Nederlandsche dames en heeren: Novellen
Part 12
„Och, Herman! Je meent vader te spreken....”
„Juist! Beloof me dat eene! Als het mij gelukt dien zwendelaar te verjagen, mag ik dan tot belooning uw vader over onze liefde spreken!”
„Ik laat het aan je over, Herman!”
„Uitmuntend! Hier is mijne hand! Ik verklaar je met den meesten ernst, dat ik zeer spoedig met dien professor zal afrekenen.... nu je dit zegt!”
„Op welke manier?”
Het oorverdoovend handgeklap, 't welk een lied uit den Don Juan door Herr von Hohenburg beloonde, maakte des Rectors antwoord onverstaanbaar. De verschijning van eenige gasten belette de voortzetting van het gesprek.
Een half uur later greep er een ander gesprek plaats bij de pianino, 't welk eene geheel verschillende kleur droeg. De gasten woelden druk door elkander heen. Men maakte met onbekrompenheid gebruik van 's heeren Snijders voortreffelijken wijn. Ieder verdiepte zich met buurman of buurvrouw in een hoog opgeven over het uitstekend muzikale genot. Mejuffrouw Martha zou eene aria zoeken uit den Robert, en bladerde in een prachtig gebonden muziekboek. Herr von Hohenburg stond achter haar stoel en boog zich zoo nabij haar oor, dat zijn zwart haar hare blonde lokken aanroerde. Zij spraken Duitsch.
„Er komt een oogenblik in ons leven,”—zeide hij—„dat ons de oogen geopend worden. Het onbestemde, het nevelachtige ideaal onzer ziel wordt werkelijkheid! Toen ik het eerst dit vertrek binnentrad voor weinige dagen, zweefde mij maar eene onduidelijke voorstelling voor oogen, wat liefde was! Ik heb al dien tijd in een droom geleefd, toen is het licht geworden!”
Martha bedekte haar blos met het muziekboek. Ze ziet even op, haar voorhoofd raakt de lippen des sprekers, die zich schielijk opheft, en met den vinger op de muziek wijzend, vervolgt:
„De liefde is de waarachtige melodie van het leven, schooner dan al de melodiën van al de maestro's te zamen. Maar zij is een duet, waarbij de krachtige slag van het beminnend hart het ~tempo~ aangeeft. Mijn hart is ~allegro~.... o Martha!”
Martha verstaat den knappen man, en lispt:
„Ik kan u niets antwoorden.... u heeft goed gesproken, Herr von....”
„Noem mij toch Max, mijn eenvoudige naam, waarmee mijne moeder mij riep! Dat klinkt mij zoo weemoedig en gemoedelijk in 't oor!”
„Ik mag dit niet, Max....”
„Waarom niet?”
„Binnen weinige dagen zul-je vertrekken, dan zie ik je nimmer weer, en je vergeet aanstonds het opgewonden gesprek van het onbeduidende landmeisje.”
De eenvoudige Max bracht zijn hoofd weder aan haar oor, en fluisterde:
„Ik vergeet u nooit! Ik heb niemand lief dan u alleen! Maar u.... Martha?”
Martha boog het hoofd en scheen een moeielijke maat op het muziekblad te ontcijferen. Snel zag zij daarna op en verzekerde met dien blik alles, wat de professor durfde te droomen.
„Ik vertrek niet uit deze stad. Ik blijf, Martha! Mijn besluit staat vast. Wij kunnen nu niet langer fluisteren. Die lange jongen, dien je Rector noemt, bespiedt ons. Kan ik u morgen tien minuten zonder getuigen spreken?”
„Kom om tien uren hier, dan is papa op zijn bureau, en mama nog niet klaar! Je maakt een bezoek, eenvoudig! Niemand kan er iets op aanmerken!”
VI.
#Hier eindigt de geschiedenis van mijnheer Apollo, den wonderbare, tot verbazing van alle Beötiërs.#
Des morgens na de soirée bij den Burgemeester waren er verschillende personen in het stedeke Oosterwolde, die min of meer de naweeën van twee feestavonden begonnen te ondervinden. De dochters van den ontvanger vonden, dat Burgemeesters Martha wel wat al te vrij met dien voornamen heer omsprong, en de ontvanger vond, dat het aankoopen van zoo'n duur stuk wel wat al te kwistig was. In de ~Zon~ was de stemming niet zeer vroolijk. De kasteleines had vreeselijk tegen Géésien uitgevaren, dat kind wist niet meer wat ze deed, alles liep in de war, ze bleef soms een kwartier weg, als meneer boven schelde. Ze mocht niet meer naar boven, Hillegien zou het wel waarnemen, en na dat oogenblik zwierf Géésien met rood beschreide oogen door de „jachtweide.” Bij de Snijdersen was tevens zekere afgematheid waar te nemen. Mevrouw had hoofdpijn, en hield hare kamer. Meneer had zijne bezigheden der twee vorige dagen nog af te doen, en mocht niet gestoord worden in zijn bureel. Mina zweeg, en scheen bekommerd, alleen Martha was opgewekt en in een keurig morgengewaad aan 't lezen gegaan.
