Nederlandsche dames en heeren: Novellen
Part 8
Hendrik de Leeuw staarde sprakeloos in 't ronde. Hij had den moed niet, om zijn nieuwen vriend tegen te streven, en toch.... hij gevoelde, dat hij zich zorgvuldig van elke uitgaaf voor weelde moest onthouden. Gelukkig kwamen op dit oogenblik twee leden van de sociëteit hun gezelschap deelen. De nieuwe teekenmeester rees van zijne plaats op, en reikte beide heeren de hand. Hij had ze al een paar dagen te voren leeren kennen op dezelfde plaats. De een had een zeer pronkerig voorkomen, een stroohoed met blauw lint, gekleurde das en lichte handschoenen, de andere was geheel in 't deftig zwart zonder veel sporen van linnengoed of eenigen smaak voor zijne kleeding. De pronkerige heer had een dikken, knobbeligen neus en plukte onophoudelijk aan datgene op zijn gelaat, 't welk in de toekomst wellicht eenmaal den naam van knevel zou voeren. De zwarte had een rood verbrand wezen en dito handen—want hij droeg geene handschoenen—en stak zijne lompe laarzen met zekere zelfvoldoening vooruit. De Leeuw had beiden reeds bij naam en hoedanigheid leeren kennen, de dandy was de postdirecteur Van Schilferen, de zwartjas de steenbakker Jan Kalkman.
„Zitten jelui kerels al onder den port?”—vroeg deze laatste met een zwaar provinciaal accent.—„Geef mij ook eens een glas!”
Piet, de markeur, stond al klaar, maar vroeg meteen uit naam van meneer Schippers, den gemeente-secretaris, of meneer de postdirecteur niet zou komen domineeren. Van Schilferen trok een lang gezicht, en bedacht zich een oogenblik.
„Heb je geen zin, Schilfertje!”—riep de comische wijnkooper.—„Wacht, Piet, zeg meneer Schippers, dat ik kom. Ik kan den man nog gauwer zijn kwartje doen verliezen, dan jij, postdirecteur!.... Zeg, laat me soms een inschenken!”
Met deze laatste woorden tot De Leeuw liet hij het drietal zitten, om een klein winstje met het dominospel te maken. Hij was toch zeer handig en grappig die Hattinga, zeiden de beide nieuw aangekomen heeren, en zijn belang vergat hij nooit, nooit, wat er ook gebeurde. Intusschen dronken de heeren een paar glazen port, en vroeg men De Leeuw, hoe het hem in Valendam beviel. 't Gesprek vlotte niet recht in den beginne door de schichtigheid van den nieuweling, maar de wijn had hem allengs wat meer spraakzaamheid gegeven, zoodat men op 't laatst zeer vertrouwelijk keuvelde. De steenbakker nam maar weinig deel aan het gesprek, hij dronk, wiegelde met zijn stoel op en neer, en greep eindelijk het Handelsblad.
„Men moet ergens beginnen, meneer De Leeuw!”—beweerde juist de postdirecteur zeer wijsgeerig.—„Natuurlijk kan de waarachtige kunstenaar zich niet in zoo'n nest opsluiten als Valendam. Maar de kunst is soms eene bittere, onhartelijke stiefmoeder! Zooals ik hier voor u zit, meneer De Leeuw! had ik ook nooit gedacht met een postje als 't mijne hier mijn brood te moeten winnen! Ik ben letterkundige, ~mon cher~! en naar ik verneem niet volkomen ongelukkig!”
De heer Van Schilferen sloot de oogen, en goot den inhoud van zijn glas langzaam in zijne keel. Daarna zuchtte hij met diepen weemoed, en bespiedde hij van ter zijde, welken indruk zijne woorden op zijn nieuwen vriend maakten. Hendrik de Leeuw had vroolijk geknikt, ook eens gedronken, en sprak nu sneller en opgewekter, dan hij in bedaarde oogenblikken pleegde:
„Maar men moet wat opofferen voor de kunst, meneer Van Schilferen! mijn heele leven tot nu toe was opoffering....”
