Part 9
Als opvoeders en onderwijzers van de Oost-Indische Mohammedanen vinden wij nu tal van factoren in ons voordeel, die men in die andere landen niet of in mindere mate aantreft. De betrekkelijk korte tijd, waarin het stelsel van den Islâm hier gewerkt heeft, waardoor het vele bestanddeelen van het leven onaangetast heeft moeten laten, vergemakkelijkt de opname van nieuwe cultuurelementen, wanneer maar theoretische bestrijding van de godsdienstige basis achterwege blijft. De eeuwenoude gewoonte der Inlanders, vooral op Java, om zich met zeer uiteenloopende rassen en beschavingen te verstaan, heeft hen bewaard voor de bekrompenheid, die het gevolg is van isolement. Men zal moeilijk op aarde een volk vinden, dat in volgzaamheid jegens zijne hoofden de Javanen overtreft, en even moeielijk inheemsche bestuurders van een door vreemden overheerscht volk, williger dan de Javaansche aristocratie om te gaan in de wegen, die de uitheemsche regeeringsambtenaren hun wijzen.
Gunstige voorwaarden voor de werking dier middelen in Oost-Indië, vooral op Java.
Inzonderheid wat betreft de aan hunne kinderen te geven opleiding winnen de Inlandsche ambtenaren gaarne den raad der Europeesche in niet alleen, maar zij volgen dien ook met bijna aandoenlijk vertrouwen op. Vroeger gaven dezen hun meestal het advies, aan hunne zonen slechts eene vrij primitieve opleiding te laten geven, daar het opdoen der kennis, die Europeanen noodig hadden om door de wereld te komen, voor hen bij hunnen beperkten werkkring geen nut zou opleveren. Zelfs zulke raad werd gehoorzaam ter harte genomen, al dacht menigeen er meesmuilend het zijne van. Sedert de kentering in de Europeesche opinie over de intellectueele, welhaast ook over de moreele waarde van den Inlander, aan wiens vorming de noodige zorg besteed wordt, bleek de lust der hoogere klassen op Java om zich geheel in de richting der hedendaagsche beschaving te ontwikkelen buitengewoon groot, veel te groot alras voor de gelegenheid, die hun van regeeringswege daartoe geboden werd.
Nadat eenmaal een zeker aantal jonge Inlanders zich aan de vruchten van den boom der kennis verzadigd hadden, volgden anderen in scharen, die nog veel grooter zouden zijn, indien niet te diep ingewortelde behoudzucht der Europeesche bureaucratie den stroom voorloopig weer had gestuit.
Gebrek aan krachtige leiding van den gunstigen stroom.
Men heeft hier een nieuw droevig voorbeeld van datzelfde gebrek aan organiseerend talent, diezelfde halfheid en besluiteloosheid, die wij bij de beschouwing der Vreemde-Oosterlingen-politiek ontmoetten, die telkens in ons koloniaal bestuur aan den dag treedt, wanneer de bakens verzet moeten worden, die de koloniale regeering daar, waar eene kloeke beslissing dringend vereischt wordt, na vele adviezen en jaren durende overwegingen doet komen tot een antwoord, dat noch ja noch neen zegt.
Toen de aandrang van Inlandsche kinderen naar de Europeesche lagere scholen groot werd, weerde men hen op gronden, die, als zij ernstig bedoeld waren, tevens tal van kinderen van Europeesche afstamming van die scholen verwijderd zouden moeten houden, gronden dus, die den indruk van voorwendsels maakten. Men troostte de teruggedrongenen door voor hen scholen van eene nieuwe soort op te richten, die in geenen deele aan de behoefte voldeden. Met betrekkelijk milde hand gaf men op onderwijsgebied aan de Chineezen, die brutaal schreeuwend eischten, terwijl hetgeen aan de bescheiden vragende Inlanders ten deel viel, doet denken aan het stuk beschimmeld roggebrood uit Gellerts fabel, dat door den rijkaard met verheven gebaar aan den hongerigen bedelaar werd toegeworpen.
