Nederlandsch handboek voor roeisport

Part 4

Chapter 43,934 wordsPublic domain

Verschillende middelen werden daartegen reeds beproefd, o. a. heeft men een gewicht van een kilo aan het achtereind der boot gehangen, onder aan de kiel een zwaard aangebracht: alles tevergeefs.

Door het eerste middel namelijk lag de boot van achteren te diep en stak met den boeg in de lucht, door het tweede werd het draaien zoo goed als onmogelijk.

Eerst het _windzeil_ heeft de kwaal geheel verholpen. Het bestaat uit een dun blad hout, dat loodrecht op den boeg wordt geplaatst en aan elken zijwind is blootgesteld. De wind draait dan, door den druk op het zeil, den boeg zoover van zich af als de neiging der boot is om in den wind op te loopen, zoodat de boot haren rechten koers behoudt en de roeier beide armen gelijkelijk kan gebruiken, hetzij hij bij windstilte of bij sterken zijwind vaart.

De beide volgende afbeeldingen van verschillend gevormde windzeilen, ontleend aan de "_Spirit of the Times_," zijn geplaatst op booten van de _New-York Athletic-Club_.

[Illustratie: Fig. 3.]

[Illustratie: Fig. 4.]

* * * * *

Na alzoo de boot en hare onderdeelen te hebben besproken, rest ons nog het een en ander over de vervaardigers ervan te zeggen.

Om dan met ons land te beginnen, kunnen wij de ~Gebr. van Heemstede Obelt~ te Amsterdam noemen, die vooral in de laatste jaren in het bouwen van racegieken zijn vooruitgegaan, getuige de overwinningen der R. V. _Fortuna_ in gieken van die firma behaald.

Hunne booten zijn gewoonlijk zwaarder dan de fransche en engelsche, en dit is zeker de reden, waarom de nederlandsche roeivereenigingen hunne gieken meestal uit den vreemde laten komen.

In het vorige jaar hebben zich ook te Rotterdam ~Deichmann~ en ~Ritchie~, die vroeger bij ~Rettig~ te Berlijn werkzaam waren, nedergezet en zich reeds een goeden naam verworven met booten voor berlijnsche clubs en voor de _Deutsche Turn- und Ruder-Verein_ te Rotterdam.

De duitsche fabriekanten zijn ons onbekend, hoewel er in de laatste jaren aldaar velen zijn verrezen.

Wij laten onze inriggers voor verreweg het grootste gedeelte uit Frankrijk komen, hetzij van ~Louis Dossunet~ te Joinville-le-Pont (à l'Ecluse) Seine of van ~Tellier~, Quai de la Rapée, Paris.

Bij ~Dossunet~ schijnt men zich wel het best te bevinden, daar alle nederlandsche ploegen, die de laatste jaren in België, waar men algemeen aan booten van ~Tellier~ de voorkeur geeft, overwinningen hebben behaald, deze lauweren in booten uit ~Dossunet~'s werkplaats hebben weggedragen. Ook zijn zijne booten veel billijker in prijs. De Stud. R. V. _Njord_ toch ontving in 1883 van hem een tweeriemsracegiek van 700 francs en in het volgend jaar een dito van ~Tellier~ voor 900 francs.

Inriggers uit Engeland te laten komen is niet aan te raden, daar men zich daar niet meer bedient van de bootsoort, die bij ons op wedstrijden gebruikt wordt. Zoo hebben wij van ~Clasper~ te Oxford in 1881 een vierriems- en in 1882 een zesriemsracegiek (beide inrigged) gezien, die zóó slap waren, dat men bij het uit- en indragen bang was, dat ze inéén zouden zakken.

Voor losse riemen zijn ~E. Ayling~, oar and scullmaker, Vauxhall, London S. E., alsmede ~Norris~, York, Wandsworth aan te bevelen, die zonder prijsverhooging bij ~Deichmann~ en ~Ritchie~ te verkrijgen zijn.

Voor outriggers, die door de genoemde fransche firmas trouwens ook vervaardigd worden, worden gewoonlijk genomen ~J. H. Clasper~ in Oxford; ~Searle & Sons~, London, ~S. E. Stangate~, Lambeth; en ~R. Simmons & Sons~ in Putney. Bij ~Messum & Sons~ te Richmond bevonden wij ons vroeger zeer goed wat betreft booten met vaste banken.

