Nederlandsche dames en heeren: Novellen
Part 14
Mlle wuifde met hare hand statig naar den ouden heer, en antwoordde:
„Dit alles weet ik over en over. Meneer kan niet bestaan zonder het ballet! Mlle Paquita Duflos is niets, de ~bohémienne~, die springt voor de voetlichten, is alles. Meneer heeft tot zijne bijzondere ijdelheid noodig, ruikers op het tooneel te werpen voor de danseres, welke het parterre toejuicht, en gevoelt zich gelukkig, als het publiek zijne zonderlingheden beschimpt. Maar wanneer dit alles zoo gebiedend noodzakelijk is voor het levensgeluk van meneer, dan behoorde hij ook achting te bewijzen aan de kunstenares, welke hij zoozeer bewondert. Doch het tegendeel is waar! Lang heeft hij haar met schoone beloften bezig gehouden, telkens herhaald, dat zij eene onbezorgde toekomst te gemoet ging, eindelijk heeft hij aan hare voeten haar zijn naam en hand aangeboden—in duidelijke woorden, zonder aarzeling, vrij en ongedwongen.... om eenige dagen later zijne beloften te herroepen, zijn aanbod terug te trekken en de arme kunstenares achter den rug te bespotten! Geloof mij, meneer de Bruyn van Oudenhoven! ik bezit een hoofd, dat misschien wel niet zoo vlug is als mijne voeten, maar dit begrijp ik toch volkomen goed—je houdt je belofte, of ik vertrek!”
De aangesprokene zat nu met het hoofd in beide handen gebogen. Hij antwoordde niets, en liet alleen een klagelijk gekerm aan zijne lippen ontsnappen. Daarna dronk hij weder. De aderen op zijn purperrood voorhoofd waren gezwollen. Hij haalde diep adem.
„Je zult niet vertrekken, Paquita!”—sprak hij met doffe stem.—„En jij zult je zin ook niet hebben. Al die praatjes zijn onzin. Je begrijpt zelve, dat ik niet wist, wat ik zei, toen ik van dat belachelijk trouwplan begon....”
„Belachelijk? Waarom belachelijk? Wees voorzichtig, en let op je woorden....”
„Geene isolentiën, Paquita! Mijn geduld is uitgeput!”
„Verdwijn dan, en doe een nieuwen voorraad op!”
„Ellendige deerne! Denk je dat ik me laat uitlachen....”
De heer de Bruyn van Oudenhoven verbleekte plotseling. De danseres barstte in een stuipachtig gillend lachen uit. Doch de eerwaardige Maecenas was zich zelven langer geen meester—toorn, spijt, verbittering en dronkenschap deden hem sidderen. Hij bracht juist een glas aan zijne lippen, maar bliksemsnel zich bezinnend, hief hij het op en slingerde het naar de sofa.
* * * * *
't Was of er dien heelen avond wat aan de voorstelling in de Opera haperde—meende de heer de Bruyn van Oudenhoven. Hij verhaalde het eerst aan de ~ouvreuses~, welke hem nederig glimlachend en buigend in zijne meening versterkten. Daarna vertelde hij het aan het buffet in de koffiekamer, en verscheidene bedienden verwonderden zich over de juistheid zijner woorden—terwijl hij met groote graagte eenige glazen van verschillenden inhoud leegdronk. Daarna zag men hem geeuwen in de ~loge grillée~ en wierp hij tot verbazing van heel het parterre geen enkelen ruiker op het tooneel.
