Nederlandsche dames en heeren: Novellen

Part 6

Chapter 63,745 wordsPublic domain

't Was Zondagmorgen in zijn gemoed geweest van het oogenblik, toen Pauline hem gul hare hand aangeboden en beweerd had, dat zij oude kennissen waren, dat hij niet aan haar behoefde voorgesteld te worden—toen beiden en Mlle de Tourzel, die hen tot elkaar had gebracht, in een vroolijk lachen saamstemden, schoon zij zelven niet wisten, wat de eigenlijke oorzaak van hunne vroolijkheid was. Daarna had Vechters al zijne schroomvalligheid overwonnen, en al zijne welbespraaktheid teruggevonden. Wat ze beiden gezegd en geantwoord hebben, zou noch de een noch de andere u hebben kunnen meedeelen, maar Vechters wist, dat Pauline oneindig schranderder en bevalliger was, dan drie jaren geleden, en dat zijn hart klopte van verrukking, zoo dikwijls hare welluidende stem begon te spreken. Zeker had zij nooit iets vernomen van zijn onderhoud met haar vader—zij had van diens verscheiden met weemoedigen ernst gesproken—later had zij hem alleen nadrukkelijk gevraagd, waarom hij toch zoo plotseling verdwenen was, zonder iemand zijner vrienden vaarwel te zeggen.

Thans verhaalde hij van Italië, van Rome, van zijne ervaringen in den vreemde, en zag haar daarbij met zoo levendigen blik in de mooie oogen, dat hem lichtelijk mocht aangezien worden, welk een heerlijk oogenblik hij doorleefde. In 't geheim van zijn hart schetste hij reeds een liefelijk beeld der toekomst, en hij was er te talentvol schilder voor, om niet de schitterendste en schoonste verven van zijn palet te kiezen. Wel vreesde hij, nog te spoedig en te veel te hopen—maar de gedachte, dat na het overlijden van den heer Van Someren, niemand over de hand zijner dochter zou te beschikken hebben dan zij zelve—stelde hem gerust en moedigde hem aan, zijn tafereel te voltooien. En dan klonk er in zijn binnenste zulk een zegevierend jubellied, dat hij verbijsterd stilzweeg, en er niet eer weder aan dacht om te spreken, voordat Pauline hem lachend gevraagd had, waarom hij zoo afgetrokken en verstrooid in 't rond staarde.

III.

„Wel, wel! uw voortreffelijk geheugen brengt mij in verlegenheid, meneer Van der Comme!”

„Ik heb er den heelen avond over nagedacht!”

„Ik beveel u betere onderwerpen aan!”

„Geloof me, 't was eene kapitale teleurstelling!”

„Bijzonder hoffelijk van u, ~parlons d'autre chose s'il vous plait~!”

„Neen, maar in goeden ernst, juffrouw Tourzel, ik geloof niet, dat ik in een of ander opzicht je ontevredenheid heb kunnen verdienen, of dat ik iets gezegd of gedaan heb, waarover je boos zou kunnen zijn, vat je?”

„Ik geloof het ook niet. Maar—~sans vous commander~—hoe komt u tot dat zonderlinge denkbeeld?”

„Omdat je mijn arm niet aangenomen hebt, noch voor de quadrille, noch voor het souper, vat je? Ik had er op gerekend, vast op gerekend!”

„~C'est bien aimable à vous, monsieur!~”

„'t Heeft me den heelen avond gehinderd, begrijp je? Tevergeefs heb ik de gelegenheid gezocht, het je te zeggen. Als niet een van de jongelui daar ginder zoo'n lang vers reciteerde, zou het me ook nu nog onmogelijk geweest zijn. Sakkerloot, juffrouw Tourzel, ik heb je iets heel gewichtigs te zeggen!”