Zou men nu uit zulke feiten de gevolgtrekking willen maken, dat de Regeering onverschillig was voor den snel toegenomen drang der Inlandsche wereld naar hoogere geestesontwikkeling, dan stonden daartegenover herhaalde officieele uitingen van ingenomenheid met en aanmoediging van diezelfde intellectueele beweging. Zoo eerlijk gemeend als die betuigingen van welwillendheid waren, zoo onoverwinnelijk was de indolentie der regeeringsorganen, die de strooming hadden moeten bevorderen en leiden. Het pijnlijkst kwam die tegenstelling uit in de behandeling van verscheidene jongelieden, die den nieuwen koers met succes, zoover het van hen afhing, gevolgd waren.
Voorbeelden van betreurenswaardige onbeslistheid.
Iemand van Inlandsche geboorte, maar zoo goed als geheel Europeesche opvoeding, wordt na afgelegd examen voor ambtenaar bij het Europeesche corps voor eene benoeming als zoodanig ter beschikking van den Landvoogd gesteld. Hij treedt inderdaad als bestuursambtenaar op, maar wordt na korten tijd bij den specialen diensttak van het landbouwcrediet onder dak gebracht. Een ander, die na hem denzelfden weg van opleiding was gevolgd, werd van den aanvang af bij het credietwezen geplaatst, zoodat het niet verwonderen kan, dat in de Inlandsche ambtenaarswereld de meening post vatte, als wilde de Regeering alle Inlanders, die aan de eischen van het grootambtenaarsexamen voldaan hadden, tot specialiteiten in credietzaken maken. Die zich met die hoop vleiden, hadden evenwel wederom buiten den waard gerekend, want nu volgde er een jeugdige Inlander, die na een zeer goed grootambtenaarsexamen te hebben afgelegd, al zijne Europeesche kameraden, die boven en beneden hem op de ranglijst voorkwamen, met hunne plaatsing kon gelukwenschen, zonder dat van zijn bestaan ook maar de geringste notitie werd genomen. Ten slotte gelukte het hem, na veel getob, eene matige plaatsing bij het Inlandsche bestuur te krijgen, die natuurlijk bij vele zijner landgenooten de vraag deed rijzen, of het wel de moeite loonde, hunne zoons op zoo kostbare wijze te laten opleiden, wanneer toch de Regeering daaraan zoo weinig waarde scheen te hechten.
Men begrijpe mij niet verkeerd. De wenschelijkheid der plaatsing van Inlanders bij het Europeesche bestuurscorps wil ik geenszins betoogen. Maar wanneer de wettelijke bepalingen die plaatsing toelaten en de gelegenheid om de daarvoor vereischte kennis op te doen en daarvan bij examen te doen blijken aan Inlanders geschonken wordt, dan is eene behandeling van drie geslaagde candidaten op de daareven genoemde wijze niet te verantwoorden.
Een ander zeer begaafd jong Inlander wilde in de rechten gaan studeeren, wanneer hij zekerheid had, dat hij na aan alle wettelijke eischen te hebben voldaan, niet om zijnen landaard uitgesloten zou zijn van eene plaatsing bij de rechterlijke macht in zijn vaderland. Een jaar voordat hij over de keuze zijner studierichting moest beslissen, vroeg men voor hem dienaangaande bij de Regeering om inlichting. Twee jaren van overweging had de Regeering noodig om een antwoord te geven, waarbij de hoofdquaestie eigenlijk nog onopgelost bleef.
Onvoldoende, immers voorloopig en voorwaardelijk was eveneens het bescheid, dat ten deel viel aan eenen Inlander, die voor ingenieur wilde studeeren en officieele zekerheid wenschte te hebben omtrent zijne vooruitzichten bij den staatsdienst in dat vak.
Een enkele daad der Regeering, die scheen te wijzen op een ontwakend besef van Hare plichten in verband met de intellectueele beweging onder Hare Inlandsche onderdanen, was de oprichting der Rechtsschool voor Inlanders. Kort na de geboorte gaf Zij echter dit jeugdige wezen aan verkwijning prijs door trots allen aandrang na te laten, de vooruitzichten der geslaagde kweekelingen dezer instelling behoorlijk te regelen, zoodat vaders niet met gegronde gerustheid hunne zoons van goeden aanleg aan haar konden toevertrouwen.