Groote bedrijvigheid heerschte er bij den Rector. Omstreeks negen uren had de post hem een drietal zeer belangrijke brieven gebracht. 't Was gelukkig Zaterdag en dan had hij geene lessen. Ontbijten en zich klaarmaken was zeer spoedig gedaan. Maar de Burgemeester kon hem nog niet ontvangen, meneer werd verzocht over een uur terug te komen. Warmenhuizen schikte zich in dezen tegenspoed en begaf zich naar de ~Zon~, waar hij met de weduwe van der Zwaag een zeer lang en gewichtig gesprek had, terwijl de beide dochters van tijd tot tijd werden geroepen en geraadpleegd.
Juist had het tien uren geslagen, toen Stientje aan den Burgemeester kwam zeggen, dat de „vremde heer van guster oavend in de veurkoamer was.” Niemand was gereed om hem te ontvangen, dan alleen Martha. Mina zou vader en moeder waarschuwen, Martha zou hem wel zoolang aan den praat houden. Toen zij de deur van de pronkkamer achter zich sloot, gevoelde Martha eene hevige hartklopping. Maximiliaan kwam met snelle schreden haar verwelkomen. Zij wist er zich geen rekenschap van te geven, maar zij rustte weldra aan de elegante borst van den knappen vreemdeling, terwijl stilzwijgend eene lange, vurige omhelzing volgde. Maar Martha ontwaakte, en hoog blozend zette ze zich in een armstoel neder. Herr von Hohenburg volgde haar met hoffelijke onderdanigheid, en knielde aan hare voeten.
„Wat is de tijd mij lang gevallen, mijne dierbare engel!”—fluisterde Max in zijn fraaiste Duitsch.—„Ik had den heelen nacht geen rust! Allerlei treurige gedachten deden mij waken! Een vreeselijke angst, dat dit heerlijke geluk mij weldra zou ontstolen worden, maakte mij kinderachtig week en bang!”
„Maar waarom”—antwoordde Martha, die haar hoofd aan zijn schouder vlijde en zijn arm om haar leest gevoelde.
„Ach, denk eens, Martha mijne! Uwe ouders zullen immers nooit toestemmen in onze vereeniging? Ik ben een vreemdeling, mijne roeping is in mijn vaderland. Ik moet eenmaal naar Duitschland terugkeeren, en jij zelve, zul-je ouders en zusters vaarwel kunnen zeggen om mij te volgen?”
Martha antwoordde niet. Allerlei aandoeningen overstelpten haar. Haar hart klopte heviger. Max raakte eerbiedig aan hare gulden lokken en drukte ze daarna vol hartstocht aan zijne lippen. Twee dikke tranen biggelden over Martha's bleeke wang.
„Je spreekt niet!”—vleide de Duitscher verder.—„Ik heb een stout, een gevaarlijk plan! Liefde is sterker dan de dood. Liefde trotseert alles! Uwe ouders zullen ons dwarsboomen! Maar wij moeten overwinnen! Martha! je zult mij volgen immers, waar ik ga? Welnu, hedenavond met het vallen van de duisternis zal een rijtuig klaar staan even buiten de stad bij het logement: de Posthoorn. Als je dan komt, zal niemand ons meer scheiden!”
Martha hief zich plotseling van haar stoel op.
„Neen”—snikte ze,—„mijne lieve ouders bedriegen.....”
Doch Max trok haar opnieuw tegen de blauwe zijden das met diamanten speld en overdekte haar voorhoofd met zachte kussen.
„Heb ik je dan kwalijk verstaan, melieve? Heb je mij geen liefde beloofd?”
Martha zag met de oogen vol tranen naar den knappen spreker, en sloeg toen plotseling de armen om zijn hals, onstuimig snikkende....
