Nederlandsche dames en heeren: Novellen
Part 13
„Charles! Je hebt je moeder liefgehad! Hieraan wil ik niet twijfelen! Zij hoort mij in dit oogenblik—zij spreekt tot je door mij! Nu is het al anderhalf jaar geleden—zij lag ginder boven op haar sterfbed. Je vader wist het wel, maar had niet veel tijd, zich met zijne vrouw te bemoeien. De debuten waren in de Opera begonnen. 't Zal na zevenen in den avond geweest zijn. De arme kranke lag beweegloos. Ik zat naast haar—Mina was op de knieën gezonken, en schreide zacht. Plotseling komt een luide tred en een opendoen der deur ons ontstellen. Je vader stond vóór ons—jij zelf bleeft op den drempel, beiden in groot galakostuum met al die gouden kettingen en ornamenten, waarmee mijn schoonbroer zich zelven en zijn zoon overlaadt. Jelui kwaamt van het diner—en je vader is dan gewoonlijk luidruchtiger door zijn onmatig drinken, dan een fatsoenlijk man betaamt. Ik stond op, en wees hem op zijne doodelijk zieke vrouw. Hij wenkte met de hand, dat hij maar even kwam zien—en trok je mede. Toen hief zich uwe stervende moeder op—zij klemde zich aan mij vast, en riep je naam, Charles! herhaalde keeren, met zoo angstwekkende, doordringende stem, dat ik nog dagelijks dien vreeselijken kreet in mijne ooren verneem. In dat uur fluisterde zij mij eene bede toe—eene bede voor je geluk. Jelui waart lang vertrokken en toen je des avonds terugkwaamt—was het met je arme moeder gedaan!”
De oude dame had hare blikken op het portret der gestorvene zuster gevestigd. Zij zag niet, dat de heer Charles achter zijne nog met den witten handschoen bekleede hand geeuwde. Mina had haar hoofd aan tantes schouder verborgen. Niemand zag het. De geschilderde beeltenis alleen scheen het te zien—want toen Charles die toevallig in het oog kreeg, mompelde hij zacht eenige woorden, en verdween hij met een snellen tred uit het vertrek.
II.
Vóór de deftige heerenhuizing, waar den vorigen avond de zanglievende Charles de Bruyn van Oudenhoven ophield om binnen te treden, stond nu eene vorstelijk mooie calèche met twee vorstelijk mooie schimmels. De lakei, die op den bok zat en diep in den bonten kraag van zijn knechtenpak was weggedoken, hield het lichaam en het hoofd kaarsrecht, om aan te toonen, dat hij zeer wel wist, welk eene belangrijke persoonlijkheid hij in het vorstelijk 's Gravenhage voorstelde. Op de stoep des huizes liep dribbelend heen en weer een jeugdiger Mercurius in hetzelfde pak als de koetsier. Uit zijne oogen straalde niet minder ingenomenheid met zijne eervolle betrekking als lakei-palfrenier. Aan den overkant was een lange slagersknecht juist bezig om eene bolronde keukengravin met karmozijnen koonen het hof te maken, op welk tafereel de verheven lakeien van den huize de Bruyn van Oudenhoven met innige minachting nederblikten.
De palfrenier bleef staan en riep den Mercurius op den bok toe:
„Heb ik het je niet gezeid, George!”
„Van die zotte keuken-Trien?”
„Excuseer, met dat slag van menschen bemoei ik me niet! Ik meen van den ouwe!”
„Zoo! Ja, 't is de schimmels in den grond bederven, dat eeuwige wachten! 't Wordt met den dag vervelender! En dan die Fransche prinses!”
„Asjeblieft! De kamenier van die madam is net zoo!”
Het gelaat van den achtenswaardigen koetsier nam eene uitdrukking van kortswijl aan, voor zoover 's mans aanzienlijke persoon en bediening dit veroorloofden.
„Nou Filip!”—klonk het van zijne lippen—„je bent een beste! Hoor die meid daarover eens gieren!”