De waardige kunstbeschermer had zeer onaangename oogenblikken bij de danseres doorgebracht—hij deed zijn best die tooneelen te vergeten. Soms duizelde zijn hoofd, en gevoelde hij eene pijnlijke klopping—maar dan richtte hij zijn kijker op het tooneel en spande hij zich in, om de vertooning te volgen. De kunstenaars deden in alle opzichten hun best—zij waren vroolijk en bezield, daar een der meesterstukken van Offenbach bij het Nederlandsche publiek moest worden ingeleid. De zaal verkeerde in opgewekte stemming—de kunstenaars werden herhaaldelijk toegejuicht. Toch had de heer de Bruyn van Oudenhoven met geene enkele hunner verrichtingen vrede. De komiek was geesteloos in plaats van vermakelijk, zooals vroeger—de eerste zangeres had zich zoo onbehagelijk gegrimeerd, dat zij, trots de hoogste levendigheid van gebaren, bij hem geene genade kon verwerven en de dames van het koor droegen zulke fletsche kostumen, dat hare twijfelachtige bevalligheden hem tot wanhoop brachten. Rust genoot hij weinig. Hij stond op, veranderde van zetel en was het meest voldaan, toen het scherm viel.
Men zag hem nu ijverig door de corridors en in de koffiekamer op en neer wandelen. Met degenen, die hem wilden te woord staan, knoopte hij een gesprek aan. Tot een oud-gast der opera, een zeldzaam verdienstelijk man, die vijf en tachtig reizen de Hugenoten had zien vertoonen, en die de genealogie van alle artisten kende, sprak hij druk over het verval der kunst. De oud-gast schudde het hoofd, en beweerde, dat men jaarlijks achteruitging, dat de oude, goede overleveringen verloren waren, dat men niet meer zong, ziet u! niet meer zong! En beiden haalden de schouders op. Daarna zette hij zich bij de kachel, en liet zich bier schenken, toen de bel het publiek naar de zaal riep! Een bediende met een schenkblad onder den arm had de eer het lang relaas zijner verveling te mogen aanhooren, en ontving tot belooning een halven gulden.
Voor geen prijs wilde de edele Maecenas de Opera verlaten. Men mocht niets buitengewoons aan hem bemerken. Men mocht niet vermoeden, dat zijne bescherming van het ballet hem met ondank betaald werd. Wel zoude Mlle Duflos hem de laatste beleediging niet spoedig vergeven—maar met edelmoedige zelfopoffering van een aanzienlijk geschenk meende hij haar wel weder te zullen winnen. Ook dacht hij aan zijne trouwbelofte, maar het denkbeeld op zijn ouden dag onder de scherpe tuchtroede der Fransche danseres te moeten zuchten, deed hem eene heftige verwensching slaken. Zoo bracht hij nog een paar uren in zijne ~loge~ en in het ~foyer~ door, totdat eindelijk de vertooning afgeloopen was.
Snel sprong hij in zijn rijtuig. De palfrenier hield het portier vast.
„Wagenstraat!”—fluisterde de Bruyn van Oudenhoven.
In weinige oogenblikken brachten de fraaie schimmels hem aldaar. 't Sloeg juist halftwaalf. De koetsier George kreeg bevel naar den stal te rijden. Zijn meester klom de trappen van het bovenhuis op. Toen hij de deur van het salon opende, zag hij met eenige aarzeling naar binnen. Er vertoonde zich niets ongewoons bij den eersten blik. Het half gebruikte maal stond nog op tafel—het omgevallen glas, de wijnvlak op het kleed, alles was nog juist zooals in den vooravond. De sofa was weggeschoven, de haard brandde niet meer. Op sommige stoelen lagen kleedingstukken. Er was niemand in het vertrek. Een onwillekeurig gevoel van schrik maakte zich van den gullen kunstbeschermer meester. Wat zou er geschied zijn? Doch hij stelde zich gerust. In menig booze bui had Mlle Duflos zich naar eene harer ambtgenooten begeven—en nu zat ze daar zeker over haar treurig lot te klagen. Ze zou stellig terugkomen—mocht het ook nog een paar uren aanhouden. Maar het vuur is uitgegaan—echter hindert dit niet bijster veel, de gaskroon verspreidt warmte genoeg. De heer de Bruyn van Oudenhoven zet daarna in aangrenzende vertrekken zijn verkenningstocht voort. Alles is verlaten, niemand antwoordt op zijne stem. Ook hier zwerven kleedingstukken over de meubels, anders is alles in den ouden toestand. Hij keert naar het salon terug en schelt luide om de kamenier. Niemand komt. Hij schelt driftig met forsche rukken—niemand komt. Hij werpt de deur open en schreeuwt op het portaal. De echo van zijne stem maakt hem verschrikt. Met stijgende boosheid roept hij luide: „Virginie!” den naam van den kamenier—niemand komt.