* * * * *

De duurzaamheid eener boot hangt grootendeels af van de wijze van behandeling, vooral lichte racebooten kunnen door vele geforceerde wendingen in korten tijd worden tegronde gericht.

Allereerst is het noodig, dat zij in een goed gesloten _giekenloods_ (_boathouse_, _garage_, _Boothaus_) tegen weer en wind beschut zijn. Verder moeten zij aldus gelegd worden, dat zij door slechte ligging niet haren vorm kunnen verliezen. Zoo moet men eene boot nooit op de beide uiteinden laten rusten, daar zij dan in 't midden zal uitzakken, doch liefst op 3 of 4 dwarsbalken of bokken leggen, zóódat zij op alle gelijkelijk steunt.

Gedekte booten worden liefst in zeilen opgehangen.

Een boot moet steeds goed gevernist zijn om het hout tegen slechte invloeden van weer en temperatuur te beschutten. Ook is het goed lichte booten van tijd tot tijd met vet in te wrijven, daar dit zoowel het vernis spaart als het hout tegen scheuren beschut, die door invloeden van water en hitte kunnen ontstaan.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

DERDE HOOFDSTUK.

HET ROEIEN.

§ 1. _Algemeene opmerkingen._

Geen lichaamsbeweging is er bijna, die zoozeer aanspraak kan maken op de goede eigenschap van 't aangename aan 't nuttige te verbinden, als 't roeien. Wat is heerlijker dan op een schoonen zomeravond over den gladden waterspiegel heen te glijden, en na een snikheeten Julidag te luisteren naar het geplas der riemen in het frissche water? Wat is gezelliger dan een roeitochtje, waarbij men onder eene frissche, gezonde beweging nieuwe streken doortrekt, vreemde dorpen en steden bezoekt?

Groot is daarom 't aantal van hen, die in eene boot hebben plaats genomen om dat genoegen te smaken, en die op dien grond beweren te kunnen roeien. Hoe weinigen zijn er echter onder hen, die beseffen hoe ingewikkeld en moeilijk deze lichaamsbeweging is, wanneer men er zich op toelegt om haar correct uit te voeren, wanneer men haar als een sport beschouwt!

Het is waar, 't is het lot van de meeste lichaamsbewegingen om aldus behandeld te worden. De overgroote meerderheid stelt zich al heel spoedig tevreden, en getroost zich de moeite niet om haar in den grond te leeren. Maar het sterkst doet zich dit voor bij 't roeien.

Wil men leeren paardrijden, men neemt dan ten minste toch eenige lessen; gaat men leeren schaatsenrijden, de moeielijkheden doen zich dan vaak in 't begin pijnlijk gevoelen; zoo is 't ook met 't schermen, 't zwemmen en zoo vele andere lichaamsoefeningen.

Maar met 't roeien? Wel, men gaat met een vriend, die evenmin ooit een riem in zijne handen heeft gehad, in eene tweeriemsboot zitten; de eerste slagen gaan dan wel minder goed, maar spoedig toch begint het er wat meer naar te gelijken, de riemen komen wat meer gelijk in 't water, en heeft men bovendien leeren scheren, dan kan men roeien. Zoo is men in twee middagen een roeier.

Wij behoeven zeker niet te zeggen, hoe dwaas het is dit te meenen; maar toch met hoeveel menschen gaat het niet op deze wijze!

Het roeien is schijnbaar een zeer gemakkelijke beweging, omdat het zoo weinig moeite kost een vaartuig over 't water te doen glijden; maar tracht men met een minimum inspanning de grootst mogelijke snelheid te verkrijgen, dan eerst wordt het een sport, en wel een edele sport, omdat het een zeer groot aantal spieren in beweging brengt, en het lichaam harmonisch ontwikkelt. Het aanleeren van dezen sport, aldus beschouwd, kost veel moeite en eenigen tijd; en het is vooral zaak al dadelijk onder leiding te komen en niet te trachten het zich zelf te leeren, want allicht neemt men fouten aan, die later moeilijk afgeleerd worden.

Een goede stijl wordt genoemd die methode van roeien, die de grootste resultaten voortbrengt, d. w. z. die met de minst mogelijke inspanning de grootst mogelijke snelheid doet verkrijgen. Bij het opsporen naar deze beste methode heeft men geput uit de kennis der spieren, en uit de natuurkunde; maar de ervaring, de praktijk is hier de voornaamste leermeesteres. Het spreekt van zelf, dat deze opsporing niet overal dezelfde resultaten heeft gegeven. Ook bij 't roeien heeft men verschillende meeningen, verschillende theoriën. Maar omtrent een groot aantal punten, omtrent de hoofdzaken is men het ééns.