Maar Filip stapte met een diplomatischen glimlach de stoep op en neer. De keukenmeid stak nog even het hoofd buiten de deur, toen de slagersknecht met zijne mand wegstapte, en wisselde een heimelijken blik met George.
Terwijl beiden intusschen in het geheim huns harten, voor de winterkou overvloedig beschermd door scharlaken vesten en azuur-blauwe overjassen, met voldoening overlegden, hoezeer de overige Haagsche menschheid een hoogen dunk mocht koesteren van hunne nuttige en achtbare personen, was de man, voor wien hun ruggegraat zich kromde, in zijne binnenkamer met de aangenaamste tijdkorting bezig.
Men zoude hem op dat oogenblik in het salon hebben aangetroffen, waar zijne dochter en de oude dame, die Charles tante Bet noemde, den vorigen avond een zoo ernstig onderhoud met dien veelbelovenden spruit des Oudenhovenschen huizes hadden gehouden. De oude heer de Bruyn van Oudenhoven was er volstrekt niet op gesteld, dat men hem een ~ouden~-heers-rang toekende. De eerste kleermakers van de residentie, zich noemende ~tailleurs~, hadden hun best gedaan, om het kostuum van den royalen klant zoo jeugdig mogelijk te maken. Hij zat op dit oogenblik in een zwierigen, rood damasten leunstoel, dus kon men niet aanstonds bemerken, hoe vlug en kort de prachtige zwartfluweelen smoking was, die 's mans magere gestalte omsloot.
Kenmerkend in den uiterlijken tooi des heeren de Bruyn was nog het gouden lorgnet, waren de uiterst hooge halsboorden met breede bruine strepen en hondekoppen en een lint, lichtgroen met rozerood, waaraan een ridderkruis in zijn knoopsgat.
De heer de Bruyn van Oudenhoven was sedert den vorigen zomer gedecoreerd. Tante Bet heeft ons reeds geleerd, hoe gelukkig de Fortuin haar schoonbroeder had bedacht. Men heeft daarenboven opgemerkt, welk eene edele kunstbescherming hij het koor- en ballet-personeel der Haagsche Opera gewoon was te verzekeren.
In deze kunstlievende kringen had eene aangename kennismaking met een jeugdigen ~attaché~ van den Laubenstein-Apfenroder Erfprins hem bijzonder gebaat. In zekere zeer galante omstandigheden had hij den jongen staatsman een belangrijken dienst bewezen, en deze had den Vorst van Laubenstein-Apfenrode over de hooge bekwaamheden van den heer de Bruyn van Oudenhoven eene belangrijke dépêche geschreven. Zoo was deze laatste ridder van 't Laubenstein-Apfenroder Luipaard geworden.
In zijn rooden fauteuil gedoken, ziet hij met zekere grimmigheid naar een glas champagne, 't welk hij tegen het licht houdt. Tegenover hem aan eene kleine ronde tafel, waarop een luisterrijk ontbijt van oesters en geroosterd brood is geplaatst, zit eene jongedame van een zeer in 't oog vallend uiterlijk. Lichtblauwe zijde teekent hare figuur met nauwe plooien van de schouders tot even boven den enkel. Een ceintuur van rood lint, rood als de vlammen van den breeden haard, waarin de kamer-Mercurius juist ijverig pookt, valt in overbreede strikken en lamfers langs het pianostoeltje, 't welk ze met opzet gekozen heeft, uit vrees voor eenige kreuking van bovengenoemde ornamenten.
Het gelaat dezer jongedame had zulk eene luisterrijke rozeroode tint, dat ze met de fraaiste wassen beelden had kunnen wedijveren, ook was de leverancier van haar blos een der aanzienlijkste ~coiffeurs~ uit de residentie. Voor 't overige had ze een alledaagsch wezen, doffe, donkere oogen, kleine vingers vol ringen, en een stel zware vlechten, aan het achterhoofd vastgehaakt, met wier geldswaarde eene zuinige arbeidersvrouw maanden lang hare huishouding had kunnen bekostigen.
