Nederlandsche dames en heeren: Novellen

Part 15

Chapter 153,833 wordsPublic domain

Thans zitten ze te zaam op het terras, tante Bet aan de ijzeren tuintafel, waarop ze de koffie klaarmaakt, Mina in een der hooge matten stoelen, die eene eigenaardigheid schijnen te vormen van het Scheveningsche strand, en die zoo uitmuntend geschikt zijn, elken hinderlijken tochtwind onschadelijk te maken. Hare liggende houding en de treffende bleekheid van haar gelaat bewezen, dat ze veel geleden had, en nog steeds leed. De schittering der zon in den tuin over de teedere kleuren van rozen en geraniums, scheen haar zachtblauw oog zelfs te fel—haar hoofd leunde achterover, terwijl zij de fijne hand boven de oogen beschermend opgeheven hield.

„Kom Mina!”—sprak tante Bet.—„Ik hoor weer geen woord van morgen! Je zult opnieuw ziek worden, melieve! als je altijd toegeeft aan dien zin voor mijmeren en zwijgen!”

Mina hief zich eenigszins op, en glimlachte flauw. Zacht klonk hare stem:

„Tante! U zal nog wat geduld met mij moeten oefenen! Ik heb zooveel treurigs doorleefd, dat ik mij niet gewennen kan aan eenig denkbeeld van geluk! Alles om mij heen is gestorven—soms schijnt het mij, dat hopen en leven voor mij eene zeer zware taak zal worden!”

De oude dame schudde het hoofd:

„Alles is gestorven!”—mompelde zij zacht.—„Vergeet je dan, dat ik je liefheb, mijn kind?”

Mina bloosde snel, en de handen uitstrekkende, terwijl een traan in haar oog glinsterde, fluisterde zij:

„Vergeef me, tante! U alleen weet, wat ik ondervond.... welke hoop....”

„Nu ja, ik zal je weer moeten beknorren, als een kind. Waarom altijd het ergste vermoed! Wie zegt je, dat Adolf....”

„Och, tante! Spreek niet van hem! Diep beleedigd heeft hij ons huis verlaten. Kan hij dat alles vergeten,—vergeten, dat ik de dochter ben van een man als mijn vader, de zuster.... neen tante! Adolf is fier! ik ken hem. Nooit heeft hij iets van zich doen hooren in al dien tijd.... het is voorbij, voor goed voorbij!”

Mina leunde achterover, en weende stil.

De oude vrouw stond op, naderde den grooten stoel, en knielde op een voetbankje voor de bedroefde jonkvrouw.

Hare hand grijpend, sprak ze snel:

„Plaag je niet langer, mijn kind! Adolf kon, mocht niet komen. Hoe dikwijls vertelde ik je, dat ik dit zelve met hem heb bepaald. Hij heeft me immers geschreven!”

„Zeker, tante! Dat is alles zeer goed en waar. Maar er rust nu schande op mijn naam. Adolf zal in Italië zijne kunst met al de kracht van zijn geest gaan beoefenen—de nieuwe wereld zal hem troosten, hij zal u nog eenige reizen schrijven zeker,—maar eindelijk houdt ook dit op en dan....”

„Ondeugend, zwaarmoedig schepsel! Je spreekt tegen eigen overtuiging! Adolf heeft je lief, boven alles hartelijk lief!”

Er klonk een zachte tred over het grind van het tuinpad. Tante Bet zag om, doch bemerkte niemand. Mina had op niets gelet.

„En”—ging tante Bet voort—„geloof me, kind! Adolf verneemt natuurlijk, zoodra hij terug zal gekomen zijn, alles wat er hier is voorgevallen. Zijn eerste werk zal zijn ons op te zoeken—want je kunt hem nu bewijzen, dat je het waarlijk meende, toen je hem trouw hebt beloofd!”

Mina richtte zich geheel op. Plotseling kwam er gloed in haar oog. Zij zag de oude dame uitvorschend aan.