Bij 't onderzoek naar de vereischten voor een goeden stijl, heeft men zich laten leiden door dit beginsel, dat de krachtsinspanning zooveel mogelijk over het geheele lichaam moet verdeeld worden.

Gemakkelijk is 't te begrijpen waarom. Werken slechts weinige spieren, dan drukt 't geheele gewicht van den arbeid op deze, en zij zullen niet alleen het niet zoo lang volhouden, maar er zal ook lang niet zooveel kracht ontwikkeld kunnen worden, als wanneer 't werk door een groot aantal spieren verricht wordt. Verdeeling van den arbeid dus, en wel naar de juiste maat; elke spier drage bij naar zijne krachten!

Wij zullen trachten naar ons vermogen uiteen te zetten hoe men een eerstbeginnende de hoofdbeginselen van 't roeien leert, voor welke fouten hij zich vooral moet hoeden, en welke eischen men aan een goeden stijl mag stellen.

Maar vooraf nog een raad. Laat hij, die wil leeren roeien, eerst leeren zwemmen, zoo hij deze kunst nog niet verstaat. Want hoewel niet dikwijls, zoo gebeurt 't toch soms, dat de boot omslaat, en dit gevaar bestaat vooral in ons land, waar men veel ruw water vindt. Aan hem, die op 't IJ of op de groote rivieren in ons land roeit, is deze raad in de eerste plaats gegeven, maar ook aan hem, die door de ligging van de plaats, waar zijne roeivereeniging gevestigd is, minder in de gelegenheid verkeert om zich op ruw water te begeven. Er zijn voorbeelden van 't verdrinken van een groot deel der bemanning door 't omslaan van de boot.

§ 2. _De eerste beginselen van de roeikunst._

Om iemand het roeien te leeren, is het raadzaam hem te plaatsen in eene zware tweeriemsgiek met vaste banken. De onderwijzer gaat op den stuurbank zitten, als slag neemt een geoefenden roeier plaats in de boot, terwijl de leerling den boegriem in handen krijgt. Deze methode heeft het voordeel, dat de leerling tegelijk dat hem de lessen worden gegeven, de toepassing ervan kan zien; de noodige wenken worden hem gegeven, de fouten worden hem aangewezen door den stuurman, terwijl hij een voorbeeld vóór zich heeft in den slag, die hem de verschillende bewegingen vóórdoet, en dien hij tracht na te volgen.

Het eerste wat de leerling moet leeren is de _houding_ in de boot. Hij plaatst zich midden op het aan den bank bevestigd matje. Dit matje moet op zoodanige wijze om den bank worden gebonden, dat men vlak bij het boord zit zonder het nochtans met zijn dijen aan te raken.

De voeten worden stevig tegen het spoorplankje aangedrukt, na ze onder de voetriemen te hebben geschoven. Daarvoor is het noodig, dat het spoorplankje niet te ver verwijderd is, maar juist zóóver, dat de beenen niet geheel gestrekt kunnen worden, en de knieën nog iets gebogen zijn. Vooral op dit laatste moet de onderwijzer letten, daar ieder eerstbeginnende de neiging heeft, om het spoorplankje zoover mogelijk van zich af te zetten, ten einde bij het scheren minder last van zijne knieën te hebben. Toch is 't noodzakelijk voor een stevigen zit en voor een veerkrachtigen slag, dat de voeten stevig tegen den spoorplank aangedrukt worden, hetgeen alleen mogelijk is wanneer de beenen niet geheel gestrekt zijn.

De hielen worden tegen elkander gedrukt en de voeten waaiervormig uitgespreid. De beenen worden evenwijdig met de bootskiel gestrekt.

Het bovenlijf wordt volkomen rechtop gehouden, beide schouders op gelijke hoogte, en vooral niet naar één kant overhellend; 't gezicht en de borst gekeerd naar den achtersteven, met geen der zijden vooruit.

De borst wordt naar boven gewelfd, en de schouders iets naar beneden achterwaarts gedrukt, maar zonder overdrijving, zonder zoogenaamden knip of deuk in den rug. Het doel moet zijn om de longen en het hart zooveel mogelijk ruim en onbekneld te laten werken, zonder toch eene gewrongen houding aan te nemen. Hoe meer ongedwongen, hoe vrijer en gemakkelijker men zit, hoe beter; want daardoor wordt de werking der spieren zuiverder, en kan er meer kracht ontwikkeld worden.

