Nederlandsch handboek voor roeisport

Part 3

Chapter 33,456 wordsPublic domain

1874 Alfr. Vidrequin, Bruxelles. 1875 Aug. Bartholomé, " 1876 Hector Donies, " 1877 Hector Donies, " 1878 Hector Donies, " 1879 Hector Donies, " 1880 Josef Polak, " 1881 H. Werlemann, " 1882 Joseph Polak, " 1883 M. Chaudoir, Liège. 1884 Trasenster, " 1885 M. Chaudoir, "

NEDERLAND.

Universiteitswedstrijd.

Jaar. Overwinnaar. Plaats. Gewonnen met:

1878 Delft, op den Rijn bij Leiden gew. m. ? 1880 Delft, op den Rijn bij Leiden " " 10{~DOUBLE PRIME~} 1881 Delft, op de Schie bij Delft " " 12{~DOUBLE PRIME~} 1882 Leiden, op den Rijn bij Leiden " " 35{~DOUBLE PRIME~} vóór Delft, 53{~DOUBLE PRIME~} vóór Utrecht. 1883 Leiden, Oudshoorn, aanvaring van Delft en Utrecht. 1884 Leiden, Oudshoorn gew. m. 4{~DOUBLE PRIME~} vóór Utrecht, 36{~DOUBLE PRIME~} vóór Delft. 1885 Leiden, Haarlem " " 18{~DOUBLE PRIME~} vóór Utrecht, 30{~DOUBLE PRIME~} vóór Delft.

Kampioenschap van Nederland.

_Matches of Professionals for the Championship._

P. M. = Putney-Mortlake.

De tusschen haakjes geplaatste naam is die van den overwonnene.

1831 (9 Sept.) C. Campbell (C. Williams). 1846 (19 Aug.) R. Coombes (C. Campbell) P. M. 26{~PRIME~} 15{~DOUBLE PRIME~} 1852 (24 Mei) T. Cole (R. Coombes) P. M. 26{~PRIME~} 15{~DOUBLE PRIME~} 1854 (20 Nov.) J. Messenger (T. Cole) P. M. 24{~PRIME~} 25{~DOUBLE PRIME~} 1857 (12 Mei) H. Kelley (J. Messenger) P. M. 24{~PRIME~} 30{~DOUBLE PRIME~} 1859 (25 Sept.) R. Chambers (H. Kelley) P. M. 25{~PRIME~} 25{~DOUBLE PRIME~} 1865 (8 Aug.) H. Kelley (R. Chambers) P. M. 23{~PRIME~} 26{~DOUBLE PRIME~} 1866 (22 Nov.) R. Chambers (J. Sadler) P. M. 25{~PRIME~} 4{~DOUBLE PRIME~} 1867 (6 Mei) H. Kelley (R. Chambers) op de Tyne 31{~PRIME~} 47{~DOUBLE PRIME~} 1868 (17 Nov.) J. Renforth (H. Kelley) P. M. 23{~PRIME~} 15{~DOUBLE PRIME~} 1874 (17 April) J. H. Sadler (E. Bagnall) P. M. 24{~PRIME~} 15{~DOUBLE PRIME~} 1875 (15 Nov.) J. H. Sadler (R. W. Boyd) P. M. 28{~PRIME~} 5{~DOUBLE PRIME~} 1876 (27 Juni) E. Trickett (J. H. Sadler) P. M. 24{~PRIME~} 45{~DOUBLE PRIME~} 1877 (19 Maart) R. W. Boyd (W. Nicholsen) op de Tyne 25{~PRIME~} 40{~DOUBLE PRIME~} 1877 (28 Mei) R. W. Boyd (J. Higgins) P. M. 28{~PRIME~} 24{~DOUBLE PRIME~} 1877 (8 Oct.) J. Higgins (R. W. Boyd) P. M. 24{~PRIME~} 10{~DOUBLE PRIME~} 1878 (14 Jan.) J. Higgins (R. W. Boyd) op de Tyne foul. 1878 (3 Juni) J. Higgins (W. Elliott) P. M. 24{~PRIME~} 38{~DOUBLE PRIME~} 1878 (17 Sept.) W. Elliot (R. W. Boyd) P. M. foul. 1879 (17 Febr.) W. Elliot (J. Higgins) op de Tyne 22{~PRIME~} 1{~DOUBLE PRIME~} 1879 (16 Juni) E. Hanlan (W. Elliot) op de Tyne 21{~PRIME~} 21{~DOUBLE PRIME~} 1880 (15 Nov.) E. Hanlan (E. Trickett) P. M. 26{~PRIME~} 12{~DOUBLE PRIME~} 1881 (14 Febr.) E. Hanlan (E. C. Laycock) P. M. 25{~PRIME~} 41{~DOUBLE PRIME~} 1882 (3 April) E. Hanlan (R. W. Boyd) op de Tyne 21{~PRIME~} 25{~DOUBLE PRIME~} 1882 (1 Mei) E. Hanlan (E. Trickett) P. M. 28{~PRIME~} 1883 (31 Mei) E. Hanlan (J. L. Kennedy) Point of Pines Canada m. 15 L. 1883 (18 Juli) E. Hanlan (W. Ross) Lawrence River U. S. m. 20 L. 1884 (22 Mei) E. Hanlan (E. C. Laycock) Melbourne Nep. m. ½ L. in 22{~PRIME~} 45{~DOUBLE PRIME~} 1884 (16 Aug.) W. Beach (E. Hanlan) Paramatta m. 6 L. in 20{~PRIME~} 29{~DOUBLE PRIME~} 1885 (7 Febr.) E. Hanlan (Clifford) Paramatta m. 7 L. 1885 (28 Maart) W. Beach (E. Hanlan) Paramatta m. 10 L. in 22{~PRIME~} 51{~DOUBLE PRIME~} 1885 (24 Oct.) J. Teemer (E. Hanlan) Hudson Riv. 22{~PRIME~} 11{~DOUBLE PRIME~}