„Tante! U weet iets! Uw toon zegt het mij! Tante, spreek toch....!”

Maar de oude dame zag peinzend naar het zijpad bij de villa. Daar klonk weer de tred. Eensklaps richt zij zich op, en maakt eene haastige beweging. Adolf Weber stond op het terras. Beiden wilden spreken, maar stonden beweegloos stil. Doch de jonkvrouw had haar zetel verlaten. De kunstenaar strekte de armen uit. Met het diepste stilzwijgen ving hij in een ondeelbaar oogenblik de sidderende Mina in zijne armen....

* * * * *

„Neen, tante, van vreugd zal ik niet instorten! Ik ben wel, volmaakt wel! Laat mij toch met Adolf spreken!”

Dat zeide Mina aan den avond van dienzelfden dag, waarop zij des morgens nog wanhoopte aan de terugkomst van den langverwachte. Een wonderlijke medicijnmeester is de liefde! De kwijnende bloem is geheel opgericht, de moedelooze maagd is eene sterke, van vreugde stralende jonkvrouw geworden. Tante Bet schudt het hoofd wel, maar wischt toch heimelijk een traan weg. Het geluk van haar pleegkind, de zaligheid van den edelen, flinken jonkman—dat schouwspel, zoo lang gewenscht en gehoopt, ze had het nu voor oogen. En in alle stilte getuigt haar geweten, dat hare plichtsbetrachting tegenover beiden niet zonder vrucht is gebleven. De jongelieden spraken, fluisterden, glimlachten en zwegen eene lange poos, zooals ik hoop, dat ieder, die een gezond menschenhart met warmte heeft voelen kloppen, eens gesproken, gefluisterd, geglimlacht en gezwegen heeft, of althans eenmaal spreken, fluisteren, glimlachen of zwijgen zal.

Slechts een woord uit hun gesprek wordt ter wille der historie hier vermeld.

„Mijn broer Charles!”—verhaalde Mina—„vertrok naar Indië. Voor eenige dagen kregen wij een zeer kort bericht, dat hij in het hospitaal te Batavia aan eene hevige ziekte overleden was!”

„Misschien nog het beste voor hem”—meende Adolf.—„Hij was ongeschikt voor eene ernstige taak. Zijn hart was diep bedorven in het best van zijne jonge jaren. Je weet het, melieve! de eenigste opvoeding, welke hij ooit genoot, ontving hij in de stalles der Fransche Opera in Den Haag!”

WAT THANS NIET MEER GEBEUREN KAN.

„Vooral is het nepotisme eene steeds invretende kanker, omdat daarbij het persoonlijk belang van dezen of genen sollicitant en diens familiebetrekking boven het staatsbelang wordt gesteld.”

Mr. L. ED. LENTING.

„Het eigenaardig karakter van de vertegenwoordigers des volks bestaat daarin, dat zij.... zoo onafhankelijk mogelijk zijn.”

Mr. C. VAN BELL.

I.

#Het gezin van den Commies.#

„Gaat Moe niet meewandelen?”

„Neen, Betsy!”

„En 't is zulk mooi weer!”

„'k Ben wat vermoeid, kind!”

„Och, kom! ga mee, Moe! ga mee!”

Maar Betsy drong tevergeefs. Moeder schudde zacht het hoofd, en stond op, om het eenvoudige stroohoedje met zwart fluweel lint van hare zeventienjarige blonde dochter eenigszins te verschikken op de fraai krullende lokken. Betsy glimlachte vroolijk, moeder zag ernstig. De deur van het vertrek werd intusschen geopend. Nog een jong meisje, een paar jaar ouder dan Betsy en lang zoo opgeruimd en onschuldig vroolijk niet als deze, trad met een betrokken gelaat binnen. Betsy keerde zich tot haar, en zei aanstonds:

„Ga je tóch mee, Sofie?”

„Och ja, kind! Vader wil het graag. In Godsnaam dan! Wat zien jouw handschoenen er nog goed uit! Kijk de mijnen eens!”

