Nederlandsche dames en heeren: Novellen
Part 5
„Vergis ik me, of is u van avond niet wat buitengemeen somber gestemd? U schijnt te vergeten, dat uw naam hier een voortreffelijken klank bezit, dat u een paar uitmuntende schilderijen naar de expositie hebt gezonden?”
„O, is het dat, dat alleen maar!”—Vechters zag teleurgesteld voor zich heen. Eene geheimzinnige hoop, waarvan hij zich volstrekt geene rekenschap wist te geven, had zich plotseling van hem meester gemaakt. Maar nog wilde de naam, die hem 't naast aan 't harte lag, niet over zijne lippen. Hij gevoelde, dat het hem aan kalmte schortte, om dat woord te spreken tot eene vrouw, zoo schrander en scherp ziende, als Mlle de Tourzel.
„Ik heb eene lieve vriendin”—ging deze voort—„aan wie ik al mijne kleine zorgen en bekommeringen meedeel. Dagelijksche omgang deed mij haar zoo hoogschatten, dat ik haar mijn volle vertrouwen schonk, en in stilte met haar lachen kan over de duizenden ~indélicatesses~, welke men hier zonder ophouden mag genieten. Zoo heerscht er hier eene volkomene onwetendheid omtrent alles wat kunst en letteren aangaat, en vind ik alleen in haar dien fijnen smaak....”
„Is uwe vriendin getrouwd, ~mademoiselle~!”—Vechters deed eene heldhaftige poging, om zoo onverschillig mogelijk naar de schitterende kristallen kroon op te zien, welke zij juist voorbijtraden, schoon hij met onstuimig kloppend hart het antwoord afwachtte. De Zwitsersche wendde het hoofd af, om een ondeugenden glimlach te doen verdwijnen, en dit alles was zoo snel geschied, dat ze haast oogenblikkelijk op het: „Is uwe vriendin getrouwd, ~mademoiselle~?”—geantwoord had:
„~Ma foi! je ne comprends pas trop pourquoi....~”
„Vergeef mij, ~mademoiselle~, ik begrijp, dat ik onbeleefd gevraagd heb!”
„Wel niet in 't minst! Maar uwe vraag verbaasde mij, omdat ik u den naam mijner vriendin niet genoemd heb, en u al scheen te vermoeden, wie ik bedoelde!”
Vechters is wat bleek geworden. Hij zwijgt, en wacht totdat men hem verder zal inlichten.
„Wat ik u verhalen wilde”—gaat de looze gouvernante voort, in stilte het gezicht van den jonkman opmerkzaam waarnemend—„is, dat ik onlangs met mijne lieve vriendin en haar oom onze expositie bezocht. Toen we voor uwe Italiaansche dorpstafereelen stonden, en uw naam met hoogen lof genoemd werd, vernam ik toevallig, dat u een oud bekende was....”
De strijd werd Vechters te zwaar. Hoop en vrees, ontzag voor den fijnen blik van Mlle de Tourzel en beduchtheid, zijne geheimste gedachte te verraden, geen enkel bezwaar vermocht nu langer zijne gewone stoutmoedige voortvarendheid te bedwingen.
„Zoo noem mij dan den naam dier vriendin....”
„Ik wilde u juist van haar spreken, om u te bewijzen, hoe ik volkomen recht had te beweren, dat ik u kende, voordat ik u gezien had. Mijne vriendin heet Pauline van Someren—zie, ginder gaat ze gearmd met mejuffrouw Anna Geertruida van der Comme!”
„En die zwaarlijvige heer met grijs hair, welke nog altijd met den gastheer keuvelt, kent u hem ook?”
„~Ma foi, oui!~ 't Is Paulines oom, de heer Versuylen!”
„Maar haar vader dan?”
„Voor ruim twee jaren stierf hij. Pauline heeft zich dat verlies zeer aangetrokken. Ze sloot zich geheel op in 't huis van haar oom en voogd, waar ik haar toevallig ontmoette, ~pauvre, chère enfant~!”
„En nu uw bewijs, dat u mijn naam kende door.... door inlichting misschien van mejuffrouw Van Someren!”
„Dat heb ik niet beweerd! Ik zeide eenvoudig, dat we op de expositie voor uw werk stonden, dat uw naam genoemd werd, en juist wilde ik er bijvoegen, dat Pauline mij verhaalde, hoe ze zich herinnerde u weleer op de bals van den heer Caspar van der Comme ontmoet te hebben—toen u me haastig in de rede viel!”