Jasper Jodocus dronk schielijk zijn boordevol glas uit, zag de gouvernante zeer geheimzinnig aan, en legde zijn vinger op de lippen. Mlle de Tourzel schoof haar stoel snel wat achteruit. De hoogroode gelaatskleur van den talentvollen ceremoniemeester, en de zonderling grappige wijze, waarop hij in 't ronde zag, boezemde haar weinig vertrouwen in. Gelukkig voor Jasper, dat niemand op hem lette, daar de heeren Versuylen en Van Menghelen zoo beleefd waren naar een zeer uitvoerig relaas van nicht Anna Geertruida over de familieverwikkelingen der Van der Commes te luisteren.

„Ik twijfel geen oogenblik aan 't gewicht uwer woorden, meneer Van der Comme! We hebben allen daartoe te veel verplichting aan uwe voortreffelijke leiding van dit feest, we zijn te zeer overtuigd van uwe talenten!”

„Ware het alleen, om dit nog eens van je te hooren, zoo zou ik gaarne voor 't minst vijftig keeren het dubbele van dit werk willen doen, vat je?”

Mlle de Tourzel schoof wederom wat achteruit, en hield haar waaier voor den schamper lachenden mond.

„Ik geloof, juffrouw Tourzel, dat je niet twijfelt, of ik een solide man ben. Vraag op de Beurs aan ieder, of de firma Van der Comme & Laarman solide is! Vraag wie de meest geachte makelaars in effecten zijn! 't Zal tot mijne eer uitkomen, begrijp je! Dat je zoo iemand weigert voor eene quadrille en een souper, dat zijn damesgrillen, daar is niets aan verbeurd! Maar luister nu eens goed toe. Ik ben het oude-vrijers-leven moe, vat je? Ik heb er lang over nagedacht, alles goed berekend, goed overwogen, en daar ik me vlei, dat ik je hoogachting en genegenheid gewonnen heb—zoo vraag ik je rondborstig....”

Jasper Jodocus had bij deze woorden driftig zijne linkerhand vooruitgestoken. Hij wilde tot naderen aandrang zijner makelaars-verliefdheid de fijne vingeren zijner uitverkorene vatten—hij zag in zijne geestdrift het woud van glazen over 't hoofd, dat tusschen hem en haar een natuurlijken scheidsmuur vormde, en wierp er een drietal, met wijn gevuld, in den schoot van Mlle de Tourzel. Alles was zóó snel geschied, en zóó juist van pas stond een aantal heeren op, om—bij 't eind van een langdradigen heildronk op de familie Van der Comme—met koperen Bruid en Bruidegom te klinken, dat niemand de waarachtige toedracht der zaak vermoedde, toen Versuylen met de gouvernante de zaal verliet, en Jasper Jodocus met onverstoorbare koelbloedigheid de talrijke gelukwenschingen beantwoordde, welke ook hem, als zoo talentvol lid der familie, van alle zijden werden aangeboden.

Opgewonden en vol heldenmoed stelde hij zich aanstonds voor, het gesprek op bekwamer tijdstip te hervatten, daar hij niet vermoeden konde, dat juffrouw Tourzel zoo dwaas zou zijn, om een man van zijne soliditeit te weigeren. Wel begreep hij niet, waarom ze zoo spoedig was opgestaan, ook herinnerde hij zich niet, of hij eenige verschooning in 't midden had gebracht. Maar dit alles was bijzaak, 't kwam er nu op aan de aandacht van het gezelschap geheel in beslag te nemen, opdat niemand van het voorgevallene iets mocht merken. Stormachtig klonk eensklaps zijne schel. Met buitengewone geestdrift kondigde hij aan, dat het oogenblik gekomen was, om opnieuw eenige verpoozing te zoeken in de danszaal,—daar reeds de toonkunst hare stem bij de zijne voegde, en ieder uitnoodigde zich nog ten slotte eene wijle onder de bevelen van den heer Quastman te stellen.