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE BOOT EN HARE ONDERDEELEN.

§ 1. _De Boot._

De booten worden in twee hoofdgroepen verdeeld: _outrigged-_ en _inriggedbooten_.

Bij ons te lande wordt bijna uitsluitend de laatste soort gebezigd, om welke reden wij daaraan het meest onze aandacht zullen wijden.

Daar echter de veranderingen en verbeteringen aan de _outriggedbooten_ ook op die der tweede soort grooten invloed hebben uitgeoefend, zullen wij vooraf eene korte beschrijving van _outriggedbooten_ geven. De snelheid eener boot is afhankelijk van twee hoofdfactoren, n.l. hare breedte en de lengte van den hefboom des riems. De uitvinding van den outrigger nu is de eenvoudige oplossing van het probleem: de lengte van den hefboom onafhankelijk te maken van de breedte der boot, m. a. w. de boot smaller te kunnen maken, zonder dat het daarbij noodig is den hefboom te verkorten. ~H. Clasper~ van New-Castle on Tyne heeft in 1841 deze vraag opgelost door de dollen, in plaats van op het boord, buiten de boot op een uitstekend ijzeren toestel aan te brengen.

Naar dit toestel nu, dat den naam _outrigger_ draagt, worden ook de booten, die er mede voorzien zijn, _outriggers_ genoemd.

Zij hebben in Amerika en Engeland de oudere bootsoorten op wedstrijden geheel verdrongen, zijn in Duitschland reeds overal ingevoerd en beginnen ook in Frankrijk en België het burgerrecht te verkrijgen. In Nederland is tot nog toe de _single-sculling_ de eenige vertegenwoordiger van de _outriggers_ op wedstrijden.

Daar _outriggers_, die voor wedstrijden gebruikt worden, gewoonlijk niet meer dan een paar centimeter boven het water uitsteken, zijn zij met taf overdekt, uitgezonderd het gedeelte waarin de roeiers zitten. Dit wordt door eene kleine verhooging der boorden, het _waschboord_ genaamd, tegen het binnenslaan der golven beveiligd.

Bij _inrigged-_ of _rowlockboats_ (_yole-gigs_, _Dollenboote_), bij ons kortweg _gieken_ geheeten, zijn de dollen niet op outriggers, maar op de boorden aangebracht.

