Nederlandsche dames en heeren: Novellen
Part 10
Eindelijk kwam Hillegie terug. De kachel brandde. De weduwe van der Zwaag nam nu andermaal haren blaker, en ging den vreemdeling voor naar zijne kamer. Zij had er eigenlijk maar eene, maar die was allerkeurigst. Zij moest er zelve de eer van ophouden. Nauw waren zij beiden vertrokken, of de drie drinkers bij den haard zagen elkander deftig aan. De dikste van het drietal blies eene reusachtige rookwolk uit, en riep:
„Wat 'n wind het[2] dij kerel!”
[2] Heeft.
De magerste dronk zijn glas uit, en sprak na eene kleine poos:
„Zeker zoo'n mofsche koalhans!”
De derde eindelijk blies rookwolken weg, en dronk tevens zijn glas uit, terwijl hij wederom na eene poos opmerkte:
„Pas moar op, Hillegie! moak, dat je de kerel zien centen kriegt!”
„Doar bin' wie nijt bang veur, meneer Jellemoa! Veur 't brengen van zien koffer hettie twij gulden geven!”
„En nou vraagt meneer om een karaf vol cognac met woater en suker! Gauw wat!”—riep de weduwe, die met zekere haast binnenstoof.
II.
#Hier begint de vestiging van meneer Apollo, den wonderbare, in Oosterwolde en zijne eerste kennismaking met de Beötiërs.#
Halfelf in den voormiddag. De vreemde heer, die den vorigen avond in de Zon is komen logeeren, heeft luid gebeld. De weduwe van der Zwaag is nog ontoonbaar in haar morgengewaad en zonder oorijzer, maar hare jongste dochter Géésien, eene verminking van Gesina, „het de muts al op.” Met zekere nieuwsgierigheid wipt de vroolijke deerne de trappen op, die naar het boven den hoofdingang gebouwde pronkvertrek leiden. Na een zacht tikken op de deur, treedt ze haastig binnen en vraagt:
„Het meneer scheld?”[3]
[3] Heeft meneer gescheld?
De reiziger knikt allervriendelijkst ja. Hij staat van zijne tafel op, waar de rest van zijn ontbijt valt waar te nemen. Hij is nog ruim zoo zwierig gekleed als den vorigen avond.
„Ik woude u etwas vragen, mijn liebes kind!”—zegt hij.—„Geeft het bij u ook een groote vertrek, waar damen en heeren versammelen? Voor concerten, ballen, theaterstukken....”
„Veur 'n bal? Joa, meneer! Bi ons!”
„Bij u? Ach zoo! Dat is kostlich!”
„'s Winters heb' we drij bals van de groote sociëteit en twij van de burgers! Zummers heb' wie mit peerdemarkt en mit harddroaverij nog twijmoal bal....”
De zwierige reiziger loopt even zijn vertrek op en neer. Hij glimlacht steeds even aanmoedigend. Daarna blijft hij in eene schilderachtige houding bij de tafel staan, beide armen over de borst kruisend. Gesina gaat intusschen voort met hem op te sommen hoevele voortreffelijkheden zich in de Zon vereenigen. De slotsom is, dat er beneden eene groote zaal is, waarin gedanst wordt, en zeer zelden ook een concert wordt gegeven. Meneer behoeft niet te twijfelen, of de zaal groot genoeg is, want in den vorigen winter hebben zelfs de „komedianten” uit X, de hoofdstad van de provincie, er gespeeld. Gesina glimlacht even, en voegt er bij:
„Moar meneer is toch zeker nijt bi de komedianten?”
„Gewis, niet, mijn liebes kind! Aber.... wie is toch ihr naam?”
„Géésien!”
„Gretchen! Ach zoo! Das is een prachtvolle naam! Al onze schönste jonkvrauwen heeten Gretchen! Nu, Gretchen....”
