Nederlandsch handboek voor roeisport

Part 6

Chapter 63,867 wordsPublic domain

Wij laten hier nog volgen eenige regels voorgeschreven door den schrijver van "_The principles of Rowing and Steering_", en eenige door hem aangewezen meest voorkomende fouten.

"The requisites for a perfect stroke are:

1º. Taking the whole reach forward, and falling back gradually a little past the perpendicular, preserving the shoulders throughout square, and the chest developed at the end.

2º. Catching the water and beginning the stroke with a full tension on the arms at the instant of contact.

3º. A horizontal and dashing pull through the water immediately the blade is covered, without deepening in the space subsequently traversed.

4º. Rapid recovery after feathering by an elastic motion of the body from the hips, the arms being thrown forward perfectly straight, simultaneously with the body, and the forward motion of each ceasing at the same time.[3]

[3] Wij hebben hierboven in dit hoofdstuk eene andere meening verdedigd.

5º. Lastly, equability in all the actions, preserving full strength without harsh, jerking, isolated, and uncompensated movements in any single part of the frame.

Faults in rowing.--The above laws are sinned against when the rower

1º. Does not straighten both arms before him.

2º. Catches the water with unstraightened arms or arm, and a slackened tension as its consequence; thus time may be kept, but not stroke; keeping stroke always implying uniformity of work.

3º. Rows round and deep in the middle, with hands high and blade still sunken after the first contact.

4º. Keeps one shoulder higher than the other.

5º. Doubles forward and bends over the oar at the feather, bringing the body up to the handle and not the handle up to the body.

6º. Strikes the water at an obtuse angle, or rows the first part in the air.

7º. Shivers out the feather, commencing it too soon and bringing the blade into a plane with the water while work may yet be done; thus the oar may leave the water in perfect time, but stroke is not kept. This and No. 2 are the most subtle faults in rowing, and involve the science of shirking.

8º. Rolls backward, with an inclination towards the inside or outside of the boat.

9º. Turns his elbows at the feather instead of bringing them sharp past the flanks.

10º. Throws up water instead of turning it well aft off the lower angle of the blade. A wave thus created is extremely annoying to the oar further aft; there should be no wave travelling astern, but an eddy containing two small circling swirls."

§ 4. _Het scullen._

Men zorge er voor, alvorens in eene scullingboot plaats te nemen, het roeien met één riem in den grond te kennen. En dan nog is het den beginner geraden in eene zware boot met vaste banken te beginnen, daar men in eene lichte raceboot reeds aan het bewaren van het evenwicht zoozeer zijn aandacht moet wijden, dat de beweging zelve er door op den achtergrond zou geraken.

Het is ook wenschelijk dat het materiaal vooraf door een ervaren sculler worde nagezien, want hetgeen bij het roeien in 't algemeen over 't aanleeren van fouten door slecht materiaal gezegd is (bv. verkeerde stand van de dollen, van het stootleer, enz.) geldt in nog grooter mate bij het scullen. Men lette hierbij vooral op de voldoende ruimte tusschen de dollen, want, daar de hefboom van een scull korter is dan van een riem, is de hoek door een scull met de dollen gevormd, ook scherper, waaruit volgt, dat de dollen verder van elkander moeten staan, zal de scull niet er tusschen bekneld raken.

De vereischten voor een goeden stijl in het scullen zijn dezelfde als bij het roeien met één riem. Door de hanteering van twee riemen wordt de beweging echter van zelf iets gewijzigd, want men wordt nu niet meer gedwongen met de eene hand verder te reiken dan met de andere, en zoo ook worden beide handen op 't einde van den slag even ver naar zich toe getrokken.

Een punt van onderscheid maakt de lengte van den slag uit. In eene scullingboot kan en moet de slag langer zijn dan in eene andere.

Bij de voorwaartsche beweging reeds kan de sculler iets verder reiken, daar hij zijne armen naar beide zijden voor zich uitspreidt, zoodat het lichaam recht voorover gestrekt kan blijven, terwijl de roeier, wil hij zich zoover mogelijk naar voren strekken, in dat geval genoodzaakt is zijn lichaam naar binnen te buigen en dan nog zijne armen niet recht voor de borst heeft.