Was zij rozerood, haar gastheer was perkamentkleurig geel. Had zij een hoog opstijgend haartooisel, haar gastheer vertoonde een gladde kruin met enkele kunstig gedraaide grijze haarspieren. De Bruyn van Oudenhoven vestigde nog steeds zijne kleine grijze oogen op het glas champagne, en schreeuwde op eens:
„Hendrik! schenk in! een schoon glas, als de wind!”
Hij voegde er nog een paar sterk sprekende uitdrukkingen bij, die we pro memorie vermelden, en steeds zullen verwaarloozen.
Hendrik sprong van den haard, en bood eerbiedig het gevraagde. Daarna bracht hij eene flesch van het buffet uit den hoek, en schonk.
„Nog een glas, Paquita?”—ging de gastheer voort in 't Fransch.
„Twee droppels, ~mon ami~!”
„Ja, nu ben je lief, Paquita! Omdat ik je zin doe, ben je lief! Maar ik moet nog weten wat gisteravond....”
„~Tais-toi!~”
En Mlle Paquita Duflos, de beroemde kunstenares, die zoo menig ~pas de trois~, zoo menig ~pas Bohémien~ voor het verrukte Haagsche parterre had afgedanst, sloeg met hare zwakke vuist op de tafel, dat de fraaie champagnekelken trilden. De ridder van het Laubenstein-Apfenroder Luipaard keek met onverminderde grimmigheid rechts en links, en riep:
„Hendrik! sta je daar nog zoo te luieren? Heb je de freule Mina gezegd, dat ik haar wachtte aan 't ontbijt?”
„De freule heeft hoofdpijn, meneer!”
„Kuren!”
En de heer de Bruyn van Oudenhoven stampte met zijne verlakte laarzen op het tapijt, terwijl hij een woedenden blik door de kamer wierp, doch plotseling het hoofd deed zinken, daar hij het portret van zijne overledene vrouw gewaarwerd.
De deur werd op dat oogenblik eerbiedig geopend. Eene dienstbode kwam vragen, of meneer thuis was voor den heer Adolf Weber.
„Wel zeker! Laat hem binnen! Paquita, ~ma chère~! Een beroemd kladschilder vraagt gehoor!”
Met vlugge schreden trad een jongmensch de kamer binnen. Toen hij bemerkte, dat de heer des huizes niet alleen was, bleef hij met eene uitdrukking van onaangename teleurstelling staan. De heer de Bruyn wenkte met de hand en riep:
„Ga zitten, Weber! Geneer je niet, kerel! Hendrik, geef een stoel! Een glas champagne, he?”
Adolf Weber aarzelde. Zijn gelaat was bleek, eene zekere ontroering was zichtbaar in al zijne bewegingen.
Eindelijk sprak hij met blijkbaren tegenzin:
„Reeds een paar weken heb ik getracht u te ontmoeten, meneer de Bruyn. Altijd tevergeefs. Nu meende ik gelukkiger te zijn, maar wederom is u niet alleen, en ik wilde u om de gunst van een vertrouwelijk onderhoud onder vier oogen verzoeken!”
„Met plezier, kerel! De dame daar is Mlle Duflos, eene kunstenares.... Mlle Paquita Duflos, ~monsieur~ Weber, ~un des nos meilleurs peintres~!”
De danseres nam Weber met een lorgnet langzaam op, de schilder maakte eene halve buiging, waarin vrij wat bedwongen wrevel om den hoek gluurde. De heer de Bruyn van Oudenhoven ging voort:
„We kunnen zeer vertrouwelijk spreken, Weber! Ze verstaat geen enkel woord Hollandsch! Je hoeft je niet te geneeren! Hendrik geef de flesch hier, en maak als de weerga, dat je weg komt! Niemand mag ons komen storen.”
Adolf Weber scheen een besluit te nemen, want hij plaatste zich niet ver van den heer des huizes, met den rug voor driekwart naar de Fransche danseres. Deze trok den schotel met oesters naar zich toe, en ving aan ze met grooten eetlust te verslinden. Een blik van onverholen minachting op de beide mannen vergezelde ieder harer bewegingen.