De reiziger deed twee stappen van de tafel, en roerde even op zachte wijze de vingertoppen van „Gretchen” aan. Daarna zag hij haar met zijne helderblauwe schitterende oogen zoo innemend aan, dat het jonge meisje, vuurrood van verlegenheid, tevergeefs poogde eenige stugheid aan den dag te leggen. Meneer wilde beneden de zaal zien. Snel springt Gesina vooruit, meneer ijlt haar na, maar heeft haar toch eerbiedig de hand gedrukt. Beneden loopt het „liebes kind” zoo vreeslijk snel door de gang, dat haar grijs kleedje aan de groote kist blijft haken. Doch ze getroost zich liever een goeden winkelhaak, dan dat meneer met zijne drieste oogen haar komt helpen. Zoo is ze een tweetal trappen opgevlogen, heeft de deur geopend, en staat nu boven. Meneer volgt haar, en treedt haar ter zijde in een zeer ruim vertrek, dat vrij wel op een bal- of concertzaal zou gelijken, indien het niet veel te laag van verdieping ware.
In gedachten wandelt hij dit vertrek op en neer. Gesina leunt tegen een biljart, 't welk met een wit stofkleed is overdekt, meneer gluurt een raam uit naar den zonderlingen, spitsen toren met blauwe leien, die een der sieraden van Oosterwolde uitmaakt. Daarna zegt hij:
„De kammer is kostlich, Gretchen! Voortreflich! Hept u niet een paar kerl', om mijn te helfen an die groote kist hier te bringen?”
„Gretchen” denkt even na. De vreemde heer wil een kist brengen op de groote zaal, waar de „Heeren” om halftwee sociëteit houden—kan dit? En wat zit er in die kist? Als er zich moeilijke gevallen, of onoplosbare vragen voordoen, neemt Gesina als brave dochter altijd het advies van moeder. Snel loopt ze naar de deur en roept:
„Meneer blieft even wachten! Ik zel even zijn!”
De vreemdeling blijft alleen. Hij plaatst zich weder bij een venster. Het volle daglicht schijnt over zijne rijzige gestalte. Niemand kan met recht volhouden, dat hij wezenlijke knapheid en innemendheid mist. Zijne trekken zijn fraai, zijn gelaat in rust heeft bijna eene edele uitdrukking. Het hooge, blanke voorhoofd, de fijne gebogen neus, de purperen lippen, waarom een glanzig zwarte knevel krult, de zeldzaam lange, fijne en behaagziek verwarde hairlokken, die, meestal achter het oor weggestreken, naar de schouders golven, dit alles vormt hem tot een knap man. Zijne oogen zijn wel fraai blauw en schitterend, maar de uitdrukking mist waardigheid. Zij werpen wat al te vrijmoedige blikken in 't rond, daar blaakt een vuur in van zinnelijke driestheid en ijdel zelfvertrouwen. Meestal evenwel is dat vuur getemperd door de half gesloten oogleden en den allereerbiedigsten lach, die elk zijner woorden vergezelt.
Voor het stedeke Oosterwolde is hij veel te zwierig gekleed. Zijn keurige sluitjas van donkere kleur doet maar een zeer klein deel van het hooge sneeuwwitte vest en der lange blauwe zijden das te voorschijn komen. Genoeg evenwel, om de kolossale diamanten speld te doen fonkelen, waarnaast een helder groen en rood lint in zijn knoopsgat schittert, eene ridderorde van den Vorst van Lichtenstein.
Geruime poos staat hij aan het venster te turen. Eene breede straat, half plein, half rijweg, strekt zich voor hem uit. Huizen van ééne verdieping, zonder eenig bijzonder kenteeken, maar kleinsteedsch van de grondvesten tot aan de daksparren, een paar lindeboomen boven een tuinmuur, de spitse toren, een paar kwajongens op groote houten klompen, een paar boeren met drie runderen, een paar kippen, die ijlings wegvluchten, dit is het tafereel, 't welk zich aan onzen Lichtensteiner Ridder voordoet.
„Philister, und noch einmahl Philister!”