En Sofie stak hare lange en magere vingers vooruit, thans bedekt met heldergele handschoenen van Schotsch katoen.

„Ik heb nog een nieuw paar, Sofie!”—klonk moeders stem—„wil je die gebruiken?”

„Dank u, moeder! 't Kan er vandaag nog wel mee door! Mijn parasol is toch zoo verschoten!”

Op dit oogenblik trad een man van ongeveer zestig jaar de kamer binnen, vrij net in 't zwart gekleed, hoewel zijne zorgvuldig toegeknoopte jas veel te dikwijls in aanraking was gekomen met den schuier, om nog eenige aanspraak op glans of fraaiheid te kunnen maken.

„Komt, kinderen!”—riep hij vriendelijk—„ben jelui klaar!”

En haastig werd moeder toegeknikt door de oudste dochter, terwijl de jongste ze eerst met kinderlijke hartelijkheid ten afscheid kuste—en weldra verdween het drietal, om de wandeling te beginnen. Moeder oogde ze na, want ze kwamen het venster aan de straat voorbij. Betsy keek naar boven, en groette haar met een liefderijken glimlach. De achtergeblevene zette zich langzaam aan het venster neer. Ze liet de armen moedeloos in den schoot vallen. Zacht schudde ze het hoofd, een traan rolde langzaam over hare bleeke, vermagerde wang.

't Was maar eene eenvoudige, burgerlijke vrouw, die moeder en die echtgenoote—in haar effen bruin kleed; met haar onder de muts weggestreken grijs hair, was er niet veel belangrijks in haar voorkomen te bespeuren, maar wie hare geschiedenis had gekend, wie ingelicht ware geweest van al de stormen en zorgen, die op dit oogenblik haar gemoed beangstigden, hij hadde die gebogen gestalte met de innigste deernis beschouwd.

Haar leven was een lange strijd geweest, om te kunnen leven, en hare groote veldslagen had ze bijgewoond in hare laatste huwelijksjaren. Ze had met buitengewonen moed gestreden tegen een sterken vijand: de dagelijksche behoefte van een fatsoenlijk gezin in de residentie.... en haar eenig wapen in dien strijd was de zeer karige bezoldiging van een commies bij het ministerie van **** geweest. De behoeften klommen, het loon bleef hetzelfde, eigenlijk verminderde het, want „de tijden” als men zegt, „werden duurder”. Maar deze moeder en echtgenoote had met wanhopigen moed den strijd volgehouden, zij had tot nog toe gezegevierd, en was gedecoreerd.... door het zilver van hare slapen en door een gerust geweten.

Maar deze overwinningen waren soms duur gekocht. Ze had drie dochters en twee zonen. De oudste dochter had reeds de ouderlijke woning verlaten, om naar de Oost te gaan als gouvernante—de dag van haar vertrek was eene zware worsteling geweest voor het arme moederhart! Nog altijd dacht ze aan dat uur van scheiden, toen hare meest geliefde dochter haar werd ontrukt—doch zelfbeheersching en berusting in de noodzakelijkheid hadden de felste smart eenigszins gelenigd. Wat al overleg, welke zuinigheid had zij niet moeten aanwenden, om die oudste dochter zoo ver te brengen! Onderwijs van allerlei aard, somtijds duur en boven hare macht, omdat ze ook hare beide jongere dochters daarin wilde doen deelen—de opvoeding van een paar knapen, de een nu al geplaatst aan 't zelfde ministerie, waar zijn vader diende, de ander op zestienjarigen leeftijd als vrijwilliger in dienst getreden—dit alles had haar jaar aan jaar beangstigd en bekommerd, maar meestal waren de bezwaren door hare schranderheid overwonnen of uit den weg geruimd. Zij had daarbij eene ongemeene bekwaamheid aan den dag gelegd in het beheer der magere huislijke inkomsten. Haar budget sloot telkenjare met een klein, zeer klein, bijna onmerkbaar voordeelig saldo, en daaruit poogde zij een reservefonds saam te stellen voor buitengewone uitgaven—aan schulddelging behoefde ze niet te denken, want het gezin kende geen debet of credit. Moeder betaalde alles en kocht alles, zonder hare middelen met de geringste som te overschrijden.