Hetgeen andere koloniale mogendheden met veel moeite aan hare onderdanen trachten op te dringen: eene opvoeding, die hen geschikt maakt om op hunne wijze het leven hunner overheerschers mee te leven, dat wordt van ons op Java en in een deel der Buitenbezittingen door de inheemsche bevolking afgesmeekt. Zou het niet eene onuitwischbare schande zijn voor ons koloniaal bestuur, indien wij die geestelijke goudmijn lieten liggen, zooals een concessionaris zonder kapitaal, die zijn zaakje schijnbaar aan den gang houdt, totdat een energiek syndicaat het van hem komt overnemen?
In associatie der Inlanders aan onze cultuur ligt de oplossing der Islâmquaestie.
Wat deze dingen nu eigenlijk met de Islâmquaestie van Nederland te maken hebben? Niet minder dan alles. De eenige ware oplossing van dat probleem ligt in de associatie der Mohammedaansche onderdanen van den Nederlandschen staat aan de Nederlanders. Gelukt deze, dan bestaat er geene Islâmquaestie meer; dan is er genoeg eenheid van cultuur tusschen de onderdanen der Koningin van Nederland aan het Noordzeestrand en die van Insulinde om aan het verschil in godsdienstige belijdenis zijne politieke en sociale beteekenis te ontnemen. Moest zij mislukken, dan zou de onvermijdelijk toenemende intellectueele ontwikkeling der Indonesiërs hen noodwendig hoe langer hoe verder van ons af voeren, want dan zouden anderen dan wij de leiding in handen krijgen.
De openbare meening in Nederland behoort in die richting krachtig te spreken.
De opgedane ervaring verbiedt ons, het totstandbrengen dier oplossing alleen of in de eerste plaats van de Regeering te verwachten; het ontbreekt Haar daartoe niet aan de noodige sympathie voor de zaak, maar wel aan de vereischte kracht. Hoe het komt, kunnen wij daarlaten, maar Zij is nu eenmaal een log lichaam, waarin in den regel slechts ruwe schokken wat beweging vermogen te brengen. Een krijgszang van Max Havelaar, een alarmkreet van Wekker in de Avondpost lokken maatregelen uit, die het daarvóór aan bezadigde vertoogen niet gelukte te voorschijn te roepen; half-oproerige Chineezen zien wenschen vervuld, die kalm berustende Inlanders vergeefs slaken. Er is echter nog een andere weg, die met minder rumoer en misschien iets minder snel tot het doel kan leiden, maar die toch op den duur niet vruchteloos bewandeld wordt: de eindelijk onweerstaanbare druk, dien eene krachtige openbare meening op de Regeering pleegt uit te oefenen.
Eerst moet dus in wijde kringen van het Nederlandsche volk de overtuiging zijn doorgedrongen, dat associatie van het leven der Inlandsche bevolking van den Indischen Archipel aan het onze in beider belang tot stand gebracht behoort te worden, en dat de tegenwoordige intellectueele beweging van de hoogere klassen der Inlandsche maatschappij de krachtige bevordering dier associatie onzerzijds urgent maakt, dat er periculum in mora is. En dan mag het niet blijven bij uiting dier overtuiging in woorden, er moet ook in die richting gewerkt worden, wij moeten er offers voor over hebben in geld en in arbeid. Als de Regeering het alleen moest doen, dan zou het gevaar te groot te worden, dat zij met het haar eigen gebrek aan besluitvaardigheid ten slotte door de omstandigheden overrompeld werd, nadat de goede tijd om de leiding der beweging in handen te nemen en te houden voorbij was, om niet terug te keeren.
De eenigen, die blijk geven het te beseffen, zijn de zendingsvrienden.
Tot dusver is het inzicht, dat wij hier met een dringend volksbelang te doen hebben, bij ons tot vrij enge kringen beperkt, en zijn eigenlijk de eenigen, die blijk geven, het levendig te beseffen, de actieve zendingsvrienden. Of liever: zij streven naar eene associatie van veel hoogere orde dan de zooeven door ons bedoelde, eene eenheid, die, als zij tot stand kwam, alle belemmeringen der eenheid van beschaving en nationaal bewustzijn tusschen het Oosterlijk en het Westelijk deel van het rijk der Nederlanden zou opheffen.