Daar wordt de deur der kamer heftig geopend. De Rector Warmenhuizen en de Burgemeester Snijders treden ijlings binnen. Met bliksemsnelheid heeft Martha zich in den armstoel doen zinken. Herr von Hohenburg heeft een album met platen ter hand genomen. 't Was te laat. Hij was verrast en betrapt. De beide heeren bleven een oogenblik verbijsterd staan, toen trad de jonge Rector vastberaden naar de tafel.
„Herr Heinrich Brandt, ik zoek u!”—sprak hij met een kalme stem.—„De commissaris van politie te Zwolle vraagt mij om uw adres!”
De man, die nu Heinrich Brandt genoemd werd, scheen plotseling van gedaante te verwisselen. 't Was of hij kleiner werd. Hij greep zijn hoed van 't tapijt en zag met een boosaardigen glimlach naar de deur. Daarna zeide hij tot den Rector met schorre stem:
„Ik versta u niet! Ik heb niets met u te maken!”
„Maar wel met mij, vervloekte schurk!”—viel Mr. Willem Snijders in.—„Valsche oplichter! Weet je wel, dat je in mijne macht bent! Dat je geen professor, geen directeur en wat nog al meer zijt, dat je met valsche ridderkruisen pronkt....”
Heinrich Brandt knoopte zijn pels toe.
„Dat je onder een valschen naam reist, schoft! Dat je te Zwolle en te Kampen dit spel evenzoo hebt beproefd! Dat je den notaris van Leek eene oude pianino voor ƒ700 hebt verkocht, zooals je mij bedrogen hebt met dat vod, valsche reiziger in oude pianino's! Had de Rector mij niet gewaarschuwd, God weet, welke schande nog over mijn huis zou gekomen zijn. Maar ik ben Officier van Justitie en ik zal je schadeloos maken!”
„Ach Jesus Maria! Das sollte mein Verderben sein!”
Heinrich Brandt prevelde deze woorden met trillende lippen. Doch de jonge Rector had een medelijdend oog geslagen op Martha, die wezenloos naar den grond bleef staren, en viel op strengen toon in:
„Ik heb nog iets aan onzen reiziger in oude pianino's te zeggen. Hij is niet alleen een beurzensnijder, hij is ook een vrouwenbederver. In de ~Zon~, waar alles vroeger vrede en vroolijkheid ademde, is nu groote verslagenheid. Hij heeft vrouw van der Zwaags mooiste dochter het hof gemaakt, op zijne kamer gelokt, zijn portret geschonken, het arme kind het hoofd op hol gebracht....”
„Nicht weiter!”—viel de verslagen Duitscher in.—„Das Gretchen hat nichts Böses erfahren!”
„Ik hoop, dat je niet liegt....”
De Rector zweeg. Martha was doodsbleek opgestaan, had zich bevende aan haar vader vastgeklemd, en toen plotseling zulk een kreet van diepe ellende en smart uitgegild, dat ieder de oogen naar haar heenwendde. De Burgemeester weende in stilte, en hief haar liefderijk op. Door de openstaande deur vlogen nu mevrouw Snijders en Mina binnen. Niemand sprak. Het zachte snikken der bedrogen jonkvrouw klonk alleen in het vertrek.
„Waar is de schoft?”—riep plotseling de Burgemeester.
Allen zagen op. De pseudo-professor was verdwenen. Zeer stil had hij zich uit de voeten gemaakt. De jonge Rector fluisterde den Burgemeester iets in, 't welk deze aanstonds toestemde.
Te twaalf uren bij de koffie waren de Snijdersen al wat hersteld van den schok. Martha's gezichtje was treurig bleek, maar zij sloeg de oogen toch op. Hare natuurlijke trots begon reeds te zegepralen over eene al te onvoorzichtige gevoeligheid. Dr. Herman Warmenhuizen deed een uitvoerig verhaal van zijne handelingen. Hij had aanstonds achterdocht gevoeld, toen hij den schitterenden vreemdeling had zien verschijnen. Hij had naar twintig verschillende plaatsen aan vrienden en bekenden geschreven en gelukkig, dat althans een drietal hem had geantwoord. Hij oordeelde het beter de zaak te laten rusten, voor de eer der familie. De menschen in Oosterwolde zouden er toch genoeg van spreken, al hield men alles nog zoo geheim.
„Ja, Rector!”—antwoordde de Burgemeester.—„Ik ben je veel verplicht, maar gelukkig weet ik een middel, om je mijne dankbaarheid te toonen. Is het niet zoo, Mina?”
De jongelieden lachten en waren onhandig verheugd, want de stille verloving van beiden was een soort van openbaar geheim in de familie.
