Nederlandsch handboek voor roeisport

Part 5

Chapter 53,945 wordsPublic domain

In dit hoofdstuk hebben wij gesproken van het "_snoek vangen_." Dit gebeurt òf wanneer men den riem na 't eindigen van den slag niet tijdig uit 't water kan lichten, òf wanneer men bij 't scheren, in plaats van 't blad over de oppervlakte van 't water te laten gaan, het ontijdig in zijne platgedraaide houding weer in 't water doet vliegen. Het eerste geval komt voor, wanneer de riem niet verticaal, maar scheef in 't water wordt gestoken, zoodat hij in de diepte verdwijnt; of wanneer men 't blad platdraait, vóórdat het uit 't water is gelicht. In beide gevallen zal de boot een schok krijgen, en zoo de riem niet dadelijk uit de dollen wordt gelicht, zullen deze noodwendig moeten breken. Daarom, roeier, wanneer 't ongeluk van een snoek te vangen u overkomt, hef dan dadelijk 't handvat van den riem met beide handen op, zoodat hij uit de dollen gelicht wordt, en door den vaart over 't water langs den achtersteven van de boot komt te glijden. Dadelijk daarna wordt 't blad van den riem op 't water rustende met eenige kracht naar achteren geslingerd, en op deze wijze wordt het met leer bedekte gedeelte weer in de dollen gebracht.

Na de beginselen van 't roeien leert men met de boot te manoevreeren. Plotseling kan zich iets voor den boeg opdoen, dat de stuurman eerst laat ontdekt; dan is 't zaak de boot dadelijk tot stilstand te brengen, ten einde eene botsing te voorkomen. Of men heeft zich in een nauw vaarwater begeven, waarin 't wenden onmogelijk is, en de weg wordt versperd. In het eerste geval moet men kunnen _stoppen_, in het tweede _strijken_.

Het stoppen geschiedt aldus: met gestrekte armen en 't lichaam iets voorover gestrekt brenge men 't blad van den riem bijna horizontaal, maar met de holle zijde iets naar den boeg gericht, in 't water, en draaie dan langzamerhand den riem om, totdat de holle zijde geheel naar den voorsteven gekeerd is. Daarbij zorge men echter niet op het handvat van den riem te drukken, want daardoor wordt het boord naar beneden gedrukt.

De bewegingen van het strijken zijn juist de tegenovergestelde van die van het ophalen of trekken. Achterover zittende brenge men den riem, met de holle zijde van 't blad naar den boeg gekeerd, in 't water, strekke de armen en bewege 't lichaam voorwaarts, zoodat het blad door 't water geduwd wordt; na 't einde van den slag drukke men den riem iets neer en draaie hem plat, schere het blad over 't water door 't lichaam achteruit te brengen en de handen tegen de borst te trekken, en beginne een nieuwen slag. Ook deze beweging geschiedt gelijkmatig, terwijl slechts 't blad van den riem onder water mag gehouden worden. Bij 't wenden, wanneer het ééne boord ophaalt en het andere strijkt, moeten ook de riemen gelijktijdig in 't water komen, en daarbij richten zich de strijkende roeiers naar de trekkende.

§ 3. _Nadere behandeling van sommige punten._

Wij stellen ons voor eenige momenten in de beweging van 't roeien uitvoeriger te bespreken, enkele, omdat daaraan veel gewicht moet gehecht worden, andere, omdat daarin de meeste fouten voorkomen, weer andere, omdat daaromtrent de meeningen zeer uiteenloopen.

De correcte uitvoering van de bewegingen is dáárom niet alleen wenschelijk, omdat 't begaan van een fout ten gevolge heeft verspilling van krachten of verkeerde krachtsaanwending, maar ook omdat één fout gewoonlijk andere na zich sleept. Het scheef inzetten b.v. van het blad van den riem maakt niet alleen dat het eerste deel van den slag verloren gaat, maar bovendien wordt het lastiger den riem van uit de diepte weer uit 't water te lichten, en dit belemmert de snelle voortwaartsche beweging van 't lichaam; de roeier komt daardoor uit de maat, en om gelijk te blijven is hij genoodzaakt zijn lichaam minder voorover te strekken en dus zijn slag korter te maken.