Ieder snelde vroolijk toe, om aan de uitnoodiging te voldoen. De oudere heeren hadden uit verveling, gedurende de lange ontboezemingen der Kameristen: ~Sic itur ad astra~, hunne flesschen geledigd, en verlangden naar beweging en gesprek. De dames van leeftijd hadden zooveel opgemerkt en gezien, 't welk zij malkaar gaarne in 't diepst geheim zouden toefluisteren. De jongelieden—zoowel de Romeo's als de Julia's—hadden al zooveel gesproken, dat ze waarlijk verlegen omzagen naar iets nieuws, en geen beter hulpmiddel zouden hebben kunnen ontdekken, dan eene polka. Daarenboven vreesden de Julia's zeer, dat de laatste glazen misschien nog de kleine rest van 't verstand der Romeo's zouden rooven, en daarom drongen zij ijverig vooruit naar de danszaal.

Maar drie der aanwezigen waren teleurgesteld door 't plotseling afbreken van 't souper: de twee treurende Rederijkers, die nog eensklaps den moed voelden rijzen, om hunne stemmen op te heffen en te spreken—en de gastvrouw, die het bejammerde, dat er geene amandelen en rozijnen waren aangeboden, waarvan HED. zoo buitengewoon veel hield.

IV.

Er werd gewalst en gepolkeerd, er werden quadrilles en mazurka's gedanst. De heer Quastman glimlachte in stilte over de uitmuntende geestdrift van het gezelschap. De virtuozen deden hun uiterste best. Niemand van 't aanschouwend publiek, tot Caspar Janssen incluis—die niet in stilte wenschte, eens even te mogen meedoen. Deftige oude vrijers met kale schedels en dikke buiken wendden zich tot de spijtigste muurbloemen, en verkregen een dans. Zelfs nicht Anna Geertruida walste met een wanhopig Rederijker.

In den hoek naast de nis der bloemen stond nog altijd de sofa—weleer het toevluchtsoord van den koperen Bruidegom. Thans zitten er twee vriendinnen in levendigen kout gewikkeld, zonder een oogenblik naar 't dansgewoel om te zien. Mlle de Tourzel heeft Pauline van Someren veel nieuws mee te deelen, en veel van haar te vernemen. 't Is een voorrecht, beide bevallige jonkvrouwen in stilte te mogen bespieden, als ze plotseling uitbarsten in een kluchtig-hartelijk lachen, en 't haar aan tijd schijnt te schorten, om elkaar alles te vertellen, wat haar op 't hart ligt.

Na het heldenfeit van den opperceremoniemeester had de Zwitsersche den heer Versuylen gevraagd, zoo spoedig mogelijk te willen vluchten, daar 't haar te eng werd aan 't feestmaal, en ze zich alleen vergunnen mocht in stilte over de groteske aanmatiging van den trouwlustigen effectenhandelaar te lachen. Toen ze aan 't eind der tweede receptiezaal genaderd waren, stond Pauline van Someren aan den arm van Koenraad Vechters eensklaps voor hen, en scheen er aan 't vragen en schertsen geen eind. Pauline was zeer nieuwsgierig en wilde weten, waarom oom Versuylen en zijne dame zoo spoedig opstonden; was het tijd om te vertrekken, ze meende dat het nog zeer vroeg was. In 't eind had men Koenraad Vechters plechtig aan oom Versuylen voorgesteld, had het viertal zich eene poos in de breede marmeren gang vertreden, en, toen eindelijk het feestgewoel opnieuw naar de danszaal verplaatst was, had men zich onder de blijde, koutende paartjes gemengd, totdat de beide dames dringend noodzakelijk vonden, elkaar in 't diepst vertrouwen te spreken, en de heeren alzoo genoodzaakt werden een goed heenkomen te zoeken.