„~Pardon, mademoiselle!~ Juist ook mij was het voorgekomen, toen ik hedenavond uwe vriendin terugzag, dat ze eene oude kennis was, maar haar naam ontsnapte mij, en daarbij bracht mij haar ~cavalier~ in de war!”
„U is een beroemd en talentvol schilder, meneer Vechters! maar u heeft, dunkt mij, weinig aanleg om uwe geheimen te bewaren!”
Vechters zocht tevergeefs naar een antwoord, en deed eene mislukte poging om opgeruimd in 't rond te zien. De Zwitsersche lachte fijn en ongedwongen. Hoe langer hoe meer kwam Vechters in dien zonderlingen toestand, wanneer eene enkele tirannieke gedachte zich van den geheelen geest meester maakt, wanneer noch woorden noch feiten eenigen indruk teweegbrengen, wanneer men luistert zonder te hooren, rondstaart zonder te zien, antwoordt zonder te denken. Zoo wandelden beiden geruimen tijd zwijgende voort. Eindelijk zijne stem tot een vreesachtig en vleiend fluisteren dwingende, sprak hij, het hoofd vooroverbuigend naar Mlle de Tourzel:
„U is de vriendin van Pauline van Someren. Zou u den vriend van Henri de Tourzel een dienst willen bewijzen!”
„~Mais certainement!~”
„Stel mij dan voor aan Pauline, of ik haar nooit gekend had, en zeg haar in stilte, dat ik vrees vergeten te zijn!”
VIERDE HOOFDSTUK.
#Waarin koperen Bruid en Bruidegom wat meer op hun gemak worden gesteld—waarin de ongelukken van den Thesaurier der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra hun hoogste toppunt bereiken bereiken—waarin zeer vele fraaie feestdronken worden ingesteld, en alles besloten wordt door een zeer ernstig onderhoud tusschen een schilderijenverzamelaar en een veelbelovend jonkman.#
I.
De koperen-bruiloftsfeestelijkheden hadden elkaar intusschen met stelselmatige orde opgevolgd. Er werd druk gedanst en geschertst. Sommige jeugdige gasten met zwarte rokken hadden zich om het buffet geschaard in het zijvertrekje. De heer Proost is in vertrouwelijk gesprek gewikkeld met Karel, den lakei. Hij vraagt naar den afloop van 't tooneel tusschen Jasper Sen. en Jasper Jun. Karel lacht geheimzinnig, en vertelt, dat hij den jongeheer naar zijne kamer had moeten brengen, maar dat de jongeheer dit volstrekt niet wilde toelaten, dat de jongeheer nog meer wijn gedronken had, en zeer bleek begon te zien, dat hij den jongeheer eindelijk met moeite te bed had gelegd, en dat de jongeheer nu zeer ziek was.
De heeren schateren luide over de heldenfeiten van Jasper Jun. en gaan over tot de orde van den dag: het Park, de Opera, het Ballet, de Dames. Eenige meer bejaarde heeren spreken fluisterend over handelsbelangen, een paar anderen twisten over moderne of rechtgeloovige godgeleerdheid. Jasper Jodocus verschijnt van tijd tot tijd, fluistert met de commissarissen van orde, en glimlacht, of hij de held van 't feest ware.
In de beide groote receptiekamers is een vijftal lakeien met de drie kornetjes ijverig bezig met het plaatsen van kleine tafeltjes. Ieder dezer tafeltjes wordt voor zes personen gedekt, en beladen met een leger van fijn geslepen glazen, van alle vormen en tot velerlei doel bestemd. De commissarissen van orde nemen de zalen in oogenschouw, en 't ontsnapt niemand, dat de blikken van de heeren Proost en Co. steeds zonderling glimmen van ondubbelzinnig genoegen. Alles voorspelt, dat het bal weldra ten einde zal spoeden, en het feestelijk maal alras zal beginnen.
In de danszaal is juist de slotquadrille aangekondigd. Ettelijke paartjes streven haastig door elkander en plaatsen zich in slagorde. Eene groote menigte dames van middelbaren leeftijd en twijfelachtige jeugd houdt de stoelen aan den wand bezet. Door haar opgeruimd lachen zou men mogen vermoeden, dat ze den ondeugenden Henri van Meerbeeke nooit gelezen hebben, en volstrekt geene bewustheid koesteren van de „muurbloemen”-leer, door dezen schranderen opmerker met zooveel juistheid in 't licht gesteld.