Terwijl hij dit met zekere bitterheid binnensmonds prevelt, naderen snelle voetstappen. De weduwe van der Zwaag met Hillegie en Géésien, allen in oorijzer en kanten muts, treden de zaal binnen.
„Wol meneer de kist in de zaol brocht hebben?”—vraagt de kasteleines.
„Ach ja! Laat maar een paar kerl kommen!” Doch zoo snel ging de weduwe niet tot het ontheiligen van hare zaal over. Met een vloed van woorden betoogde ze, dat de „Heeren” er sociëteit hielden en of de kist niet in de gang kon blijven. Zij was verbijsterd over het schoone kostuum en de voorname manieren van haar gast, maar vroeg toch luide, wat er dan toch eigenlijk in die kist was.
„Mijn klavier!”—zei de vreemdeling snel.
Moeder en dochters zagen elkander aan, en begrepen de zaak maar half. Met een voornamen glimlach voegde hij er thans bij, dat zijn „klavier” moest ontpakt worden, dat het niet veel plaats innam en zeer „famos” was. Maar spoedig, zeer spoedig. De kasteleines had dikwerf hooren verhalen, dat voorname vreemdelingen, vooral Engelschen, de eene of andere zonderlinge liefhebberij aankweeken, en daarom meende ze nu, dat deze niet zonder zijn „klavier” zou kunnen leven. Fluisterende met hare dochters, werd er nu besloten den staljongen en den tuinman te laten roepen. Haar gast was intusschen reeds in het voorportaal en poogde de pianokist van den muur te schuiven. Met groote voorzichtigheid, terwijl nog twee keukenmeiden, wier zilveren oorijzers en zwarte kousen—zij hadden hare klompen op hoog bevel achtergelaten—een zweem van glimlach bij den klavierman deden ontstaan, op het ijverigst medehielpen, werd nu de groote en zware kist, naar de zaal gedragen. De Lichtensteiner Ridder gaf allerlei bevelen in zijne moedertaal, die niemand recht begreep, doch de kist stond weldra zonder ongeval bij een der vensters. In een ommezien had hij zelf de planken losgemaakt en ontdekte nu voor de verbaasde lieden uit de ~Zon~ eene fraaie pianino. Met groote bedrijvigheid deed hij de houten bekleedselen wegbrengen, had hij het instrument geopend en liet hij plotseling een stroom van luide en grillige akkoorden door de zaal galmen. Het stuk was wat ontstemd, weldra had hij er de vergulden luchters afgelicht, de pianino van voorwand ontbloot, en een stemsleutel ter hand genomen. Hierop ving hij ijverig aan te stemmen.
De kasteleines, de meisjes, de keukenmeiden, de staljongen en de tuinman bleven op eerbiedigen afstand staan luisteren. Misschien was er in geheel Oosterwolde maar één piano, die met deze kon wedijveren, bij den Burgemeester. En die hadden de meeste hunner nooit gezien. Als de vreemdeling soms eensklaps met beide handen de volle kracht van zijn stuk liet doorklinken, zagen zij elkander vol verbazing aan. Weldra was de zuiverheid van toon hersteld. Zonder naar zijne hoorders om te zien, wier tegenwoordigheid hij evenwel had opgemerkt, ving hij aan met eene vlugge, aangename melodie te doen hooren. Plotseling viel hij in met eene vrij zwakke, doch dragelijke tenorstem een Duitsch lied aan te heffen. De kasteleines en hare huisgenooten hielden den adem in. De beide jonge meisjes volgden met vroolijke blikken den zanger. Dat hadden ze nog nooit zoo gehoord! Zoo mooi kon juffer Martha van den Burgemeester niet zingen! Hoor, hij zwijgt. Twee forsche akkoorden, alles is stil. Meneer rijst op, en sluit de pianino. Het publiek deinst af, en verdwijnt met groote overhaasting uit de zaal.
III.