Was alzoo uiterlijk rust en orde gewonnen in dit huisgezin door het verstandig bestuur der moeder, was er niemand daarbuiten, die zelfs bij de uiterste achterdochtigheid en de kilste kwaadwilligheid aan het fatsoen en de achtbaarheid dezer familie durfde twijfelen, daarbinnen in den huiselijken kring bleven nog velerlei kleine moeilijkheden, die door gedurige herhaling het meeste van de geestkracht der moeder eischten. Daar was in de eerste plaats haar man. Ze wist wel, dat hij den heelen dag druk werk had aan 't ministerie, somtijds nog des avonds—en dat al meer dan vijf en dertig jaren—maar ze had toch zoo vurig gewenscht, hoewel die wensch nooit over hare lippen was gekomen, dat hij in stede van altoos en immer met dezelfde oude folianten en papieren, zich met iets meer winstgevends, had beziggehouden. Hij had zelfs ten vorigen jare eene onvoorziene uitgaaf op haar budget gebracht—hij had de vrucht van jarenlange studie en geduldig onderzoek met ongelooflijke moeite geboekt, en wederom na jarenlange aarzeling die eindelijk bestemd voor de pers. Wel had hij soms korte artikelen gesteld over genealogie en heraldiek, die zijn naam in een zeer kleinen kring van degelijke, wetenschappelijke kenners hadden bekendgemaakt, maar 't was liefhebberij en anders niet. Zijn groot werk over de „Oudste adellijke Geslachten van Noord- en Zuid-Nederland” had hij eindelijk naar zijn wensch gedrukt gezien, met wapenkaarten in kleuren en afdrukken van oorkonden en fac-similes, maar de uitgever had hem ter belooning van zijn meer dan twintigjarigen arbeid slechts een twintigtal exemplaren en niets anders kunnen afstaan. Daarvan moest een drietal extra mooi worden gebonden, goud op snee en groen marokijn—'t was op zijne kosten geschied. Moeder had aarzelend toegestemd—ze had er haar reservefonds voor aangesproken, maar 't was immers zulk eene belangrijke onderneming.... zulk een degelijk boek.... en de drie mooie exemplaren waren bestemd voor den Minister, tot wiens departement haar echtgenoot behoorde, voor den Koning en voor den Koning van België. 't Was nog geen drie maanden geleden, dat de kostbare boeken hoopvol door den zestigjarigen auteur waren verzonden. Welk eene vreugde heerschte er in die woning, toen het hoofd des gezins eens des middags van het ministerie kwam—en verhaalde, hoe Z.E. hem had laten roepen, en hoe Z.E. hem verzekerd had, dat Z.E. zijn „veelomvattend” werk met genoegen „ontvangen” had. Verder had Z.E. niets gezegd, en hoe zou dit ook kunnen, had de gelukkige auteur er bijgevoegd—er was niets te zeggen.—Maar zijne echtgenoote dacht, dat hij reeds vijf en dertig jaren aan 't ministerie werkzaam was met ongekreukte trouw en vlijt, en al zestien jaren als commies. Hij zelf had dan ook dikwijls met een geheimzinnig glimlachend gezicht er op gezinspeeld, dat hij niets zeggen mocht, dat men wel zien zou, dat hij bijna zeker was.... Nog op dat oogenblik was hij volkomen gelukkig en tevreden gaan wandelen. Sinds een paar dagen was er eene vacature aan zijne afdeeling gekomen. Een hoofdcommies was bevorderd—er moest een andere in diens plaats benoemd worden, hij was de oudste, had de meeste aanspraak, was zeer bemind aan 't ministerie, en Z.E. zelf was hem niet ongenegen.... vandaar zijne buitengewone tevredenheid en de neerslachtige stemming zijner echtgenoote.