Op dit oogenblik keurde Vechters het gepast, zich terug te trekken, en den heer Versuylen niet langer met zijn gezelschap lastig te vallen, maar deze verhinderde hem spoedig door de uitnoodiging, om saam eene sigaar te ontsteken, en weldra vinden we beiden druk rookende en sprekende in de kleine smoking-room bijeen, waar Jasper Jun. zich eenige uren vroeger zoo goed vermaakt had. Natuurlijk handelde men over kunst, over de tentoonstelling, over Italië. De heer Versuylen deed zich onmiddellijk als een smaakvol kunstvriend kennen—zijn oordeel was altijd wellevend, nooit oppervlakkig.

„Uwe tafereelen van het Italiaansche landleven zijn geestig ontworpen en uitmuntend van kleur—ik heb ze voor mijn kabinet aangekocht, meneer Vechters!”

De schilder bloosde. [Als ik naar waarheid moest bekennen, wat er de oorzaak van was, zou ik min of meer onbescheiden zijn, dus volsta de vermelding van het feit.]

„'t Is wel eene aangename belooning, als men in 't eind zijn ernstig en veelgeliefd streven door mannen van uwe kennis gewaardeerd ziet!”—had Vechters met warmte geantwoord.

„Ditmaal zijn uwe kleuren wat hard en overdreven!”

„Vergeef mij, als men veel teleurstelling en minachting ondervonden heeft, dan is eene erkenning als de uwe dubbel welkom!”

„Ik meende, dat u zich niet te beklagen had. Men heeft aanstonds uw ontluikend talent opgemerkt, men heeft u naar Italië doen reizen, en 't schijnt, dat ook uw verblijf te Munchen niet zonder vrucht is geweest!”

„Zoo heb ik onjuist gesproken! Ik klaag niet over miskenning van mijn schilderwerk bij deskundigen, ik herinnerde mij alleen de vernederende geringachting van mijn kunstenaarsstand!”

„Jongelieden oordeelen dikwijls snel en hard!”

„Mannen van rijperen leeftijd letten meestal op de eischen van het koude gezond-verstand!”

„En terecht, meneer Vechters! Waant u misschien, dat u door uw uitmuntend talent een vrijbrief bezit tot het doen van overijlde, onvoegzame handelingen, waarmee een kalm en redelijk overleg geene rekening houdt?”

Vechters zag den spreker angstig aan. Zou hij zijn verleden kennen? Versuylens stem althans klonk bescheiden en innemend. Op zijn gelaat was niet de minste toespeling te lezen.

„Verschoon mij”—antwoordde de jonkman snel en hoog—„ik herinner mij niet aan dergelijke dwaasheden schuldig te zijn!”

„Ik beschuldig u ook in geenen deele. Al wederom is uw oordeel te haastig, en daarbij schijnt mij uw geheugen niet volkomen nauwkeurig!”

„Meneer Versuylen, het kan uw doel niet zijn mij te krenken. Zoo u weten mocht, wat ik een diep geheim waande, zoo u kennis draagt van eene teleurstelling, zoo bitter en grievend als geene enkele in mijn heele leven—spaar mij dan ten minste de herinnering, of laat ons een gesprek af breken, dat mij noodeloos zou kunnen verbitteren!”

„Nog altijd dezelfde! Welnu, ja, ik weet wat er eens tusschen mijn zwager Van Someren en u is voorgevallen. Ik heb behoefte om er u over te spreken, want, spijt uwe lichtgeraaktheid, en ondanks uwe zonderlinge overijling, heb ik achting voor uw karakter, ingenomenheid met uw talent!”

„Zoo heeft ook u mijn gedrag veroordeeld! Zoo heeft ook u miskend, dat ik in dat uur mij ten heiligste verplicht achtte te spreken van de eenige, groote, alles beheerschende gedachte, die ieder oogenblik van mijn leven met zaligheid vervulde. Zoo heeft ook u toegejuicht, dat ik met koelen trots gehoord, met smadelijke onverschilligheid afgewezen werd!”