De _giek_ is breeder en hooger dan de _outriggers_; breeder, omdat geen outrigger hierin de lengte van den hefboom onafhankelijk maakt van de breedte der boot; hooger, omdat zij niet overdekt zijn. Doordat echter de roeiers niet in het midden der boot, maar tegen de boorden zitten, kan hierdoor de hefboom weer langer zijn.

Hoewel, zooals reeds gezegd is, in vele landen op wedstrijden door den _outrigger_ verdrongen, zal toch ook daar de _giek_ steeds moeten blijven bestaan voor het oefenen van beginners; want om in een _outrigger_ te kunnen gaan roeien moet men het tot zekere hoogte in de kunst gebracht hebben. Bij ons wordt de _giek_ nog altijd op wedstrijden gebruikt, doch voorzien van allerlei veranderingen en verbeteringen, die in Engeland in verloop van tijd aan de _outriggers_ werden aangebracht. Zoo ziet een _racegiek_ (_yole-gig de course_, _Dollenrennboot_), die men tegenwoordig van fransche of duitsche bootbouwers ontvangt, er geheel anders uit dan eene echte, oude engelsche _inriggedracingboat_; de sliding-seat is er in aangebracht, de oude houten dollen zijn door _swiveling-rowlocks_ vervangen, en deze staan niet meer op het boord, doch op een naar buiten stekend, op het boord aangebracht stuk hout, zoodat het eigenlijk geen _inriggers_ meer zijn. En nog worden er jaarlijks nieuwe veranderingen in aangebracht en worden onze vereenigingen daardoor jaar op jaar gedwongen zich nieuwe booten aan te schaffen, zoo zij ten minste op wedstrijden niet door haar materiaal aan de tegenpartij een voordeel willen verschaffen; en de bootbouwers wrijven zich de handen van plezier en worden steeds scherpzinniger in het uitvinden van "_innovations_"; want elke nieuwigheid heeft nieuwe bestellingen tengevolge.

Hiertegenover staat, dat wij, de _outriggers_ op onze wedstrijden invoerende, onze vereenigingen vele kosten zouden besparen, daar het model van een _outrigger_ niet telkens verandert.

Maar het grootste voordeel zou zijn, dat wij ook met de Engelschen, tot dusver de eersten onder de amateurs, onze krachten zouden kunnen meten, terwijl wij nu met onze _gieken_ op het vasteland kunnen blijven.

Waarom niet flink en doortastend terstond de _outriggers_ ingevoerd in plaats van krampachtig aan onze _inriggers_ vast te houden, die toch eigenlijk geen _inriggers_ meer zijn?

Wij stellen met onze hybridische _gieken_ nog ééns de uitvinding van den _outrigger_ voor.

Immers men verhaalt, dat ook de eerste _outrigger_ slechts een houten toestel was om de dollen naar buiten te brengen, en dat ~Clasper~ hierop het denkbeeld heeft opgevat om dit toestel te verlengen en uit ijzeren stangen te vervaardigen. En dat was in 1841!

Ook bij onze naburen, de Belgen, is de _outrigger_ zeer koel ontvangen en slechts op enkele "_courses pour embarcations de construction libre_" verschenen. Toch vindt hij daar ijverige verdedigers, getuige het jaarverslag over 1885 van de _Cercle des Régates_ te Brussel, waarin men leest: "Depuis longtemps les sociétés des pays voisins nous ont devancés dans cette voie, et il est réellement fâcheux qu'en Belgique certains cercles persistent dans leurs anciens errements."

Zoowel _outriggers_ als _inriggers_ ontvangen naar het aantal roeiers, waarvoor zij bestemd zijn, hun naam. Zoo heet eene boot voor 8, 6, 4 of 2 roeiers een _achtriems_ (_eight-oar_, _gig à huit rameurs_, _Achtriemer_), _zesriems_, _vierriems_ of _tweeriems_ (_pair-oar_).