#Hoe Mr. Willem Snijders in den kring der zijnen gewoon is aan de koffietafel te regeeren.#
Oosterwolde was een plattelandsstadje met een drieduizend inwoners, eene arrondissements-rechtbank, beroemde veemarkten, een weinig nijverheid en veel ongetrouwde meisjes. Men was er uren ver van alle groote of grootere steden. Al het verkeer met de omliggende plaatsen werd levendig gehouden door een paar goedaardige trekschuiten. Een telegraafkantoor werd door niemand gehoopt, en ieder Oosterwoldenaar van geboorte begreep, dat er nooit eenige de minste kans voor een spoorweg zou komen opdagen. Het stedeke had daardoor een zeker vast karakter verkregen, waarom elk eenigszins buitengewoon voorval aanstonds de algemeene belangstelling wekte. Men zag er niemand vreemds, dan de boeren en boerinnen uit den omtrek, de eersten met ouderwetsche hoeden en zilveren tabaksdoozen, de laatsten met gouden hoofdijzers, „stiften” en lompe oorhangers. De doortocht van een man met een draaiorgel, of van een troep nomadische Duitsche horenblazers, maakte eene geweldige gebeurtenis uit. Al wat Oosterwolde aan straatjongens bezat, schaarde zich rondom het vreemde verschijnsel op de straat, terwijl de vaders der gezinnen met al hun personeel op de stoep hunner woningen post vatten.
Eene zekere stoffelijke welvaart was in Oosterwolde evenwel niet te miskennen. De handel in vee en landbouwvoortbrengselen, waarvan de stad meer en meer stapelplaats werd, bracht veel vertier aan. Winkeliers, logementhouders en procureurs deden er schoone zaken, 't welk zich zichtbaar aankondigde in de netheid en frischheid der meestal kleine huizen. Heerenhuizingen van twee verdiepingen vond men er wel, maar die behoorden tot de uitzonderingen. Eene der aanzienlijkste lag juist aan 't eind der breede straat, die het heerenlogement de Zon onder hare sieraden telde. Dit huis lag, een eind van de andere woningen in den omtrek verwijderd, in de schaduw van twee reusachtige kastanjeboomen. 't Was stevig en hecht gebouwd, maar de architect had bijzonder weinig goeden smaak aan den dag gelegd. Goede smaak was in 't algemeen in Oosterwolde zeer duur. De huizing nu, met de kastanjeboomen als wachters voor den ingang, was bij ieder bekend en beroemd, daar woonde de Burgemeester.
Mr. Willem Snijders, van beroep advocaat en notaris, had met koninklijk goedvinden de eereplaats in de Oosterwoldsche magistratuur bezet. Op het oogenblik, waartoe onze waarachtige historie thans genaderd is, vinden wij hem in zijne vroolijke en welingerichte huiskamer. De familie gaat koffie gebruiken. Bij de zilveren kan treffen we mevrouw Snijders aan, eene zeer bedrijvige en drukke, maar extra vroolijke en gulle dame van diep in de veertig met zeer ongehoorzaam lichtbruin hair, 't welk ze voortdurend met eene snelle beweging onder de muts wegschuift. Voorts ontmoeten we nog twee jonge dames, Martha en Mina, die al onze aandacht waard zijn. Martha is eene beroemde schoonheid, Mina had te grooten neus, om voor mooi door te gaan. Martha was eene flinke, lief glimlachende jonkvrouw met ongemeen fraaie blonde, lange krullen. Mina was niet zoo mooi, maar ieder hield bij uitstek van haar. Zij was mevrouw Snijders plaatsvervangster in alle huiselijke zaken van gewicht, en de afgod van hare talrijke jongere zusters en broers. Een deel van dezen zit ook aan de koffietafel, rondwangige meisjes met lange witte schorten, en twee mannetjes met blond krullend hair en inkt aan de vingers.