„Als het mijne, als het mijne, ~mon cher~! Toen ik schooljongen was, maakte ik mijne eerste verzen, aan een heerlijk onderwerp gewijd: „~Zuleika~, de Circassische.” Ik zal je 't eens laten zien, als je bij mij komt!”
„In mijne eerste jeugd wilden mijne ouders, later mijne voogden, niet van schilderen weten! Ik zou in mijn ooms zaak komen. U weet het misschien wel, als u in X....”—De Leeuw noemde de hoofdstad der provincie—„naar de groote markt gaat, zal u die groote grutterswinkel wel in 't oog gevallen zijn: Jakob de Leeuw & Zoon. Dat is mijns ooms huis. Ik zou ook grutter worden, maar waarlijk ik gevoelde er niet veel lust in....”
„Of je gelijk hadt, meneer De Leeuw! Laat ik je nog eens inschenken. Neen, het kan volstrekt geen kwaad! Kalkman drink eens uit, en laat ons nog een halfje voor den eten nemen!”
De ex-grutter-teekenmeester en kunstschilder gevoelde, dat de heeren inderdaad zeer gul waren met aanbiedingen van morgenwijn. Reeds duizelde zijn hoofd, maar 't hinderde hem niet bijzonder, zoodat hij aanstonds weer even opgeruimd en goedhartig als gewoonlijk naar de orakelen van den postdirecteur luisterde.
„'t Is mij bijna als u gegaan”—sprak deze, geheimzinnig met de oogen knippend,—„mijne ouders bestemden mij voor een practisch baantje, en inwendig gevoelde ik het ~feu divin~! Daarop heb ik menige klacht in rijm vervaardigd—je moet eens bij mij komen, dan zal ik je meer laten zien!”
„We zijn dan broeders in de kunst”—antwoordde de Leeuw met rooder tint op zijne wangen.—„Ook ik moest voor den handel worden opgebracht. Maar alles voerde mij tot de kunst. Als jongen op school bracht ik het tot eene zeer aardige hoogte in 't schoonschrijven, en later ging het evenzoo met het teekenen. Ik won twee medailles, meneer Van Schilferen! voor schetsen naar 't naakt model!”
„Laat ons eens op onze broederschap drinken, De Leeuw! en dat stijve meneer weglaten.”
„De drie percents weer gerezen!”—riep Jan Kalkman uit, die werktuiglijk met de heeren klonk, en van het Handelsblad opzag.—„In die Amerikanen is fortuin te maken!”
„Ik heb wel geen medailles verworven”—ging de postdirecteur voort, zonder op den steenbakker in 't minst te letten—„maar ik heb toch mijne sporen verdiend. Mijn eerste bundel: _Tulpen en Hyacinten_ getiteld, zag verleden jaar het licht. Een persoonlijk vijand schreef er eene critiek van in dat lamme _Leeskabinet_.... ik heb er wat onder geleden!”
„Niet waar, men kan lijden voor de kunst”—riep Hendrik de Leeuw uit met stijgende geestdrift.—„Vandaag nog had ik eene onaangenaamheid. Ik begon mijne teekenlessen, en de leerlingen betoonden zich meest allen ongeschikt. Maar geduld.... ik zal er wel liefhebberij voor opwekken bij de jongelui hier, als ik maar tijd heb!”
„Dat de kunst toch altijd aan zooveel materiëels en onaangenaams verbonden is!”—klaagde Van Schilferen, en plaatste zijn glas zoo driftig op het tafeltje, dat de kelk brak en de wijn over zijne vingers stroomde.
„Dat doe je handig, Schilfertje!”—riep de wijnkooper Tjerko Meindert Hattinga, die zijne vrienden weer kwam opzoeken, daar hij den secretaris een paar kwartjes had doen betalen, en al de heeren reeds vertrokken waren. 't Gesprek werd nu algemeener. Jan Kalkman bracht het een en 't ander in 't midden omtrent de graanprijzen en de beursnoteeringen der effecten. Hattinga was zeer grappig, en stelde voor, om des namiddags een wedstrijd op het biljart te houden. Men scheidde onder wederzijdsche belofte van omstreeks vier uren aanwezig te zijn.