Martha verliet stil het vertrek.
„Eene voorwaarde maak ik er bij,”—zei mevrouw Snijders.—„Jelui hebt de zaak al zoo lang geheim gehouden, laat het nu niet bekend worden voor het volgend voorjaar. 't Is om onze Martha. Overmorgen gaat ze naar Leeuwarden, om er een prettigen winter bij eene vriendin door te brengen. Daarna zal alles wel vergeten zijn!”
„Mijn brave Herman wil juist wat moeder wil!”—zei Mina blozend, en legde zachtjes hare hand in de zijne.
* * * * *
Des avonds te acht uren van dezen gedenkwaardigen dag trok meneer Ex-Apollo over de Pruisische grenzen.
EENE OPVOEDING IN DE STALLES.
Korte maar Haagsche geschiedenis.
I.
De groote klok speelde zeer luchtig:
„Je suis le mari de la Reine.”
't Was elf uren in den nacht. Een heer, die luid met de klok meezong, liep door een van de voornaamste kwartieren der residentie zoo snel mogelijk voort.
Hij bewoog zijne beide armen zeer heftig, en sloeg met een zeer korten rotting driftig door den kouden mist. Hij zette het wijsje voort, toen de klok al lang had stilgezwegen, en hield niet op, voordat hij bij de stoep van een der deftigste woningen was aangekomen. Met een miniatuur-sleutel verschafte hij zich toegang, en trad in het volle licht van de gaslantaarn.
Hij was nog zeer jong. Zijn gelaat scheen weinig merkwaardig. Donkere oogen, zwart hair, een knevel in wording, bleeke kleur, vielen 't spoedigst in 't oog. Hij trok zijne zware overjas vlug uit, en snelde de gang door. Daarna opende hij eene deur, en trad een ruim, prachtig gestoffeerd vertrek binnen. Eene gaskroon deed alles in helder licht baden—inzonderheid de breede vergulde lijsten van een aantal zeer middelmatige schilderijen. Voor eene tafel was eene sofa geschoven, waarop twee dames zaten, die met zekeren schrik den jonkman zagen binnentreden.
Deze haakte een vierkant glas tusschen de leden van zijn rechteroog en zei:
„Ah zoo! Tante Bet! Hoe vaar je? Dag Mina! Verduiveld aardig geweest van avond!”
En zich in eene tooneelhouding plaatsend voor de tafel:
„~Voici le sabre! le sabre! le sabre!~”
De jonkman had eene zeer schorre stem, maar aan de gebaren kon men zeker talent van nabootsing niet ontzeggen.
De beide dames zwegen. Er lag een open boek voor de oudste, door den jeugdigen melomaan met den naam van tante Bet aangesproken. Zij had juist gelezen. Haar hoogst ernstig gelaat droeg er nog den jongen, bezielenden indruk van, zij was te eenvoudig gekleed, om in harmonie te verkeeren met de weidsche pracht van hare omgeving—maar haar zwart kleed, de kleine grijze krullen onder de breede strooken van hare muts gaven dat ernstige gelaat eene tint van eerwaardigheid, die aantrok en tot ontzag stemde.
De vroolijke bewonderaar van Offenbach keek de beide vrouwen eene poos stilzwijgend aan. Een klein boos lachje stierf weg, toen hij de hand weder ophief en voortging.
„'t Was enorm vol! ~L'auteur de mes jours~, de honorabele heer de Bruyn van Oudenhoven, had twee ruikers in de ~loge grillée~ op stoelen naast zich geplaatst. Toen Mlle Paquita Duflos verscheen met dien vervelenden Chinees, welke altijd meespringt als zij danst, wierp onze eerwaardige vader de beide ruikers aan hare wit satijnen voeten! De heele zaal daverde van gejuich. Een heer naast mij in de stalles riep: „Leve de Bruyn van Oudenhoven!” Mlle Paquita boog naar alle kanten, en ik kreeg nog een extra-knikje!
„Oh! mon père qu'elle était belle, Et, contre mon coeur sans secours, C'est Dieu, que j'implore.... et c'est elle, C'est elle! que je vois toujours!”
De jongste der beide dames, door den schorren zanger Mina genoemd, was met eene toornige beweging opgestaan. Zij had den mond geopend tot spreken. Het gaslicht viel over haar niet onbevallig gelaat, over haar lichtbruin hair en helder blauwe oogen—zij geleek op den schreeuwer, maar verschilde nog meer van hem. De uitdrukking van hare trekken was sombere smart. Eindelijk klonk hare stem, trillend van verontwaardiging:
„Zul je zwijgen, Charles! Dadelijk zwijgen! Ik wil niet, dat tante meer hoort!”