Indien het blad van den riem niet gedurende den geheelen slag onder water gehouden wordt, maar bij het einde half uit 't water gelicht, dan zal niet alleen de op de boot werkende voortstuwende kracht verminderd worden, maar bovendien door den minderen weerstand van 't water tegen het blad, de slag spoediger geëindigd zijn dan bij de andere roeiers 't geval is, wanneer door allen dezelfde kracht wordt aangewend; zoo zal dus ook hier de maat verbroken zijn, en de voorwaartsche beweging langzamer moeten zijn om zich als 't ware te laten inhalen, en bij 't begin van den slag weer gelijk te zijn.

Vooral zullen eene massa fouten voortkomen uit het verkeerd gebruik maken van de armen op het einde van den slag. Zooals men weet, moet op het einde van den slag, wanneer het lichaam zijne achterwaartsche beweging gemaakt heeft, de riem tot de borst worden doorgetrokken. Dit geschiedt natuurlijk door de buiging der armen, maar daarom volstrekt nog niet _door de samentrekking van den biceps_. Integendeel, de biceps blijft nagenoeg werkeloos, en de beweging wordt uitgevoerd door de spieren, die de schouderbladen verbinden met den bovenarm, en de spieren, die aan de achterzijde van den bovenarm liggen. Om zich een denkbeeld te vormen van de werking dier spieren, stelle men zich voor dat men met den elleboog een voorwerp achterwaarts duwt door den bovenarm iets voorbij 't lichaam naar achteren te brengen, of dat men een achter zich staanden persoon met den elleboog een stomp geeft. Dezelfde spieren, die dan in werking komen, gebruikt men ook bij het roeien, de bovenarmen worden aangehaald, totdat zij langs en evenwijdig met 't lichaam komen te hangen, de benedenarmen dienen hierbij slechts als eene verbinding van den riem met de bovenarmen; anders uitgedrukt, de hoek bij den elleboog wordt eenvoudig gemaakt door den bovenarm achterwaarts te trekken, niet door den benedenarm naar zich toe te halen, hetgeen door den biceps geschiedt. (Zie fig. 7).

[Illustratie: Fig. 7.]

Buigt men de armen door de samentrekking van den biceps, dan moeten noodzakelijk de ellebogen zijwaarts opgeheven worden, want anders zou de riem naar den hals en dus veel te hoog opgetrokken worden. Brengt men daarentegen den riem naar 't lichaam door de werking van de spieren over de schouderbladen en aan den achterkant van den bovenarm, dan komen de armen langs het lichaam, met de ellebogen naar beneden gericht.

Men behoeft dus niets anders te doen dan de armen langs het lichaam aan te trekken, om de aangewezen spieren te laten werken, en een krachtig einde van den slag te maken.

[Illustratie: Fig. 8.]

Doet men dit niet, trekt men door de kracht van den biceps den riem tot de borst, en houdt men bijgevolg de ellebogen zijwaarts opgeheven, zooals in fig. 8 is afgebeeld, dan zal 't einde van den slag niet alleen veel zwakker zijn, maar, en hiervan zijn wij uitgegaan, deze fout zal talrijke andere fouten na zich slepen.

In de eerste plaats zal de borst ingedrukt en de rug gekromd worden op 't einde van den slag, juist op 't oogenblik dat de borst 't meest moet gewelfd worden. Men kan zich hiervan gemakkelijk overtuigen door een niet al te zwakken armstrong te nemen, dien met het ééne einde ergens aan te bevestigen, en met beide handen aan het andere einde den armstrong uit te rekken door de armen, met de ellebogen zijwaarts opgeheven, te buigen. Men zal dan duidelijk kunnen bemerken dat de borst eene sterke neiging heeft zich in te trekken. Voert men echter dezelfde beweging uit met omlaag gehouden ellebogen, dan zal de borst zich gemakkelijk en als van zelf opheffen.

Een tweede gevolg van de aangewezen fout is eene langzame en aarzelende strekking van de armen na 't uit 't water halen van den riem. Wanneer de armen zijwaarts worden gebogen, dan vormen zij bij den elleboog een scherper hoek, dan wanneer ze langs het lijf worden aangetrokken; en hoe meer de armen zijn gebogen, hoe scherper hoek zij dus maken, des te moeilijker wordt ook de strekkende beweging. Deze zal dus langzamer zijn, en om den verloren tijd in te halen moet de voorwaartsche beweging in 't volgend oogenblik en op 't einde sneller zijn, waardoor schokken gegeven worden en de beweging de vereischte gelijkmatigheid en veerkracht verliest; of, en dit is even verkeerd, de armen worden niet in ééns gestrekt, en daarna eerst 't lichaam voorover gebracht, maar beide bewegingen beginnen gelijktijdig, zoodat het lichaam zich over den riem heenbuigt; wij hebben boven aangeduid, waarom dit verkeerd is.