Gesproken wordt er genoeg. Mevrouw Berghuysen weet waarlijk niet, hoe ze geschikte woorden vinden zal, om mevrouw Van der Comme haar compliment te maken over de lieve partij. Ja, dat is juffrouw Rotsenaer ook geheel met haar eens, en nicht Anna Geertruida ook al, en iedereen, die in de nabijheid van de gastvrouw zit. Mevrouw Van der Comme lacht zeer tevreden en zeer onnoozel. Zij laat alles maar aan Jasper over, dat begrijpen de dames wel—en dan bemoeit de juffrouw er zich eens mee, als deze laatste dat zoo eens in 't hoofd komt.
Mevrouw Berghuysen zou het met zoo'n juffrouw nimmer kunnen uithouden. Ze had er den heelen avond al op gelet, hoe dat dametje met een voornaam ~air~ in 't ronde liep, en zich niet schaamde te dansen als jongere meisjes bleven zitten. Daaraan had ook juffrouw Rotsenaer zich „fameus” geërgerd, en nicht Anna Geertruida ook, en alle andere dames in de nabijheid. Mevrouw Van der Comme zuchtte zachtjes, streek de breede lichtgroene linten van hare monstermuts glad, en bekende, dat Caspar altijd zeer tevreden was over de juffrouw, omdat ze zulke fatsoenlijke manieren had, zulke fatsoenlijke familierelatiën en zulke fatsoenlijke kennissen in de stad.
Wat verder op zitten twee jonge meisjes met volmaakt gelijke baltoiletten en hoogroode wangen. 't Zijn de dames Van Menghelen, Anne-Kee en Suze, beiden zeer grof van uiterlijk en onverbiddelijk leelijk. Anne-Kee had het Suze vooraf wel gezegd, dat ze zich toch niet amuseeren zouden, en als Pa het niet volstrekt gewild had, omdat hij zoo'n goeden klant als meneer Van der Comme wat ontzien moest, dan zou zij althans liever thuis gebleven zijn. Dat kan Suze niet zeggen: hadden ze beiden niet uit blijdschap door de kamer gewalst, toen de uitnoodiging kwam? En dan vond zij het toch altijd aardig het dansen te zien, men kon soms zulke dwaze gevalletjes opmerken. Dat vond Anne-Kee ook. Suze moest maar eens letten op dien langen heer met vuurrood haar, die daar juist zijn ~cavalier seul~ zou maken. Hij sloeg met armen en beenen zoo driftig van zich af, of hij in een net gevangen zat en zich met alle geweld wilde vrijmaken. En dan die eene juffrouw Zilverlink met „~cerise~-roode” linten! Wat eene belachelijke drukte, ze hing in de armen van dien bleeken jongen, alsof ze bang was, dat hij haar op den grond zou laten vallen.
In denzelfden hoek en op dezelfde sofa zit nog altijd de omzichtige koperen bruidegom. Hij heeft met Versuylen en Zilverlink eene geruime poos gesproken. Hij heeft zelfs een weinigje geredetwist met den eerste over de beteekenis eener buitenlandsche decoratie, waartoe een toevallig voorbijgaan van den jongen schilder aanleiding gegeven had. Hij gelooft, dat hij recht fatsoenlijk gesproken heeft. Koenraad Vechters is enkele percenten in zijne hoogachting gerezen, vooral door 't gunstig advies van Versuylen over zijn talent en zijne ter tentoonstelling gebrachte stukken.
Caspar Janssen vermaakt zich op dit oogenblik met zijne beide meisjes, die met van genoegen schitterende blikken de figuren der quadrille volgen. De vader is volstrekt niet tegen den ~parvenu~ opgewassen. Hij verliest zijne belachelijke bedeesdheid, zoodra hij zich met zijne kinderen bezighoudt. Hij kan ongedwongen met hen spreken en schertsen, zelfs voor het oog zijner gasten. Het oudste meisje vertelt, dat de juffrouw wel vriendelijk was geweest, maar het toch geweigerd had, toen ze gedwongen hadden, om tot het einde van 't feest op te blijven—dat broer Jasper zoo ondeugend was, en zooveel wijn had gedronken, dat hij al lang te bed was gelegd—dat er zooveel heeren in 't zijkamertje zaten te praten, en dat ze soms hardop begonnen te lachen, men kon het in de gang duidelijk hooren. Eene wolk trok over het voorhoofd van den schatrijken gastheer. 't Was goed, dat men den jongen maar weggebracht had, hij mocht nog andere onfatsoenlijke stoornis veroorzaken. Caspar was onherroepelijk van voornemen, den knaap op dat strenge kostschool in Noord-Brabant te brengen, waarvan Berghuysen hem nog onlangs gesproken had; lang genoeg was de jongen thuis bedorven, en, wat Mina er ook tegen zeggen mocht, 't zou geschieden.