Hendrik de Leeuw werd echter dien namiddag door zoo drukkende hoofdpijn geplaagd, dat hij zijne kamer moest houden en geheel ziek zich te bed begaf.
IV.
Er waren na de eerste verschijning van Hendrik de Leeuw in Valendam ruim driekwart jaars verloopen. Veel verandering was er in dien tijd niet tot stand gekomen. 't Was winter en de vergaderingen van het Nut, het jaarlijksche bal der sociëteit: „Oefening en Vermaak”, alles had op behoorlijken tijd plaats gegrepen. Een aanzienlijk inwoner had de stad verlaten. Mr. Johan van der Lely was benoemd tot rechter in de arrondissements-rechtbank te X.... de hoofdstad der provincie. De jongeheer Frans had zijne kameraden met jongenshartelijkheid de hand gedrukt, van zijn teekenmeester had hij ook een vroolijk, maar toch dankbaar afscheid genomen.
Want Hendrik de Leeuw, wat er ook in dat driekwart jaars met hem mocht zijn voorgevallen, had zich de vriendschap zijner leerlingen weten te winnen. De onuitputtelijke goedhartigheid van zijn karakter had, trots de baldadigheid der meesten, eindelijk over hunnen onwil gezegevierd. Zij konden het op 't laatst niet meer van zich verkrijgen den beleefden, vriendelijken man, die daarenboven zoo kennelijk een trek van diepe zorg op 't gelaat vertoonde, met hunne uitgelatenheid of euvelmoed te kwellen. De oudste zoon van den notaris had daarenboven zeker zedelijk gezag over zijne kleinere kameraden weten uit te oefenen, en zoo was het langzamerhand al beter geworden bij de lessen—de jongelui, zelfs de bijzonder ondeugende zoon van den predikant, Hein van der Grijp, hadden zich met min of meer goed gevolg op het teekenen toegelegd. Hendrik de Leeuw had alles in 't werk gesteld, om zijne leerlingen te boeien. Met vier der meest gevorderden begaf hij zich eens in de week, zoolang het weer dit gedoogde, naar buiten om te „schetsen naar de natuur.” Dit alles ging vrij voorspoedig—maar andere zwarigheden begonnen hem te bemoeilijken.
Toen hij zich te Valendam ging vestigen, had hij gehoopt zijne inkomsten te zien vermeerderen door het toenemen der lessen of door het schilderen van portretten. Er mochten een paar jongelieden aan zijn tiental worden toegevoegd, één—Frans van der Lely—vertrok weder; en portretten, zoo die in Valendam werden gevraagd, zouden enkel besteld worden bij den een of ander photograaf van de hoofdstad der provincie. De arme De Leeuw zag duidelijk, dat hij van zijne kunst niet zou kunnen leven. En het tegendeel hiervan had hij steeds bij zijn voormaligen voogd, bij zijn oom, den grutter Jakob de Leeuw, volgehouden—daarom waren zij vijandelijk van elkaar gescheiden, toen Hendrik zijne studiën aan de teekenacademie had volbracht, en met de stoutste plannen voor de toekomst naar Valendam vertrok. Want hij had zijn klein vaderlijk erfdeel in zijne studiejaren moeten verteren, hij meende nu de renten van zijn kapitaal te winnen.