Wanneer de roeier slechts één riem hanteert, zoo heet deze _oar_ (_aviron de pointe_); roeit hij echter met twee riemen, dan worden deze _sculls_ (_avirons de couple_) genoemd, de roeier is dan een _sculler_ en de boot een _scullingboat_.

Een boot, die slechts voor één roeier bestemd is, heet daarom _single-scullingboat_.

Ook komen wel booten voor, die voor meerdere scullers zijn ingericht.

Booten, die door meerdere roeiers worden voortbewogen, hebben gewoonlijk een stuurman.

In Amerika en Engeland worden echter _vierriemsoutriggers_ meestal--en _tweeriemsoutriggers_ (_pairoars_) altijd door een der roeiers gestuurd.

De tegenwoordige _single sculling outrigger_, waarin alom om het "_championship_" geroeid wordt, draagt in België en Frankrijk algemeen den naam van _skiff_, waaronder vroeger een geheel ander vaartuig werd verstaan. Toen was het een korte, zware en wijde boot, die eenigszins het model van eene _wherry_ had.

De _wherry_ was vóór twintig jaren de meest voorkomende boot op de Thames. Zij gelijkt op een _giek_, maar is zwaarder en korter, terwijl de boorden, in plaats van over de geheele lengte dezelfde hoogte te hebben, op de plaatsen, waar de dollen zijn aangebracht, oploopen. Zij is meestal overnaadsch en dient voor het maken van tochten, zoodat zij dikwijls ook voor zeilen is ingericht.

§ 2. _Onderdeelen der Boot._

Wanneer men zich in eene boot gezeten denkt met het gelaat naar den voorsteven, evenals de stuurman, dan heet de linkerzijde _bakboord_ (_port_ of _larboard_, _babord_, _Backbord_)--de rechterzijde _stuurboord_ (_starboard_, _tribord_, _Steuerbord_).

Het voorste gedeelte tot aan den eersten roeier wordt de _boeg_ (_bow_, _Bug_)--het achterste tot aan den stuurman de _achtersteven_ (_stern_) genoemd; het overige heet _midships_.

Tot de onderdeelen overgaande hebben wij vooreerst: de _kiel_ (_the keel_), die bij zware booten aan den binnen- en buitenkant--doch bij racebooten alleen aan den binnenkant zichtbaar is. Zij vormt geen rechte lijn, maar is aan de beide uiteinden eenigszins opwaarts gebogen en is dus als 't ware de ruggegraat der boot.

Aan beide zijden van de kiel zijn de _ribben_ (_the ribs_, _timbers_ of _lands_, _die Rippen_) bevestigd. Het is van groot belang, dat de ribben stevig met de kiel verbonden zijn, daar zij het beloop der zijwanden aangeven.

De _waterlijn_ is de streep, die het water op de zijden der boot afteekent, wanneer deze bemand op het water ligt. Daar elke boot ééne bepaalde ligging op het water heeft, waarbij zij het snelst loopen kan, is het groot geheim der kunst juist in het vaststellen dier lijn gelegen.

Het lichaam zelf der boot bestaat uit lange, smalle, over elkander sluitende planken, die tegen de ribben genageld zijn. Zulke booten heeten _overnaadsche-_ of _klinkerbooten_.

Bij _lichte_ of _gladde booten_, die op wedstrijden gebruikt worden, is het lichaam uit lange, breede en zeer dunne bladen hout samengesteld. Deze zijn door stoom gebogen en sluiten zóó dicht tegen elkander, dat het geheele uitwendige eene gladde oppervlakte vertoont.

Deze laatste soort wordt gewoonlijk van amerikaansch cederhout vervaardigd, terwijl de overnaadsche booten meestal van eiken- of mahoniehout zijn gemaakt en voor oefen- of pleiziervaartuigen dienen.

Racebooten worden tegenwoordig zóó gemaakt, dat zij in twee of drie stukken kunnen worden uit elkander genomen, hetgeen vooral voor het vervoer zeer gemakkelijk is en vele kosten bespaart. De Franschen noemen zulk eene boot _démontable_, de Duitschers _zusammenlegbar_.