[Illustratie: _Verkeerde greep._ Fig. 5.]

[Illustratie: _Juiste greep._ Fig. 6.]

Na de houding moet de leerling leeren zijn riem vast te houden. Onwillekeurig zal hij bij 't roeien wanneer hij eenige kracht wil zetten, zijn riem stevig omknellen, zelfs knijpen. (Zie fig. 5.) Dit nu is niets anders dan verspilling van krachten, want daardoor worden de spieren, nl. die van den benedenarm, gespannen en vermoeid, zonder er eenig grooter resultaat mede te verkrijgen. De handen moeten slechts dienen als middel om den riem te verbinden aan het lichaam; hoe losser dus de riem vastgehouden wordt, hoe beter, en daartoe buige men slechts de twee uiterste leden der vingers, waardoor er als 't ware een haak gevormd wordt, die zich om den riem slaat; (zie fig. 6) de duim wordt onder den riem gehouden en ook slechts met 't uiterste lid er tegen aangedrukt. De polsgewrichten mogen volstrekt niet naar beneden gebogen worden, want daardoor worden juist de spieren van den benedenarm ingespannen, hetgeen van geen nut is, en daarom streng verboden moet worden. Het doel moet immers zijn geen spier in te spannen, zonder daaruit eenig aan de krachtsinspanning evenredig resultaat te verkrijgen. De hand moet dus zóó gehouden worden, dat zij met den arm één rechte lijn vormt.

De buitenhand houdt men geheel aan 't einde van den riem, de binnenhand ongeveer 1 d.M. er van af. Daar men met de buitenhand verder moet reiken, zoo moet deze nog losser om den riem geslagen zijn dan de binnenhand.

Nu gaat de leerling slagklaar liggen, d. i. hij strekt 't lichaam flink vooruit, zonder nochtans den rug te krommen, of de schouders te veel naar voren te brengen, waardoor zijn hoofd zich als 't ware daartusschen verbergt; maar toch moet dit ongedwongen geschieden. Deze houding is voor den eerstbeginnende zeer lastig te leeren, want hij zal allicht in één van twee uitersten vervallen, òf zijn rug krommen en de schouders te veel naar voren brengen, òf stijf blijven zitten en zelfs een deuk, een holte in zijn rug maken.

Maar na eenige oefening zal het hem gelukken de middelmaat te vinden, waarbij hij zijn borst vrij laat zonder zijn spieren geweld aan te doen.

De armen worden volkomen gestrekt, 't lichaam evenwijdig met de kiel naar den achtersteven gericht, niet naar binnen gebogen, en zonder dat de buitenzijde méér naar voren komt.

Nu wordt het tijd den leerling de verschillende bewegingen, die gezamenlijk 't roeien vormen, te leeren. Is hij slagklaar, dan wordt eerst 't blad van den riem juist verticaal in 't water gelaten, door de handen even op te lichten. Een punt van groot belang is dat _de stand van 't blad juist verticaal is_; noch de holle, noch de bolle zijde mag eenigszins naar boven gekeerd zijn; in 't eerste geval zou 't blad, bij 't maken van den slag, dadelijk in de diepte verdwijnen, zonder veel tegenstand van 't water te ondervinden, en dus in een gedeelte van den slag niet de voortstuwende kracht op de boot uitgeoefend worden, terwijl het bovendien moeite kost om den riem van uit de diepte weer uit 't water te brengen; in het tweede geval zou 't blad niet dadelijk geheel in 't water gaan, maar gedeeltelijk er boven blijven rusten, ja, soms zal het eerste gedeelte van den slag daardoor in de lucht gemaakt worden. Opdat het blad zuiver verticaal in 't water gehouden wordt, is het noodig dat de riem goed gevormd en niet gedraaid, het stootleer juist aangebracht is, en de trekdol niet scheef achterover staat. Het is zelfs wenschelijk, dat de afstand tusschen de dollen van boven kleiner is dan onderaan.

Ook noodzakelijk is het, dat _niets meer maar ook niets minder dan het blad onder water wordt gestoken_. Komt een gedeelte van den steel ook onder water, dan zal grooter moeite ontstaan om den riem uit 't water te lichten, zonder dat de voortstuwende kracht grooter wordt, want de dunne steel ondervindt bijna geen weerstand van 't water; laat men echter een gedeelte van het blad boven water, dan zal de weerstand van 't water aanmerkelijk kleiner worden en daarmede ook de voortstuwende kracht.