Hij treedt weder het salon binnen en loopt met klimmenden toorn langs de tafel. Zoo Mlle Paquita uit spijt een bezoek bij vrienden brengt, moet ze immers wel hare kamenier medenemen. Dit denkbeeld doet hem plotseling stilstaan en glimlachen over zijn eigen angst. Hij zet zich bedaard op de sofa, en besluit zoo mogelijk geduldig een uur te wachten....
Zoo zat hij een geruimen tijd, terwijl de minuten met de uiterste traagheid voorbijkropen. Het geluid van een rijtuig, dat uit de verte kwam aanrollen, deed hem plotseling opstaan. Men hield stil voor de deur. Er werd luid gebeld. Misschien was Paquita ongesteld geworden—hij spoedde zich naar het portaal en trok aan een koord. Een mannenstem vroeg:
„Kan ik meneer even spreken?”
Het was zijn huislakei Hendrik. Meermalen zocht men hem zoo in de Wagenstraat op, om bevelen te vernemen of beschikkingen voor den volgenden dag te treffen. Hij bromde eene onverstaanbare toestemming, en trad diep teleurgesteld het salon weder binnen. 't Was of Hendrik eene buitengewone moeite had om boven te komen—ten minste het duurde vrij lang eer er op de deur van het vertrek getikt werd—doch hij lette er niet op in zijne misnoegdheid. Aarzelend werd nu de deur geopend, en met langzame schreden trad eene deftige oude vrouw in rouwgewaad binnen, met een zwarten sluier over het gelaat. Zij sloeg dien echter aanstonds op, en nam met vastberaden moed al de bijzonderheden der kamer op. Daarna vestigde zij hare oogen op den edelmoedigen begunstiger van het ballet. Deze had met ongekunstelde verbazing eerst een korten vloek uitgestooten, en had haar vervolgens met stomme verbolgenheid aangestaard.
Nu het gaslicht op die rustige, kalme trekken valt, herkennen wij de dame, door Charles weleer met den naam van tante Bet begroet. Juist wilde zij de lippen openen om te spreken, toen de heer de Bruyn van Oudenhoven met verkropten toorn uitriep:
„Wat beduidt dit, schoonzuster?”
„Ik zal het je in drie woorden zeggen, Jakob! Je bent op onbeschaamde wijze bedrogen, en ik kom onmiddellijk, ondanks den nacht, tot je, om te redden wat te redden is!”
„Dat heb ik al meer van je gehoord! Je wilt mij redden, jij, die mijne dochter versterkt in hare koppigheid tegen mij—die Mina uit mijn huis hebt weggenomen! Je bent een eigenzinnig, trotsch mensch, schoonzuster! Doe mij het genoegen je met je eigene zaken te bemoeien, en laat mij met rust!”
Tante Bet schudde langzaam het hoofd, en hernam zeer kalm, spijt den dreigenden toon van haren zwager:
„Jakob! dat Mina sedert een jaar bij mij woont, is je werk, nadat je dat Fransche schepsel bij je aan huis hebt gebracht! Zwijg daarvan, zwager! De zaak is al te treurig!”
De stem der oude dame klonk zoo ernstig gebiedend, de uitdrukking van hare trekken was zoo smartelijk en zoo edel, dat de teleurgestelde lichtmis zijn gelaat afwendde, en zweeg.