* * * * *

Eene andere fout die op 't einde van den slag bedreven wordt en zeer veel voorkomt, is _dat de roeier het lichaam tegen den riem optrekt_, in plaats van den riem tot de borst door te halen. Dat hierdoor de slag aanmerkelijk korter wordt, springt in het oog, maar toch zal degene, die die fout begaat, dit zelf niet zoo spoedig inzien. Hij vormt zich de illusie een even langen slag te maken als de anderen, daar hij toch even ver zijn lichaam vooruitstrekt en achteroverzwaait als dezen, en verwondert zich dan, dat hij eerder "klaar" is, maar bedenkt niet, dat hij wel zijn lichaam evenver achterover zwaait, maar vóórdat de slag nog geëindigd is, reeds weer aan den riem optrekt.

Deze fout is gewoonlijk een gevolg van overhaasting, of, om 't zoo uit te drukken, van de begeerte om zoo spoedig mogelijk weer een nieuwen slag te beginnen.

Een ander gevolg van die overhaasting is te groote inspanning van de beenspieren, voornamelijk die naast het scheenbeen loopen, bij 't naar voren komen. Hierboven is aangewezen in welke volgorde de bewegingen van armen, bovenlijf en beenen moeten uitgevoerd worden. Natuurlijk worden ze niet elk afzonderlijk uitgevoerd, ze vloeien in elkaar, maar de ééne moet vóór de andere _begonnen_ worden. Hij die 't eerst of gelijktijdig met de voorwaartsche beweging van 't bovenlijf zijne beenen aantrekt, loopt kans deze laatste te overspannen.

* * * * *

Wij gaan nu over tot 't belangrijkste moment in de beweging van 't roeien, tot 't _begin van den slag_. Het is best mogelijk dat iemand al de opgenoemde vereischten voor een goeden stijl in zich vereenigt, dat hij eene goede houding heeft, zijn riem op de juiste hoogte in 't water houdt, de voorwaartsche beweging van 't lichaam correct uitvoert, en dat hij toch als roeier weinig beteekent, omdat hij in 't begin van den slag geen kracht zet, en, om zoo te zeggen, den riem een eind door 't water laat drijven, vóórdat hij er aan begint te trekken. Hij heeft de hoedanigheid verkregen om zijne krachten op de meest spaarzame wijze te gebruiken, en zoo weinig mogelijk te verspillen, maar hij wendt ze niet op het juiste oogenblik aan.

Het is daarom van het hoogste gewicht dat men al dadelijk leert op hetzelfde oogenblik, dat 't blad in het water komt, zijne volle kracht aan den riem te brengen. Men moet doen, alsof, zoodra 't blad in 't water komt, 't bankje van onder zich verdwijnt, en de eenige steunpunten voor 't lichaam zijn 't spoorplankje en 't handvat van den riem, aan welk laatste men blijft hangen. Die juiste en bliksemsnelle krachtsaanwending wordt door de Engelschen van zóóveel gewicht geacht, dat zij legio termen hebben om het denkbeeld uit te drukken: "_Catch the water, do all the work at the beginning, lift at the beginning_", en nog verscheidene andere. Dus tegelijk dat de voorwaartsche beweging is geëindigd, worden de handen iets opgelicht, zoodat de riem den vereischten steun in 't water heeft, en men hangt dan aan den riem en drukt de voeten stevig tegen den spoorplank.

De reden waarom juist in 't begin van den slag de volle kracht gebruikt moet worden, is deze: na afloop van elken slag vermindert telkens de vaart van de boot, omdat elk licht vaartuig weinig vaart houdt zoodra de voortstuwende kracht opgehouden heeft te werken, en bovendien omdat door de voorwaartsche beweging van de lichamen of liever door de drukking van den riem op den strijkdol de gang gestremd wordt. Dus telkens wanneer men een slag begint, heeft de boot zijne minste vaart; op dat oogenblik heeft men den meesten "vat" op 't water. Brengt men eerst later zijne volle kracht in werking, dan is een sneller achterwaartsche beweging van 't lichaam noodig om een even krachtigen druk op 't water uit te oefenen.

