Nederlandsche dames en heeren: Novellen

Part 17

Chapter 171,304 wordsPublic domain

„Juist, meneer Distelboom!”—viel Willem in—„zoo moest het zijn, maar hoe is het? IJverige en brave ambtenaren als mijn vader laat men in de schaduw. Men exploiteert ze soms nog, als men te traag is om zelf een moeielijk wetenschappelijk onderzoek in 't werk te stellen. Maar wie worden benoemd? Onbeduidende sujetten met uitgebreide familie-relatiën, met voorspraak en een ijdel gerucht van bekwaamheid, 't welk gedienstige vrienden en nieuwtjeskramers zoo goed zijn aan alle hoeken der stad uit te roepen.”

Het „geachte” lid keek vreemd op. Aan de uitdrukking van zijn gezicht kon men zien, dat hij het bijna der moeite waard achtte zich boos te maken.

„Maar wie is benoemd?”—vroeg Krelissen kalm.

„Een commies aan jou Ministerie, Krelissen! Jonkheer de Rijk van Varenhorst.”

„Die zal in de eerste dagen niet in staat zijn dat ambt waar te nemen!”—merkte Willem op.

„En dat waarom niet?”—vroeg Distelboom, die op het punt was in drift uit te barsten.

„Omdat deze zeer achtenswaardige, aanstaande hoofdcommies gisteravond heeft goedgevonden, ons te na te komen. Ik stond met mijne zuster Betsy naar een winkel in de Hoogstraat te kijken, toen deze voortreffelijke heer onverwacht zijn arm om de leest mijner zuster sloeg met het halfgelukte plan haar te omhelzen, waarop ik Z.Ed. bij de borst greep en zoo onzacht op de straat wierp, dat Z.E's mond en neus er nog eenige dagen de herinnering aan zullen bewaren.”

Het „geachte” lid stond woedend op, en zweeg een oogenblik, om zijne drift meester te blijven. Eindelijk sprak hij, zijne keel schrapend, half schor:

„Wel zoo, mannetje, ben jij zoo bij de hand! Pas maar op, daar zijn hier nog commissarissen van politie en officieren van justitie in Den Haag. Die weten wel raad met brutale jongens....”

„Ik vraag wel om verschooning!”—viel Willem snel in, en trad een paar schreden op Distelboom toe—„als er hier van brutale lui sprake moet zijn, dan zal ik de eer hebben ze aan te wijzen. Weet u wel, meneer Distelboom! wat brutaal is? 't Is brutaal, met een effen gezicht bij eene fatsoenlijke familie binnen te dringen, om ze uit louter „Schadenfreude” eene onaangename tijding te brengen. 't Is brutaal, zich met groote woorden op de onafhankelijkheid van zijn karakter als volksvertegenwoordiger te beroepen, en in 't geheim voor gunstbetoon en protectie van verre neven zijne stem aan een Minister te verkoopen! 't Is brutaal, van commissarissen van politie en officieren van justitie te spreken, als de heiligste eeden en duurste verplichtingen met voeten getreden worden....”

Maar moeder had hare hand op Willems schouder gelegd. Hij zweeg eensklaps. Het „geachte” lid had met een spottenden glimlach geluisterd naar den „brutalen jongen”—doch de bleekheid van zijn gelaat staafde, hoe uitmuntend de kastijding haar doel trof.

„Adieu, dames! Bonjour, Krelissen!”—riep hij haastig, terwijl hij driftig een paar stoelen uit den weg schopte.—„Veel geluk met je knappen zoon!”

Allen zwegen, tot het geluid zijner voetstappen was uitgestorven. Toen stak de oude Krelissen zijne beide handen uit, en drukte die zijns zoons met warmte en dankbaarheid.

„Willem! je bent een door en door flinke jongen! Voor een paar dagen nog dacht ik, dat ik mij dood zou ergeren, als de benoeming mij ontging—en zie, ik ben rustig en kalm. Wat je daar gezegd hebt, heeft mij veerkracht en zedelijken moed teruggegeven. De knoeierij is gewroken, ze zullen er geen zegen op hebben.”

Maar moeder had in stilte 't hoofd geschud. Zachtjes viel ze in:

„Ik had niet vermoed, lieve man! dat je Willem sterken zoudt in zijne heftigheid. Wij mogen niet oordeelen, ons niet wreken! De zachtheid des gemoeds is onzen Heiland oneindig welgevalliger, dan de toorn des wraakzuchtigen! En dan, hoe zal het afloopen?”

„Wees niet bang, moedertje!”—viel Willem in.—„Ze zullen zich wel rustig houden, want anders kwamen hunne schandalen uit. Maar, omdat ik nu wil, dat we allen vandaag gelukkig zullen zijn, zoo vraag ik u met deze kus verschooning, want u heeft in zeker opzicht wel zeer stellig gelijk.”

INHOUD.

Bladz.