Maar het is vooral in de achterwaartsche zwaai dat de sculler zijn slag veel langer kan maken.

Zoo de roeier zich te veel achterover geeft, zal het einde van den slag zeer zwak zijn, want de hefboom van zijn riem wijst naar zijn borst, en moet dus naar den binnenkant van zijn lichaam getrokken worden. Want indien het binneneinde van den riem zóó lang was, dat het handvat naar zijne borst getrokken kon worden, ook al was hij evenmin achterover gezwaaid, dan zouden al weder zijne armen buiten de richting van het lichaam vallen op het oogenblik, dat de riem een rechten hoek met het boord vormt, juist op het punt waarop de uitwerking van de ingespannen kracht het grootst is. Bij den sculler daarentegen snijden de rechts en links werkende krachten elkaar in het middenpunt der breedte van de boot, zoodat het lichaam steeds in de richting der kiel kan blijven werken, ook al is het nog zoo ver achterover gestrekt.

Eene zaak van gewicht is nog deze:

Bij het scullen is het nog meer noodig dan bij 't gewone roeien, dat de armen na het einde van den slag in eens gestrekt worden; de handen moeten bliksemsnel naar voren worden geworpen om eene aanraking met de knieën te voorkomen; voor deze aanraking bestaat nl. bij het scullen meer gevaar, daar de handen, niet op gelijke hoogte, maar de een boven de andere over de knieën worden gebracht.

Deze beweging, juist uitgevoerd, zal de schouders terugbuigen en de vrije ademhaling bevorderen.

~Walter Bradford Woodgate~ geeft nog eene andere afwijking aan van de regels gegeven voor 't gewone roeien.

Hij zegt nl. dat een sculler op 't einde van den slag niet de sculls naar zijn lichaam moet trekken, maar 't lichaam aan de sculls optrekken, dus juist iets doen wat bij 't roeien met één riem streng verboden is.

Als redenen voor deze afwijking worden opgegeven de volgende argumenten:

1º. Bij het scullen wordt een langer slag gemaakt, het bovenlijf wordt verder achterover gezwaaid, zoodat een extra kracht noodig is om het weer op te heffen. De buik- en lendespieren zullen dus overmatig worden ingespannen, zoo zij niet ondersteund worden, doordat 't lichaam aan de riemen wordt opgetrokken.

2º. Het gewicht van het bovenlijf wordt, zoodra de sculls 't water verlaten hebben, op de lendenen overgebracht. Is nu het lichaam op dat oogenblik ver achterover gestrekt, dan zal het gewicht rusten op het voorste gedeelte van de boot, waardoor de boeg "_dompt_," 't geen de vaart vermindert. Trekt men echter 't lichaam aan de riemen op, dan zal het gewicht eerst op de boot drukken wanneer 't lichaam weer een eind voorwaarts is opgeheven, en dus niet meer zoover achterover ligt, zoodat het gewicht niet zoover vóór in de boot komt.

Niettegenstaande onze achting voor de kundigheden van den bekenden engelschen schrijver over de theorie van 't roeien, kunnen wij ons toch geenszins vereenigen met de door hem voorgestane meening.

Onzes inziens is zijn betoog niets anders dan eene cirkelredeneering.

Zij komt hierop neer: de sculler moet verder achterover zwaaien dan de roeier aan één riem; hieruit zullen twee gevolgen voortkomen:

1º. Wordt grooter krachtsinspanning vereischt om 't lichaam weer naar voren te zwaaien, 2º. 't gewicht wordt na 't einde van den slag, zoodra de riemen uit 't water gelicht worden, meer naar 't voorste gedeelte van de boot verplaatst, waardoor de boeg zal dompen.

Om nu deze beide nadeelige gevolgen te voorkomen, moet dienen de aanbevolen beweging, waarbij 't lichaam door de kracht van de armen aan de riemen wordt opgeheven, want zoo zal men de voorwaartsche zwaai vergemakkelijken, en dus krachten besparen, en tevens 't dompen der boot voorkomen.