Daarom, maak gebruik van 't oogenblik waarop gij den meesten steun in 't water hebt, waarop gij door een betrekkelijk langzame beweging groote kracht kunt uitoefenen.

Het vereischt eene ernstige oefening om op 't juiste oogenblik op ééns zijne volle kracht aan te wenden, zonder toch een ruk te geven.

Velerlei zijn daarom de fouten, die omtrent dit punt worden aangetroffen. Er zijn er, die, zooals wij reeds aanmerkten, eerst nadat de riem eenigen tijd in 't water is, hunne volle kracht gebruiken.

Anderen beginnen den slag goed, verslappen echter spoedig en eindigen zwak.

Weer anderen pakken 't water goed, rusten in 't midden van den slag wat uit, en geven aan 't eind nog een flinken ruk.

Al deze manieren hebben 't groote gebrek dat zij geen volledig gebruik maken van den kostbaren tijd, dat de riem in 't water is, en de laatste methode nog bovendien dit, dat er rukken gegeven worden. Laat de roeier toch begrijpen dat door rukken geen resultaat verkregen wordt evenredig aan de krachtsinspanning. Bovenal zij hem op het hart gedrukt, om gelijkmatig den riem door 't water te halen, in 't begin van den slag reeds met volle kracht, maar zooveel mogelijk tot 't laatste toe die krachtsuitoefening voort te zetten.

* * * * *

_De wijze waarop de roeier van zijn sliding-seat moet gebruik maken._

Wij hebben reeds in de vorige § aangewezen op welke wijze men na volbrachten slag 't handvat van den riem weer vooruit brengt om een nieuwen slag te beginnen, en daarbij als eene zaak van veel gewicht er op aangedrongen, dat de handen dadelijk en met vlugheid voor zich uitgeworpen worden, en eerst daarna de zwaai van 't lichaam en de voorwaartsche beweging van 't glijbankje moeten volgen, en wel in de volgorde waarin wij ze opnoemen om deze reden, dat het lichaam zoodra het den steun van den riem moet missen, zoo spoedig mogelijk van zijne achteroverliggende houding opgeheven moet worden, daar deze houding eene vrij groote inspanning van de buikspieren vordert.

Maar nu de trek, de eigenlijke slag: hoe moeten daarbij de bewegingen van 't lichaam en van de sliding-seat ten opzichte van elkander zijn? De armen kunnen wij hier buiten rekening laten, daar, zooals wij gezien hebben, deze eerst gebogen worden op 't einde van den slag, wanneer de overige deelen van 't lichaam hunne functiën verricht hebben.

We hebben dus alleen te maken met den zwaai van 't lichaam en met het strekken der beenen.

Daar de spieren der beenen de sterkste zijn van 't lichaam, zal de roeier er allicht toe komen, om bij 't begin van den slag de beenen in ééns en met kracht te strekken, terwijl 't bovenlijf voorover gebogen blijft, totdat 't bankje geheel naar achteren is gebracht, op welk oogenblik eerst de zwaai begint.

[Illustratie: Fig 9.]

Deze manier heeft deze twee fouten:

1º. Wordt gedurende een groot deel van den slag 't lichaam in voorovergestrekte houding gelaten, in welke de spieren van den rug met meer moeite den last zullen dragen dan wanneer 't lichaam wat achterover gestrekt was. Zelfs zal het dikwijls voorkomen, dat bij zulke plotselinge strekking der beenen, 't bovenlijf niet in staat is te volgen, maar als 't ware achterblijft, dat tengevolge daarvan de schouders naar voren komen en de rug gekromd wordt, dat dus de geheele houding van den roeier bedorven wordt.

2º. Ook dan, wanneer de goede houding bewaard blijft, werkt de langdurige vooroverliggende positie de vrije ademhaling tegen.

~Victor Silberer~ in zijn "_Handbuch des Rudersport_" is daarom eene andere methode toegedaan: "eerst het bovenlijf achterover zwaaien, en dan eerst de beenen strekken." Dus de beenen worden gedurende het eerste gedeelte van den slag in dezelfde stelling gehouden, de sliding-seat blijft op dezelfde plaats totdat het lichaam achterover gezwaaid is, waarna eerst de beenen gestrekt worden.

[Illustratie: Fig. 10.]

Ook deze methode heeft, naar onze meening hare gebreken, waardoor zij niet aanbevelenswaardig wordt.