Hoe kon zij hopen en gelukkig zijn—reeds vijf malen had men den bescheiden, door niemand beschermden commies.... commies gelaten en een gelukkiger bevorderd. Thans sprak hij den heelen dag in vertrouwen over zijne bevordering tot zijne vrouw, en schertste en glimlachte hij, als hij in geene jaren gedaan had. Hoe sneed het der zorgvolle echtgenoote door het hart, als zij bedacht, dat misschien ook deze hoop zou worden vernietigd even als de vorige.... maar toch, zijne aanspraken waren zoo rechtvaardig, zijne diensten zoo vele en steeds zoo geprezen.... hij had zich nog onlangs als man van studie onderscheiden—ook zij wilde alle hoop niet opgeven, maar zonder eenigen twijfel vast te gelooven! Zij zag er de bron van groot leed in voor de toekomst.

Daar was nog iets anders, dat haar kwelde en reeds zoo dikwijls gekweld had. Bij haar zuinig beheer was elke, zelfs de geringste, weelde verboden. En dat konden hare kinderen niet begrijpen, en hadden dit nimmer begrepen, behalve de oudste dochter, die nu ver was.... Ook haar oudste zoon, de klerk aan het ministerie, had stilzwijgend haar stelsel gehuldigd, maar Sofie en Betsy gaven haar dikwijls stof tot kleine verdrietelijkheden en misverstand. 't Waren vragen, beginnende met: „Waarom mogen wij dit niet?” en „Waarom kunnen wij dat niet?”—vooral Sofie had zich dikwerf zeer ontevreden betoond. Dit was een kommer, die reeds vele jaren duurde—zij kende hare kinderen, zij wist, dat Sofie weinig gaven van geest bezat.... knap was ze ook niet, en dit scheen het meisje wrevelig te maken, als ze op hare zooveel meer begunstigde zuster Betsy zag. Elke kleine bijzonderheid van het huislijk leven werd door Sofie aangegrepen, om ze met hare klachten en met hare verbitterde stemming te bederven, en meestal vermeden de anderen het booze humeur van de kijfzieke huisgenoote uit vrees voor meer oneenigheid. 't Was niet voor het eerst, dat zij zoo even over hare verschoten parasol en handschoenen had geklaagd—de arme moeder zuchtte nogmaals....

„Hoe is het, moeder! zoo in gedachten?”

Een jongmensch, met een ernstig, eenigszins peinzend gelaat, was binnengekomen, en ging aan het venster bij zijne moeder zitten. 't Was haar oudste zoon Willem, de klerk bij het ministerie.

„Och jongen! je weet het wel! Sofie wou eerst niet mee gaan wandelen, omdat ze niet mooi genoeg gekleed was, maar vader was zoo opgeruimd en vroeg het haar zoo vriendelijk.... Eindelijk zijn zij gegaan!”

„Ja, moeder! daar behoort veel toe, eer we geheel tevreden zijn met ons lot! Hoe meer iemand begrijpt, dat hij zijn plicht moet doen in zijn eigen kring, hoe gelukkiger hij is.... en onze Sofie heeft een boos humeur!”

„Ik geloof, dat je te streng bent. Sofie is jong, negentien jaar oud, ze houdt van uitgaan en onder de menschen te komen. 't Spijt me genoeg, dat ik haar geene nieuwe parasol kan koopen, geene betere handschoenen....”

„Kom, kom, gekheid! Vader is maar commies, en zijne dochters komen knap en fatsoenlijk genoeg voor den dag!”

„Neen, dat begrijp je niet goed. Een meisje hecht veel meer aan hare kleeding dan een jongmensch van jou jaren, Willem! Ze ziet alle dagen zooveel moois en fraais hier in de stad—ze wil ook wel eens wat moois hebben!”