„Nog eens, u is heftig en onbillijk! Heeft u ooit nagedacht over den indruk van uw aanzoek op Van Someren? Wie was u? Een jongmensch van gelukkigen aanleg, zooals er meer zijn. Dat u kunstenaar was en wakker streefde, om door nobelen arbeid uwe betrekkingen te onderhouden, het waren uwe eeretitels! Maar, dat u toen reeds naar de hand zijner eenige dochter stond, zou de alles met verstand overleggende vader nimmer hebben kunnen billijken!”

„Alsof een waarachtig liefhebbend hart alles met ijskoud verstand zou moeten becijferen. O, de logica van 't gemoed is toch veel verkwikkender!”

„Onverbeterlijke dweper!”

„Daarenboven, had men mij dit waardig en wellevend onder 't oog gebracht, ik had mijn hoofd moeten buigen—nu hief ik het fier omhoog, daar ik geleerd had trots tegen trots te stellen, en laatdunkende minachting met gelijke munt wist te betalen!”

„Hoe u mijn armen, overleden zwager miskend! Hij had twintig jaren in Oost-Indië doorgebracht. Denk eens na, welk eene verandering dit bij ieder, zelfs bij 't meest allerdaagsche karakter, moet teweegbrengen. Van Someren was koel, kortaf, onbeleefd, zelfs ruw, maar zijn leven in de tropische gewesten met kruipende bedienden en aartsdomme kleurlingen had hem langzaam den fijneren Europeeschen toon doen vergeten. Hij had een zeldzaam scherpen blik op menschen en zaken, maar bovenal bezat hij een nobel, edelgevoelend hart; wist u eens, hoe vurig en teeder hij zijne dochter liefhad....”

Luid juichend en schaterend stormen op dit oogenblik de ordecommissarissen naar binnen, Jasper Jodocus is in hun midden. Al de heeren zijn buitengewoon opgewonden, en snellen driftig naar 't buffet. Men wil den hoogstverdienstelijken leider der feesten een warme dankrede onder een extra-glas aanbieden. De knal der champagneflesschen geeft het sein. De heer Proost klimt op een stoel. Jasper Jodocus leunt in eene schilderachtige houding tegen het buffet, en overziet zijne trawanten met opgetogen, zelfs wat brutale blikken.

Vechters was door het gerucht genoodzaakt een onwillekeurigen blik aan dit tafereel te wijden. Toen hij weder opzag, was de heer Versuylen verdwenen.

V.

De laatste oogenblikken der koperen bruiloft van den WelEdelgeb. Heer Caspar Janssen van der Comme waren ten slotte gekomen. Er begon weer groote drukte te heerschen in het particulier domein der drie pioenroode kornetjes. Jonge en oude dames hingen zich die wijde, witte mantels om, in de wereld der modeartikelen onder den naam van ~sorties~ bekend, en legden dan het witte of lichtgele handje snel op de ruwe, harde vingeren der kornetjes—'t welk altijd een vroolijken glimlach der laatsten ten gevolge had, mitsgaders een echt Amsterdamsch uitgesproken: „Dank je well, juffrauw!” of: „Dank uwes well, mevrauw!”

De koperen Bruid en Bruidegom hadden zich deftig in een hoek der danszaal geplaatst, de commissarissen van orde en hun chef hielden zich op kleinen afstand in gelid. Soms wierp Caspar Janssen een bezorgden blik naar die groep, daar men er luidruchtiger was, dan wel met de eischen van 's gastheers fatsoen scheen te strooken. En langzaam kwam nu de talrijke stoet der gasten eene vleierij tot afscheid zeggen, waarop mevrouw Van der Comme met luidheid en radheid, haar echtgenoot met een tevreden glimlach, antwoordde.

Toen juffrouw Rotsenaer in hare vigilante stapte, glimlachte ze zeer tevreden over het genot, 't welk zij reeds bij voorraad smaakte, van morgen eens recht op haar gemak al de dwaasheden en aanstootelijkheden van 't feest aan eene stokoude tante te verhalen, in wier huis zij de betrekking van ziekentroosteres vervulde, en op wier erfenis ze al vijftien jaren had gespeculeerd.