Juist eindigde de quadrille. Jasper Jodocus trad met onverstoorbare deftigheid in 't midden van zijn staf voorwaarts, en kondigde aan, dat men zich naar de andere zalen begeven zoude ten einde een vriendschappelijk feestmaal te gebruiken. Terstond snellen alle ordecommissarissen uit het gelid, om hun arm aan de dame hunner keuze aan te bieden. De heer Zilverlink wandelt met de gastvrouwe deftig rond en wacht het teeken, om de zaal te verlaten. Caspar Janssen denkt een oogenblik na, en biedt daarna zijn arm aan mevrouw Berghuysen, die hem aanstonds dezelfde gemoedsbezwaren meedeelt, welke zij nog onlangs aan zijne echtgenoote heeft geopenbaard.
De muziek heft een marsch aan, de stoet zet zich in beweging. Waarom ziet Jasper Jodocus zoo verstoord? Hij heeft nicht Anna Geertruida aan zijne zijde, maar Mlle de Tourzel heeft hem geweigerd—de heer Versuylen had hem de pas afgesneden.
En midden onder de paartjes gaat er ook een door de gang, 't welk zeer zacht keuvelt, en voor niemand oogen heeft, dan voor zich zelf. Vechters buigt zich van tijd tot tijd voorover, en fluistert eenige woorden tegen de zijzachte krullen van Pauline van Someren. Als hij dan het hoofd weer opheft, en heimelijk de lieve gestalte aan zijne zijde met een enkelen blik omvat, straalt er zoo heerlijke vreugde en zoo teedere hartstocht uit zijne levendige oogen, dat hij zich wel in acht mag nemen voor de omstanders, zoo hij er nog prijs op stelt, dat zijn geheim bewaard blijve.
II.
De luister van het ~souper~ overtrof ieders verwachting. De lakeien en kornetjes draafden ijverig heen en weer. De weelde der verlichting, het schitterend tafelzilver, de rijkdom van porseleinen borden, de overdreven pracht van fijngeslepen glaswerk, alles werkte mee om de genoeglijke stemming der gasten tot dat ~sempre crescendo~ op te winden, 't welk den gastheer alleszins gerust mocht stellen omtrent het zeer fatsoenlijke karakter van zijn feest. De beide groote receptiezalen waren met tal van kleine tafeltjes gevuld. Een luid gerucht van stemmen, van gelach, van glazen en kelken, waarmee werd aangestooten, getuigde, dat de feestvreugde eerst nu haar hoogste glanspunt had bereikt.
Nog altijd zetelde er een wolk op 't voorhoofd van den verdienstelijken ceremoniemeester ~en chef~. Jasper Jodocus was volkomen terneergeslagen door de dubbele weigering van Mlle de Tourzel. En thans juist scheen het, of ze elk oogenblik belangrijker werd in zijne oogen, thans had hij haar maar een paar minuten afzonderlijk willen spreken, om te beproeven of ze werkelijk alles zou weigeren, wat hij haar dien avond mocht voorstellen. Toen de heer Versuylen zich met haar naar 't einde der tweede zaal begaf, waar koperen Bruidegom en Bruid eene eereplaats was aangewezen, had hij hen onmiddellijk gevolgd, en nicht Anna Geertruida zoo haastig meegesleept, dat ze tot tweemalen toe tegen een paartje jongelui aanbotste, 't welk zich rustig bezighield eene passende plaats op te zoeken. Nicht Anna Geertruida glimlachte echter zeer opgetogen, en knikte de gestoorde jongelieden zoo goedhartig toe, alsof hun plotseling een onverwacht genot was ten deel gevallen. In een oogenblik had Jasper Jodocus de zaak naar zijn verlangen geregeld. De heer Versuylen werd zijn tafelgenoot en de groote zilveren schel der ceremoniemeesterswaardigheid vond eene plaats in de onmiddellijke nabijheid van 't bord der gouvernante.