Als zij tot stand kwam! Maar de groote bewondering, waarmee wij den zelfopofferenden arbeid der zendelingen gadeslaan, en onze groote waardeering van de offervaardigheid, waarmede velen in het moederland dien arbeid steunen, mag ons niet doen vergeten, hoe gering het uitzicht op belangrijk succes voor de Christelijke zending is in landen, waarop de adem van den Islâm neergestreken is. Zelfs de verstandige mannen der zending maken zich daaromtrent geene illusie, al geven zij daarom het werk niet op. In geen geval mag er voor ons volk en onze regeering sprake van zijn, de taak der associatie aan de Christelijke zending over te laten, met veronachtzaming der voor hare vervulling zoo uiterst gunstige beweging in de Inlandsche wereld, die thans in gang is.
De Moslimsche Inlanders wenschen wel politieke en nationale, geen religieuze associatie.
Die beweging wijst ondubbelzinnig op de practische mogelijkheid der verwezenlijking eener schoone politieke en nationale gedachte, namelijk die der wording van een Nederlandschen staat, bestaande uit twee geographisch ver uiteenliggende, maar geestelijk innig verbonden deelen, het eene in Noordwest-Europa, het andere in Zuidoost-Azië. Dit is geen utopistisch ideaal, maar een doel, waarvan Regeering en volk van Nederland het zich duurzaam zouden verwijten, het niet bijtijds in het oog gevat te hebben, wanneer zij de thans zich opdringende gelegenheid om het na te streven ongebruikt lieten voorbijgaan. Hier en nu geldt in volle kracht het woord van Goethe:
"Was du ererbt von deinen Vatern hast, Erwirb es, um es zu besitzen".
Onze erfenis, die hier bedoeld wordt, dat waren schoone en rijke wingewesten; de staatkundige band, die ze met ons verbonden hield, was overheersching. Wil de eenheid tegen de stormen van den tijd bestand blijken, dan moet nu de materieele inlijving door de geestelijke gevolgd worden.
Hoe ver kan de associatie gaan?
Om teleurstelling en verwarring te voorkomen is het noodig, dat wij ons onbevangen rekenschap geven van de grenzen, waarbinnen de geestelijke annexatie uitvoerbaar is. De godsdienst, hoe gewichtig ook voor ons volks- en staatsleven, is zelfs in het kleine Westelijke Nederland de band niet, die ons samenhoudt. Onze eenheid wortelt in algemeenere cultuurgedachten, tot welker vorming het Christendom ongetwijfeld veel heeft bijgedragen, maar onder welker heerschappij niet slechts Christenen van de meest uiteenloopende confessies, maar ook Joden en vrijdenkers, met gelijke aanspraken op eerbiediging van hetgeen aan elke dier categorieën in het bijzonder eigen is, zich thuis gevoelen. Thuis gevoelen in die mate, dat zij zich verzetten met alle kracht, zelfs met opoffering van goed en bloed, tegen iedere poging om hen tot eene andere nationaliteit of tot een ander staatsverband te doen overgaan.
Hieruit vloeit vanzelf voort, dat noch van onzen staat, noch van ons volk eene propaganda kan uitgaan, die zich voorstelt, de Mohammedaansche Inlanders over te halen tot eene religie, die onder ons eenen, zij het nog zoo grooten, kring van belijders telt. Eene poging om de grondslagen te ondermijnen van het Islâmstelsel, dat het leven der Inlanders deels beheerscht, en gaarne geheel zou willen beheerschen, kan alleen van eene religieuze gemeenschap, eene kerk of eene vereeniging voor zending, uitgaan; de staat kan daarbij slechts toezien, dat niemand in zijne vrijheid van beweging belemmerd worde.