Toen de heer Van Menghelen en zijne beide dochters naar huis reden, dacht de eerste met een gering zweempje van jaloezie aan de weelde, die zoo'n aannemer kon tentoonspreiden, zich troostend met de overtuiging, dat er toch eene aanzienlijke slachting in des aannemers kelder was ontstaan. Suze dacht, dat Anne-Kee toch een intrigant schepsel was, en Anne-Kee dacht, dat er zich spoedig eene goede gelegenheid zou voordoen, om den beleefden, maar wanhopenden Rederijker aan hare ouders voor te stellen—en zij hield zoo veel van reciteeren!

Toen de familie Berghuysen onder vele buigingen in haar rijtuig gepakt was, ontstond er dadelijk eene levendige woordenwisseling over den allerdolsten avond en de allerzonderlingste familie Van der Comme. In stilte meende mijnheer, dat het souper en de wijnen toch ~first rate~ waren. Mevrouw zou er nu bepaald op aandringen, spoedig een diner te geven, daar de meisjes zoo'n bijzonder succes hadden, vooral in vergelijking met de Zilverlinks. De oudste juffrouw Berghuysen herinnerde zich, dat rood hair inzonderheid bij de Schotten voor mooi gold, en de jongste juffrouw Berghuysen dacht niets, daar ze van vermoeienis in slaap was gevallen.

Toen de heer Zilverlink met zijne vijf dochters, uitgeleid door een dozijn nog altijd volijverige orde-commissarissen en hoogst ernstige Rederijkers, in twee rijtuigen had plaats genomen, begon de familie zeer systematisch te geeuwen. Het achtbaar lid van den Stedelijken Raad dacht een oogenblik met welgevallen aan de schuchterheid van den gastheer, aan Hilversum, aan den stedelijken accijns op het gedistilleerd, en geeuwde daarop zoo luide, dat Laura en Wilhelmina er waarlijk om moesten gillen van lachen. De andere dames in het tweede rijtuig hadden zich maar zeer middelmatig vermaakt, daar de twee fatsoenlijkste jongelui van het gezelschap door hare twee oudere zusters zoo geheel waren in beslag genomen, dat ze zich met de twijfelachtige hoflijkheden van een drietal kunstlievende kamerbroeders hadden moeten vergenoegen.

Toen de heer Versuylen op 't punt was in zijn rijtuig te stappen, keerde hij zich vluchtig tot Koenraad Vechters, die Pauline had uitgeleid, en zeide:

„Zonder ~rancune~, meneer Vechters! Gun me het genoegen, u van tijd tot tijd bij mij aan huis te mogen ontmoeten!”

* * * * *

„Ja maar, meneer de auteur! daar ben ik niet mee tevreden!”

„Wat ontbreekt er dan aan mijne vertelling?”

„Wel, hoe alles afliep—of de jonge schilder met Pauline verloofd werd—of de heer Caspar van der Comme lid van den Raad is geworden—hoe het met Jasper Jodocus ging—en wat er van Mlle de Tourzel geworden is!”

„Leest u de Haarlemmer courant?”

„Alle dagen!”

„Over eene week of zes, zeven zal u er de ondertrouw van den heer Koenraad Vechters en mejuffrouw Pauline van Someren in moeten vinden, over een paar jaren zal het den heer Caspar Janssen wel gelukken in den Stedelijken Raad te worden gekozen, hij heeft er veel geld voor over. De heer Jasper Jodocus gaat binnenkort huwen met eene der jongste dames Berghuysen, en wat Mlle de Tourzel aangaat.... In het diepste geheim zal ik het u en u alleen toefluisteren. Ik zelf was ook ter zilveren bruiloft—u heeft het kunnen vermoeden—en.... en toen werd ik zóó getroffen, zóó getroffen, dat ik op dit oogenblik mijne vrijgezels-onafhankelijkheid mis, en—als men het dan toch volstrekt weten moet—dat ik nu naast iemand zit, welke ik met het volkomenste recht en de innigste vereering het mooiste, het liefste, het geestigste, het vroomste vrouwtje der wereld noem: Mevrouw.... enfin, mijne vrouw, vroeger Mlle de Tourzel!”