Sinds dat oogenblik was hij zeker van zijne zaak, en wijdde hij zich geheel aan de plichten van zijn feestambt. Hij vond den moed eene lange rede uit te spreken tot openlijke gelukwensching van den ~jubilaris~ en zijne echtgenoote. Deze laatste scheen wel de eenige te zijn, die zijn proza recht genoot, daar zij telkens van het vroolijkste lachen tot de diepste ontroering oversloeg en den spreker gedurende zijne voordracht geen oogenblik uit het oog verloor. Caspar Janssen tuurde verlegen op zijn bord, en bespiedde in stilte de uitwerking van den ~speech~ op Zilverlink. De jongere helft der gasten fluisterde gestadig voort, en schertste en dronk, of er geen opper-ceremoniemeester in de nabijheid ware.
Oogenblikkelijk daarna werd er weder een lied uit den koperrooden bundel opgezongen, gedurende welke plechtigheid de heeren Proost en Brunner zich oefenden in het zingen met kunstig nagebootste vrouwenstemmen. Zoo spoedig Jasper den boozen geest der toosten had wakker gemaakt, scheen het of deze eene onverbiddelijke toovermacht over het gezelschap zou uitoefenen. Deftig gevouwen papieren in groot formaat komen eensklaps aan alle zijden te voorschijn. Men strijdt om het woord. De leden der kamer: ~Sic itur ad astra~ verkrijgen den voorrang. Jasper werpt fonkelende blikken naar 't feestvierend echtpaar.
Nicht Anna Geertruida vindt de partij zeer aangenaam en zeer fatsoenlijk, ze had het in den beginne niet durven denken. Jasper was toch wel een goed mensch, zoo spraakzaam en zoo beleefd. Waarom hij toch zooveel wijn drinkt? Gedurig ziet hij glimlachend voor zich, en van tijd tot tijd spreekt hij een paar woorden met de gouvernante, die naast hem zit. Die gouvernante! Ze heeft waarlijk meer het voorkomen van eene aanzienlijke ~logée~ of van eene hooggeborene gast dan van eene gouvernante. Dat er toch altijd nog menschen moesten zijn die hunne positie niet begrepen, en zich boven hun stand wilden verheffen!—Nicht Anna Geertruida verzelt de laatste gedachte met een diepen zucht, en neemt eene aanzienlijke hoeveelheid ham en kalfsvleesch.
Met koortsachtige haast volgen de officieele feestdronken elkander op. Caspar Janssen hoort nauwkeurig toe, wie aan 't woord is en richt zijne belangstelling naar het maatschappelijk gewicht van den spreker. Hij is geheel oor, daar de heer Zilverlink hem een uitvoerig verslag van zijn nieuw buiten bij Hilversum meedeelt. Hij betrapt zich zelven op de stoutmoedige begeerte, om zijne vrouw minzame blikken toe te werpen, en zijn glas haastig tweemaal te ledigen. Hij is bijkans geheel op zijn gemak, en beschouwt zijn broeder Jasper Jodocus met meer dan gewone dankbaarheid.
Deze laatste slingert zijne zilveren schel met uitbundige deftigheid, zoo dikwijls hij het gezelschap tot gezang of stilte verlangt uit te noodigen. Voor den scherpen opmerker blijft het niet verborgen, dat iets buitengemeens in zijn gemoed voorvalt. Zijne stem klinkt opmerkelijk luid, zijne woorden vloeien met het uiterste gemak, mocht ook zijne logica bij een paar zijner hoorders de hoogste verbazing opwekken. Zijne oogen glimmen met zonderlinge opgewektheid, hij schijnt zich zelven te oefenen in een dom en geheimzinnig lachen. Mocht hij al zijne uiterste krachten inspannen, om de plichten zijner hooge waardigheid met klem te vervullen, nog ijveriger doet hij zich als plaatsvervanger van den gastheer aan zijn tafelgezelschap kennen.
Onafgebroken noodigt hij de heeren Versuylen en Van Menghelen, om hunne glazen te vullen tot bescheid op den een of ander hoogst belangrijken dronk. De eerste kreunt zich zeer weinig aan den ijver van 't kleine manneke, en zet steeds een levendig gesprek voort met Mlle de Tourzel, waarin somtijds de naam van Koenraad Vechters fluisterend wordt genoemd. De tweede is geenszins onwillig, om het verlangen des ceremoniemeesters te bevredigen. Tusschen Anna Geertruida, die in stilte een eerbiedwekkenden eetlust ontwikkelt, en zijne dochter Suze, voor wie zich geen gelei-jonker tot het ~souper~ had opgedaan, vindt hij geene betere uitspanning, dan de volkomene bevrediging van zijn wijnkoopersgeweten—in 't geheim de fijne merken prijzende, die uit zijn kelder naar dien van Caspar Janssen zijn overgebracht.
