Nederlandsch handboek voor roeisport

Part 7

Chapter 73,937 wordsPublic domain

Maar hiermede willen wij geenszins aantoonen dat groote spierkracht van geen nut is. Zeker zal, wanneer bij 2 roeiers alle voordeelen gelijk zijn, de grootere kracht bij den één de schaal naar zijn kant doen overhellen. Maar ze is niet van zooveel gewicht als men over 't algemeen gelooft, en in geen geval kan ze in de plaats komen van 't gemis aan eene goede methode van roeien. Men zorge echter bij de keuze van roeiers niet gedecideerd zwakke personen te nemen, daar het noodig is dat ze gedurende elken slag op zich zelf den riem gemakkelijk door 't water halen; anders kan men niet verwachten dat ze diezelfde beweging honderden malen zullen kunnen herhalen.

Aangeboren taaiheid strekt tot aanbeveling.

Ook geeft eene lange, slanke gestalte een voordeel bij het roeien, omdat men dan om een even grooten slag te maken als door iemand van korter, meer ineengedrongen lichaamsbouw wordt gemaakt, zijn lichaam minder voorover en achterover behoeft te strekken, en dus vanzelf gemakkelijker roeit.

Na de keuze der roeiers gaat men over tot de aanwijzing van ieders plaats in de boot. Hierbij zijn eenige regels in acht te nemen. Als slagroeier (_strokeman_, _chef de nage_, _Schlagmann_) kieze men den besten roeier, of hem, die door meerdere geoefendheid boven de anderen uitmunt. De slagroeier is 't, die de grootste verantwoordelijkheid in de boot draagt. Vertraagt hij zijn tempo, verliest zijn slag de noodige veerkracht, noodwendig moet dit terugwerken op de anderen, want ze moeten hem volgen, en al waren ze de beste roeiers der wereld, ze kunnen er niets aan doen.

Ook zijn kalmte en koelbloedigheid zeer gewenschte eigenschappen in hem, om dezelfde reden, dat hij 't tempo moet aangeven. Een zenuwachtige slag heeft dikwijls een wedstrijd doen verliezen, evenals kalmte en beleid hem vaak doen winnen. Te gelegener tijd uitgevoerde "_spurtjes_", het juist gebruik maken van zwakke oogenblikken van de tegenpartij, zijn dikwijls beslissend geweest op een race tusschen ongeveer gelijkstaande ploegen.

In die oogenblikken is het de taak van de overige leden der ploeg, maar vooral van den 2en slagroeier, om oogenblikkelijk 't veranderd tempo te volgen; geen halve slag mag daardoor ongelijk worden, op 't zelfde oogenblik dat de slagroeier zijn tempo verandert, moeten de overigen dit als een elektrischen schok voelen; wij herhalen het, in de 1e plaats de 2e slagroeier, want volgt hij niet, dan zullen alle stuurboordroeiers eveneens achterblijven; hij is als 't ware de slagroeier aan stuurboord.

Bij de aanwijzing van ieders plaats komt 't gewicht in aanmerking. Het grootste gewicht moet in 't midden der boot gelegd worden, dus in een vierriemsgiek zijn 2e slagroeier en 2e boeg de zwaarste personen, zoo 't kan de 2e slag nog zwaarder dan de 2e boeg. De boeg (_bow_, _brigadier_, _Bug_) is de lichtste, terwijl de slagroeier minder gewicht moet hebben dan de twee in 't midden der boot gezetenen. De gewichtsverdeeling is echter niet van overwegend belang; stel dat iemand door zijn regelmatig tempo, etc., de meeste geschiktheid bezit als slagroeier, maar tevens de zwaarste van de ploeg is; dit laatste zal dan geen verhindering mogen zijn om hem als slag te doen plaats nemen. Eerst wanneer een tweede, wat die geschiktheid betreft, met hem gelijk staat, zal de gewichtsverdeeling in aanmerking mogen komen. 't Gewicht aan bakboord moet ongeveer gelijk zijn aan dat aan stuurboord; anders zou de boot naar één kant "overliggen", hetgeen alleen verholpen kan worden doordat de stuurman meer naar den kant van 't minste gewicht gaat zitten. Behalve dat dit laatste nadeelig voor de boot is, heeft het nog dit inconvenient dat de stuurman bij de minste schommeling van de boot door wind of golven weer naar 't midden van zijn zitplaats zal glijden, in welk geval 't evenwicht weer verloren is.