1º. Zal de "catch," 't begin van den slag, bij deze methode, niet zóó flink, niet zóó krachtig zijn als 't behoort. Met opgetrokken, sterk gebogen beenen kunnen de spieren van den rug niet zoo krachtig werken als na eenige strekking. En in die onnatuurlijke houding met opgetrokken knieën wil men hebben, niet alleen dat 't lichaam gedurende eenigen tijd blijft, maar ook dat bovenlijf zijne geheele functie zal verrichten, totdat het zijne uiterste achteroverhangende stelling heeft ingenomen.

2º. Doet zich dit bezwaar voor, dat de beenspieren, de sterkste van het lichaam, gedurende een kort gedeelte van den slag, en nog wel op 't einde, wanneer de boot reeds weer vaart heeft, het bankje met snelheid achteruit stooten, hetgeen allicht de boot doet schokken.

Bij de eerste methode bestond dit bezwaar niet, daar in 't begin van den slag de riem den grootsten weerstand ondervindt, en dus, hoe energiek de beenen ook werken, het bankje niet met zóó groote snelheid achteruit geschoven kan worden.

Beide genoemde stelsels zijn uitersten; naar onze meening moet er eene transactie gesloten worden om de ware methode te verkrijgen.

Zoodra de slag wordt aangevangen, strekken zich de beenen niet in ééns, noch zwaait 't bovenlijf achterover terwijl de knieën opgetrokken blijven, maar beide bewegingen geschieden gelijktijdig: het bankje wordt langzamerhand achteruit geduwd, terwijl het lichaam zijn achterwaartschen zwaai maakt.

[Illustratie: Fig. 11.]

In dit stelsel wordt het lichaam niet gedwongen gedurende een groot deel van den slag in onnatuurlijke houding te blijven, daar door eene kleine strekking van de beenen de rugspieren al dadelijk gemakkelijker kunnen werken, de sterke beenspieren werken mede tot een krachtig begin van den slag, terwijl aan den anderen kant ook eene langdurige voorovergestrekte houding van het bovenlijf vermeden is. Ook wordt de gelijkmatigheid, waarmee de riem door 't water gehaald wordt, door deze methode zeer bevorderd.

* * * * *

Een andere kwestie van belang, waarover de meeningen nog al uiteenloopen, is _de mate van snelheid waarmee de riem naar voren gebracht moet worden na 't eindigen van elken slag_.

Het beginsel waarvan men uitgaat, is om zoo weinig mogelijk tijd te verliezen. Elk overtollig oogenblik dat de riem boven water doorbrengt na elken slag, heeft ten gevolge tijdverlies, en maakt dus den tijd waarin de baan afgelegd wordt langer. Vandaar dan ook, dat de riem geen oogenblik stil mag zijn, noch na 't einde van den slag, wanneer hij uit 't water gehaald is, noch vóór 't begin van den slag na zijne vlucht over 't water. Wanneer de riem slechts 1/10 seconde stil ligt b.v. na 't einde van elken slag, dan blijft hij in één minuut, wanneer 40 slagen in de minuut gemaakt worden, reeds 4 seconden werkeloos. Zoo krijgt men een denkbeeld van 't kolossale tijdverlies, dat op de geheele baan wordt geleden.

Dus in geen geval stilstand van den riem. Maar nu welke mate van snelheid? Wanneer men alleen rekening hield met het zooeven genoemd beginsel, dan zou het wenschelijk zijn om _zoo snel mogelijk_ naar voren te komen, omdat men dan zoo weinig mogelijk tijd verliest.

Er zijn echter ook andere factoren van de snelheid van de boot, waarmee men rekening moet houden.

1º. Zooals wij reeds ter andere plaatse hebben gezegd, verliest de boot na 't einde van elken slag door de voorwaartsche beweging van 't lichaam telkens een deel van hare snelheid. Hoe sneller nu de voorwaartsche beweging van 't lichaam is, hoe grooter de kracht waarmee de gang van de boot gestremd wordt.

2º. Vordert 't naar voren brengen van 't lichaam eene groote inspanning vooral van de buikspieren. Wordt nu deze beweging zoo snel mogelijk gemaakt, dan worden genoemde spieren overmatig ingespannen, en daardoor de energie, de veerkracht van 't lichaam uitgeput, want men moet wel bedenken dat te groote inspanning van sommige spieren terugwerkt op alle deelen van 't lichaam.