Volkomen waar; maar men vergeet dan, dat dit alles geschiedt ten koste van de lengte van den slag, want stel dat de sculler zijn achterwaartsche zwaai maakt totdat zijn lichaam den stand heeft van _a c_ op hierbovenstaand figuur, maar hij trekt zich op 't einde van den slag aan de riemen op, zóó dat op 't oogenblik dat zijne handen bij zijne borst komen, 't lichaam den stand _a b_ heeft, dan wordt de slag niet doorgetrokken tot punt _e_, maar tot punt _d_.

[Illustratie: Fig. 12.]

En waartoe dient nu de achterwaartsche zwaai tot _a c_, wanneer de slag er toch niet langer door wordt, dan wanneer de zwaai gegaan was tot _a b_? Immers nergens voor; want, hetzij men zich achterover geeft tot _a c_, maar zich weer optrekt tot _a b_, hetzij men eenvoudig slechts tot _a b_ achterover zwaait, in beide gevallen zal 't gewicht even ver naar voren in de boot verplaatst worden, en ook zullen in beide gevallen de buik- en lendespieren de voorwaartsche beweging moeten volbrengen van af _a b_.

De redeneering van ~Woodgate~ loopt dus in dezen cirkel:

De slag moet langer gemaakt worden van _d_ tot _e_, maar om de daaruit voortvloeiende nadeelen te niet te doen, geeft hij middelen aan de hand waardoor de slag weer ingekort wordt tot _d_.

Is het dan niet eenvoudiger en dáárom beter, omdat de verdere zwaai achterover bespaard wordt, om slechts tot _a b_ achterover te vallen?

Onze conclusie is dus deze: men moet zóóver het lichaam achterover zwaaien, dat de voordeelen van de meerdere lengte van den slag de nadeelen daaruit voortvloeiende nog overtreffen, en niet aan de nadeelen trachten te ontkomen door middelen die den slag feitelijk korter maken; want dit is met een omweg naar 't doel streven.

* * * * *

Er doen zich bij het scullen nog eenige eigenaardige moeilijkheden voor, waarmede beginners soms zwaar te kampen hebben.

1º. De sculls loopen over een afstand van 5 à 6 cM. over elkaar heen, waardoor het in 't begin moeilijk is het tegen elkaar stooten der handen te vermijden. De eene hand moet dus hooger dan de andere gehouden worden; het is geheel onverschillig welke hand men boven, welke onderaan houdt. Maar men werpe ze toch tegelijk naar voren, zoodat de sculls tegelijk in 't water komen, en het ook tegelijk weer verlaten.

Om het afglijden der handen te verhinderen, legge men het bovenlid van den duim tegen het uiteinde van de scull aan.

2º. Door de geringe breedte zal de boot spoedig aan 't "_rollen_" gaan, en de sculler zal dit trachten te verhinderen door bij het scheren de bladen der sculls over 't water te laten gaan. Dit nu is verkeerd. Bij 't einde van den slag moet hij de sculls flink uit het water lichten en ze naar achteren brengen zonder de oppervlakte van 't water te raken.

Dit is echter niet gemakkelijk, en eerst na oefening zal men zijn evenwicht leeren bewaren.

Dikwijls wordt in het handvat van de scull een of twee ons lood gegoten om op het vereischte oogenblik gemakkelijker het blad uit het water te kunnen lichten en terug te brengen, zonder de oppervlakte van het water aan te raken.

3º. Eene kunst die de sculler ook noodzakelijk moet leeren, is: zijn vaartuig _in den koers te houden_. In 't eerst zal hij daartoe telkens omzien, en zoodoende alras de handigheid verkrijgen om _alleen het hoofd_ om te wenden, zonder daarbij met roeien op te houden. Op wateren waar weinig of geen scheepvaart is, zal men dikwijls kunnen volstaan met de oogen steeds op den achtersteven gericht te houden, nadat men dezen eenmaal in de gewenschte richting heeft gebracht. Elke afwijking zal terstond in het kielwater zichtbaar worden. Bovendien heeft het gadeslaan van den achtersteven dit voordeel in, dat de sculler steeds 't werk zijner handen zal kunnen nagaan.