Maar die tijd scheen nog verre. Van het begin af had hij geoordeeld, dat hij zich zooveel mogelijk vrienden verwerven moest in de stad zijner nieuwe vestiging. De heer Hattinga, de dichterlijke Van Schilferen en de bemiddelde steenbakker Kalkman waren zijne meest intieme vrienden geworden. Hij had hen zooveel mogelijk gezelschap gehouden des ochtends en des avonds op de sociëteit—maar daarmee was al zijn gereed en verdiend geld verslonden. De heeren hadden zich steeds gedragen, of zij er niet op letten, als De Leeuw uiterst zuinig was gebleven in al zijne verteringen en dit was zeer welwillend van hen—maar zoo kon het niet blijven. Het fatsoenlijk publiek van Valendam had zich—o wonder!—tot nog toe weinig met de huiselijke omstandigheden van den teekenmeester bemoeid, alleen de manufactuurhandelaar, wiens kamers hij bewoonde, schudde soms bedenkelijk het hoofd, daar de betaling der huurpenningen onder allerlei vriendelijke en verlegen uitvluchten tot na de voleinding van het eerste jaar was uitgesteld. De kennismaking met de meeste families had langzamerhand plaats gegrepen. De voornaamste patriciërs der stad hadden de behoorlijke reserve in acht genomen, vooral daar de jonge kunstenaar tot de club van den wijnkooper Hattinga behoorde, waartegen de dames een zeer sterk vooroordeel koesterden. Bij het gezin echter van den ontvanger der directe belastingen was de club welgezien, daar de dichterlijke postdirecteur op de Nuts-avonden verzen declameerde, 't geen den heer des huizes aangenaam was—dewijl Van Schilferen daarenboven vrij duidelijk zijn hof maakte aan de lichtblonde Bertha, de jongste dochter des gezins, 't geen algemeen in den smaak viel. Ook Hendrik de Leeuw had zich de goede gunsten van het ontvangersgezin weten te verwerven, door zijne onuitputtelijke goedhartigheid, en door in de vergadering van het Nut eene voorlezing te houden over de verschillende genres van schilderkunst, 't welk hem veel hoofdbrekens en luid gelach van des notaris dochters had op den hals gehaald.
Daar echter zijn toestand financieel hoe langer hoe pijnlijker werd, had hij morgen en avond op het een of ander plan gepeinsd, om zich van zijne zorg te bevrijden. Eindelijk had hij iets ontdekt. Met een strak peinzend gelaat had hij een lang epistel geschreven aan eene oude kennis in X....—eene dame, half en half eene nicht, een vijftal jaren ouder dan hij en met een weinig fortuin, zeide men. 't Gevolg van dit alles was, dat op zekeren morgen meer dan ooit gedronken werd door de club, terwijl de postdirecteur Van Schilferen, tot verbazing van al de aanwezigen, luide een vers declameerde. Hendrik de Leeuw verhaalde aan zijne vrienden, dat hij verloofd was met eene nicht, geenszins de dochter van zijn oom, den grutter, maar eene verre nicht, uit eene zeer fatsoenlijke familie gesproten, eene wees.... De vrienden voegden er bij, dat het een deksels slimme trek van hem was—dat hij zeker wel een rijk vrouwtje zou huwen, dat al de jongedames in Valendam om wraak zouden roepen. De geestdrift steeg zoo hoog, dat de goedhartige kunstenaar niet nalaten kon, zijnen vrienden onder diep geheim te verzekeren, dat zijne bruid inderdaad eenig fortuin bezat—zoodat men het middagmaal in den steek liet, en een geïmproviseerd diner in de sociëteit gebruikte.