Een punt aan groot belang is dat de krachten aan stuurboord en aan bakboord zooveel mogelijk gelijk zijn, zoodat, wanneer 't roer losgelaten wordt, de boot eene rechte lijn volgt en geen van beide boorden, zooals 't heet, "_overgetrokken_" wordt. Duidelijk is het, waarom.

Trekt een van de boorden over, dan ziet de stuurman zich genoodzaakt voortdurend 't roer naar één kant om te halen, hetgeen met meer of mindere kracht voortdurend het vaartuig in zijn gang tegenhoudt.

* * * * *

Zijn de roeiers gekozen, is ieders plaats in de boot aangewezen, de ploeg kan dan "_in training_" gaan. De beteekenis van 't engelsche woord "_to train_" is africhten; hij, die de handeling pleegt is _de trainer_.

In Engeland is dit gewoonlijk een "_professional_" (d. i. iemand, die van een zekeren tak van sport, in casu van 't roeien, zijn beroep, zijne broodwinning heeft gemaakt) of een gewezen _professional_, die in dienst treedt bij eene roeivereeniging, om de ploegen voor de wedstrijden af te richten, door hun, bij de oefeningen en bij hunne levenswijze met raad ter zijde te staan en het noodige toezicht over hen uit te oefenen. Ook in Duitschland is bij de groote roeivereenigingen de gewoonte om trainers in dienst te nemen, heerschende, en in Frankrijk en België niet onbekend.

In Nederland echter heeft ze nog geen ingang gevonden, hier worden de jongere roeiers geoefend en getraineerd door hunne oudere collega's, leden of eereleden van de vereeniging. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat eerstgenoemd gebruik veel voor heeft. De in dienst genomen trainers toch zijn niet alleen beproefde roeiers, of het geweest, maar bovendien menschen die er hun beroep van maken om de fouten in eens anders methode te ontdekken, en in de roeikunst onderwijs te geven. Dit nu is eene kunst op zich zelf.

Het doel van de training is natuurlijk om de ploeg in den toestand te brengen waarin zij haar toppunt heeft bereikt, en de baan in den kortst mogelijken tijd aflegt. De engelschen zeggen dan dat men "_in condition_" is.

Daarvoor is noodig dat de roeiers reeds vóórdat de training begint, goed kunnen roeien. Het is een zeer verkeerd begrip, dat ze dat gedurende de training wel kunnen leeren. Daarvoor is de tijd te kort; men moet dan de laatste hand aan 't werk leggen, om zoo te zeggen, de puntjes op de i zetten. Het spreekt van zelf, dat vooral bij jonge roeiers gedurende de training de stijl zich aanmerkelijk nog zal verbeteren, maar men mag het daarop niet aan laten komen, ze moeten reeds vóór dien tijd geoefende roeiers zijn.

De training dient: 1º. om van de verschillende roeiers één geheel te maken. Het is mogelijk dat ieder op zich zelf goed is, maar de ploeg slecht; 2º. om de taaiheid der spieren, de kracht der longen en het weerstandsvermogen van 't hart tot op 't maximum te brengen, dat ieder der roeiers voor zich bereiken kan.

Om dit doel te bereiken, moet men zich dagelijks vele vermoeienissen getroosten, vele genietingen ontzeggen. Hieraan is 't dan ook toe te schrijven, dat zoo velen zich niet aan het régime willen onderwerpen. Want dat er zijn, die van de training weinig zouden verwachten, kunnen wij niet gelooven, wanneer de resultaten zoo helder aan den dag komen, niet alleen op 't gebied van de roeisport, maar ook van de andere takken van sport. Wanneer wij zien dat ~Axel Paulsen~, om wien te Leeuwarden op zijne oefeningen de Friezen, als spreeuwen om een kraai, cirkels beschreven, op den wedstrijd op de lange baan met glans overwon, wanneer wij hem bewonderen als hij op het laatst even hard rijdt als in 't begin, dan is 't onmogelijk dat wij in ernst over de training minachtend de schouders ophalen. Moeten wij niet veeleer denken aan gemis aan wilskracht, aan gemakzucht?

In hem, die het wel aardig vindt aan een wedstrijd deel te nemen, en dit als een grap beschouwt, kunnen wij het verschoonen, dat hij zich niet aan de ontberingen wil onderwerpen, en zich niet al te veel moeite getroost. Maar den echten liefhebber van den sport strekt het tot schande!