De stuurtoestellen verlichten 't werk zeer, als het noodig is de boot weer in de vereischte richting te brengen, maar toch is het beter eerst eenigen tijd dit toestel _niet_ te gebruiken. Het gemak, waarmee men door een lichten druk van den voet eene afwijking der boot herstelt, verleidt den sculler allicht om de gelijkelijke arbeid der handen te veronachtzamen, en telkens zijn toevlucht te nemen tot 't stuurtoestel. Het roer nu vertraagt den gang der boot door den tegenstand van 't water. Hoe minder het dus gebruikt wordt, hoe beter.

Zijn alle moeilijkheden overwonnen en heeft men zich een goeden stijl als sculler eigen gemaakt, zoo kan men zich vleien met het bewustzijn een hoogen trap van volmaaktheid in de schoone roeikunst bereikt te hebben.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

VIERDE HOOFDSTUK.

HET STUREN EN DE STUURMAN (_coxswain_, _barreur_, _Steuermann_).

Evenals men den roeiliefhebber toeroept: "leer zwemmen vóórdat gij in de boot plaats neemt," raden wij den aanstaanden _stuurman_ aan om te leeren roeien alvorens de stuurlijnen ter hand te nemen.

Dikwijls komt het voor, dat iemand, door liefde tot de stuurmanskunst aangetrokken, lid eener roeivereeniging wordt en dan maar terstond als stuurman in eene boot plaats neemt zonder zich de moeite te willen getroosten eerst te leeren roeien; immers, aldus redeneert hij, roeien en sturen zijn geheel verschillende kunsten en hebben niets met elkaar gemeen.

Wij behoeven zeker niet te zeggen, welke gevaren een ploeg, door zulk een stuurman gestuurd, bedreigen.

Daar zit hij dan op den stuurbank in eene gedwongene houding, onbekend met de kommando's, bij elken slag met het bovenlijf naar voren slingerende, dan naar bakboord dan weer naar stuurboord glijdende, bij de minste afwijking van den boeg zóó hevig aan een der stuurlijnen trekkend, dat de boot plotseling veel te ver naar de andere zijde vliegt, en bij het minste gevaar aarzelend en gereed om de stuurlijnen te laten glippen.

Neen, eerst leeren roeien en dan sturen zij ieder aangeraden.

Een roeier zal, wanneer hij op den stuurbank plaats neemt, zijn bovenlijf recht gestrekt houden en zorgen dat de boot niet naar ééne zijde overhelt, daar hij als roeier geleerd heeft hoe lastig dit voor de roeiers is. Hij zal een vast punt in de verte in het oog houden en daarop steeds aansturen, daar hij als roeier heeft ondervonden, hoe het zigzag sturen de roeiers afmat en den gang der boot vertraagt. Hij zal de stuurlijnen steeds gestrekt houden, daar hij hierdoor alleen de boot haren rechten koers zal kunnen doen behouden.

Verder moet de stuurman zijne beenen als een Turk gekruist houden en de knieën zoover mogelijk uitgespreid. Tevens zal hij zooveel mogelijk onbeweeglijk zitten en niet elke beweging der boot volgen; dat hij bij elken slag door de meegevende beweging van het bovenlijf de snelheid der boot zou bevorderen, is louter fictie; immers zal hij bij het einde van den slag dezelfde beweging weer achterwaarts moeten maken om zijne gewone positie te herkrijgen en dus daarbij ook de snelheid der boot weer verminderen. Het eenig gevolg van dat heen- en weerslingeren is dus, dat hij door onvast op den bank te zitten de roeiers in hunne taak zal hinderen en door onbedoelde rukken aan een der stuurlijnen den gang der boot kan belemmeren.

Ieder stuurman behoort verder met de volgende regels bekend te zijn:

1º. eene boot, die stroomopwaarts gaat, moet aan den oever blijven en elke boot, die zij ontmoet, aan den binnenkant, d. w. z. in het midden van den stroom laten passeeren.

2º. eene stroomafwaarts varende boot houdt het midden van den stroom en laat eene haar ontmoetende boot aan den buitenkant voorbijgaan.

3º. eene boot, die eene andere boot inhaalt, moet voor deze uithalen om te passeeren, terwijl de ingehaalde boot ongestoord haren koers kan vervolgen.

4º. ontmoeten twee booten elkaar op niet stroomend water, zoo wijken beiden naar stuurboord uit en ieder laat dus de andere aan bakboord passeeren.

5º. eene boot met stuurman moet uitwijken voor eene boot, die zonder stuurman vaart.