Eerlang nam de gelukkige Hendrik de Leeuw een acht dagen vacantie. Het huwelijk werd zonder veel vertoef gesloten. De bruidegom scheen zijne 25, de bruid hare 30 jaren tot voorwendsel gekozen te hebben om niet al te lang te wachten. Het jonge echtpaar betrok nu eene flinke bovenwoning, die met de meubelen der nieuwe mevrouw de Leeuw voortreffelijk werd gestoffeerd—en de huurpenningen voor den manufactuurhandelaar met nog eenige kleinigheden aan wijn voor vriend Hattinga werden, begeleid van zeer beleefde brieven, door den jeugdigen echtgenoot aanstonds na zijne terugkomst in Valendam betaald. Ieder had gedurende een veertien dagen veel op te merken over de Leeuws huwelijk, maar toch bleef ieder uiterlijk zeer hartelijk gezind voor de jonggetrouwden. Dezen meenden een stap te moeten doen, om de welgezindheid der Valendammer fatsoenlijke wereld, vooral wat de ongehuwde jongelui aangaat, voor goed te winnen. Vóór zijn huwelijk had de Leeuw nog onder zijne leerlingen een prijs uitgeloofd voor de beste teekening in zwartkrijt. Daar de oudste zoon van den notaris zich buiten mededinging hield, was die prijs ten deel gevallen aan den zoon van den hoofdonderwijzer, den jongen met den hoogen rug. Die prijs, eene zilveren teekenpen, zou op eene plechtige wijze worden uitgereikt. Daarom hadden „meneer en mevrouw” de Leeuw besloten eenige vrienden tot bijwoning dier plechtigheid uit te noodigen. 't Waren de leden van de club, Hattinga, de postdirecteur en Kalkman, benevens de drie dochters van den ontvanger.
Omstreeks zes uren waren de jongelui in de nieuwe woning bescheiden. 't Was der moeite waard het vergenoegd gezicht van Hendrik de Leeuw waar te nemen, als hij daar te midden der toebereidselen uiterst gelukkig zijne kamer op en neer wandelde. En daar was mevrouw de Leeuw waarlijk ook! Welk een aardig, vlug, levendig vrouwtje was mevrouw de Leeuw! Ze was wat heel klein, sommigen meenden al te klein, maar ze had een geestigen wipneus, kleine fonkelende zwarte oogen en een fijn kinnetje. Men behoefde haar maar eene enkele reis ontmoet te hebben, om haar aanstonds te herkennen, waartoe niet weinig bijdroeg, dat niemand haar ooit zonder een fraai mutsje met zwierige rooskleurige linten en een paar zwarte zijden ~mitaines~ gezien had. Zoo was het uiterlijk der verre nicht, die Hendrik de Leeuw hart en hand had geschonken. Vlug en vroolijk sprak ze met haar echtgenoot, die in zijne gewone goedheid al de schoone eigenschappen zijner vrienden nog eens opsomde.
Na een bescheiden tikken op de deur traden nu de Leeuw's discipelen allen te zamen binnen. Mevrouw was recht vriendelijk tegen de jongeheeren, en de teekenmeester was ook zeer vriendelijk, en tevens wat deftiger dan gewoonlijk, en de jongelui waren ook zeer vriendelijk en glimlachten allen even welwillend als hun goedhartige onderwijzer.... maar allen waren wat verlegen en het gesprek stokte ieder oogenblik. De Leeuw deed met veel verwarring en drukte zijne leerlingen plaats nemen, zijne kleine, bedrijvige vrouw schonk thee, en praatte snel door over de suiker en de melk en duizend kleinigheden, zoodat men reeds eenigszins meer vertrouwelijk was, toen de drie dochters van den ontvanger met veel vriendelijke uitroepingen en buigingen binnentraden. De verschijning dezer drie blonde schoonheden deed al het gesprek der jongelui verstommen, maar integendeel het praten van mevrouw de Leeuw in gelijke mate levendiger worden. Niet lang duurde het nu, of Hattinga, grappiger, de postdirecteur, dichterlijker, en Jan Kalkman, lomper dan ooit te voren, kwamen het gezelschap voltallig maken. In een oogenblik waren de beide eersten meester van den toestand, en schertsten en schreeuwden of zij zich in de lokalen der vermakelijke stads-sociëteit bevonden.
„'t Doet me toch plezier, dat mevrouw de Leeuw nogal schik heeft in Valendam!”—riep Hattinga uit.—„De menschen klagen wel eens wat gauw, maar 't is hier goed uit te houden, wat zeg jij, Gonne?”