* * * * *

Welke zijn nu de middelen om het bovenomschreven doel te bereiken? Wanneer wij de handboeken over den roeisport opslaan in het hoofdstuk over de training, dan vinden wij daarin een overvloed van voorschriften, die in de kleinste bizonderheden de dagverdeeling en de levenswijze der roeiers in training aangeven. Behalve dat meestal hierdoor te weinig rekening wordt gehouden met 't verschil in lichaamsgesteldheid, in krachten, in gewoonten van de verschillende roeiers, heeft deze wijze van behandeling bovendien deze grove fout, dat de geheele regeling te bezwarend, ja onuitvoerbaar wordt. Het is daarom ons doel in de volgende regelen aan te geven eene wijze van training, die het minst mogelijk afwijkt van de dagverdeeling, levenswijze en gewoonten in Nederland in zwang. Ieder wijzige deze naar zijne bizondere bezigheden, die hem verhinderen haar juist te volgen, zooals ze hier zal worden aangegeven.

Ter bevordering van de regelmaat zullen wij de in acht te nemen voorschriften in 3 cathegorieën verdeelen.

In de eerste plaats komt in aanmerking _de oefening in de boot_. Noodzakelijk is 't hieraan de grootste zorg te besteden. Om het grootst mogelijke nut van deze oefeningen te trekken moet men ze niet te snel op elkander doen volgen. Twee oefeningen daags, ieder van 1½ uur, zijn wenschelijk, een des morgens en een des avonds (daar bij ons alle wedstrijden in den zomer plaats hebben). De slag zorge er voor, vooral in de eerste week der training, een niet te snel tempo aan te geven, maar zulk een, dat door allen gemakkelijk gevolgd kan worden. Men moet nog leeren gelijk roeien, men moet aan elkander gewennen en eenigszins dezelfde manier van roeien verkrijgen; daarvoor is 't vooral noodig dat men niet overhaast wordt. Gaat 't niet goed, dan is 't raadzaam om een oogenblik te rusten; in 't algemeen is 't wenschelijk op de oefeningen, na de helft van den afstand afgelegd te hebben, 10 min. of een kwartier te rusten. Men zal dan dikwijls bemerken, dat op den terugtocht beter geroeid wordt dan bij 't heengaan.

Is er meer gelijkheid in de bewegingen van de roeiers gekomen, dan worde het tempo versneld, en sommige kleine afstanden mogen zelfs met groote krachtsinspanning geroeid worden.

Men ga er echter niet te spoedig toe over een baan op tijd te roeien; dit bederft den stijl en vergt te veel van de krachten der roeiers. Eerst wanneer de roeiers aan elkaar gewoon zijn geraakt, en een paar weken van de training achter den rug zijn, dan mag er "_een baantje geroeid worden_." Maar dit mag niet te dikwijls herhaald worden, want eene lange oefening van 1½ uur is als regel veel beter.

Het is o. i. nuttig dagelijks een "_start_" te maken, en gedurende 1 of 2 min. het versnelde tempo te behouden. Maar men beginne ook hiermede eerst nadat de ploeg eenige vorderingen gemaakt heeft.

Overigens is er weinig te zeggen van de wijze waarop in de boot geoefend moet worden. Veel hangt af van de krachten der roeiers. Hiermede vooral moet de trainer te rade gaan, en ook de bemanning zelve moet beoordeelen hoeveel zij van haar krachten kan vergen.

Maar wij wenschten toch, vooral voor jonge roeiers, een raad te geven: men denke niet dat hoe grooter de dagelijksche arbeid is, des te sterker de ploeg wordt, want het gevaar voor overspanning is dan groot. Werkelijk, 't is geen zeldzaam geval, dat men op 't einde van de training zwakker wordt, omdat men "overtrained" is; en dit is dan meestal 't gevolg van 't overmatig baantjes roeien.

De groote moeilijkheid, die zich bij de training voordoet, is juist deze, dat men moet ontwijken twee klippen, aan den eenen kant te slappe oefening, aan den anderen kant overspanning, in één woord, men moet nabij komen aan het maximum, dat van ieders krachten kan gevergd worden, zonder hem af te matten.

Als tweede middel tot oefening van de spieren, maar vooral van hart en longen, diene het _hardloopen_.