„Hoor eens, moeder! dat is verkeerd gezien! 't Is mij in vroeger tijd ook wel eens zoo gegaan als Sofie. Als ik rijker en gelukkiger jongelui zag, vroeg ik altijd: waarom hebben zij dat en ik niet? Dagelijks zag ik honderden om mij heen genieten, wat veel meer zegt, dagelijks zag ik—en zie ik—honderden, die door ieder geacht en ontzien worden, omdat zij meer genieten dan het gros der menschen. Ik meen, dagelijks zie ik domme aanbidding van het gouden kalf! Ik was boos en wrevelig, moeder! en verwenschte mijn lot! Meermalen ben ik al vloekend naar het ministerie geloopen, terwijl ik morrend vroeg, waarom de eene mensch rijpaarden en fijne glacé-handschoenen, gouden remontoirhorloges en leegen tijd, champagne en onderscheiding bezit, terwijl den ander alleen kale hoeden, versleten schoenen, een schrijflessenaar en diepe eerbied voor de „gestelde machten” overschiet!”

De klerk aan het ministerie glimlachte in zich zelven, en zweeg een oogenblik.

Zijne moeder zei fluisterend:

„Maar dat is ondankbaarheid tegen Gods beschikking, jongen! De Heer geeft ieder naar Zijnen wil—en wij moeten gelooven, dat die wil heilig en rechtvaardig is!”

„Dit zou u dus onder anderen aan onze Sofie kunnen antwoorden. Maar laat ik u zeggen, waarom ik nu niet zoo ontevreden meer ben. Ik heb, als ik tijd had, dikwijls over die zaak nagedacht, ik ben gaan lezen, wat groote mannen daarover schreven. Een viertal jaren heb ik er over gelezen en nagedacht, en nu zie ik helder in, dat, wat mij zoo stuitend en onbillijk scheen, eenvoudig uit den natuurlijken loop van zaken in de maatschappij te voorschijn komt, omdat onze menschelijke maatschappij zich nog niet op het toppunt der volmaking bevindt. Misbruik van macht, vooroordeel, gebrek aan kennis, doen en deden allerlei schreeuwende onrechtvaardigheden geboren worden, die men eerst als ziekteverschijnselen heeft bejammerd, later door de gewoonte als volkomen gezonde elementen heeft gewettigd. Maar de edelsten onder onze geleerden en staatslieden weten het, de maatschappij is nog steeds lijdende, doch er is genezing voor die patient! Hoe meer de geneesheeren haar bestudeeren en de wetten op 't spoor komen, die haar geheel beheerschen, hoe meer de beterschap toeneemt!”

Moeder had al dien tijd haar zoon met verbazing beschouwd, en eenigszins nieuwsgierig aangezien.

„En hoe heet de medicijn, jongelief! voor die kranke?”

„Kennis! Wetenschap! Verlichting!... en bij die drie kostbare geneesmiddelen een nog kostbaarder, een peperdure, eene bijna onverkrijgbare artsenij: Vrijheid in de maatschappij, vooral in de maatschappij, en in den Staat!”

„Och, Willemlief! ik wil dat best gelooven, maar wat helpt het ons nu? Ik wil graag aannemen, dat er veel zal verbeterd worden in latere jaren, wat nu nog gebrekkig en onaangenaam is om ons heen—maar dat vermindert mijne zorg niet voor het oogenblik. Jongen, er is zooveel dat mij drukt en kwelt, en waar zou ik heen, als ik niet kon gaan tot dien Eenen, die gezegd heeft: „Komt allen tot mij, die vermoeid en belast zijt!” en waarlijk, ik mag het zeggen, Hij heeft mij ruste gegeven!”

Beiden zwegen. Moeder wischte een traan weg. Willem zag peinzend uit naar buiten. Eindelijk zei de eerste snel:

„En wat denk je van vader?”

„Dat vader recht heeft op de benoeming tot hoofdcommies! Volgens alle mogelijke regelen en redenen heeft vader recht. Als een ander benoemd wordt, is het eene gemeene onrechtvaardigheid!”