Eene begrafenis in den Zuid-Atlantischen Oceaan 1

Ter koperen Bruiloft van den WelEd. Geboren Heer Caspar Janssen Van der Comme 15

N'est pas peintre, qui veut 76

Mijnheer Apollo en de menschen in Beötië 113

Eene opvoeding in de Stalles 149

Wat thans niet meer gebeuren kan 184

+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: bodem der kist lag een oud bijbeltje, | | C: bodem der kist lag een oud bijbeltje. | | B: nopens het verledenen de toekomst | | C: nopens het verleden en de toekomst | | B: hier op m'n atelier doorbracht?” | | C: hier op m'n atelier doorbracht!” | | B: Fransche woorden. enz. enz. | | C: Fransche woorden, enz. enz. | | B: voortvarende natuur, als de zijne. | | C: voortvarende natuur als de zijne. | | B: den fijnbeschaafdeu geest. | | C: den fijnbeschaafden geest. | | B: kwajongen—morgen krijg je een | | C: kwajongen—„morgen krijg je een | | B: geëerde en.... en.... | | C: geëerde en.... en....” | | B: Van der Comme!”—begon hij—„Zulk eene | | C: Van der Comme!”—begon hij.—„Zulk eene | | B: van mejuffrouw Wilhelmine Zilverlink trapte, | | C: van mejuffrouw Wilhelmina Zilverlink trapte, | | B: half beschonken—„Op je gezondheid, | | C: half beschonken.—„Op je gezondheid, | | B: avond. De dames Ziiverlink beheerschen hare | | C: avond. De dames Zilverlink beheerschen hare | | B: Tourzel heeft Paulina van Someren veel | | C: Tourzel heeft Pauline van Someren veel | | B: bescheiden kuchend—„Zeer veel | | C: bescheiden kuchend.—„Zeer veel | | B: gehad?”—ging hij voort—„En wat ga je | | C: gehad?”—ging hij voort.—„En wat ga je | | B: voorzichtig fluisterend, aan—„De | | C: voorzichtig fluisterend, aan.—„De | | B: „Eene fiesch port!”—sprak | | C: „Eene flesch port!”—sprak | | B: reikte beiden heeren de hand. | | C: reikte beide heeren de hand. | | B: provinciaal accent—„Geef mij ook | | C: provinciaal accent.—„Geef mij ook | | B: Van Schilveren, en plaatste zijn | | C: Van Schilferen, en plaatste zijn | | B: Tot eene gedachtenis aan Anton | | C: „Tot eene gedachtenis aan Anton | | B: liebes kind!”—zegt hij—„Geeft het | | C: liebes kind!”—zegt hij.—„Geeft het | | B: Professor Maximilian Brandt von | | C: „Professor Maximilian Brandt von | | B: boog met onbeschrijfeijke bevalligheid. | | C: boog met onbeschrijfelijke bevalligheid. | | B: sociëteitsman, hij biljarte niet, hij | | C: sociëteitsman, hij biljartte niet, hij | | B: zoo goed is ontvangen en, dat kan geen | | C: zoo goed is ontvangen en dat kan geen | | B: Hohenburg improviseerde eene schitterende | | C: Von Hohenburg improviseerde eene schitterende | | B: Mina!”—fluisterde hij snel—„De zaak gaat | | C: Mina!”—fluisterde hij snel.—„De zaak gaat | | B: Wij moeten handelen. melieve!” | | C: Wij moeten handelen, melieve!” | | B: VI | | C: VI. | | B: ze,—„mijne iieve ouders | | C: ze,—„mijne lieve ouders | | B: gevoed, toen hij den schitterenden | | C: gevoeld, toen hij den schitterenden | | B: mevrouw Snijders—„Jelui hebt | | C: mevrouw Snijders.—„Jelui hebt | | B: que je vois toujours! | | C: que je vois toujours!” | | B: deze eenigszins bedaarder.—Ik | | C: deze eenigszins bedaarder.—„Ik | | B: vergulde lijsten bedekten den muur | | C: vergulde lijsten bedekken den muur | | B: blik op Pasquita, die onverschillig in | | C: blik op Paquita, die onverschillig in | | B: wat ik denk!”—sprak ze—„Ik heb | | C: wat ik denk!”—sprak ze.—„Ik heb | | B: tante Bet—„Ik hoor weer geen | | C: tante Bet.—„Ik hoor weer geen | | B: gestorven!”—mompelde zij zacht—„Vergeet je | | C: gestorven!”—mompelde zij zacht.—„Vergeet je | | B: Het eigenaardig karakter van de | | C: „Het eigenaardig karakter van de | | B: In Godsnaam dan! Wat zien jou | | C: In Godsnaam dan! Wat zien jouw | | B: elke, zelfs de geringste weelde | | C: elke, zelfs de geringste, weelde | | B: fijne glacè-handschoenen, gouden remontoirhorloges | | C: fijne glacé-handschoenen, gouden remontoirhorloges | | B: het „geacht” lid—„Diezelfde Krelissen, | | C: het „geacht” lid.—„Diezelfde Krelissen, | | B: trad het „geachte lid met | | C: trad het „geachte” lid met | | B: het „geachte lid voort—„ik begrijp, | | C: het „geachte” lid voort—„ik begrijp, | | | +--------------------------------------------------------+