6º. eene roeiboot moet steeds voor eene zeilboot uitwijken.

7º. een tweeriems moet voor een vierriems--een vierriems voor een zesriems--en deze weer voor een achtriems uitwijken.

Dit over de plichten van den stuurman in het algemeen.

Thans nog het een en ander over de taak, die hij op wedstrijden heeft te vervullen.

Raceroeiers noemen den stuurman wel eens een noodzakelijk kwaad, en vooral de Franschen en Belgen schijnen deze meening zeer te zijn toegedaan, waarom zij dit kwaad maar zoo klein mogelijk trachten te maken en met de kleinste exemplaren van het genus "stuurman" op wedstrijden verschijnen. Gewoonlijk zijn het kinderen van 25 à 30 kilo, aan wie in die landen op wedstrijden het roer wordt toevertrouwd. Dat zulk een knaap slechts pro forma in de boot zit ingevolge het reglement, dat een wedstrijd voor "booten _met_ stuurman" heeft uitgeschreven, spreekt van zelf, daar de slag in werkelijkheid het bevel voert en hem gedurende den ganschen kamp instructies moet geven.

Het voordeel van dezen maatregel ligt voor de hand: de roeiers hebben minder ballast mee te trekken en de snelheid der boot kan daardoor grooter zijn.

Doch ook de nadeelen, die uit die instelling voortvloeien, zijn niet gering te schatten.

Zoo de wedstrijd op een water, dat zeer onstuimig is of waar vele vaartuigen de baan her- en derwaarts doorkruisen, plaats vindt, zullen kinderen al zeer slechte leiders zijn op dat moeilijke pad, en ongelukken zullen allicht voorkomen.

Een goed stuurman kan door eene juiste kennis van den invloed van wind en stroom op den gang der boot zijn ploeg menigen omweg en veel krachtsinspanning besparen.

Wanneer wij bedenken, hoevele wedstrijden met eene bootslengte of minder gewonnen zijn, dan is het duidelijk, dat een goed stuurman, die de boot iedere afwijking, hoe gering ook, bespaart, en van elken gunstigen toestand van wind of stroom onmiddellijk partij weet te trekken, in vele gevallen voor een groot deel tot de overwinning heeft bijgedragen.

En hoe kan men dit van een kind eischen? Hoe kan men in een kind die tegenwoordigheid van geest, dien vasten wil, dat vlug begrip verlangen, die zoo noodzakelijk zijn tot het vormen van een racestuurman in den waren zin van het woord? Wij herinneren den lezer slechts aan de wijze, waarop door belgische ploegen op wedstrijden de boeien worden gemaakt, waarbij zij steeds een eind tegen nederlandsche ploegen verliezen.

Ook zouden wij er op kunnen wijzen, hoe bespottelijk het is op wedstrijden in genoemde landen den slag voortdurend tegen zijn "petit barreur" te hooren schreeuwen en onophoudelijk te zien omkijken, in plaats van op het tempo zijner slagen en de conditie zijner mederoeiers te letten. Door dat geschreeuw èn van den slag èn van den stuurman, die zonder ophouden zijn "tirez donc" laat hooren, worden ook de ooren der toeschouwers op een allesbehalve welluidend concert vergast.

Neen, in dat opzicht is het in Nederland beter.

De gecombineerde vergadering van alle nederlandsche roeivereenigen, in 1885 te Amsterdam gehouden, heeft besloten, dat op onze wedstrijden slechts stuurlieden worden toegelaten, die minstens 60 kilo wegen, zoodat hierdoor het kwaad voorkomen wordt, dat sedert jaren in Frankrijk en België voortwoekert.

Het is dus wel te verwachten, dat men binnenkort in België ons voorbeeld volgen en een niet te laag minimum-gewicht voor den racestuurman zal vaststellen.

Het is namelijk noodzakelijk, dat deze taak door iemand wordt waargenomen, die in staat is met vaste hand den koers der boot te bepalen, van elk voordeel partij te trekken, den roeiers op den wedstrijd moed kan inboezemen en hen, zoo zij verslappen, met nieuwe krachten weet te vervullen en tot de uiterste inspanning aan te sporen.