In Amerika worden racebooten in de laatste jaren ook van papier vervaardigd; zij moeten ten opzichte van lichtheid, gemakkelijke reparatie, groote hechtheid, enz. vele voordeelen aanbieden. Door lang in het water te liggen zal de papieren substantie, al is deze ook nog zoo hard gemaakt, naar onze meening, echter noodzakelijk water inzuigen. In Europa zijn zij nog slechts weinig in gebruik om de eenvoudige reden, dat de Amerikanen de bewerking geheim houden. Al heeft men er dus de hooge transportkosten voor over om hier zulk eene boot te bezitten, zoo moet men haar toch bij elke averij in Amerika laten herstellen.

_Boeg_ (_stem_, _Bug_) heet het voorste gedeelte der boot, dat het water doorsnijdt, terwijl het achterstuk, waaraan het roer bevestigd wordt, _achtersteven_ (_stern_ of _afterpart_, _Hintersteven_)--en bij booten, waarbij dit deel niet scherp uitloopt, maar een klein plat vlak vormt, _hek_ (_transom_, _Heck_) wordt genoemd.

De _loopplanken_ liggen altijd los op den bodem der boot om er bij het schoonmaken te kunnen worden uitgenomen.

De _spoorplank_ of het _voetbord_ (_stretcher_, _la barre de pied_, _Stemmbrett_), waartegen men bij het roeien de voeten plaatst, kan naar gelang van de lengte der beenen verplaatst worden. Hierop is de _voetriem_ bevestigd, die de voeten van den roeier omsloten houdt en deze daardoor in de voor- en achterwaartsche bewegingen ondersteunt. Het is noodzakelijk voor de regelmatigheid dezer bewegingen, dat beide voeten in voetriemen steken, daar de roeier, zoo slechts één der voeten door een riem is omvat, na het einde van den slag alle kracht bij het naar voren komen op die zijde van het lichaam overbrengt.

_Dollen_ (_rowlocks_, _dames_, _Dullen_) zijn de houten of metalen pennen, waartusschen de riem bij het roeien ligt. Zij zijn bij _inriggers_ op de boorden--bij _outriggers_ op de _outriggers_ aangebracht. De een, waartegen de riem bij het trekken drukt, heet de _trekdol_ (_thowl_, _dame d'arrêt_, _Ruderpflock_), de ander, die bij het strijken dienst doet, de _strijkdol_ (_stopper_ of _after-thowl_, _dame de retour_, _Streichpflock_).

Het houtje, dat tusschen de beide dollen ligt en waarop de riem rust, heet het _scheerhout_ of _vulhout_ (_filling_, _Dullenlager_ of _Fütterung_).

Sedert eenige jaren is men in Amerika op de gedachte gekomen om beweegbare dollen op scullingbooten te plaatsen.

[Illustratie: Fig. 1.]

Het is eene uitvinding, die op het invoeren der sliding-seat noodzakelijk volgen moest. Terwijl immers hierdoor de roeier werd in staat gesteld om de sculls veel verder naar voren en achteren te brengen dan op vaste banken, moesten ook de dollen verder van elkander worden geplaatst. Dit nu was nadeelig, 1e door de grootere speelruimte, welke de scull daardoor tusschen de dollen kreeg, en door de daaruit voortvloeiende onvastheid, en 2e door de grootere wrijving.

Deze beide bezwaren nu worden door de _draaidollen_ (_swivel rowlocks_) opgeheven, daar de roeier hierbij zóóver met zijne sculls reiken kan, als hij zelf maar wil.

Van deze draaidollen bestaan tegenwoordig alweer tallooze soorten. Ook de fransche bootbouwers brengen ze op inriggers aan. Voor een der beste soorten geldt de "_Davis swivel rowlock_", waarvan ook ~Hanlan~ zich steeds bediend heeft. (zie fig. 1).

De _riem_ (_oar_ of _scull_, _aviron_ of _rame_, _Ruder_ of _Riem_) bestaat uit vier deelen: het _handvat_ (_handle_, _le manche_, _la poignée_, _Griffe_), het _binneneind_ (_loom_, _Innenhebel_), het _buiteneind_ (_shank_ of _small_, _Aussenhebel_) en het _blad_ (_blade_, _pelle_, _Blatt_).