Charles maakte eene deftige buiging. Hij stak de linkerhand in het laag uitgesneden zwarte vest, strekte zijne rechterhand uit om zijn lorgnet met een sierlijken zwaai voor zijn oog te brengen:
„Waarlijk, mejuffrouw! U is al te gestreng! Wij kennen u het recht niet toe, ons, uwen eenigen broeder op deze aarde, het stilzwegen voor te schrijven!”
Deze woorden waren volkomen op den tooneeltoon gesproken. De heer Charles had er een ongemeen behagen in, want hij beproefde in een zenuwachtig lachen te vervallen, alsof hij de kopie van een clown wilde geven.
Zijne zuster Mina viel op de sofa terug. Zij stak hare handen smeekend naar de oude dame uit, die roerloos en met wijd geopende oogen den jonkman in zijne bewegingen volgde.
„Weet je wat, Mina!”—vervolgde deze eenigszins bedaarder.—„Ik ben eigenlijk voor jou thuis gekomen, ik moet je even spreken!”
Het jonge meisje keek hem met kwalijk verholen gramschap aan.
„Veel eer!”—antwoordde ze bitter.
„De eer is aan mij, kind! Kan ik je even in de gang spreken?”
„Neen!”
„Dan zal tante Bet wel niet kwalijk nemen, als ik je hier over iets huiselijks raadpleeg. 't Is maar een kleinigheid! Papa geeft me rijkelijk zakgeld,—Maandag nog wat muntjes gehad, maar ik kan ze niet lang bewaren—en hem nu meer vragen, dat doe ik niet. Hij geeft van avond een souper aan eenige bekwame artisten van onze bloeiende Haagsche Opera in het Hotel ***, en ik heb.... eene kleine reünie met een paar vrienden. Leen me voor een paar dagen een bankje van zestig of honderd?”
De beide vrouwen zwegen.
„Kom, Mina! Ik heb niet veel tijd! Je moest het maar doen! Misschien zie ik Adolf Weber wel, je weet wel, dien gevoeligen vriend van je! Ik zal hem spreken over je goedheid....”
Tante Bet hief nu de hand op, en sprak zoo koud en kalm mogelijk:
„De heer Adolf Weber, ons beider vriend,—niet waar Mina?—is een fatsoenlijk man! Ik twijfel ten sterkste of hij zeer op het gezelschap gesteld is van iemand als mijn neef Charles de Bruyn....”
„Van Oudenhoven! als je blieft, tante Bet! Mijn achtenswaardige vader heeft de heerlijkheid Oudenhoven niet zoo duur gekocht, om kortaf de Bruyn te heeten. Maar ga voort, ga voort, tante Bet!”
„Ik wilde u verzoeken u zoo min mogelijk te bemoeien met den heer Adolf Weber en onze vriendschap voor hem!”
„Uw verzoek is zeer vriendelijk, tante Bet! Maar ik begrijp het niet!”
„Dat behoeft ook niet!”
De heer Charles de Bruyn van Oudenhoven bleef plotseling stilstaan.
„Ah ça! Maar, tante Bet, ik hoop niet, dat dit eene onaangenaamheid is!”
„Wat jij hoopt, is mij onverschillig!”
„Zoo, dat verandert. Maar dan zou ik wel eens willen weten, met welk recht u hier over mij zit, om mij zoo iets te zeggen!”
De heer Charles was de tafel genaderd, leunde met beide handen aan den rand, en sprak deze laatste woorden op uitdagenden toon.