De schilder Adolf Weber had uiterlijk zeer weinig van datgene, 't welk men soms kunstenaars-„chique” noemt. Niemand kon aan zijn gezicht of kleeding iets opmerkelijks bespeuren. Hij was rijzig, had onverschrokken blauwe oogen, eene gezonde kleur en eene zekere fierheid in zijne gebaren, die een aangenamen indruk maakte. Als zoodanig leverde hij een volmaakt verschil met den vervallen, bleekgelen Maecenas tegenover hem, die zich ongelooflijke moeite gaf, om iets ontzagwekkends in toon en manieren aan te nemen, maar niets dan de lompe driestheid van een grofzinnelijken geldman in 't oog deed vallen.
De kunstenaar ving aan:
„Ik doe een beroep op uw geduld, meneer de Bruyn! Lang al heb ik u willen zeggen, wat ik u nu ga mededeelen—maar altijd hielden uwe.... zaken u bezig!”
„Natuurlijk! Gisteren een souper gegeven aan de beste artisten van de Opera! Laat geworden! Van morgen met Paquita getoerd, die er nu eens op stond bij mij aan huis te ontbijten!”
„Ik herinner u, meneer! dat in vroegere jaren, toen u nog op de kleine bovenwoning van de Zuilingstraat gevestigd was, mijne ouders zeer vriendschappelijk met u en mevrouw uwe echtgenoote hebben omgegaan. Menig avond was u met vrouw en dochter bij ons.”
„Ja, kerel! Die tijden zijn voorbij! Mijne goede nicht Daalberg heeft mij eenig vermogen vermaakt—ik heb mijn ontslag gevraagd als adjunct-commies bij Koloniën, en ben zoo langzamerhand in andere kennissen gekomen.”
„Mijne familie beklaagt zich daarover niet. Ik matig mij geen oordeel aan over uwe handelingen! Maar u zal het mij niet euvel duiden, dat ik mij op die vriendschap beroep!”
„Wil je eene schilderij verkoopen? Heb je geld noodig? Adolf! spreek vrij, kerel!”
Adolf Weber beet zich met drift op de lippen. Eene donker roode kleur trok over zijn voorhoofd. Zijn oog fonkelde. Hij bedwong zich evenwel, en ging voort:
„Ik wilde mij op uwe vriendschap beroepen, meneer de Bruyn! met een geheel ander doel! Ik zal kort zijn. Nog eene vergissing als de vorige, en ik zou moeten zwijgen! U weet, onze gezinnen hebben jarenlang met elkander omgegaan. Ik heb de zekerheid, meneer de Bruyn! dat uwe dochter Mina mij innig en hartelijk liefheeft—gelijk ik het van het eerste oogenblik onzer ontmoeting deed. Toen begon ik als kunstenaar, mijn naam was onbekend. Ik durfde haar niet van mijne liefde spreken—thans ga ik de toekomst met hoop te gemoet, mijn werk in de kunst is niet ongelukkig geslaagd. Mina heeft mij liefde en trouw beloofd, alles hangt af Van uwe toestemming!”
De heer de Bruyn van Oudenhoven schonk langzaam de glazen in, sprak een paar woorden Fransch met Paquita, en vestigde toen zijne grijze oogen door de glazen van zijn gouden lorgnet met zekere grappige verwondering op Weber. Deze zag strak voor zich, en bleef wachten.
„Weet je, wat ik er van denk, kerel!”—begon de heer de Bruyn—„Ik geloof dat je een beetje al te sentimenteel bent. Liefde en zulke kuren gaan goed op in de Opéra Comique, maar bij mij aan huis wil ik er niemendal van weten! Op zijn tijd zal Mina trouwen, natuurlijk! Maar dan zal ik er me mee bemoeien! Ze zal een aardig stuivertje erven, en er zijn liefhebbers genoeg!”
Adolf Weber stond langzaam op. Zijn oog fonkelde opnieuw. Zijne ademhaling was hoorbaar.
„Is dit uw laatste woord?”—vroeg hij fluisterend.