N'EST PAS PEINTRE QUI VEUT.

DROEVIGE WAARHEDEN.

I.

„Velen zijn geroepen....”

„Daar was een heer, die meneer graag eens zou gesproken hebben!”

Het nuffige kindermeisje van Mr. Johan van der Lely, kantonrechter in het stedeke Valendam, riep deze woorden door eene reet van de deur. De achtbare kantonrechter zat met zijne echtgenoote en zijn oudsten spruit aan de theetafel. Eenigszins verrast zag hij op, en vroeg:

„Weet je niet wie 't is, Jans?”

„Neen meneer! 't Is een vreemd heer, weet u, en hij zei, alsdat hij meneer graag wou spreken!”

„Ja maar,.... nu laat hij maar even hier komen!”

Mevrouw van der Lely, eene kleine tengere vrouw, met een mager, bleek gelaat, waarop eene gestadige trilling van ontzag en heimelijke vrees zichtbaar was, misschien voor den persoon van haar zwaarlijvigen echtgenoot met zijn koperrood wezen en luide basstem—mevrouw van der Lely zag angstig om zich heen, duchtend, dat de eene of andere verwarring in het fraai gestoffeerde huisvertrek door den vreemden heer zou kunnen worden opgemerkt. Haar oudste zoon, de jongeheer Frans van der Lely, een knaap van veertien jaar—die sterk op zijn vader geleek, en met eene even luide stem zijne bevelen tot een fraaien witten poedel richtte, welke eene buitengewone vaardigheid in het uitvoeren van kleine kunstvertooningen aan den dag legde—keek aanstonds nieuwsgierig op, en liet het dier met rust. De kantonrechter was opgestaan—een bescheiden tikken op de deur volgde.

„Binnen!”—klonk het, en zoo schel was de uitroep geweest, dat de wanden van de kamer het geluid duidelijk weerkaatsten, toen de deur langzaam en voorzichtig geopend werd.

Binnen trad nu een fatsoenlijk, maar vreemd gekleed heer, die in diepen ootmoed voor den kantonrechter, voor diens echtgenoote, voor den knaap boog, en al buigende twee schreden nader kwam.

„Wien heb ik 't plezier?” begon de kantonrechter, met dezelfde luide stem, die den vreemdeling „binnen” had toegeroepen. Deze had juist zijn hoofd uit zijne diepe buigingen opgeheven, maar bij het forsche geluid van den heer Van der Lely boog hij het aanstonds weer omlaag, tastte in eene kleine brieventasch en bood hem onder toenemende verlegenheid en onhandigheid een kaartje aan.

„Hendrik de Leeuw! kunstschilder! Zoo, zoo, meneer! is u Hendrik de Leeuw, kunstschilder?”

„Om u te dienen, meneer!”—bracht de meer en meer in verwarring gerakende bezoeker uit.

De kantonrechter wierp met een lomp gebaar het kaartje op de theetafel. Naar een stoel wijzend, zette de achtbare ambtenaar zich weer in zijn gemakkelijken fauteuil, en sprak daverend:

„Ga zitten, meneer de Leeuw! en vertel ons wat je hier brengt!”

De jongeheer Frans had van zijne moeder een wenk ontvangen. Hij had met loome schreden een stoel naar de tafel geschoven, en haastig den poedel op zij geschopt, die nieuwsgierig en grommend langs de blauw- en groen-geruite pantalon van den vreemdeling snuffelde.

„Dank u, doe geene moeite, jongeheer! Vraag u wel excuus! Dank u!”