Voorzitter was daar evenwel de Burgemeester zelf, Mr. Willem Snijders in eigen persoon. Deze brave magistraat was zeer klein, had kleine vlugge, grijze oogen, een klein kaal voorhoofd en kleine grijze bakkebaarden. Hij was even levendig als zijne vlugge gade, sprak niet zoo rad, maar daarom te gewichtiger. Hij achtte zich zelven zoo gelukkig en tevreden, als een zeer rijk man in Oosterwolde maar eenigszins zijn kan. Hij had geld genoeg, om in Amsterdam of Den Haag equipage te houden, maar zijne familie en die zijner vrouw behoorden tot de Oosterwoldsche patriciërs, en daarom had hij geen het minste denkbeeld naar de Heerengracht of den Vijverberg te verhuizen. Eerzucht had hij in zekere mate: bij alle dingen, die zijn huis en familie betroffen, moest solide weelde en onbesnoeide ruimte heerschen. Voor 't overige bemoeide hij zich met niets, zelfs niet met de politiek. Eene candidatuur voor de Tweede Kamer had hij van de hand gewezen, alles, wat hij misschien van dien aard wenschen mocht, stond in betrekking tot zijn maagdelijk knoopsgat.
't Had juist twaalf geslagen. Mevrouw Snijders schenkt de dampende koffie in, Mina snijdt een stuk koek voor de meisjes en knaapjes, die heel stil moeten blijven zitten, want vader leest de „oprechte” Haarlemmer. De mooie Martha heeft een boek naast haar kop koffie, en werpt er ter sluik een blik in. Zij leest eene verbazende hoeveelheid romans in 't jaar, meest alle uit het Engelsch vertaald en vol brave helden en heldinnen.
Mr. Willem Snijders legt de krant neer, en zegt:
„Geen nieuws vandaag! Uit Leeuwarden wordt veel gepocht over een groot concert!”
„Dat mag wel! Concerten zijn heel prettig in Leeuwarden!”—zegt Martha, die den vorigen winter in Frieslands hoofdstad heeft gelogeerd.
„Litholf en nog zoo'n snuiter!”—vervolgt de Burgemeester.
„Hier is nooit eens concert!”—antwoordt de dochter.
„Kom, kom!”—valt moeder in.—„Hier is het Nut, en bals en allerlei pretjes! Ik zou er niet voor in Leeuwarden willen zitten!”
„Ja, mama dweept met Oosterwolde, dat weet ik wel!”
De mooie Martha had dit met eenig humeur gezegd. Opmerkelijk was het ook, dat mevrouw Snijders eene andere uitspraak van hare moedertaal bezigde, dan hare dochter. Mama sprak eenigszins in den trant der kasteleines uit de Zon, en Martha had de uitspraak van een duur kostschool in Gelderland, waar zij drie jaren was „gesoigneerd.”
De Burgemeester vond het niet aangenaam, als er verschil van meening was onder de zijnen. Hij hield veel van zijne knappe dochter, hij pronkte graag met haar in bijeenkomsten van het Oosterwoldsche publiek, maar de zienswijze van zijne vrouw en de liefde voor zijne stad deden hem elke minachting van deze laatste ernstig tegenspreken.
„Hoor eens, Martha! Ik vind het niet aardig, dat je zoo van Oosterwolde spreekt! Jij bent de dochter van den Burgemeester! En wat de concerten betreft....”
Juist werd de deur geopend, en bracht de „kamermeid” Stientje een kaartje aan den Burgemeester. De heer Snijders zag het onverschillig in, maar maakte plotseling eene beweging van verwondering.
„Daar heb je het al!”—riep hij uit.—„Hoor eens, welk bezoek wij ontvangen:
Prof. Maximilian Brandt von Hohenburg, Fürst. Hofpianist und Director des Fürst. Theaters zu Lichtenstein-Vadoetz.
„Stientje!”—gaat de Burgemeester voort,—„laat meneer in de voorkamer! Deksels een professor! En ik in mijne grijze ochtendjas! Dat kan onmogelijk! Ik vlieg, om mijn rok aan te trekken!”