Ook hiervoor geldt natuurlijk de waarschuwing tegen overspanning. Men beginne daarom met slechts eenige minuten in kalmen draf te loopen, en telkens op te houden, wanneer de ademhaling te moeilijk wordt. Langzamerhand worden de afstanden grooter, en sommige daarvan met grooter snelheid afgelegd. Op deze wijze gebruike men des morgens daags een ½ uur. Maar deze oefening mag geen afbreuk doen op de oefening in de boot; zoodra men bemerkt dat men spoedig vermoeid wordt bij het roeien, moeten de oefeningen in het hardloopen ingekort worden.

Zoowel door de oefening in de boot als door 't loopen verliest men 't overtollige vet. Dit is bevorderlijk voor de vrije werking van hart en longen, en ook van de spieren.

Maar wij houden het voor bepaald nadeelig om nog bovendien kunstmatig te doen zweeten door b.v. na het hardloopen in bed onder de dekens te gaan liggen, waardoor de transpiratie nog eenigen tijd wordt voortgezet, zooals door sommigen (o. a. ~Victor Silberer~) wordt aangeraden. Op deze wijze verliest men krachten, zonder dat de spieren, zooals bij het natuurlijke zweeten 't geval is, door de gezonde oefening worden gestaald. Bovendien wordt door strenge training, op de wijze zooals hierboven is aangewezen, van zelf het vet tot een minimum teruggebracht.

Tot de derde cathegorie brengen wij de regels en voorschriften omtrent de _levenswijze_ en het _dieet_ gedurende de training in acht te nemen.

Eene geregelde levenswijze, vroeg naar bed en vroeg op, is eerste plicht. Het spreekt van zelf dat na den vermoeienden dagelijkschen arbeid het lichaam eene flinke rust noodig heeft. Veel hangt ook hier af van ieders gewoonte; een bepaald aantal uren is daarom niet als regel aan te geven, maar ieder zorge volkomen uitgerust des morgens op te staan, zonder nochtans uit luiheid na voldoenden slaap in bed te blijven liggen.

Wat het te gebruiken voedsel betreft, zijn alle vet aanzettende spijzen verboden, en moeten de krachtige spieren vormende gerechten gezocht worden. Zoo zijn rundvleesch en des morgens bij 't ontbijt eieren als hoofdvoeding te gebruiken. Ook bladgroenten zijn aan te raden; daarentegen aardappelen, zetmeelinhoudende groenten, als boonen, erwten, enz. kortom alle meelspijzen af te raden.

Ook vette kost, als varkensvleesch, en ook al te versch brood is nadeelig.

Eene hoofdzaak bij de training is de onthouding van allerlei genietingen; maar tevens zijn de voorschriften hieromtrent gegeven, die, welke het meest overtreden worden, en waarbij men helaas! geneigd is groote toegevendheid jegens zich zelven te betoonen.

Dat de omgang met het andere geslacht streng verboden is, laat zich gemakkelijk begrijpen. Vele krachtige sappen worden dan door het lichaam verloren, die het onmogelijk missen kan, want, wij hebben het reeds gezegd, dagelijks wordt het maximum krachtsinspanning van het lichaam gevorderd; en het is onzin te beweeren, dat men door wat meer voedende spijs te gebruiken de krachten kan herstellen, want ook de maag moet reeds het maximum arbeid verrichten, reeds zooveel voedsel wordt opgenomen, als mogelijk is zonder oververzadigd te worden.

Dat 't gebruik van sterken drank en het rooken uiterst nadeelig is, het is eene algemeen bekende zaak; 't eerste omdat het 't bloed te snel in beweging brengt, het tweede omdat 't nadeelig op de longen werkt. Deze moeten zooveel mogelijk zuivere lucht inademen; vandaar ook dat 't aan te raden is, gedurende de training zooveel mogelijk in de open lucht te zijn.

Bier is nog bovendien om deze reden verboden, omdat het vet aanzet. 't Gebruik van een enkel glas wijn, wij kunnen het eerder goed- dan afkeuren, vooral bij het middagmaal en dan aangelengd met een weinig water, omdat het in dezen vorm den dorst meer lescht dan zuiver water.