„Maar nu”—ging zij voort—„hebben we geheel iets anders te overleggen. Zou je denken dat ik hier in de kamers van deze deerne zou willen komen, als ik gevaar liep er haar zelve te zullen ontmoeten?”
„Wat meen je?”—schreeuwde de Bruyn van Oudenhoven, terwijl eenige schorre vloeken tusschen zijne tanden bestierven.
„Ik meen, dat uwe juffrouw Duflos vanavond ongeveer halftien met den trein naar Rotterdam vertrokken is in gezelschap van je eenigen zoon—anders niet.”
De oude man zat als door den donder getroffen. Zijne handen sidderden. Hij vloog met een woedenden sprong naar de tafel, greep zijn hoed en wilde het vertrek verlaten. Tante Bet snelde hem na, en zei zeer rustig:
„Luister, Jakob! Je kunt hen toch niet achterhalen! Misschien zijn zij reeds over de Duitsche grenzen, misschien vertrekken zij morgen naar Londen! En je moet weten of je de zaak aanstonds ruchtbaar wilt maken!”
De bedrogen balletvriend stond eensklaps stil voor zijne schoonzuster, en haar ruw bij den arm grijpend, krijschte hij:
„Je wilt me bang maken, je liegt! Hoe weet je dit?”
Tante Bet schudde den woesteling van hare zijde af en antwoordde:
„Wees bedaard, zwager! Ik heb Hendrik medegebracht. Hij wacht mij beneden! Hij heeft de zaak ontdekt. De jongeheer Charles is omstreeks halfnegen in groote haast thuis gekomen, heeft Hendrik geroepen, met dezen een koffer gepakt en gezegd, dat hij een uitstapje deed naar Amsterdam. Daarop is eene vigilante—waarschijnlijk vooraf besteld—aan de deur verschenen. Hendrik heeft den koffer helpen opladen, en verklaart daarin duidelijk twee gesluierde dames te hebben zien zitten. De vigilante is daarop in allerijl naar het station vertrokken! Hendrik heeft denzelfden weg ingeslagen, heeft overal gevraagd en onderzocht, en van allerlei lui vernomen, dat Charles met twee dames, de eene voornaam en buitengewoon gekleed, de andere veel eenvoudiger, eene kamenier waarschijnlijk, plaats heeft genomen naar Rotterdam. Zij spraken voortdurend Fransch!”
De Bruyn van Oudenhoven viel bitter glimlachend op een leunstoel neer. Hij wreef de handen radeloos ineen, en rukte aan het weinige grijze haar op zijn schedel. Zijn voorkomen was op dat oogenblik diep terugstootend en allerellendigst. Een schitterend licht viel juist op de fraaie decoratie in zijn knoopsgat, op het lichtgroene en rozeroode lint van het Laubenstein-Apfenroder Luipaard.
Tante Bet zag met statigen ernst op den diepvernederden man. Wat zij nu ging zeggen, was met zachter, vriendelijker stem, dan vroeger:
„Zwager! Je bent ongelukkig door eigen schuld! Ik zal je niet oordeelen! Maar sluit nu het oor niet langer voor mijne waarschuwingen! Hoor, wat je edele, brave Mina u toeroept! Je hebt haar leven en geluk verwoest, hare schoone hoop van teedere liefde en trouw heb je moedwillig verstoord door de ruwe beleedigingen, den goeden Adolf Weber toegevoegd! Zoo even zeide zij mij: Tante! ga naar mijn armen papa en zeg hem, dat wij hem zullen liefhebben, nu ieder hem bedriegt en verlaat!”
De oude dwaas slaakte een kermenden kreet, tranen vloeiden door de vingeren, die zijn gelaat bedekten. Tante Bet sloeg deze zenuwachtige droefheid met belangstelling gade, en meende eene schrede verder te kunnen gaan.