Gonne, of beter Hildegonda, de oudste blonde dochter van den ontvanger, die evenals hare zusters een bolrond gelaat en groote, niet bijzonder schrandere blauwgrijze oogen bezat, lachte verlegen, en zei rad:
„Hou je mond toch, Hattinga, zie je dan niet dat de Leeuw wat zeggen wil!”
Inderdaad stond Hendrik de Leeuw juist op dit oogenblik gereed eene aanspraak tot de jongelui te houden. Hij had een paar malen bescheiden gekucht, reeds eenmaal aangevangen met een: „Dames en Heeren!” maar het geluid der sprekenden had zijne stem overvleugeld, en daarom had hij nu luider op de tafel getikt.
Allen zwegen. De heeren en dames, die tot nog toe den meesten tijd staande hadden doorgebracht, zetten zich op een afstand van de tafel en fluisterden vroolijk door, toen zij zagen, dat de Leeuw met zekere zenuwachtigheid eenige teekeningen en papieren rangschikte, een rolletje papier met roode linten ter hand nam en zijne leerlingen deftig aanzag. Men bemerkte aanstonds, dat hij tamelijk verlegen was, maar toch eene zekere waardigheid had aangenomen na zijn huwelijk, welke niet weinig verhoogd werd door eene deftige zwarte jas en een sierlijken gouden horlogeketting. Eindelijk begon hij:
„Dames en Heeren! Het doet mij hartelijk, ja zeer hartelijk veel genoegen, dat gij wel zoo goed wildet zijn, deze geringe, deze huiselijke plechtigheid, als ik zoo spreken mag, met uwe tegenwoordigheid te vereeren. Voor een paar maanden heb ik mijne leerlingen tot een wedstrijd opgeroepen en een prijs uitgeloofd voor de beste teekening in zwart krijt....”
Hier haperde de Leeuw een oogenblik. Zijn geheugen—hij had zijne aanspraak van buiten geleerd—liet hem in den steek. Weldra hervatte hij kuchend:
„Voor de beste teekening in zwart krijt. Die wedstrijd heeft plaats gehad. Na een onpartijdig oordeel te hebben geraadpleegd, bleek het mij, dat de teekening van mijn jongen vriend Anton Lanting, oudsten zoon van onzen geachten hoofdonderwijzer alhier, dien prijs had behaald, terwijl ik een getuigschrift voor de tweede best gekeurde teekening aan Jan van Geelhuyzen, zoon van onzen hooggeschatten heer burgemeester, mag toekennen!”
De genoemde jongelui stonden op. De Leeuw reikte met volkomen achtbaarheid—de blijdschap zijne rede naar wensch te hebben uitgesproken, maakte hem stouter—de zilveren teekenpen en het getuigschrift aan de bekroonde jongelieden, die vrij verlegen en met diepe buigingen hunne plaats weer opzochten.
Had de echtgenoote van den glimlachenden teekenmeester juist niet met een blad, waarop wijn en glazen, komen aandragen, misschien ware zijn toestand dan wederom wat moeilijker geworden, want zijn voorraad van buiten geleerde volzinnen was uitgeput. Doch nauw hadden de dames en ook de heeren van de club een glas wijn in handen, of Hattinga stond op en sprak:
„Jongens! jelui moet maar flink oppassen bij meneer de Leeuw! Ik zou jelui aanraden, om een volgend jaar zoo weergaas mooi te teekenen, dat je altemaal wat verdiend hadt. En als je me nu een plezier wilt doen, dan drinken we dit glas op de gezondheid van meneer en mevrouw de Leeuw!”
Luid gejuich en salvo's van vroolijke uitroepingen volgden. De oudste zoon van den notaris vond het zeer aanmatigend van den roodhairigen wijnkooper, om zich zoo in zaken te mengen, waarbij hij eigenlijk niet anders dan als toekijker genoodigd was—maar omdat hij niet wist wat hij zeggen zou, zweeg hij met een betrokken gelaat.