Dikwijls ziet men roeiers in training na afloop van hunne oefeningen groote hoeveelheden water drinken; en dit is zeer begrijpelijk, omdat men door 't zweeten soms een bijna onlijdbaren dorst verkrijgt; en toch is 't zeer verkeerd daaraan zonder eenigen tegenstand toe te geven. Men drinke nooit een glas in één teug leeg; dit lescht den dorst niet, een oogenblik daarna gevoelt men weer bijna evenveel behoefte, en op deze wijze wordt de maag gevuld met plassen vloeibare stoffen, terwijl de beschikbare ruimte, om 't zoo uit te drukken, gebruikt had moeten worden tot opneming van krachtige spijzen. Een goede raad is 't om bij 't drinken slechts kleine slokjes van tijd tot tijd te nemen; op die manier wordt de dorst gestild door eene betrekkelijk kleine hoeveelheid. De ondervinding heeft ons zelf geleerd welk verrassend resultaat men door deze wijze van handelen kon verkrijgen. Gingen wij op eerstgenoemde wijze te werk, door met groote teugen te drinken, dan waren wij nauwelijks tevreden met 7 à 8 glazen water bij het middagmaal. Later zagen wij in dat dit nadeelig was, en bemerkten toen, dat door de hierboven aanbevolen methode reeds 3 glazen onzen dorst konden lesschen.

De vraag, welke de duur van den trainingtijd moet zijn, is niet in 't algemeen te beantwoorden. Het hangt van verschillende omstandigheden af. In de eerste plaats van de lengte van de baan, die op den wedstrijd afgelegd moet worden. Is deze kort, dan kan men volstaan met een korter trainingtijd; is hij daarentegen lang, dan is ook eene langdurige training noodig om "_in conditie_" te komen. Verder hangt de beantwoording van de vraag af van de meerdere of mindere geoefendheid der roeiers. Hebben deze reeds meermalen op wedstrijden medegedongen, en dus reeds meermalen eene training medegemaakt, dan zullen ze eerder in conditie zijn dan 't geval is met jonge roeiers, die voorzichtiger behandeld moeten worden, kalmer moeten beginnen, en daarom langer tijd noodig hebben. Onzes inziens zou als middelmaat kunnen dienen de tijd van 6 weken. Maar in alle geval moeten allen reeds voor de eigenlijke training geregeld eenigen tijd eene dagelijksche oefening hebben gehad, daar 't lichaam anders niet voldoende in staat is om plotseling zulk eene zware inspanning te verdragen. De overgang zou dan te schielijk zijn.

* * * * *

Als slot van dit hoofdstuk laten wij volgen eene proeve van eene verdeeling van den dag voor roeiers in Nederland.

Men staat 's morgens om zeven of acht uur op, al naar men de gewoonte heeft vroeg of laat zijne legerstede te verlaten. Het lichaam wordt met koud water geheel gewasschen, of zoo de gelegenheid open staat, even in 't water ondergedompeld, daarna met een ruwen handdoek hard afgewreven.

Vóór het ontbijt nog gaat men dan ongeveer een half uur uit en begint zijne oefening in 't loopen op bovenvermelde wijze. Men mag zich echter vóór het ontbijt niet te veel vermoeien; daarom is het beter, zoo men den tijd heeft, om deze oefening zeer kort te maken, en haar in den middag te herhalen. Men zorge steeds voor deze oefening andere kleeren beschikbaar te stellen, die na afloop ervan uitgedaan worden, om 't lichaam met een ruwen doek af te wrijven en schoon te droogen. Na drooge kleeren aangetrokken te hebben, en toch vooral niet denzelfden flanellen borstrok, gebruikt men een stevig ontbijt.

Tot 1 uur is men vrij; op dat uur begint de oefening in de boot, en deze duurt tot half drie.

Om de lunch niet te kort hieraan te doen voorafgaan, beginne men er wat vroeger mee, dan men gewoon is, zoodat een uur minstens verloopt na afloop van de lunch vóór 't begin van de oefening. Het overige gedeelte van den namiddag is men vrij. Voor zoover deze vrije uren niet bezet zijn door bezigheden, waartoe men door zijn werkkring verplicht is, brenge men ze door in kalme beweging zooveel mogelijk in de open lucht. Liggen is in alle geval verkeerd.

Na het diner begint om 7 uur of half acht de 2e oefening in de boot; deze duurt tot half 9 of 9 uur. Niet te kort voordat men zich te ruste begeeft wordt nog een matig avondmaal gebruikt, bestaande uit niet te zware spijzen; om half 11 of 11 uur gaat men ter ruste.

Het zal niet voor iedereen mogelijk zijn deze dagverdeeling te volgen, maar, wij herhalen het, hij wijzige ze dan naar de eischen van zijne werkzaamheden, zooveel mogelijk echter zóó, dat de lichamelijke arbeid over den geheelen dag wordt verdeeld.