Op de plaats, waar de riem in de dollen rust, is hij over eene lengte van 15 cM. met leder bekleed om de wrijving te verminderen; en hierop is het _stootleêr_ (_stop_, _Pflock_ of _Knopf_) aangebracht, dat het uitglijden uit de dollen verhindert.

Dit stootleer werd gewoonlijk met drie lange draadnagels aan den riem vastgemaakt, waardoor deze op die plaats zeer verzwakt werd. In de meeste gevallen, dat riemen werden stukgetrokken, geschiedde dat op die plaats. Nu heeft een Engelschman ~Young~ in 1885 een middel uitgevonden om het stootleer zonder spijkers aan den riem te bevestigen, en op zijne uitvinding patent aangevraagd. De door roeiers uit Londen, Oxford en Cambridge genomene proeven hebben uitstekend voldaan.

Ook in de riemen heeft de Amerikaan ~Davis~ in den laatsten tijd eene verbetering aangebracht. De as der bladen van de door hem vervaardigde riemen valt niet in het verlengde van den steel, maar vormt hiermede een hoek, zoodat bij het roeien de bovenkant van het blad evenwijdig is aan de wateroppervlakte, hoewel de steel van den riem met het watervlak natuurlijk een stompen hoek maakt.

Onderstaande figuur geeft een scull te zien, zooals die onder den trek in het water staat.

[Illustratie: Fig. 2.]

De proeven, die de berlijnsche bootbouwer ~Rettig~ in 1885 met holle riemen heeft genomen, zijn niet bevredigend uitgevallen.

Het _roer_ (_the rudder_, _la barre_, _das Steuer_), dat met de roerpen aan den achtersteven wordt verbonden, bestaat uit het blad, en het juk, aan welks uiteinden de _stuurlijnen_ (_yokelines_, _fils_, _Steuerleinen_) verbonden zijn.

De _vanglijn_ (_painter_ of soms _headfast_) is het touw, waarmede de boot wordt vastgelegd.

De zitplaatsen blijven ons nog ter bespreking over.

De zitplaats van den stuurman, stuurbank genoemd, wordt tegenwoordig aldus in de boot aangebracht, dat men dien naar gelang van het gewicht van den stuurman kan verplaatsen.

De _roeibanken_ (_thwarts_, _bancs de nage_, _Ruderbänke_) staan dwars op de boot en zijn door middel van kniehoutjes aan de boorden bevestigd.

Gewoonlijk zit de roeier op een aan den bank vastgebonden matje of kussen om het afglijden en dóórroeien tegen te gaan. Op wedstrijden echter lieten de roeiers die kussens weg en gleden op hunne banken heen en weder om den slag langer te kunnen maken; om deze beweging te vergemakkelijken werd de zitplaats wel met zeep of vet bestreken, waarover de roeier dan met eene met leder bekleede broek heen en weer schoof.

Bij het scullen was deze methode ongetwijfeld voordeelig; doch bij het roeien, waarbij 6 à 10 slagen per minuut méér worden gemaakt, woog het voordeel van den langeren slag niet op tegen de buitengewone inspanning der beenen.

Zoo was de beroemde ploeg van Renforth gewoon op vaste banken te glijden, wanneer zij op een korten afstand alle krachten aanwendden (_to make a spurt_, _faire un enlevage_), doch op lange afstanden konden zij zulks niet volhouden. Ook de vierriemsploeg "~John-o' Gaunt~" van Lancaster, die in 1870 aan de Henley deelnam, gleed over vaste banken, en verkreeg op eene korte baan eene groote snelheid; maar de beenen werden te zeer ingespannen, dan dat zij het lang vermochten vol te houden.