De plechtigheid was nu geëindigd. Mevrouw de Leeuw bood een gebakje, haar man schonk wijn—waarbij Hattinga een aardig procentje winst maakte—ieder bewoog zich met meerdere vrijheid dan voorheen. Doch de jongelui stonden te zaam voorzichtig te fluisteren. Op eens traden zij allen te voorschijn, reikten hun meester de hand, en gaven hun voornemen te kennen, om te vertrekken. Maar nu moest ieder nog een glas drinken, nu werd de gezondheid van beide bekroonden bedacht, en onder veel betuigingen van wederzijdsche tevredenheid trok de stoet der jongens af.
„Zie zoo, dat geeft ruimte!”—riep Hattinga, zijn stoel bij de tafel schuivend.—„Je weet niet wat je met die kereltjes praten moet! Ze zitten zoo verduiveld zot rond te kijken. Die jongen van den burgemeester had het op je krullen, Bertha!”
De lichtblonde Bertha, jongste dochter van den ontvanger, schaterde het uit, meneer en mevrouw de Leeuw schaterden mede, en de heer van Schilferen bewonderde de schakeeringen van zijn bont gekleurd vest. Weldra was men in de genoeglijkste stemming. Jan Kalkman dronk zoo dikwijls zijn glas uit, dat hij ook spraakzaam werd, en eenige zwaarwichtige beleefdheden richtte tot mejuffrouw Thérèse, gewoonlijk Trees genoemd. Deze was in leeftijd tusschen de dames Hildegonda en Bertha, en onderscheidde zich door eene zekere kwijning in haar voorkomen, benevens door een zeer kunstmatig keurslijf, 't welk eenige gebreken in haar aanleg op passende wijze te gemoet kwam. De heer van Schilferen was vol poëtische invallen—de schoonste richtte hij tot Bertha. Mevrouw de Leeuw schertste zoo druk mede, dat ze al spoedig zeer hoog in de schatting van de club stond aangeschreven. Haar gelukkige echtgenoot deed zijn uiterste best. Op vereerend verzoek zong hij een weemoedig lied—het eenige van zijn repertoire—waarin de kortheid van het menschelijke leven, de maan en de eeuwige trouw der min werden verheerlijkt. De postdirecteur was onuitputtelijk in het voordragen van tragische, elegische en comische verzen. Sommige waren aan zijne eigene kunst te danken, en bij deze noodigde hij telkens het gezelschap uit, om eens bij hem te komen, daar hij hun de handschriften toonen zou.
Toen men eindelijk in eene zeer opgewondene stemming naar huis trok, begeleidde het drietal heeren de dochters van den ontvanger naar hare ouderlijke woning. Daar aangekomen, bleef mejuffrouw Thérèse nog een oogenblik met den steenbakker keuvelen.
„Zou jij gelooven, Kalkman! dat die vrouw van de Leeuw zooveel fortuin had?”
„Neen!”
„Weet je er ook wat meer van!”
„Ik weet alles!”
„En dat is?”
„Dat de Leeuw een heel zotten streek heeft begaan. Dat mensch met dat mutsje brengt hem wat nieuwe meubeltjes aan, en een heel klein sommetje geld. Ik weet het van mijn broer te X.....”
„'t Is de moeite waard, om zich zoo'n air te geven. Nu, adieu, Kalkman! ik dank je voor je geleide!”
V.
Nog geen halfjaar na de Leeuws huwelijk, waren er reeds, die het gevoelen van den steenbakker in hunne gesprekken openlijk durfden herhalen. Ja, de teekenmeester had een dommen streek bedreven. Zijne vrouw had weinig of geen fortuin, en hoe zouden zij in Valendam van zijne teekenlessen bestaan. Een ander deel van het publiek, en het waren de meest notabelen, de burgemeester en de predikant, zagen de zaak zoo duister niet in—in elk geval scheen de welwillende en gedienstige teekenmeester toch nog eenig vermogen te bezitten, als men naar zijn uiterlijken staat mocht oordeelen en zijne verdiensten konden op den duur vermeerderen.