Niet ongeoorloofd noch misplaatst is daarentegen in het gegeven geval eene actie, die bedoelt, de Inlanders op veel steviger wijze dan tot dusver het geval is, bij ons staatsverband en bij onze nationaliteit in te lijven. Immers, een eigen zelfstandig politiek of nationaal leven hebben zij al sinds eeuwen niet meer; en wij, die hun lang geleden ontnamen, wat zij van die aard bezeten mogen hebben, hun daarbij eerbiediging hunner godsdienstige instellingen belovende, wij aanvaardden daarmede tevens de moreele verplichting om hen tot deelname aan ons staats- en volksleven op te voeden. Hunnerzijds ruimen zij elk voorwendsel voor uitstel van het vervullen dier verplichting uit den weg, waar zij zelve op die geestelijke annexatie in toenemende mate bij ons aandringen. Men geeft er zich onder ons lang niet genoeg rekenschap van, hoe sterk die aandrang inderdaad wel is. Het zijn niet alleen de Inlandsche ambtenaren en in het algemeen de aristocratie, die hunne kinderen in de eerste plaats Nederlandsch willen laten leeren, en vervolgens zooveel mogelijk van hetgeen, waartoe de kennis dier taal hun den weg effent; zelfs onder de Mohammedaansche schriftgeleerden neemt het aantal toe dergenen, die hunne zoons voor onderwijs en opvoeding liever geheel aan Europeesche leiding toevertrouwen dan dat zij hen laten opleiden in de wetenschappen van den Islâm. Telkens kan men van Inlanders op Java vernemen, dat de toeloop naar de pesantrèns sterk afneemt en dat alles tegenwoordig heendringt naar de school. De vroeger in eenigszins vrome kringen vaak gekoesterde vrees, dat zulke toenadering tot de Hollandsche cultuur het van de vaderen geërfde geloof in gevaar zou brengen, maakt meer en meer plaats voor de overtuiging, dat men aan de religieuze denkbeelden en gebruiken van voorheen getrouw kan blijven zonder in de oude onwetendheid voort te leven, en dat er geen beter middel is om van deze laatste verlost te worden dan zich met vol vertrouwen over te geven aan opleiding in de Europeesche school, ja, als de omstandigheden het toelaten, tevens aan opvoeding in het Europeesche gezin.
Bezwaar tegen gesubsidieerde Christelijke scholen met gedwongen deelneming aan het godsdienstonderwijs.
Niet onvoorwaardelijk is dit vertrouwen, wanneer de Inlander zich wegens gebrek aan plaats op andere scholen of om finantieele redenen genoopt ziet, zijne kinderen te zenden naar eene Christelijke school, waar het deelnemen aan het godsdienstonderwijs voor alle leerlingen verplichtend is. Dat velen over dit bezwaar heenstappen, is wel een krachtig bewijs voor de diep gevoelde behoefte aan onderwijs. Het zou gevaarlijk zijn, er andere conclusies aan vast te knoopen. Als een bezwaar wordt het wel degelijk gevoeld, en de omstandigheid, dat velen dit door den nood gedwongen terzijde stellen, mag niet verleiden tot de verwachting, dat gesubsidieerde Christelijke scholen van de zooeven bedoelde soort het geschikte middel zullen vormen om aan de enorme vraag naar Europeesch onderwijs voor Inlanders op Java te voldoen.
Het is waar, de aan onverschilligheid grenzende religieuze tolerantie van de groote meerderheid der Javaansche aristocratie, gepaard met de eeuwenoude gewoonte der lagere klassen van de bevolking aan het verkeer met menschen van allerlei ras en geloof, maakt, dat de zending hier vele moeilijkheden, die zich in vele andere Moslimsche landen aan haar in den weg plegen te stellen, niet of toch in mindere mate dan elders ondervindt. De meerderheid der Mohammedaansche schriftgeleerden daarentegen, hoewel gewend om zich in den regel binnen hare eigen enge sfeer te houden, wordt door eene krachtige missionnaire actie tot reactie geprikkeld. Zij ziet in dat pogen om Mohammedanen tot Christenen te maken een streven der Europeesche wereld om, nadat zij den Inlanders al zoovele aardsche bezittingen ontnomen heeft, hen nu ook van datgene te berooven, dat Allah in de andere wereld voor hen heeft weggelegd. Zou de Regeering nu hen, die onderwijs in Westerschen zin zoeken, naar uit de staatskas ondersteunde scholen drijven, waar aan de leerlingen Christelijk godsdienstonderwijs opgedrongen werd, dan kan men zeker zijn, dat weldra een voor de zaak der associatie hoogst bedenkelijke tegenstand zou ontstaan, die òf de beweging in de richting onzer cultuur zou stuiten òf voor het minst zou uitloopen op den nadrukkelijken eisch, dat indien aan gesubsidieerde scholen met eene specifiek godsdienstige kleur ook voor Inlanders de voorkeur werd geschonken, de kleur voor de Mohammedaansche Inlanders die van den Islâm zou zijn.