Nu wordt 't blad van den riem in rechte lijn in horizontale richting gelijkmatig door 't water getrokken, door met 't lichaam kalm achterover te zwaaien. _De armen worden daarbij volkomen gestrekt gehouden_, zoodat de kracht wordt uitgeoefend door de spieren van den rug. Eerst op 't einde van den slag, wanneer 't lichaam zijn zwaai volbracht heeft, worden de armen gebogen, en de riem tot aan den buik of de borst doorgetrokken. Men zorge hierbij steeds den rug niet te krommen, en op 't einde van den slag zelfs _de schouders achterwaarts neder te drukken_. _Het blad van den riem wordt_, zooals wij reeds zeiden, _gedurende den geheelen slag op gelijke hoogte onder het water gehouden tot op het einde toe_.

Is de slag gemaakt, dan is 't noodig, ten einde een nieuwen slag te beginnen, dat 't lichaam opnieuw naar voren gebogen en de armen gestrekt worden.

Om de verschillende bewegingen van 't roeien zuiver te leeren maken, is het noodig, dat ze in het begin langzaam en kalm uitgevoerd worden. Door ze dadelijk snel en vlug te willen maken, leert men fouten aan.

Dus men ligt met 't lichaam iets achterover en 't handvat van den riem tegen den buik of den borst gedrukt. Nu wordt 't blad uit 't water gelicht door eene kleine drukking van de handen op den riem ('t scheren moet niet dadelijk geleerd worden, maar eerst nadat de leerling de bewegingen van 't roeien reeds eenigszins begint te begrijpen, en zich wat thuis begint te gevoelen in de boot), daarna worden de armen in ééns gestrekt, en 't lichaam vooruit gebracht.

Deze tweeledige beweging wordt in de volgende volgorde uitgevoerd: _men begint de armen te strekken, vóórdat de voorwaartsche beweging van 't lichaam wordt gemaakt_, en wel omdat: 1º. men veel meer moeite heeft de beweging te maken met gebogen armen, dan met gestrekte; ten bewijze hiervan beproeve men een zwaar voorwerp of een persoon weg te duwen met gebogen armen, en daarna met gestrekte; dan zal men bemerken dat 't laatste veel minder inspanning kost; 2º. omdat, wanneer de armen niet dadelijk gestrekt worden, de knieën in den weg zitten, vooral op sliding-seats; maar ook op vaste banken, omdat ook hier de knieën zich bij de voorover strekkende beweging van 't lichaam iets opheffen; 3º. omdat, wanneer de voorwaartsche beweging wordt gemaakt met gebogen armen, 't lichaam zich noodzakelijk over den riem moet heenbuigen, en de borst wordt ingetrokken; 4º. omdat anders de voorwaartsche beweging op 't einde niet langzaam uitloopt, zooals behoort, maar juist op 't laatst de grootste snelheid verkrijgt, zoodat zij met een schok moet eindigen.

Wanneer deze beweging is volbracht, laat men het blad van den riem weer dadelijk in 't water, zooals hierboven is aangeduid, en begint op 't zelfde oogenblik te trekken, niet met een ruk, _maar toch met kracht, en met evenveel kracht trekt men den geheelen slag door_.

Zoo maakt 't lichaam een slingerende beweging, evenwijdig met de kiel van de boot, zonder bij 't einde van den voorwaartschen of achterwaartschen zwaai te rusten. Zoodra de slag geëindigd is, wordt de riem in één beweging uit 't water gelicht en naar achteren gebracht, en ook zoodra hij zijn vlucht boven 't water volbracht heeft, weer dadelijk in één beweging ondergedompeld en door het water heengehaald. _Er mag geen stilstand in de beweging van den riem zichtbaar zijn, ja, schijnbaar moet alles in één onafgebroken loop doorgaan._

Eerst na de eerste lessen komt 't _scheren_ aan de beurt. Dit is het naar achteren zwaaien van den riem met 't blad in horizontale houding. De moeilijkheid bestaat in 't platdraaien van 't blad. Dit moet op de volgende wijze geschieden: Nadat de slag geheel volbracht is, brengt men eerst eene drukking met de vingers op 't handvat van den riem teweeg, en vlak daarna drukt men er den palm van de hand tegen, waardoor de riem van zelf omgedraaid wordt en tegelijk het blad zijn vlucht over het water begint. Dit moet noodzakelijk in de aangegeven volgorde geschieden. Drukt men eerst den palm van de hand tegen den riem, dan zal 't blad zich noodwendig onder water omkeeren, en men "vangt een snoek." Worden beide bewegingen tegelijk uitgevoerd, dan zal de onderkant van het blad nog even de gelegenheid hebben wat water mede te nemen en door de omdraaiende beweging een straaltje in de hoogte te werpen. Dit laatste is niet zoo gemakkelijk te vermijden, en zelfs oudere en meer geoefende roeiers ziet men het dikwijls doen.