Zoo moet dus ook alweer hier een middenweg hem trachten te vinden door de praktijk, waarbij men zich zal kunnen laten leiden door twee hoofdbeginselen van het roeien: 1º. Nooit mag de beweging met schokken geschieden, 2º. Geen deel van 't lichaam mag bovenmatig en buiten evenredigheid met de andere deelen ingespannen worden.

* * * * *

Wanneer iemand begint te leeren roeien, zal de gedurige aanmaning van zijn leermeester zijn: "_flink naar voren komen en goed naar achteren vallen!_" Hoewel wij deze methode van leeren geenszins afkeuren, omdat de leerling steeds eene sterke neiging gevoelt om rechtop te blijven zitten, en slechts met de armen te werken, zoodat hij vroegtijdig moet gedwongen worden zijn bovenlijf te gebruiken, zoo zal men toch in de meeste gevallen zien dat hij na deze aanmaning in zijn ijver veel te ver achterover zwaait, en soms ook de voorover strekkende beweging overdrijft.

_Tot hoever moet hij nu deze bewegingen uitstrekken?_

In eene boot met vaste dollen zal de voorwaartsche strekking van het lichaam van zelf hare grens vinden in het gevaar dat de riem tusschen de dollen bekneld raakt. Men zorge dan steeds zoover naar voren te komen als maar mogelijk is, zonder in 't begin van den slag met den voorkant van den riem tegen den strijkdol aan te komen. Het is echter ook mogelijk, dat in eene boot de dollen te ver van elkaar verwijderd zijn; in dit geval en wanneer er draaiende gekozen worden, eene verzoening gezocht tusschen twee tegenstrijdige beginsels. In theorie is het moeilijk te zeggen, welke die middenweg is. Men moet zich wachten voor overdrijving van de voorwaartsche beweging. De strekking mag niet ontaarden in eene vooroverbuiging, zoodat de rug gekromd, de schouders vooruitgebracht, de borst bekneld wordt. Wij hebben het reeds meer gezegd, men moet zijn lichaam geen geweld aandoen. Het voordeel van een langeren slag weegt dan niet op tegen de groote inspanning om in die houding den riem met kracht door 't water te halen.

Ook het achterovervallen mag niet reiken over een zeker punt, van waar de roeier zich weer gemakkelijk kan oprichten. Gaat men verder, dan zal de lengte van den slag daardoor winnen, maar het hieruit verkregen voordeel ook alweer niet in evenredigheid zijn met de vermeerdering van inspanning der buik- en lendespieren, die het lichaam weer moeten opheffen.

Vaste regels zijn hier echter niet voor te geven; sommige roeiers zullen meer naar voren komen, anderen meer achterover vallen, weer anderen beide bewegingen in meerdere mate uitvoeren. Dit hangt dan grootendeels af van de gewoonte en van de oefening, waardoor zich sommige spieren meer ontwikkelen dan andere. Maar in elk geval wake men tegen overdrijving.

In nauw verband met het juist gezegde staat _het aantal slagen_ door eene ploeg in de minuut gemaakt.

Dikwijls ziet men op wedstrijden of ook wel wanneer als oefening op tijd wordt geroeid, de toeschouwers angstvallig letten op het aantal slagen in de minuut, en dan hoort men ook veelal uit het grootere of kleinere aantal conclusies maken ten nadeele of ten gunste van de ploeg.

Meestal zijn die conclusies geheel ongemotiveerd; men kan in 't algemeen uit het aantal slagen geen gevolgtrekking maken over de kwaliteit van den roeier. Natuurlijk moet een zoogenaamde "_ratelslag_" evenals een luie "_zeurslag_" geen hoogen dunk geven van den roeier; dit ligt aan een gebrek in den stijl, hetzij aan overhaasting, hetzij aan langzaamheid, gemis aan veerkracht in de bewegingen. Maar het is zeer goed mogelijk dat eene bepaalde ploeg in eene zekere boot met 36 slagen in de minuut sneller roeit, dan met 38 slagen, als ook andersom.

Daarom is het zoo verkeerd, dat een trainer vooraf bepaalt met hoeveel slagen zijne ploeg moet roeien, en aanmerking maakt, wanneer ze een kalmer, langer slag aanneemt. Dit kan hij eerst beoordeelen, wanneer hij zijne ploeg goed kent, en zelfs door proeven eene zekere ondervinding omtrent haar heeft opgedaan.

* * * * *