Tante Bet knipte met de oogen. Zij had een breiwerk ter hand genomen, en bewoog met koortsachtige drift de naalden. Daar liet zij het werk eensklaps steken, en riep luide:
„Onbeschaamde jongen! Zou het mij niet geoorloofd zijn aan den zoon van mijne overledene zuster te zeggen, wat ik goed vind! Heb ik nu niet sedert drie jaren dagelijks mij geschaamd om de schande door uw vader over dit ongelukkige huis gebracht! Mijne arme zuster, uwe eigen moeder, Charles! is gestorven van verdriet! Vroeger was zij gelukkig, voor dat die rampzalige erfenis je vader tot een ellendigen lichtmis en jou tot een ellendigen leeglooper had gemaakt! Je vader is nooit een bijzonder edel mensch geweest, maar hij arbeidde ten minste, en moest van zijn klein inkomen leven. Dagelijks heb ik je moeder bijgestaan in de stille, eenvoudige bovenwoning, waar jij bent opgegroeid! De goede vrouw was zwak, beide naar lichaam en geest—jij hebt het ondervonden, dat ik je jongensstreken zwaar heb gestraft, als je vader lachte en je moeder begon te schreien. Toen zijn de dagen van voorspoed gekomen. Door handige vleierij is het je vader gelukt, zijne oude nicht Daalberg geheel in te palmen en haar testament maakte hem plotseling zeer vermogend. Van dat oogenblik was alle vreugde voor je arme moeder voorbij—je vader betrok dit huis, en maakte door zijne smakelooze snoeverijen zich berucht in de heele residentie. Maar wat het ergste was—op bijna vijftigjarigen leeftijd ving hij een leven van een losbol aan, en sleepte zijn zestienjarigen zoon overal mede. Elken avond moest jij, als een bespottelijk pronker opgedirkt, in de stalles van de Haagsche Opera verschijnen, en in de handen klappen, zoodra de gemeene deernen op het tooneel verschenen, aan welke je vader zijne bloemen toewierp....”
„Een oogenblik, tante Bet! Ik ben al lang aan uwe sermoenen gewend—maar u zal mij toch genoegen doen de dames van het ballet en het koor niet met zulke leelijke scheldwoorden aan te duiden! Dat ik uit verveling de meeste avonden in de Opera doorbreng, weet ik wel! Daar schuilt niets misdadigs in, voor zoover ik kan zien. Integendeel, ik heb er een schat van aardige airs opgedaan, die me in leege oogenblikken zeer vermaken, en als ik mij niet een poosje geërgerd had over alles, wat u daar van Mama zegt, zou ik er u een proef van geven!”
Tante Bet had hare rechterhand, die van aandoening en verontwaardiging sidderde, op het boek gelegd, waar zij voor eenigen tijd uit las.
De heer Charles de Bruyn van Oudenhoven had voortdurend de kamer driftig op en neer gewandeld, terwijl de oude dame sprak. Eensklaps trok hij een voltaire naar de tafel, ging er achteloos in liggen, en zeide:
„Nu we er toch over spreken, tante Bet! zal ik u mijne volle opinie maar eens zeggen, meteen voor Mina, dan ben ik er af, en verzoek van verdere opmerkingen welwillend verschoond te blijven. Mijn vader is rijk geworden door eene onverwachte erfenis—daar zal wel niemand tegen hebben, behalve zij, die hem benijden. Mijn vader maakt gebruik van zijn geld, helpt arme drommels van kunstenaars vooruit—laatst heeft hij nog eene teekening van Adolf Weber gekocht—mijn vader wil zich amuseeren, daar komt hij voor uit. Bovendien is hij goed en mild voor zijne kinderen, hij geeft mij alles wat ik vraag, ik ben soms verlegen om hem lastig te vallen, zooals juist van avond. Zoolang Papa niemand iets schuldig is, aan niemand verplichtingen heeft, kan niemand iets tegen den man inbrengen! Ik verlang daar nooit meer van te vernemen—alles wat ik vraag is, of Mina mij een bankje van zestig of honderd wil leenen.”
De oude dame was onbeweeglijk blijven zitten, met de hand op het boek. Mina had de beide handen om haar schouder geslagen en het hoofd tegen haar arm gevlijd. Een traan van ergernis blonk in het oog van het jonge meisje. Tante Bet knikte haar vriendelijk toe. Toen sprak zij met eene zachte, bijna roerend ernstige stem:
„Wij zullen niet langer met elkander twisten, neef Charles! Misschien val ik je nooit weer lastig met mijn gesprek. Maar dit eene moet je nog hooren! Zoo zeker als ik mijne hand uitstrek over dit heilig Evangelie, zoo waarachtig zal ik de belofte houden, die ik uwe moeder gedaan heb in het uur van haar dood!”
Zachtjes was tante Bet opgestaan, en had Mina aan hare zijde getrokken. Achter de sofa hing een levensgroot portret. 't Was de flink geschilderde beeltenis der overledene vrouw des huizes—een jaar voor haar dood in de dagen van zoogenaamden voorspoed vervaardigd. Op den grijzen achtergrond las men den naam van den kunstenaar: Adolf Weber. Tante Bet had zich ter zijde gewend en den vinger uitstrekkend naar het portret, ging zij voort: