Nederlandsche dames en heeren: Novellen

Part 11

Chapter 113,791 wordsPublic domain

„Ach zoo!”—antwoordde de schitterende professor.—„Ik vraag duizendmaal om verschooning, maar uw klavier is zeer zwak van toon! Hollandsch fabrikaat, geloof ik, zeer middelmatige instrumenten. Neen, dan hebben we er beter in Duitschland.”

„Maar ik ben met mijne piano zeer tevreden!”—viel Martha plotseling met haar kostschool-Duitsch in.—„Wij zijn in onze kleine stad niet zoo scherp van gehoor! Bovendien de piano is pas nieuw, en uit de fabriek van Schulz te Leeuwarden!”

„Ik waag het niet u tegen te spreken, mein gnädiges Fräulein! Maar ik hoor, dat u kunstenares is, en men heeft recht op het edelste en schoonste, zoodra men zulk eene bekoorlijke kunstenares is, als u.... Ik vraag duizendmaal om verschooning! Duizendmaal! Genadige Vrouw! Genadige heer Burgemeester! Genadige Freules!”

Herr von Hohenburg boog met onbeschrijfelijke bevalligheid. Terzelfder tijd bleef zijne houding edel en waardig—zoo streefde hij vooruit, en de nu werkelijk een weinig bedremmelde heer Snijders volgde hem onder het uiten van overvloedige beleefdheidsbetuigingen.

Toen deze daarna bij vrouw en dochters terugkwam, riep hij luide:

„Geen kwakzalver, hoor! Een edelman! Hij geeft concerten, om de plaatselijke armen te bevoordeelen! Verduiveld royaal! Onze piano is slecht!”

IV.

#Hier verrukt Phoebus Apollo al de Beötiërs op een na.#

Vijf dagen achtereen reeds is het stedeke Oosterwolde in rep en roer. Van den Burgemeester tot den minsten straatjongen is ieder bezig zich te bemoeien met den voornamen vreemdeling, die in de ~Zon~ logeert. De Faam geeft verschillende voorstellingen van zijn persoon. De meest algemeene lezing luidt, dat hij een schatrijk Duitsch Prins is, die belangeloos zijne kunst doet bewonderen, en uit grilligheid heel de wereld doorreist. De Burgemeester heeft hem op de sociëteit voorgesteld, waar hij het middelpunt eener goedhartige en lastige bewondering vormt. De bewoners van Oosterwolde onderscheiden zich hierin voornamelijk van de overige Nederlanders, dat zij onbegrijpelijk stug en terughoudend tegenover landgenooten, maar buitengewoon eerbiedig en vriendschappelijk tegenover vreemdelingen zijn. Herr von Hohenburg had er de dagelijksche ervaring van. Een enkel woord van hem deed het heele gezelschap in de sociëteit schateren, den tweeden avond van zijn verblijf had hij zeer vriendschappelijk in den huiselijken kring des Burgemeesters doorgebracht, den derden dag had hij bij den kantonrechter, die ongetrouwd was, met de bloem der Oosterwoldsche ~jeunesse dorée~ gedineerd, en men had er eene onbegrijpelijke hoeveelheid flesschen wijn en champagne verbruikt. Herr von Hohenburg had echter gezorgd, dat de heeren meer dronken dan hij. Hij was volkomen waardig gebleven, en had geen enkelen gewaagden volzin gesproken, een euvel, waarvoor hij zeer voorzichtig op zijne hoede was. De lijst van het concert, 't welk nu aan den avond van den vijfden dag zou plaats grijpen, was bijna door al de notabelen van de stad met ijver geteekend. Herr von Hohenburg had den prijs zeer hoog gesteld voor Oosterwolde. Niet dikwijls wilde men daar voor eenig kunstgenot ƒ2.50 betalen, de „komedianten” uit X**** lieten zich bewonderen voor 75 centen, maar boven aan de lijst van den Duitschen professor prijkten de woorden: ~Ten voordeele der algemeene armen~, welke, gevoegd bij de tooverkracht, die in zijne persoonlijke verschijning verborgen was, de koorden van ieders beurs hadden losgemaakt.

In Oosterwolde leefde echter één persoon, die zich niet bij de algemeene beweging aansloot. Hij had wel niet bijzonder veel invloed, maar telde toch mede onder de notabelen. Er bestond namelijk in het stedeke eene zeer oude instelling, die niemand vergat onder de merkwaardigheden der plaats te noemen: eene Latijnsche school. Rector van deze school was sinds een paar jaren een jongmensch, pas gepromoveerd, vreemd in het stadje, maar blijde, dat hij zijne loopbaan aldaar beginnen mocht. Het personeel der leeraren werd door hem alleen vertegenwoordigd, terwijl het getal zijner leerlingen tusschen de vijf en zeven bleef. Zijn naam was Dr. Herman Warmenhuizen, hij was gezien bij de meeste fatsoenlijke families, doch men vond hem steeds wat vreemd. Twee groote voordeelen had hij aan zijne zijde: hij was ongetrouwd, en hij wist in gezelschap tamelijk wel piano te spelen. De oude en jongere dames waren nogal op zijne hand, de heeren mochten hem niet—hij was te wijs en te stil. Hij was geen ware sociëteitsman, hij biljartte niet, hij maakte geene partijtjes, hij rookte geene Goudsche pijpen. Zijne beschaafde Nederlandsche taal maakte hem bij de Oosterwoldsche ~bachelors~ verdacht, en zijne politieke meeningen bij de ~père-nobles~. De predikant, de burgemeester en de kantonrechter hadden echter een zekeren eerbied voor hem, 't welk al de overigen in bedwang hield.

Dr. Herman Warmenhuizen had van den beginne niet in de algemeene koorts gedeeld, die na de verschijning van Professor von Hohenburg heel Oosterwolde had besmet. Hij had den beroemden man op de sociëteit gezien en gesproken. Hij verklaarde, dat hij nimmer iets van eene Lichtensteinsche hofhouding gehoord had—dat zulk een voornaam man als de professor al een zeer zonderling figuur in zulk een klein plaatsje als Oosterwolde maakte. Doch hij deed alleen een koor van lofredenaars voor den vreemden kunstenaar ontstaan, die hem even warm tegenspraken, als zij den Duitscher prezen. Vele oordeelden het volkomen ongepast en bespottelijk pedant van den Latijnschen „schoolvos”, dat hij zich zulke opmerkingen veroorloofde. Zelfs bij de familie Snijders, waar hij met gulheid ontvangen werd—men mompelde soms iets van eene geheime verloving tusschen hem en mejuffrouw Mina—zelfs bij de Snijdersen, moest hij zwijgen tegenover de opgewonden lofredenen des Burgemeesters, de uitroepingen van mevrouw en de zachte opmerkingen van mejuffrouw Martha.

Onder deze omstandigheden was het bijna met zekerheid te voorspellen, dat het concert een ongehoorden bijval zou winnen. Dr. Warmenhuizen voorzag het, en trok kwartier voor zeven van den bewusten avond naar het welbekende vereenigingslokaal der weduwe van der Zwaag. Ongewone drukte en levendigheid heerschte alom in de ~Zon~. De veldwachter stond in pontificaal bij de voordeur, en oefende naast zijn eigen, ook nog het beroep van bureaulist uit. In de „jachtweide” blonk alles nog eens zoo luisterrijk als gewoonlijk—het vuur was eens zoo hoog opgestapeld en de „tapkast” zuchtte onder de reusachtige menigte flesschen van allerlei gehalte. De kasteleines met hare beide dochters vertoonden zich in groot gala, zwarte zijde, oorhangers, bloedkoralen halskettingen met eerbiedwaardige vierkante gouden sloten en armbanden. Zij zweefden onophoudelijk heen en weer van de „jachtweide” naar de concertzaal. Daar was alles even luisterrijk en feestelijk ingericht. Al de koperen hanglampen blonken of ze van goud waren en brandden zoo helder, als ouderwetsche olielampen immer hebben kunnen branden. Het biljart was weggenomen. De ledige ruimte was met tafeltjes en stoelen bezet. Op eene kleine verhevenheid zag men de gesloten pianino des professors met waskaarsen verlicht, terwijl twee tafeltjes met groene kleeden nog tal van luchters en waskaarsen naast het klavier vertoonden. Men moest den kunstenaar kunnen ~zien~!

Reeds lang vóór zeven uren was het publiek bijna voltallig, daar het te laat komen in Oosterwolde niet tot de goede manieren behoorde. Men zag er de bloem der ongetrouwde jonge meisjes met hare moeders meestal te zamen, terwijl de heeren en jongelieden op den achtergrond der zaal afzonderlijke groepen uitmaakten. De familie van den Burgemeester had zich zonder aarzelen op den voorgrond bij de verhevenheid met de pianino geplaatst—al de vriendinnen in 't ronde fluisterden met Martha en Mina over den Duitscher. Von Hohenburg was allerbeleefdst—niets trotsch, hij was onvermoeid in 't spelen, en hij zong goddelijk! Verbeeld je, hij had voor Martha allerbeleefdst de muziek omgeslagen, toen zij de ~Judith~ van ~Bordese~ gezongen had, je weet wel:

„Sur les remparts de Béthulie Holopherne a conduit ses infames soldats!”

En aangenaam was hij in gezelschap, voor iemand van zooveel talent was het toch waarlijk niet veel als hij Martha of Mina hoorde spelen, maar met het grootste genoegen, hoor! Zoo sprak mevrouw Snijders. En de echo ging de zaal rond, tot zij aankwam bij den jongen Rector Warmenhuizen, die met teleurstelling zijn hoofd schudde, en veler verontwaardiging opwekte.

De held van den avond wachtte intusschen naar een geschikt oogenblik, om op te treden. Juist was de „jachtweide” ledig, daar allen in gespannen verwachting naar de zaal waren gesneld, en er dien avond niet voor het publiek „getapt” werd. Herr von Hohenburg droeg een prinselijken blauwen rok met gouden knoopen, twee fraaie ridderkruisen glinsterden in zijn knoopsgat, zijn witte das en vest vormden een wonder van blankheid en pracht. Voor den schuins hangenden spiegel schikt hij nogmaals de zwart blinkende hairen. Een tred klinkt achter hem.

„Ach zoo! ben jij daar Gretchen!”—roept hij uit.

Gesina kwam eene stoof halen voor eene jongedame, die wat koude voeten had. In de vijf dagen van des Duitschers verblijf is ze wat vriendelijker geworden jegens den voornamen heer, van wien ieder met lof spreekt. Wel lacht hij altijd even familiaar, wel drukt hij hare hand somtijds, of vat haar schertsend om hare leest, maar anders is hij een recht hupsch heer, een knap heer, een royaal heer—Gesina is niet meer zoo kinderachtig bevreesd, als dien eersten morgen. Herr von Hohenburg treedt op haar toe, met eene uitdrukking van ongeveinsde bewondering ziet zij hem aan.

„Ik denke nu' mal an te vangen, Gretchen!”

„De klok het al lang zeuven sloagen, meneer!”

„'t Is gerade tijd! Is de kammer vol, Gretchen?”

„Der kennen nijt meer ien, meneer!”

„Alzoo! Das geht los!”

Herr von Hohenburg glimlacht zoo vriendelijk mogelijk tegen het jonge meisje, trekt zijne witte handschoenen zoo nauw mogelijk aan zijne vingeren, en blijft naast haar staan. Zij draagt de stoof met beide handen. Plotseling slaat hij zijn arm om haar midden en drukt een vluchtigen kus op haar mond. Daarna verdwijnt hij bliksemsnel langs eene zijdeur, die uit de „jachtweide” naar de verhevenheid in de concertzaal voert—het ~entrée des artistes~. Een daverend bijvalsgejuich weergalmt tot in de „jachtweide.” Gesina is wel wat ontsteld, maar niemand heeft het gezien—en dan zoo'n knap heer.... Zij haast zich, ook bij het concert te zijn.

Professor Maximilian Brandt von Hohenburg is voor het geachte publiek opgetreden. Zijne buiging heeft de algemeene geestdrift gewekt. Hij opent zijn klavier, ziet rechts en links, trekt langzaam zijne witte handschoenen uit en legt ze op een der lichtdragende tafeltjes. Daarna zit hij recht als eene kaars, bemerkt, dat het publiek onder hooge inspanning wacht, en begint met een grillig forto zijn eerste concertstuk. Er zijn programma's gedrukt—iets geenszins alledaagsch in Oosterwolde. Het eerste stuk heette: ~Souvenir de l'Opéra: Il Trovatore de Giuseppe Verdi~. De componist van dit ~souvenir~ was de heer von Hohenburg zelf. Eene volkomen stilte heerschte in de zaal. Ieder vond zich zedelijk verplicht de muziek onvergelijkelijk mooi te vinden, en op aller gelaat vertoonde zich een glimlach van stille tevredenheid. De Rector Warmenhuizen glimlachte ook, maar uit.... medelijden.

't Zou eene te zware taak zijn, het schitterend succes des Duitschen professors in al zijne volheid te verhalen. Zoo ras zijne voordracht van eenig stuk eindigde, maakte hij zich onzichtbaar te midden van oorverdoovend gejuich. In de eerste afdeeling van zijn concert genoten de Oosterwoldenaren nog de ~Nocturne~ van Döhler en ~Rondo capricioso~ van den heer von Hohenburg zelven. Bij de laatste maten van dit laatste stuk scheen men het op den vloer der weduwe van der Zwaag te hebben gemunt—de kunstenaar werd teruggeroepen, de pauze begon. Met dit gewichtig onderdeel voor alle feestelijkheden daar ter plaatse, kwam er gewoonlijk eenige meerdere losheid onder het publiek. De dames en de heeren zagen de grenslijnen hunner verschansingen overtreden door sommige vermetelen. Men wisselde eenige woorden over de muziek. De meeste heeren waren in de gelagkamer verdwenen, die nu voor koffiekamer gold. De voorname dames schikten zich aan tafeltjes en ontvingen bezoeken van bekenden. Mevrouw Snijders zat met hare dochters in een wolk van vrienden.

„'t Is verrukkelijk!”—riep de kantonrechter.

„Onnavolgbaar!”—meende de ontvanger.

„Zoo iets hebben we hier nooit gehad!”—sprak Martha fluisterend.

„Ik hoop niet, dat de dames het mij kwalijk zullen nemen!”—zei de Rector Warmenhuizen.—„Ik vind dien Hohenburg zeer middelmatig. De muziek van Verdi is aardig, meer niet—en die ~Rondo~ is een duidelijk plagiaat!”

„Meneer Warmenhuizen is moeilijk te voldoen!”—merkte mevrouw Snijders op.

De andere heeren zwegen. Martha lachte achter haar zakdoek. Mina zag den jongen Rector snel aan, en knikte hem zoo deelnemend en vriendelijk toe, dat hij er van af zag, nog iets in 't midden te brengen.

De bewierookte professor had zich in de pauze uit de „jachtweide” verwijderd, toen hij de heeren rookers en drinkers zag naderen. Hij zocht eene toevlucht op zijne kamer. Hij neuriede zeer tevreden, toen hij de deur sloot. De maan keek helder door het groote venster naar binnen. Herr von Hohenburg wreef zich in de handen, en trok plotseling luide aan de bel. Aanstonds bijna vloog de gedienstige Gesina binnen, en bleef op den drempel staan, om meneers orders te vernemen. 't Was om eene flesch Rijnschen wijn. Even spoedig was zij terug met het gevraagde, en terwijl zij glas en flesch nederzette, greep zij naar een kurketrekker. De beleefde kunstenaar nam haar echter dit werk uit de handen, en had in eene seconde zijn glas gevuld.

„Kom, Gretchen! Doe mij dat vergenoegen, en drink een glas op de concert!”

„Meneer wordt vrundelijk bedankt—ik heb geen tied!”

Maar Gesina meende het zoo erg niet. Met eenige aarzeling voldeed zij aan het beleefd verzoek. Toen schonk de knappe heer zich zelven in, en zag haar zoo aardig lachend aan, dat zij zelve moest meelachen.

„Gij zijt nicht boos, Gretchen?”

„Och Heere mien tied!”

De uitroep gold geheel iets anders, dan wel de vraag van den vriendelijken professor. Hij had de knappe deerne vast om hare leest gegrepen, en poogde haar weder te omhelzen.

Een luid kloppen op de deur klonk plotseling. Gesina vloog naar eene zijdeur, en nauw was zij in 't donker verdwenen, of de veldwachter vertoonde zich, om Herr von Hohenburg een zak met honderdachtenvijftig rijksdaalders aan te bieden.

V.

#De Burgemeester van Oosterwolde maakt gebruik van eene voordeelige geldbelegging, en geeft een feest aan zijne vrienden.#

De opgewondenheid heerschte voortdurend in Oosterwolde. Het concert won zulk een reusachtigen bijval, dat men er den geheelen volgenden dag in huizen en straten over sprak. Het tweede deel had nog meer applaus verworven dan het eerste. Het laatste nummer was eene verrassing geweest. De heer professor had met indrukwekkende stem een „Heimath-Lied” van eigen maaksel voorgedragen, en toen was er aan het bravo-geroep geen einde geweest. Tevergeefs had Herr von Hohenburg zich bescheiden aan het algemeen gejuich onttrokken. De Burgemeester zelf had hem in den kring der zijnen gebracht—nu het concert toch geëindigd was. Er werd champagne gedronken, en bij eene aanspraak des heeren Snijders vernam het geëerde publiek, dat de armen van Oosterwolde dien avond drie honderd gulden rijker waren geworden. Er kwam geen eind aan den lof des edelmoedigen kunstenaars. Deze had zich onder de dames gemengd, en zat fluisterend te spreken met Martha. Daarna had hij tot steeds klimmend genoegen van het publiek op buitengewonen aandrang een vroolijk air uit ~Mozart's Zauberflöte~ gezongen, enz. enz. Het was zeer laat geworden. De Burgemeester had een aantal uitnoodigingen gedaan voor den volgenden avond ten zijnent. Ook had hij een lang particulier onderhoud met den Duitschen professor gehad, en zeer opgewonden met zijne vrouw gesproken over het gunstig rapport, 't welk ~von Hohenburg~ in Duitschland zou maken, en dat men nooit kon weten, waarvoor zoo iets goed was.

't Was misschien om deze reden, dat des Burgemeesters woning thans zich zoo luisterrijk tooit. De pronkkamer is door de geopende deuren met de huiskamer als ~suite~ tot feestzaal ingericht. De muziekavond zal om halfacht beginnen. Niemand is nog aanwezig. De dames des huizes maken groot toilet. Het lustig branden van de beide open haarden en het rustig tikken van eene kostbare doch smakeloos vergulde pendule verbreken de stilte. Nu wordt de deur der huiskamer zacht geopend. Mejuffrouw Martha zweeft naar binnen. Hoe bevallig staat haar dat lichtgroene zijden kleed. Zij heeft werkelijk goeden smaak—en dit is althans het gevolg van haar kostschool-verblijf. Voor het overige heeft Martha geene schadelijke invloeden ondergaan bij het „acheveeren” harer „educatie”—de kloosterachtige afsluiting en de belachelijke vormdienst hebben alleen hare verbeelding wat al te sterk gevoed en haar soms wat droomerig gemaakt. Zij heeft zich in dit uur gehaast spoedig gereed te zijn—en toch toont haar uiterlijk, dat zij dien avond de koningin van het feest wil zijn. Hare donkere oogen schitteren van ongewonen gloed, zij stelt zich buitengemeen genot voor. Natuurlijk bedoelt zij kunstgenot, als Herr von Hohenburg zijne uitstekende gave zal doen bewonderen, maar er is ook nog iets anders..... een levendige belangstelling in den persoon des kunstenaars. Gisteravond, na het concert, hadden ze samen in 't Duitsch gedweept met muziek.... en Duitsch is zulk eene lieve taal, als men een beschaafd man vloeiend en fraai hoort spreken. Zeker fluistert Herr von Hohenburg zoo intiem met haar alleen, omdat zij zijne moedertaal verstaat, en er hem in antwoordt. Die anderen zijn ook zoo bang, om een woord Duitsch te zeggen! Maximiliaan heet hij.... aardige naam: Maximiliaan!

Hier verandert plotseling de stroom harer denkbeelden door eene buitengewone omstandigheid. Zij merkt, dat er twee piano's zijn. In de huiskamer en in de pronkkamer beide prijkt een klavier. Daar heeft zij niets van gehoord. Die in de huiskamer is de hare, de Leeuwarder. Maar in de voorkamer staat eene vreemde, eene fonkelnieuwe! Heeft haar vader dit als eene verrassing dus beschikt! Misschien is het ook, dat de Duitsche professor zijn eigen klavier wil behouden.... Daar wordt de deur toevallig geopend.

„Zoo, Martha, kind!”—klinkt de stem van den Burgemeester—„wat zeg je er van? Is dat geene verrassing?”

„Die nieuwe piano?”

„Nieuwe! Zeg eenige, zeg onvergelijkelijke! Met veel moeite heb ik von Hohenburg overgehaald. Je weet wel, dat die van Schulz weinig deugt. Daar heb je er een van Laurent, een der beste fabrieken uit Parijs. Ik sprak er gisteren over met onzen professor, en vroeg hem raad voor een goed stuk—want je moet een door en door goede piano hebben, Martha! geen knoeiwerk! 't Was zeer moeilijk een wezenlijk goed instrument te verkrijgen—men moest er kenner voor zijn. Hij had voor deze ƒ800 gegeven—maar wilde haar voor geen ƒ900 weer missen! Eindelijk, nadat ik duidelijk te kennen gegeven had, dat ik hem zijn stuk benijdde, was hij edelmoedig genoeg het mij aan te bieden! Zonder winst natuurlijk voor ƒ800—maar het was een dienst. Wij zijn er uitstekend mee geholpen, en zie je, onze Duitsche vriend zal er niet over zwijgen in zijn vaderland, dat hij hier in Oosterwolde zoo goed is ontvangen en dat kan geen kwaad, kind!”

„En heeft meneer von Hohenburg nu geen klavier meer?”

„Je begrijpt, dat hij met zijne kennis spoediger een ander vindt dan wij. Hij zeide me dit zoo even nog confidentieel, toen ik in de ~Zon~ met hem afrekende!”

„En hoe komt de pianino hier zoo gauw?”

„Dit heb ik alles met mama maar in stilte geschikt, om ons feest van avond luisterrijker te maken en ook om je eens te verrassen, kind!”

Martha had de tranen van erkentelijkheid in de oogen. Zij omarmde haar goeden vader met een vroolijken blos. De Burgemeester legde met trots de hand op hare zijzachte glinsterende lokken, en gevoelde zich volkomen gelukkig.

Met luid lachende stemmen stormden nu de kleine Snijdersen in galagewaad binnen en hadden het ontzettend druk over de mooie piano, die Martha weldra voor hunne gauwe vingertjes moest sluiten. De drukke mevrouw Snijders kwam nu pratende aanhollen, en berichtte, dat de dominé en zijne vrouw al in de gang stonden. Zij was buitengewoon feestelijk gedost door eene menigte juweelen en had meer verdriet van haar struikerig en verwilderd kapsel, dan in gewone dagen. Na den predikant kwamen de meeste gasten en daaronder het grootste deel van het concertpubliek des vorigen avonds. Ook de Rector Warmenhuizen was natuurlijk gevraagd en gekomen. Hij had zich niet weder over den held van den dag uitgelaten—zijn gelaat droeg echter de sporen van ernstige bekommering, toen hij den Burgemeester begroette.

Professor Maximilian Brandt von Hohenburg maakt zijne opwachting bij de genadige vrouw „Burgemeesterin” en buigt voor al de heeren en dames met bevalligen zwier. Zijn kostuum verschilt niet veel van het concert-gala—zijn linnengoed en witte das zijn echter nog weidscher, er blinken meer ringen aan zijne vingers. Er is een oogenblik stilte in de feestzaal. De groote man weet zeer geschikt gebruik te maken van de algemeene aandacht op zijn persoon, om zijn gesteendrukt portret met loftuitend onderschrift den Burgemeester aan te bieden. 't Was eene belofte van den vorigen avond. Algemeene uitroepingen van bewondering deden aanstonds eene levendige beweging ontstaan. Had de Burgemeester geweten, dat hij de tweede was in zijne stad, die zulk een portret ontving, zijne geestdrift was wellicht minder groot geweest. De eerste begiftigde was Gesina van der Zwaag.... die toevallig op „meneers koamer” was verschenen, toen het geschenk voor den burgervader gereed werd gemaakt.

Intusschen bewezen de levendigste gesprekken, dat de algemeene stemming zeer vroolijk was. Een paar jongedames, dochters van den ontvanger, speelden op de nieuwe piano, wat wij nog niet anders gewoon zijn te noemen, dan een „~quatre-mains~.” Ieder sprak, de meisjes haastten zich aan het eind te komen, daarna volgde een beleefd, maar flauw handgeklap. Mejuffrouw Martha trad nu met een zangstuk op. Herr von Hohenburg accompagneerde zelf. Nieuwe uitroepingen van bewondering. De zwakke, doch lieve stem van Burgemeesters oudste dochter bezong de eeuwenheugende:

„Fleuve du Tage.”

Von Hohenburg improviseerde eene schitterende finale, en de geestdrift brak met onstuimigheid los. Thans werd de stemming voortdurend feestelijker. Stientje en de veldwachter, die nu als huisknecht optrad, brachten wijn en warme dranken. Ieder was voldaan. Misschien maakte de jonge Rector Warmenhuizen eene uitzondering. Hij hield zich uiterlijk zeer onbezorgd, maar volgde den Duitscher voortdurend met de oogen. In den loop van den avond trof hij de tweede dochter des huizes, die geene muziek maakte, maar aan alles dacht, 't welk hare bedrijvige en drukke moeder vergat, een oogenblik bijna alleen in de huiskamer.

„Luister, Mina!”—fluisterde hij snel.—„De zaak gaat verkeerd. Die kwakzalver strooit je beste ouders zand in de oogen, en is druk op weg je zuster 't hoofd op hol te brengen.”

„Stil, Herman! zeg het toch niet! Je zult onaangenaamheden krijgen. Ze gelooven je niet! Weet je al, dat vader die piano van den professor gekocht heeft voor ƒ800!”

„Dat 's knap van den kerel! Daar wint hij ƒ400 of ƒ500 mee! Maar ik kan het zoo niet langer aanzien....”

„Je kunt er niets aan doen, Herman! Vader heeft nog moeite gehad, om het ding voor dat geld te krijgen. Hij is in de wolken—en moeder in de wolken—en Martha in de wolken! Ons heele huis zweeft!”

„Boven den afgrond, misschien. Maar wees gerust, Mina! Wij zijn er ook met ons tweeën! Wij moeten handelen, melieve!”

„Maar wat te doen?”

„Wil je me één ding toestemmen, Mina?”