„Kom, Jakob! Wees nu eens weder openhartig en goed, zooals je voor je grootheid placht te zijn. Verzoen je met Mina—vergeet dat gemeene creatuur, en wees gerust over Charles! Zoodra zijn geld verteerd is, laat de danseres hem loopen—en dan zullen we....”
Maar de Bruyn van Oudenhoven slaakte plotseling een woedenden kreet. Met ingehouden adem liep hij naar een zijvertrek—onder allerlei toornige dreigementen hoorde de verbaasde, oude dame hem een kast openen, meubelen omverwerpen, eindelijk kwam hij terug met eene fraaie cassette van rozenhout. Hij zonk zwijgend en doodsbleek op een stoel en greep in een ring met sleutels, dien hij bij zich droeg. Met sidderende vingeren opende hij het kistje, wierp er eenige papieren uit op den vloer en zocht eenige seconden. Eensklaps slingerde hij de cassette met een luiden vloek tegen den wand en schreeuwde:
„Bestolen! Bestolen! Dieven! Dieven, ellendige, gemeene dieven!”
Tante Bet ontstelde hevig. Zij had als een gerucht gehoord, dat haar zwager zoozeer al de luimen der danseres bevredigde, dat hij zelfs zijne cassette met effecten, heel zijn fortuin in roerende goederen naar hare woning had overgebracht. Zij had daarop de bedienden zooveel mogelijk ondervraagd—doch toen dezen niets wisten, had zij zich gerust gesteld. Nu echter vreesde zij het ergste. Zij trad bevende op den ongelukkigen man toe, die beweegloos zijne oogen naar den grond richtte, terwijl zijne tanden klapperden.
„Jakob, bevatte die cassette geld?”
Geen antwoord.
„Jakob, is het waar, dat je zoo dwaas kondt zijn, om je fortuin in de handen eener oplichtster te vertrouwen?”
Geen antwoord.
„Zwager! Nog eens, ik wil je niet oordeelen! maar hoe zou je de stem van je geweten tot zwijgen brengen, als je dochter tot den bedelstaf was gebracht, nu eene lage lichtekooi met je ellendigen zoon haar het wettig erfdeel ontsteelt?”
De heer de Bruyn van Oudenhoven lachte bitter.
„Erfdeel”—fluisterde hij met doffe stem.—„Jij vraagt dus ook alleen naar geld, zooals de anderen—jij, die zoo vroom en edel bent, ha! Ik heb de sluwe dievegge bedrogen, schoonzuster. Zij waande heel mijn fortuin tot onderpand van eene trouwbelofte te bezitten, maar ik hield de cassette gesloten. 't Is waar, een sleutel is voor maanden zoekgeraakt—zeker eene handigheid van mijn handigen Charles. Stel je gerust! Mina zal geen schade lijden. Er waren slechts een paar duizend gulden in bankpapier hier—de rest is bij den Notaris.”
IV.
Hoog in de toppen der beuken ruischte de zoele zuidenwind. Juni was in 't land. De meidoorns en de linden spreidden zoete geuren in 't rond. Allerlei stemmen van vogels orgelden onder het groen. De gulden zonnestralen speelden over de frissche takken der boomen, en teekenden soms breede, trillende gouden schijven over het zandige pad van de laan. De geheele Zeestraat van Den Haag naar Scheveningen scheen feest te vieren bij de terugkomst van den zomer. De stem van den wind en der vogels vormde een lustig concert, somtijds verdoofd door de talrijke rijtuigen, die van de residentie naar het Badhuis rolden. De hooge laan ter zijde van den weg, zoo schilderachtig in 't groen verscholen, was nog niet overdekt met breede scharen van badhuisbezoekers—want het was midden in de week, juist tegen twaalf uren, dat we een jongmensch met langzame schreden naar het zeedorp zien wandelen.