„Wel neen, kerel! Ik zal er nog wat bij zeggen! Je bent een voortreffelijke, beste jongen, als je nog eene mooie teekening hebt, zooals laatst, neem ik ze dadelijk voor 't zelfde geld!”
Weber sidderde, maar bedwong zich nog. Uiterlijk kalm sprak hij:
„U kan mijn aanzoek weigeren, meneer! Ik had mij er op voorbereid. Maar uwe grofheden duld ik niet!”
Luidkeels lachend wierp de ex-adjunct-commies zich achterover in zijn stoel, en riep in 't Fransch:
„Luister, Paquita! meneer maakt me eene scène! Meneer wil met mijne dochter trouwen, en is niet in zijn humeur, omdat ik weiger!”
„Wel, dat is zeer grappig!” antwoordde de danseres, die hare laatste oesterschelp nauwkeurig bekeek.
Wat Adolf Weber zou antwoorden was gemakkelijk te voorspellen, voor wien de aderen op zijn hoog voorhoofd had zien zwellen—maar in ditzelfde oogenblik opende zich eene zijdeur, en trad de dochter des huizes doodsbleek te voorschijn. IJlings trad ze op den schilder toe en riep:
„Zwijg, Adolf! Laat u niet beleedigen door dat....”
Het woord stokte op hare kleurlooze lippen, maar ze wees met eene beweging vol toorn en minachting naar de Française.
Sprakeloos van verbazing had de heer de Bruyn van Oudenhoven zijne dochter zien binnentreden—nu barstte hij eensklaps los:
„Is er hier een komplot, of wat duivel, mankeert je, Mina? Denk je, dat ik zoo stom zal wezen, om je met dien kladschilder te laten trouwen? Heb je bij de deur staan luisteren als eene keukenmeid, en denk-je, dat ik om al dat gejank een zier geef? Ik ben hier de baas in mijn eigen huis, is het niet waar, Charles?”
Deze laatste woorden werden tot den veelbelovenden zoon des huizes gezegd, die met een wijsje uit de ~Duchesse~ de kamer binnenstormde.
„Zoo, is er een scène? Bonjour, Paquita! Wat wil Weber?”
De aangesprokene had gedurende de weinige seconden, waarin dit alles geschiedde, een zwaren strijd gestreden. De bleekheid van zijn gelaat scheen ieder oogenblik doffer te worden: met de armen over elkaar geslagen, het hoofd gebogen, wierp hij een blik naar het meisje, dat hij liefhad.
„Wat ik wil?”—vroeg hij.—„Ik wil de waarheid zeggen, die mij reeds jaren op de lippen ligt, maar die ik smoorde uit eerbied voor haar!”
Hij strekte zijne hand naar Mina uit. Deze deed vastberaden eene schrede vooruit, en greep Adolfs hand.
De ex-adjunct-commies vloog uit zijn leunstoel op, en schreeuwde:
„Geene familiariteiten, als-je-blieft!”
De schilder trok zijne hand zachtjes terug, en antwoordde:
„Ik zal u de waarheid zeggen, meneer de Bruyn, bijgenaamd van Oudenhoven! Dat U u zelven niet ontziet en jaarlijks dieper zinkt in het slijk uwer liederlijkheid, dat U het huis, waarin uwe edele overledene vrouw eens leefde, en uwe arme dochter hare wettige plaats bezit, bezoedelt door de tegenwoordigheid eener beschilderde deerne, als daar ginds—dat is laag! Dat U uw zoon meesleept in uwe eigen onreinheden, dat U hem dagelijks meer verdierlijkt door uw heerlijk voorbeeld, zoodat hij van de knechts der Haagsche koffiehuizen kleine sommen leent, om ze heimelijk in handen dierzelfde deerne te storten, om u zooveel mogelijk uwe grofheden en ellende te vergelden door list en bedrog—dat is laag! Dat U een kunstenaar, op wiens eer en goeden naam ook door de bekrompenste zielen niets valt af te dingen, voorbedachtelijk uittart en beleedigt in uw huis—U, de armzalige parasiet onzer hoogaanzienlijke, Haagsche maatschappij, U, de ijdele leeglooper en lafhartige verkwister, ijdeler en lafhartiger dan de heele schitterende gilde der Haagsche leege pronkers en leege praters—dat is laag! Maar, dat U uwe eigene dochter, uwe vlekkelooze, reine dochter in 't bijzijn van deze creatuur durft te verdenken en te lasteren, dat is meer dan laag, dat is de daad van een godvergeten schoft!”