„Dat heb ik ook gedacht, jongen! Het doet me veel plezier, dat jij het ook zegt. Ik vat nu wat meer moed.”

„Wat ik u bidden mag, moeder! vlei u niet. De zaak kan heel anders uitkomen—daar is evenveel kans voor.... misschien meer!”

Moeders hoofd zonk moedeloos op de borst. Zij verborg haar gelaat in de handen. Zij kon het niet onderdrukken, het gevoel van weedom en teleurstelling, dat haar plotseling overmeesterde, en een heeten stroom van tranen door hare vingeren deed vloeien.

„Bedaar, moederlief!”—sprak Willem ernstig, maar opgewekt.—„Als men vader dus miskent en voorbijgaat, moet vader dien smaad niet verdragen. Hij moet aanstonds vragen om zijn eervol ontslag en pensioen.”

„Pensioen....”

„Ja, al schijnt het u bedenkelijk en haast onmogelijk, dat ons gezin van nog minder zou moeten leven dan nu. Maar vader kan niet anders, als hij gepasseerd wordt, is het zijn plicht ontslag te vragen. En dan zal ik zorgen, dat het ontbrekende wordt aangevuld!”

„Jij, Willem?”

„Ja, moeder! Droog uwe tranen en luister eens oplettend. Ik heb een groot en zeer gewichtig plan!”

En Willem haalde eene brieventasch te voorschijn. Hij nam er een pak brieven uit, en begon te lezen.

II.

#Zondagsmiddags naar Scheveningen.#

Schoon onze geschiedenis in lang vervlogen jaren—maar toch na het jaar 1848—plaats grijpt, heerschte er op de schoone Zeestraat tusschen de residentie en Scheveningen dienzelfden middag bijna evenveel gewoel, en rolden er bijna evenveel rijtuigen als thans in het jaar des vredes en der Weener tentoonstelling. Voetgangers waren er misschien meer, daar niemand nog droomde van de ijzeren rails in de schaduw der beuken, door Huygens zorg geplant, waarop zoovele heerlijke Engelsche guinjes spoorloos zouden verloren gaan. Daar het een kostelijke zomer-Zondag-namiddag was, stroomde eene groote menigte van de residentie naar het zeedorp. Zeer weinigen, meest slenterende Scheveningsche jonkvrouwen met toegespelde halsdoeken van heldere kleuren en de handen gekruist over hare bonte schorten, kwamen van de tegenovergestelde zijde. Op weg spoedde een aantal voertuigen van allerlei soort en gedaante naar het strand: fraaie equipages, door levende kopieën van modejournalen bestuurd, nederige vigilantes, waar een gehaast reiziger mee naar „het Badhuis” snelde, en groote lompe, opene wagens, door de volksluim even smaakvol als geestig „aardappels” getiteld. Daar zaten mannen in uit het volk met bonte zakdoeken en een flesch Schiedammer naast vrijsters, wier zomerhoeden met veeren en lint prijkten bijna even rood als hare wangen en hare grove handen—en te midden van hen, echt broederlijk, merkte men den Nederlandschen soldaat op, met zijn schilderachtige uniform, zijn sierlijk hoofddeksel en zijne wanluidende vloeken. Een lieflijke wind ruischte boven in de toppen der beuken, als had hij medelijden met het verward geraas van al die stemmen en kreten, als wilde hij al die menschelijke wangeluiden in zijn suizenden adem oplossen.

Recht tevreden stapte daar ook langzaam een drietal wandelaars op den zoogenaamden bovenweg langs het plantsoen. 't Was de schrijver van het prachtwerk over de oudste adellijke geslachten in Noord- en Zuid-Nederland, met zijne dochters Sofie en Betsy. Zij waren in zeer druk gesprek gewikkeld, en schenen zeer opgewonden te praten.

„En wanneer kan dat zijn, vader!”—vroeg Sofie, die nu zeer prettig en opgeruimd was.

„Misschien van de week nog, misschien over veertien dagen, kind.”