Hoogstens zou men daardoor komen tot eene belangrijke tempering van den drang naar intellectueele ontwikkeling, daar de Inlandsche maatschappij vooralsnog niet over de middelen beschikt om op groote schaal scholen te stichten, die zich om subsidie konden aanmelden. Van deze omstandigheid misbruik te maken om aan de Inlandsche Mohammedanen inrichtingen van onderwijs op te dringen, die voor een goed deel uit door hen opgebrachte belastingpenningen bekostigd werden en die mede dienstbaar waren aan directe propaganda voor het Christendom, dat zou, dunkt mij, noch met het beginsel der vrije school, noch met eene wijze staatkunde overeen te brengen zijn.
Nog eens: de sterke neiging om in ons cultuurleven te worden opgenomen, die de Inlandsche maatschappij in de jongste kwarteeuw aan den dag legt, werkt geheel buiten het gebied van den godsdienst. Wij hebben ons erin te verheugen, dat de Inlanders zich door het stelsel van den Islâm, dat eigenlijk tegen zulke associatie gericht is, niet laten weerhouden van het zoeken dier ook voor ons zoo gewenschte toenadering. Als volk en als staat moeten wij hun daartoe de hand reiken op in godsdienstig opzicht neutraal terrein, het zoeken van toenadering van veel hoogeren en intiemeren aard overlatende aan de verschillende lichamen en instellingen, tot welker bijzondere roeping dit behoort.
Ons onderwijs en onze opvoeding moeten vooreerst de hoogere klassen der Inlandsche maatschappij in het oog vatten.
Onderwijs dus en opvoeding in Europeeschen zin, aangepast zooveel noodig aan de bijzondere behoeften der Mohammedaansche Inlanders, dat zijn de aangewezen en tevens de door henzelve gevraagde middelen, niet om den Islâm te bestrijden, niet om zijne belijders tot eene andere religie over te halen, maar om hen te steunen in hunne zelfbevrijding van die gedeelten van zijn stelsel, die zonder tot het specifiek-godsdienstige domein te behooren, het deelnemen aan het tegenwoordige beschavingsleven der volken belemmeren, zoo niet onmogelijk maken. Blijft de vraag, hoe en aan wie men die middelen in de eerste plaats zal hebben toe te dienen.
Bij de beantwoording dezer vraag willen wij ons stellen op het nuchtere standpunt der practijk, en ons niet begeven in casusposities, welker oplossing voor het oogenblik niet als dringend te beschouwen is.
Men hoort tegen de meening, dat voldoening aan de steeds luidere vraag van meer ontwikkelde Javanen en Maleiers naar beter onderwijs een urgente plicht van ons volk is, wel eens de tegenwerping, dat men daardoor alleen de hoogere klassen der bevolking bereikt, terwijl de oneindig veel breedere schare der kleine luiden onaangeraakt blijft, en men wijst er dan bovendien op, dat daardoor eene vroeger ongekende kloof ontstaat tusschen de beschavingshoogte der aristocratie en die der groote menigte, zoodat het onderling verband erbij verloren dreigt te gaan.
Het zou ongetwijfeld gunstig zijn voor den goeden uitslag van het werk, als men van alle zijden tegelijk kon beginnen; als men de wegen kende en over de middelen beschikte om in denzelfden tijd door doelmatig onderwijs de massa der kleine Javaansche landbouwers tot een hooger intellectueel peil te verheffen en de aristocratie van Java zoo dicht mogelijk naar onze eigen geestelijke atmosfeer heen te trekken. Dit gaat echter boven onze kracht, al ware het alleen omdat de psychologie van den kleinen man ons daartoe te vele, voor het oogenblik niet oplosbare raadselen biedt; bij gebrek aan de noodige gegevens voor eene betrouwbare diagnose kon het recept wel eens glad verkeerd uitvallen. Bij iedere poging, die wij in de bestaande omstandigheden kunnen doen om den desaman tot een hoogeren graad van beschaving te brengen, loopen wij veel gevaar hem iets op te dringen, dat hij niet wenscht, zonder dat wij de stellige overtuiging mogen koesteren, dat het voor hem deugen zal.
De onlangs opgerichte desascholen.