De jongere leden van het feest hebben zich bijna allen in de eerste receptiezaal aaneengesloten. Ook onder hen verheffen zich van tijd tot tijd sprekers, maar schoon er opstaan, die onder de bekende en alom gehuldigde sterren der kunstlievende Kamer: ~Sic itur ad astra~ geteld worden, niets beweegt een al te ondankbaar gehoor, om eene poos zijn heiligschennend rumoer te staken. De heer Verswayen, de lange jonkman met vuurrood hair, dien wij reeds onder de drinkers in 't zijvertrekje hebben opgemerkt, moet tot zijne ongemeene verbazing gewaarworden, dat dezelfde stuipachtige gebaren, die hem nog kort te voren, als Don Carlos, de uitbundige toejuiching van een wellevend publiek hadden verzekerd, thans ten eenenmale nutteloos zijn, nu hij een koperen-bruiloftsgedicht, voor deze gelegenheid expresselijk vervaardigd door een leerling van Schenkman, poogt voor te dragen. Ja, zelfs de heer Sleepman Galmering, de alom geprezen ~jeune-premier~ der Kamer, de held van wedstrijden en samenkomsten der Nederlandsche Rederijkers, zelfs Sleepman Galmering wordt onachtzaam verwaarloosd, nu hij eene ode op 't huiselijk geluk in den vorm van een toost door de zaal doet trillen. Is 't wonder, dat beide jongelieden elkaar blikken van verstandhouding toewerpen, tot driewerf toe een beker van onderlinge vertroosting drinken?
Ook de jongedames schijnen niet oningenomen met de vermakelijkheden van den avond. De dames Zilverlink beheerschen hare omgeving, en vinden naar gewoonte een krachtig verzet van de zijde der dames Berghuysen, welk verzet zich echter heden tot eenige zeer hoffelijke schermutselingen bepaalt. Wilhelmina Zilverlink geeft den heer Brunner soms een vriendschappelijk tikje met haar waaier, als hij onder 't langzaam proeven van een glas kostelijken Bourgogne aan zijne bijzondere neiging tot mijmeren botviert. Laura Zilverlink barst telkens in gillend schateren uit, naar aanleiding van de mededeelingen des heeren Proosts, die, met meer dan gewone geestdrift en opgeheven glas, elken redenaar aan 't eind zijner toespraak begroet, schoon hij de minst aandachtige hoorder was en volstrekt niet weet wien de feestdronk geldt.
Juffrouw Rotsenaer zit in een hoek, waaruit ze het gewoel volkomen overzien kan, schoon 't haar smart, dat ze van de voorvallen in de tweede zaal maar fragmenten kan opvangen. Haar ridder is een verlegen, linksch jongmensch, wiens naam ze niet kent, en die telkens zijn mes of zijne vork op haar lichtblauw zijden balkleed laat vallen. Dat er bij de Van der Commes altijd iets min of meer zonderlings moet voorvallen, blijkt haar allerduidelijkst uit de ongepaste vrijheden, die de dames Berghuysen, Zilverlink, enz. enz. zich in hare gesprekken met jongelui durven veroorloven. De oudste juffrouw Berghuysen fluistert zoo lief met dien langen, rooden redenaar, welken niemand heeft willen hooren, dat hij gemakkelijk een ~souper~ met hare valsche bruine vlechten zou kunnen doen—en juffrouw Rotsenaer heeft het met eigen oogen opgemerkt, dat Laura Zilverlink hare hand gelegd had op den schouder van dien halfbeschonken commissaris van orde, die zoo luide schreeuwt bij iederen toost, dat zijn voorhoofd en hals er purper van worden.
Ter zijde van den ingang der zaal is een tafeltje ingenomen door twee teleurgestelde Rederijkers, die niet durven optreden, daar de beste sprekers der Kamer niet naar eisch worden gewaardeerd. Zij worden vergezelschapt door mejuffrouw Anne-Kee van Menghelen en eene dertigjarige blondine, die zeer naïef lacht, eet en drinkt, en ieder oogenblik bloost. Het derde paar aan dat tafeltje wordt gevormd door Pauline van Someren en Koenraad Vechters. Toevallig zijn ze allen daar te zaam gekomen, men heeft derhalve in den beginne enkele beleefde woorden met het gezelschap gewisseld, vervolgens hebben de Rederijkers zich uitsluitend tot hunne dames gewend en zoo is het geschied, dat Vechters een levendig gesprek heeft gevoerd met de zijne.