Men moet deze fout echter wel onderscheiden van eene andere veel grootere fout, n.l. het naar achter weg werpen van water. Terwijl het eerste een gevolg is van incorrect platdraaien van 't blad van den riem, is het laatste 't gevolg van een geheel verkeerde houding van den riem gedurende 't laatste gedeelte van den slag. Het blad van den riem wordt dan gedurende den slag reeds een weinig omgedraaid, zoo dat het niet geheel verticaal meer is, daarbij worden de handen niet in één rechten lijn naar den borst getrokken, maar in een boog naar beneden gedrukt. Zoo wordt met 't blad van den riem een kolom water mede opgelicht, en door 't laatste gedeelte van den slag weggeworpen. Dat dit tot de grootste fouten in 't roeien behoort, is duidelijk, want door 't naar beneden drukken van den riem worden krachten aangewend niet in horizontale richting, maar om de boot in 't water neer te drukken; bovendien gaat 't laatste gedeelte (hoe klein ook) van den slag in de lucht verloren. Nadat de leerling eenigen tijd op vaste banken heeft geroeid, en hij zich aangewend heeft bij het begin van den slag zijn lichaam flink vooruit te strekken, en bij het einde goed achterover te vallen, en de slingerende beweging van het bovenlijf zonder schokken of stooten uit te voeren, dan wordt het eerst tijd hem op sliding-seats te doen plaats nemen. Hier wordt de beweging meer gecompliceerd, daar nu de werking der beenen grooter is dan op vaste banken. Telkens wanneer de slag geëindigd is en 't lichaam vooruitgestrekt wordt, moet ook 't bankje naar voren gebracht worden. Dit laatste mag echter volstrekt niet met geweld gedaan worden. Door de voorwaartsche strekking van armen en lichaam wordt de stoot gegeven, waardoor 't bankje als 't ware van zelf naar voren glijdt. Daarmee willen wij niet zeggen, dat 't vooruitbrengen van 't lichaam met een schok moet geschieden, maar _eerst armen en bovenlijf, en dan volgt de sliding-seat gemakkelijk en als van zelf_. Doet men dit niet op deze wijze, dan zullen de spieren, die langs het scheenbeen loopen, spoedig vermoeid worden, en de boot zal eene stootende beweging verkrijgen.

Op 't oogenblik dat 't bankje naar voren is gebracht, moet ook 't lichaam voorover gestrekt zijn, en op datzelfde oogenblik wordt het blad weer in 't water gestoken en een nieuwe slag begonnen. Op de wijze, waarop men met de beenen de sliding-seat naar achteren afzet, in verband met de achteroverstrekkende beweging van 't lichaam, komen wij later terug. Eerstbeginnenden is het vooral zaak op het hart te drukken, ook hierbij _geen rukken of stooten te geven, maar gelijkmatig en veerkrachtig alle bewegingen van 't roeien uit te voeren_.

Wij gelooven dat het, om 't juist gebruik van de sliding te leeren, den beginner aan te raden is om in 't eerst niet de geheele lengte ervan af te loopen, maar langzamerhand telkens een grooter stuk ervan te gebruiken.

* * * * *

Wij behoeven bijna niet te zeggen, dat het van 't grootste gewicht is, dat de leden van een ploeg _goed maat houden_, dat zij allen op 't zelfde oogenblik hun riem in 't water steken en kracht zetten, en ook op 't zelfde tijdstip hem er weer uit lichten en beginnen te scheren. Wordt dit niet gedaan, dan zal 't totaal van de uitgeoefende kracht versnipperd worden, en de boot nu eens naar bakboord- dan weer naar stuurboordzijde overgetrokken worden, terwijl bovendien eene schommelende beweging van de boot, 't gevolg van ongelijk roeien, niet alleen lastig is voor de roeiers, maar ook eene wrijving veroorzaakt met 't water, die den gang van de boot tegenhoudt.

* * * * *