De Burgemeester was niet gewoon dagelijks vele professoren in Oosterwolde te ontmoeten, en dan zoo'n aanzienlijk man! Intusschen gevoelde hij genoeg van zijne burgemeesterswaardigheid, om zich niet bedremmeld voor zijn bezoeker te vertoonen. Zijn rok en witte das, welke laatste hij dagelijks droeg, stonden hem in dit goede voornemen bij, zoodat hij uiterst deftig de deur van zijne voorkamer ontsloot, en den diepbuigenden professor een stoel aanbood.
„Professor Maximilian Brandt von Hohenburg, de Lichtensteiner Ridder met de pelsjas, thans resideerende bij de weduwe van der Zwaag in de ~Zon~, heeft de eer zich bij den „genadigen” heer Burgemeester te vervoegen met tweeërlei doel. Hij reist voor zijn genoegen door het westen van Europa, en bezoekt thans Nederland. Zijne vorstelijke genade, de Vorst van Lichtenstein, heeft hem deze kunstreis opgedragen, om zich van de tegenwoordige ontwikkeling der toonkunst in het westen van Europa een helder denkbeeld te vormen. Vorst Johan II is een zeer verlicht Maecenas, waarvan Herr von Hohenburg slechts de nederige dienaar is.
Maar Herr von Hohenburg beoefent ook in alle nederigheid de kunst. Hij is professor aan de vorstelijke kunstacademie van zijne vorstelijke genade. Hij is vorstelijke hofpianist en directeur der muziek van de vorstelijke opera te Lichtenstein-Vadoetz. Het is zijn voornemen in alle plaatsen van Nederland, die hij bezoekt, bij uitzondering één concert te geven. Als de „genadige” heer Burgemeester denkt, dat een klavierconcert in zijne stad eenigen bijval mocht verwerven, dan....”
Herr von Hohenburg heeft dit alles in zeer vloeiend en hoffelijk Duitsch gesproken. De Burgemeester van Oosterwolde houdt zich ferm, maar is lang niet op zijn gemak. Duitsch spreken is volstrekt zijne gewoonte niet. Een gek figuur maken kon een man van zijne waardigheid nog veel minder, vooral tegenover zulk een diplomatisch kunstenaar als de heer von Hohenburg, zeker een edelman, en dan met zoo iets roods en groens in zijn knoopsgat.
„Vergun me, meneer de Professor, dat ik in mijne moedertaal u antwoorde....”
„Bitte, bitte, gnädige Herr!”
„Ik geloof, dat er hier in Oosterwolde een zeer dankbaar publiek voor pianomuziek zou gevonden worden, en we hebben een vrij goede zaal in de ~Zon~ bij vrouw van der Zwaag.”
Herr von Hohenburg beaamt de woorden van den „genadigen heer Burgemeester”, daar hij echter Duitsch blijft spreken, en geene moeite doet zich in hetgeen hij Hollandsch noemt uit te drukken, zullen wij hem hier als tolk ter zijde staan.
„Ik zou u echter raden, meneer de professor, om vooraf eene lijst bij de notabele ingezetenen rond te zenden, men is zoo zeldzaam in de gelegenheid iets goeds te hooren!”
„Ach! ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik moet u nog iets mededeelen! Ik behoor niet tot de zoodanige artisten, die concerten geven voor geld. Mijne kunst heeft edeler doel. Ik laat een entrée betalen, om na aftrek van de noodzakelijke kosten het batig saldo in de armenkas te storten!”
Mr. Willem Snijders, die tot nog toe met het denkbeeld, dat de Duitsche professor voor geld concerten gaf, zich zelven een riem onder het hart had gestoken, gevoelde nu, dat alle bewustheid van meerderheid hem ontzonk. Hij glimlachte nog vriendelijker dan te voren, en verzekerde meneer den professor dat hij zijne komst in Oosterwolde op hoogen prijs stelde.