Adolf Weber, wiens stem anderhalf jaar geleden zoo nadrukkelijk klonk in het prachtige vertrek des heeren de Bruyn van Oudenhoven, komt van eene reis naar het zonnige Zuiden terug. Hij had Tyrol en de meren van Noord-Italië bezocht, hij zou naar Florence vertrekken, toen een brief hem terugriep. Adolf Weber heeft een zwaren strijd met zijn lot bestaan. Hij had, na de heftige tooneelen bij den vermogenden balletbegunstiger, Mina niet weer ontmoet. Toen hij er eene poging voor in 't werk stelde, was die mislukt. Hij had zich namelijk tot tante Bet gewend, die eene hartelijke vriendschap voor den jongen, ernstigen kunstenaar koesterde. Aanstonds had deze zijn vurigste wenschen afgewezen—elk onderhoud met de teeder geliefde jonkvrouw was nu onmogelijk, had de oude dame verklaard. Mina was haar vader gehoorzaamheid verplicht, en had Adolf hare trouw verpand. Elke ontmoeting was nu ongepast, daar zij heimelijk zou moeten geschieden, en de oude tante kende hare nicht te goed, om niet te vermoeden, dat de fierheid van deze zoodanige voorwaarde zou afwijzen. Weber behoefde nimmer te wanhopen—Mina had haar woord gegeven. Zoolang echter de heer de Bruyn van Oudenhoven zijne meeningen niet wijzigde, was het onkiesch, 't zij in persoon, 't zij met een brief, het diepverslagen meisje aan hare beloften te herinneren.
Wat zoude de teleurgestelde kunstenaar tegen deze logica? Met onuitsprekelijken weedom onderwierp hij zich geduldig—en herinnerde zich ieder oogenblik de koene woorden van de kloeke jonkvrouw, toen een lakei geroepen werd, om hem de deur uit te werpen, toen haar oog fonkelde van verontwaardiging, en hare vingeren trilden in zijne hand. Maar toch, in hare nabijheid te leven, haar niet te mogen naderen, zelfs eene toevallige ontmoeting zooveel mogelijk te schuwen, was boven zijne kracht. Zijn leven in de residentie werd hem ondragelijk—zijn werk boezemde hem geen belang meer in—hij bracht oogenblikken door, waarin hem de voorzichtige wijsheid der oude dame als iets monsterachtigs voorkwam, waarin hij zich diets maakte, dat alle hoop verloren was, dat Mina hem eerlang vergeten zoude. Vandaar zijne reis. Reeds lang lokte hem het land der beloften voor ieder kunstenaar, nu eischten de omstandigheden iederen dag luider eene kunstreis naar Italië. Tante Bet keurde zijn besluit volkomen goed, zelfs beloofde zij hem voor het geval, dat de heer de Bruyn van Oudenhoven zijn besluit mocht wijzigen, een onmiddellijk bericht.
Adolf Weber zette zich een oogenblik op eene bank onder het zonnige lommer van het Scheveningsche hout. Nu klopte zijn hart luide van de heerlijkste hoop—en toch aarzelde hij het doel van zijne wandeling te bereiken. Een schrijven van tante Bet had hem naar Nederland teruggeroepen. Daarin was hij voorbereid op groote veranderingen. De hoogst ernstige, bijna angstwekkende toon had hem met den uitersten spoed doen reizen. Den vorigen avond was hij aangekomen. En uit den mond van zijn spraakzamen huisbaas, een bolbleek Haagsch koekenbakker, had hij zoo gewichtige dingen vernomen, dat hij den geheelen nacht in onrustige gepeinzen had doorwaakt.