De heer des huizes schreeuwde luide vloekwoorden, Charles greep naar zijn rotting. Mlle Paquita begon luide te fluiten. Eensklaps vliegt de oude schurk naar de bel, en doet haar luide overgaan. Hendrik stort binnen.
„Hei daar, Hendrik! smijt dien ploert de deur eens uit!”
Weber maakte eene korte beweging. Hendrik stond oogenblikkelijk aan den grond genageld. Nu trad Mina op den schilder toe, greep zijne hand, en sprak zoo luide mogelijk:
„Adolf! misschien zien wij elkaar nooit weer. Het is mijn treurige plicht mijn vader te gehoorzamen! Maar wees gerust! Ik heb je trouw beloofd. Ik zal mijn woord houden!”
III.
Mlle Paquita Duflos bewoont een zeer prachtig bovenkwartier in de Wagenstraat.
Ruim een jaar is verloopen, nadat zij des ochtends ging dejeuneeren ten huize van den hoogedelgeboren heer de Bruyn van Oudenhoven, senior. Omstreeks acht uren des avonds vinden wij haar in een overdadig rijk gemeubeld salon, waar alles bijeengebracht is, wat de luim der kunstenares dag op dag aan haar gegoeden Maecenas ontfutselde, maar waarin alle orde, netheid en zorg volkomen ontbreken. Midden in het vertrek staat eene tafel met een nauw aangeroerd, kostelijk maal. Eene gaskroon werpt een hard licht op kristallen vazen en allerlei soort van wijnglazen—enkele zijn half gevuld, één is omgeworpen en verspreidt eene breede wijnvlak over het witte tafelkleed. Behalve de wanorde en dwaze overlading van dit vertrek is niets in 't oog vallender dan de ongewone menigte van photographieën aan den wand, op den schoorsteenmantel en op alle zeer kleine, sierlijke meubelen in 't ronde. Deze photographieën zijn portretten en stellen niet alleen de danseres in alle mogelijke tooneel-kostumen en poses, maar ook haar beschermer, den heer de Bruyn van Oudenhoven in velerhande houdingen voor. Levensgroote borstbeelden van dezen kunstlievenden operabezoeker in fraaie vergulde lijsten bedekken den muur naast andere portretten, die hem afzonderlijk of in gezelschap der danseres voorstelden.
Mlle Paquita Duflos, in een ~peignoir~ van witte zijde en kant, met den volledigen voorraad zwarte vlechten aan het onbeschilderd hoofd, waardoor ze een geelbleek, ziekelijk gelaat vertoont, Mlle Paquita rust in bijna liggende houding op eene sofa voor den helderbrandenden haard. Aan hare voeten knielt onze waardige vriend Charles, de melomaan, die juist met nog rauwer stem, dan vroeger, aanheft:
„Pour tant d'amour ne soyez pas ingrate, Lorsqu'il n'aura que vous pour seul bonheur!”
Mlle Paquita geeuwt, en gaapt, en gebiedt Charles te zwijgen. Deze maakt wanhopige gebaren volgens tooneeltrant, en staart in de vlammen. Een oogenblik later vangt een gesprek aan, waarbij Charles de Bruyn van Oudenhoven even nauwkeurig Fransch spreekt, als de eerste kappersbediende der residentie.
„Ik verzeker u, Paquita! dat ik het sleuteltje bezit!”
„'t Is mogelijk! Maar ik geef het kistje niet in je handen!”
„Ik begrijp je niet meer, mijn lieve demon! Je wordt behandeld als eene slavin, je klaagt en schreit soms avonden lang, en je wilt van geene rede hooren! Doe wat ik je raad, en je wordt het gelukkigste schepsel van den aardbodem!”