En in dat geval, is de stuurmanskunst eene edele kunst en kan de stuurman met evenveel recht trotsch zijn op zijne behaalde medaille als de roeier op de zijne.

Verkiest men echter zonder stuurman te roeien, zoo kieze men wedstrijden voor booten, die door een der roeiers worden gestuurd, doch trachte niet den edelen roeisport te verlagen door gehuurde kinderen in de boot te nemen en aldus een voordeel op zijne tegenpartij te erlangen.

In vele landen is het roeien in booten, voorzien van een _stuurtoestel_, (_steering-apparatus_), reeds doorgedrongen.

Het is eene amerikaansche uitvinding, die het gemis van een stuurman mogelijk maakt door diens taak aan een der roeiers op te dragen. Op de spoorplank van een der roeiers namelijk is een toestel aangebracht, dat met de stuurlijnen in verband staat en den roeier in staat stelt de boot met zijne voeten naar rechts of links te wenden.

Er zijn drie soorten van dit stuurtoestel, die allen, hoewel in hoofdzaak aan elkaar gelijk, in samenstelling een weinig verschillen. Het beste wordt vervaardigd door ~Searle & Sons~ te Londen.

Het spreekt van zelf, dat het gebruik van dit toestel van den roeier groote vaardigheid vereischt, zoodat het in eene meerriemsboot gewoonlijk aan den bekwaamsten roeier wordt opgedragen.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Multatulit fecitque puer, sudavit et alsit, abstinuit venere et vino.

DE TRAINING.

Een enkel woord vooraf over de keuze der roeiers en over de samenstelling van eene ploeg is hier op zijne plaats. Dikwijls wordt bij de samenstelling van eene raceploeg meer gelet op physieke kracht dan op vaardigheid in 't roeien. Men gaat dan van 't denkbeeld uit, dat degenen, die men gekozen heeft om hunne sterke spieren, met eenige oefening zich een goeden stijl wel eigen zullen maken.

Het is gemakkelijk aan te toonen dat deze wijze van handelen onjuist is, en wel om de eenvoudige reden dat de grondstelling waarvan men uitgaat, nl. dat ieder door oefening eene goede methode van roeien zich zal kunnen eigen maken, met de waarheid in strijd is. Er zijn er, die nooit leeren roeien, er zijn er ook, die slechts door langdurige oefening het tot op een zekere hoogte brengen.

Daarom is het raadzaam in de 1e plaats te letten op den aanleg voor en de vaardigheid in 't roeien, en slechts in de 2e plaats in aanmerking te nemen de physieke kracht.

Overigens is over de lichamelijke vereischten voor een roeier weinig te zeggen. Het spreekt van zelf dat goede longen en een normaal werkend hart onmisbaar zijn. Heeft men die niet, dan is zelfs eene proefneming om de vermoeienissen der training te doorstaan reeds gevaarlijk voor de gezondheid, terwijl de ploeg door het uittreden van een der leden gedupeerd is, daar men nu met een ander opnieuw zal moeten beginnen te oefenen.

Twijfelt men daarom maar eenigszins aan de volkomene gezondheid van een der genoemde organen, dan doet men goed zich vooraf door een medicus te doen onderzoeken.

Groote spierkracht, wij hebben het reeds gezegd, is geen hoofdvereischte. Tot bewijs van deze bewering beroepen wij ons op het feit dat zoovele groote roeiers van mindere lichaamskracht zich den baas hebben getoond van anderen, die over veel grooter physieke kracht konden beschikken. Een treffend voorbeeld is geweest ~Robert Coombes~, een man van zeer kleine gestalte en slechts 56¼ K.G. wegende, die in 1846 het Championnaat van Engeland won, en de eerste roeier van zijn tijd was. En nemen wij ~Hanlan~ zelf, welk verschil van lichaamskracht bestaat er niet tusschen hem en ~Trickett~, ~Laycock~, ~Ross~ en andere reuzen, die allen voor hem 't onderspit moesten delven. En ook onder de eerste amateurs kennen wij immers roeiers die, ten opzichte van hun lichaamskracht, niet boven 't middelmatige gingen, b. v. ~Mr. Lowndes~ van Oxford, die eenige jaren het Championnaat van de Thames wist te veroveren.