vreemdelings te willen ontwijken, want ieder keek schuchter voor zich.

De man met den grijsbonten pels liep nu langzaam naar de „tapkast”, en bleef voor de vrouw in 't zwart staan.

„Wed'we van der Zwaag, nicht waar? Kan ik eene goete kammer bekommen?”

„As meneer blieft! Wil meneer de koamer zijn?[1] Hillegie steek den bloaker op!”

[1] Zien.

Dit laatste was tegen een der bolronde gezichtjes gezegd. Deze prevelde, of men eerst „de kachel op meneers koamer nijt most anleggen,” en de vreemdeling, die haar scheen te begrijpen, riep:

„Ja schön, etwas heitzen!”

Daarna keerde hij tot het vuur terug. De weduwe van der Zwaag, die niets van 's mans taal verstond, gaf evenwel order, dat de kachel op de logeerkamer zou worden aangelegd, zij had den toon van zijne stem begrepen. Hillegie, eene gewestelijke verhaspeling van Hillegonde, verliet de „jachtweide”. De man met den grijsbonten pels zag nu naar het andere bolronde gezichtje, en, terwijl hij flauw glimlachte, streek hij de blanke vingers met fonkelende ringen door zijn lang en prachtig krullend zwart hair. Hij poogde haar aan te zien, doch zij keek zeer bedaard naar het fijne en witte zand, dat over den planken vloer der „jachtweide” was uitgestrooid. Daarom deed hij opnieuw twee stappen naar de „tapkast”, en vroeg, ditmaal aan het jonge meisje:

„Hept ihr ook cognac?”—met den dubbelen nadruk op de eerste lettergreep van het woord cognac.

Het jonge meisje zag hare moeder aan, en deze nam een karaf van wit glas, waarop met sierlijke gulden krulletters „Cognac” te lezen stond. Toen de weduwe daarna een zeer klein glas van grof maaksel nauwelijks gevuld had, bracht hare dochter het den voornamen heer. Deze zag het aardig gezichtje zeer genadig aan, glimlachte met zijne schitterende blauwe oogen, en nam het glaasje met een zwierigen zwaai. Eenigen tijd keek hij naar het vocht in het glas, daarna goochelde hij het vliegensvlug naar binnen. Niemand sprak intusschen een woord, de drie rookers en drinkers bleven met drieste verbazing rondzien, de vrouwen bleven onbeweeglijk bij de „tapkast”.