„Alles zeer wel, maar wij Fransche vrouwen hebben een zeker idee van fatsoen. Hij heeft het mij vertrouwd, als een bewijs van zijne edelmoedigheid—en het dan uit mijne handen te geven....”
De deur van het salon ging op een kier open, het spichtig, mager gezichtje van een kamenier gluurde naar binnen, en riep:
„~Il vient!~”
Aanstonds greep er eene groote verandering plaats. De heer Charles vloog als een krankzinnige naar de deur, keerde terug, daar een stap op de trap klonk, en bedekte zich eensklaps met de zware roode damasten gordijnen voor de vensters. Gelukkig, dat de vensterbank breed genoeg was, om hem eene veilige schuilplaats te verleenen. Mlle Paquita Duflos vlijde zich nog kwijnender tegen de sofa. Nu klonk de stap op het portaal—de heer de Bruyn van Oudenhoven, het origineel van al de portretten aan den wand, trad binnen.
Hij liep aanstonds op den haard toe—stak zijne met witte handschoenen bekleede vingeren naar het vuur uit, en knoopte vervolgens een pelsjas open, waaronder een galakostuum verborgen was. Hij vestigde intusschen een doordringenden blik op Paquita, die onverschillig in den haard bleef staren. Beiden zwegen eene geruime poos. Nadat de heer de Bruyn zich genoegzaam verwarmd had, begon hij de kleine ruimte van de kamer tusschen den haard en de tafel op en neer te loopen. Zijne gelaatskleur was hoogrood, 't zij van uitwendige ontroering, 't zij van wijn. Eindelijk stond hij weer stil en sprak, iets beter Fransch gebruikend dan zijn zoon:
„Ik heb er over nagedacht, en ik blijf bij mijn besluit! Je kunt je engagement verbreken met de directie, maar dan nemen wij afscheid van elkaar!”
„'t Is me volmaakt onverschillig!”—riep Duflos met iets krijschends in hare stem.
De oude man stampte woedend op den vloer, en schreeuwde:
„Dat is gelogen! Je hebt het me zoo even ook gezegd aan tafel en me razend gemaakt, maar nu zal ik oppassen. Ik heb een uur in de sociëteit zitten denken en tobben—de koffie heeft mij bedaard, en ik kom nu zien, of we vrede kunnen sluiten—maar liefst wat gauw, ik moet naar de Opera!”
„Men zou er je anders zeker missen!”
„Dat maakt niet uit! Antwoord me op wat ik zeg.”
De heer de Bruyn liep op de tafel toe, en schonk met bevende vingeren een groot glas rooden wijn in, welke hij in eene rassche teug verzwolg.
De Française hief het hoofd op. Een glimlach van minachting speelde om hare lippen.
„'t Is onnoodig je te zeggen, wat ik denk!”—sprak ze.—„Ik heb je zoo even mijn laatste woord gezegd, en ben deze tooneelen moe, tot walgens toe! Ga heen, amuseer je, verveel je, doe wat je wilt, maar hinder mij niet langer!”
De waardige beschermer der kunst zag met verbolgenheid in 't rond, maar antwoordde niets. Daarna schoof hij een stoel bij de tafel, trok flesch en glas naar zich toe, en prevelde zacht allerlei verwenschingen, terwijl hij langzaam een nieuw glas vulde. Daarna leunde hij met het hoofd in de linkerhand, en sprak zoo bedaard mogelijk:
„Paquita! luister nu nog eenmaal naar me! Je kunt die kleine beleefdheid mij ten minste wel bewijzen. Twee jaren zijn we vrienden geweest. Er is geen dag voorbijgegaan, waarop ik niet mijn best gedaan heb, om je genoegen te doen. Van schrielheid of onhoffelijkheid kun je me niet beschuldigen! Ik heb je in alles en altijd je zin gegeven! Maar op dit eene punt geef ik niet toe! En niet alleen, dat ik niet toegeef, maar ik vraag bovendien, dat je blijft, wat je waart—danseres!”