Herr von Hohenburg had gebogen, gelachen, en de kamer rond gezien. Bij het ontdekken eener pianino had hij met onweerstaanbare losheid zich naar het stuk begeven, het geopend en als gedachteloos een paar akkoorden gegrepen. Plotseling weer naar zijne stoel terugsnellend, riep hij uit:
„Ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik heb de slechte gewoonte, als ik een klavier zie, aanstonds naar de toetsen te grijpen....”
„Integendeel! Ik hoopte reeds, dat u ongemerkt zou hebben doorgespeeld!”
De beide heeren putten zich van weerszijden uit in tallooze hoffelijkheden. De slotsom was eindelijk, dat de beroemde professor von Hohenburg zich nogmaals voor de pianino plaatste, en na onder menigte van sierlijke zwenkingen met hoofd, lichaam en armen, een stroom van luidklinkende melodiën door het pronkvertrek van den Oosterwoldschen Burgemeester deed ruischen. Mr. Willem Snijders was geheel verrukking. Hij wist niet hoe hij zijn voornamen gast zou danken. Hij verhaalt, hoe zijne oudste dochters beiden wat aan muziek doen. Intusschen phantaseert Herr von Hohenburg verder. De Burgemeester zou waarlijk, als meneer de professor er niets tegen had, zoo gaarne mevrouw Snijders en zijne oudste dochters.... De professor vraagt duizendmaal verschooning voor de hooge eer.... De Burgemeester heeft gebeld. Weldra verschijnen de drie dames, die in de aangrenzende kamer geene noot van de muziek verloren hebben.
Zoo spoedig zij de kamer binnentraden, had Herr von Hohenburg zijne sierlijkste en innemendste buiging gemaakt. Met een snellen blik had hij het mooi gezichtje van Martha waargenomen en in stilte een paar Duitsche woorden gemompeld, die zeer plat, maar zeer vleiend voor de dochter des Burgemeesters waren. Beide meisjes hadden echter eene te schuchtere natuur, om in het eerste oogenblik veel op den schitterenden heer te letten, door haar vader met veel omhaal van naam en qualiteiten deftig aan haar voorgesteld. Herr von Hohenburg vroeg eenige duizenden malen om verschooning, aan de „gnädige Frau Bürgemeisterin” en aan de „gnädige Fräulein.” Hij had maar even aan de pianino geraakt, en het was zijn noodlot, dat hij onwillekeurig bleef spelen. Mr. Willem Snijders wilde vrouw en dochters gaarne op de hoogte brengen van al de verdiensten des vreemden professors, en voerde hem weder naar het klavier terug.
Toen speelde de bereidwillige en edelmoedige kunstenaar eene uitvoerige phantasie met gedruischmakende fortissimo's, en zwenkte hij allerbevalligst heen en weer op de lage pianotabouret. Martha volgde hem oplettend, en was in diepe aandacht verzonken. Het knappe gelaat van den Duitscher, de geniale wijze van het hoofd te buigen, terwijl zijne linkerhand soms plotseling de over zijn voorhoofd vallende zwarte hairen wegwierp, het merkwaardig uitheemsche, 't welk zijne geheele gestalte een soort van tooverglans schonk, dit alles maakte op haar eenvoudig, maar stil dwepend gemoed een zeer diepen indruk. Daarbij kwam, dat zij het niet bijster ver in de muziek gebracht had, en vol verbazing de vaardigheid van den vreemdeling waarnam. Deze eindigde nu snel zijn woesten storm van tonen, en stond glimlachend naast de dames. Ieder zweeg met dankbare waardeering. Herr von Hohenburg begreep, dat hij het best deed onder dezen indruk te vertrekken. Hij sluit de fraaie pelsjas over al de pracht van zijn uitgezocht kostuum, en greep de coquette parelgrijze handschoenen.
De Burgemeester uitte een stroom van vriendelijke dankbetuigingen, hij had niet vermoed, dat er zulk een schat van fraaie geluiden in zijne pianino verborgen was.