Iedereen wist het in de residentie—de rijke heer de Bruyn van Oudenhoven was op ellendige wijze aan zijn eind gekomen. In den vorigen winter had hem een zware slag getroffen. Zijn veelbelovende zoon Charles had hem eenige duizenden guldens ontfutseld, zei bakker Willemsen, en was daarna op de vlucht getogen, met zoo'n Fransche „madam” van de komedianten. De menschen vertellen er bij, dat de Fransche „madam” eigenlijk met den ouden heer had moeten trouwen, maar dat hij er geen „genie” voor getoond had. De jongeheer Charles was er nog het ergst afgekomen, want die was na veertien dagen al weer terug—de Fransche danseres had hem weggejaagd. Zijn vader deed niet beter. Er moest al vrij wat zijn voorgevallen, want de oude heer zag er na dien tijd als een stokoud mannetje uit. De jongeheer had eerst op zijn krediet geleefd, maar toen men merkte, dat er niet betaald zou worden, was hij achtervolgd en daarna plotseling verdwenen uit Den Haag. Iedereen wist, dat hij, voor een maand of vier, als koloniaal naar de Oost vertrokken was en dat de oude heer gezworen had, geen cent van 's jonkers schulden af te doen.
Maar, voegde bakker Willemsen er bij, 't was wonderlijk geweest, zoo woest en „schandalig” die oude heer na dat tijdstip geleefd, gereden en gedronken had. Bij alle koffiehuizen zag men des nachts zijn rijtuig met de fraaie schimmels staan, en in het holste van den nacht rende hij onder woest geschreeuw door de straten. Zijne bedienden hadden hem meest allen verlaten, en daarom was zijn laatste koetsier een groote brekebeen geweest. Zoo had deze voor een groote vier weken, tegen den morgenstond, een toertje met den heer de Bruyn van Oudenhoven door de stad gemaakt, en was hij met het rijtuig bij het oprijden van een brug naar het Bosch tegen een lantaarnpaal aangeslingerd, door welken schok de oude heer zijn evenwicht verloren had, en uit den open wagen op de steenen was nedergestort. Zwaar was het achterhoofd gewond en stervende was hij zijne woning ingedragen, waar hij reeds den laatsten adem had uitgeblazen, voordat zijne eenige dochter, die bij familie woonde, aan zijn sterfbed verscheen.
Wel vroeg de jonge kunstenaar zijn huisbaas tal van ophelderingen, welke deze hem met groote breedsprakigheid meedeelde, maar van mejuffrouw de Bruyn en van hare familie wist hij niets meer, dan dat zij op eene villa aan den Scheveningschen weg woonde. In den vroegen morgen was hij naar de bovenwoning van tante Bet gesneld, en daar had men hem zonder eenige verdere opheldering het nummer en den naam van het buitenverblijf meegedeeld. Eenige zijner beste vrienden, die hij daarna om inlichting raadpleegde, verzekerden hem, dat het relaas van bakker Willemsen volkomen juist was. Men verhaalde hem zelfs, dat de oude schelm zijn zoon Charles van diefstal had willen aanklagen, maar dat hij door tusschenkomst van zijne dochter dit had opgegeven. Weinig wist men hem van Mina te zeggen—eenigen hadden haar gezien in den tuin der villa, en verzekerden hem, dat zij iets lijdends in haar voorkomen vertoonde, en nimmer onder menschen verscheen.
En terwijl Adolf Weber al deze dingen met groote snelheid overwoog, klopte hem het hart van angst en verlangen tevens—nog eenige schreden, en hij zou de dierbare geliefde terugzien. Hoe zou hij worden ontvangen?
* * * * *
Een lieflijk plekje was het inderdaad.
't Was de tuin der villa, waar tante Bet zich met hare nicht Mina voor den zomer gevestigd had. Langs de zuidzijde van de woning strekte zich eene veranda uit, door een afdak en breede guirlandes van slingerplanten, vooral geurige kamperfoelie, tegen de al te felle schittering der zon beveiligd. Een rozentuin, in den vollen zin des woords, strekte zich voor het terras uit. De golvende duinrug stuitte den blik en sloot dit aan geuren en kleuren zoo rijke oord met een groenenden muur van de buitenwereld af. Wel klonk het geraas van den rijweg tot in den tuin, maar geen nieuwsgierig oog van buiten kon tot in het heiligdom der vrouwen doordringen.