Het komt ons voor dat wie, zooveel in zijn vermogen is, dezen leefregel volgt en daarbij de andere gegeven voorschriften nakomt, het onschatbare genoegen zal smaken dagelijks zijne vorderingen te bemerken, en telkens bij de oefeningen zich sterker en veerkrachtiger te gevoelen. Met zelfvoldoening zal hij op 't einde van de training kunnen terugzien op den zoo goed gebruikten tijd, waarin hij zijn lichaam gehard, zijne wilskracht gestaald en zijn levenslust opgewekt heeft. Met een kalm hart en een gerust geweten zal hij op den dag van den wedstrijd op de baan verschijnen, die voor hem wellicht roemvol zal worden!

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

ZESDE HOOFDSTUK.

DE WEDSTRIJD (_race_, _course_, _rennen_).

Eindelijk is dan de lang verwachte dag aangebroken, die door eene overwinning of eervolle nederlaag de kroon op het werk zal zetten. Velen zijn van meening, dat de roeiers op den dag vóór den wedstrijd denzelfden leefregel moeten volgen, dien zij den ganschen trainingtijd hebben gehad; dus de loopoefening, roeioefeningen, enz. ook dien dag waarnemen. Anderen raden aan, dat eene raceploeg dien dag in volkomen rust moet doorbrengen om op die wijze als 't ware dubbele krachten voor den wedstrijd zelf te verzamelen.

Wij zijn het meer eens met de laatsten en kunnen deze methode bij ondervinding als de beste aanbevelen. Een eindje kalm roeien is dan goed, maar alle inspanning moet vermeden worden.

Wat dus nog al eens in de laatste weken van dien tijd gedaan wordt, "_het zoogenaamde baantje roeien_", mag op den dag vóór den wedstrijd volstrekt niet geschieden.

Het beste is om alsdan met kalmen slag de baan een paar keeren af te roeien, zoowel voor den stuurman om zijn koers voor den volgenden dag vast te stellen, als voor de roeiers om zich te oriënteeren en aldus in staat te zijn gedurende den strijd hunne krachten verstandig te verdeelen.

Op den voorgaanden dag dus nooit de roeiers afmatten!

Twee uren vóór den aanvang van den wedstrijd gebruiken de roeiers een stevig, maar niet overvloedig maal, bestaande uit vleesch en eieren; en daar de wedstrijden bij ons te lande meestal te 1 ure aanvangen kan dit maal dus gevoeglijk als lunch gelden, en zal er een kop koffie bij kunnen gebruikt worden.

De stuurman begeve zich intusschen, zoo hij dit den vorigen dag nog niet gedaan heeft, naar de regelingscommissie om alle noodzakelijke inlichtingen aangaande afgaan, baan, draaiboeien, passeeren der winboei, enz. te verkrijgen.

Na dan een uurtje met praten te hebben doorgebracht, wordt het al spoedig tijd zich naar het terrein van den strijd te begeven, de boot te water te laten en een oogenblik met kalmen slag op en neer te roeien om de spieren wat lenig te maken.

Daarna gaan de roeiers op een beschaduwd plekje zitten tot het nummer aan den seinpaal wordt geheschen, dat den wedstrijd aankondigt, waarin zij zullen mededingen. Mochten zij alsdan dorst of liever een droge keel hebben, zoo zal een slok spuitwater geen kwaad doen. Men moet echter op den dag van den wedstrijd niet drinken, zoo men er geen bepaalde behoefte aan heeft, en ook dan nog de kleinste hoeveelheden.

De ploeg stapt dus in, zorgt dat de sliding-seats goed loopen; dat het stootleer van den riem goed, doch niet al te rijkelijk gesmeerd is; dat de spoorplank goed vastzit; dat de voetriem geen gevaar loopt te breken; dat de kleederen niet kunnen knellen, doch vrij en los om het lichaam zitten. Nauwlettendheid is hierbij noodig, daar op alle wedstrijden slechts ongevallen, die door de schuld van mededingers zijn veroorzaakt, recht tot reclame geven. De stuurman zorgt, dat zijne stuurlijnen niet doorgesleten zijn op het juk van het roer, dat zijn zitkussen stevig op den bank bevestigd is, zoodat hij er niet mede naar de zijden kan glijden.

Hij bespreekt nog even met den slag eenige zaken, die zij op den vorigen dag hebben overgelegd b.v. welke theorie te volgen met het afgaan, welke draaiboei te nemen, zoo men de keus heeft, op welke punten spurts te maken, enz.