Zonderling, dat roeiers, die toch inzagen, dat het gebrekkige in dit glijden voortkwam uit de wrijving van het lichaam op den bank, niet op de gedachte kwamen de beweging te vereenvoudigen door den bank tegelijk met het lichaam te laten glijden. Aan een Amerikaan is de theoretische toepassing van dit principe te danken. Maar de amerikaansche roeiers, hoewel schrander genoeg om in te zien dat, zoo het lichaam over den bank moest glijden, deze beweging gemakkelijker werd door op een afzonderlijk bankje over den eigenlijken bank heen en weer te gaan, stelden deze uitvinding niet genoeg op prijs; hetgeen wel hieraan wordt toegeschreven, dat de Amerikanen in dien tijd bij het roeien bijna allen hunne armen en schouders gebruiken, zonder aan het gebruik der been- en lendespieren gewicht te hechten.

Een ploeg uit het noorden van Engeland, die destijds in Amerika vertoefde en daar de oplossing van het probleem zag, bracht het bij haar terugkomst in praktijk; en het groote nut der _glijbanken_ (_sliding-seats_, _bancs à coulisse_, _Gleitsitze_) bleek op den wedstrijd voor vierriemsgieken in Nov. 1871 op de Tyne. ~J. Taylor~ namelijk had zijne ploeg overgehaald tot het beproeven der nieuwe methode en dit tot den dag van den wedstrijd zorgvuldig geheim gehouden. Het resultaat was verrassend, want de tegenpartij, de ploeg van ~Chambers~, werd met gemak verslagen.

Twee wedstrijden in sculling, in de daaropvolgende lente op de Thames gehouden, deden het voordeel der glijbanken nog meer uitkomen.

Zonderling is het verder, dat de Amerikanen, de eigenlijke uitvinders der glijbanken, nalieten er zich van te bedienen, en, terwijl zij zelven in hunne methode van roeien de beenen niet gebruikten, aan hunne mededingers, de Engelschen, door hunne uitvinding de beste wijze aan de hand gaven om het meeste voordeel van de beenspieren te trekken.

Bekend is de overwinning van de _London Rowing-club_ op de _Club Atalanta_ van New-York, waarbij eerstgenoemde de glijbanken gebruikte. Hoewel toen de Engelschen, zoowel door meerdere physieke kracht als door hun beteren stijl, ook zonder dat voordeel de overwinning zouden hebben behaald, zoo was toch de _sliding-seat_ in de engelsche boot voor een groot gedeelte de oorzaak van de smadelijke nederlaag der Amerikanen. Maar juist de overtuiging, dat de Engelschen toch verreweg de baas waren, hield de oppositie tegen de nieuwigheid bij de roeiers van het oude stelsel nog levendig. Want de schoone stijl (zoo redeneerden zij) gaat er door verloren, al moge men dan ook iets in snelheid winnen.

Mettertijd echter ging men inzien, dat de schoone stijl zeer goed te vereenigen was met het roeien op _sliding-seats_, en dat, al valt het niet te ontkennen dat voorbeelden van goeden stijl minder talrijk zijn dan in den tijd van de vaste banken, deze toch langzamerhand terugkeert.

En naarmate men het juiste gebruik der _sliding-seat_ beter zal leeren kennen, zullen alle roeiliefhebbers zich niet over het bederf van den stijl hebben te beklagen, doch zich verheugen over eene uitvinding, die alle lichaamsdeelen tot hun recht laat komen en het roeien tot een der volledigste lichaamsoefeningen maakt.

In den laatsten tijd tracht men ook in de _sliding-seat_ weer verbeteringen te brengen door de banken over wieltjes te laten rollen. Daar men het over de zaak nog niet eens is, verwijzen wij belangstellenden naar de no. 24 en 25 van de _Wassersport_ van 1885, waarin de kwestie door ~Dr. Schiller~ in met teekeningen opgeluisterde opstellen wetenschappelijk behandeld wordt; en naar no. 42, waar zij door ~R. Rochow~ meer uit een praktisch oogpunt wordt besproken.

Nog van eene andere uitvinding der Amerikanen moeten wij melding maken, n.l. het _windzeil_ voor scullers. Ieder sculler weet bij ondervinding, hoe lastig het is om bij zijwind koers te houden, daar de boot steeds neiging heeft met den boeg tegen den wind in te loopen; hierdoor is men dan genoodzaakt met den arm aan de windzijde bijna alléén te roeien, zoodat deze daardoor bovenmatig ingespannen en vroegtijdig vermoeid wordt.