Nederland en de Islâm

Part 8

Chapter 83,489 wordsPublic domain

In den aanvang waren de chaliefen, zooals hun naam het zegt, de "opvolgers" van Mohammed, namelijk in de leiding en het bestuur der gemeente. Naarmate de verovering der landen door den Islâm zich uitbreidde en bevestigde, ontwikkelde het chalifaat zich tot eene vorstelijke dynastie, die een wereldrijk beheerschte en die zich theoretisch de heerschappij over de heele wereld aanmatigde. Wij herinnerden er vroeger reeds aan, hoe diep die theorie wortel heeft geschoten èn in het systeem van den Islâm èn in de populaire voorstellingen zijner belijders. Zelfs nadat de politieke verbrokkeling, die al spoedig intrad, haar toppunt had bereikt, bleef men aan de fictie der eenheid vasthouden, en de van alle werkelijke macht verstoken chaliefen bleven van die eenheid het symbool, al moesten zij zich ertoe bepalen, met hunne diploma's te bezegelen, hetgeen buiten hunnen invloed tot stand gekomen was.

De chalief bestuurder der Mohammedanen, geen kerkvorst.

In die fictie behielden echter de chaliefen den naam van hetgeen hunne voorgangers werkelijk geweest waren: zij heetten bestuurders van het gansche door den Islâm ingenomen gebied, geenszins geestelijke hoofden, wier bemoeienis tot specifiek godsdienstige belangen beperkt was. Het systeem was immers sedert ongeveer de tiende eeuw voltooid, en zijne verdere toepassing vond, evenals tevoren zijne eerste ontwikkeling, plaats onder de leiding der schriftgeleerden; niemand verwachtte die van het werkelijke of fictieve centrale gezag. Noch Moslimsche staatslieden, noch geleerden of leeken hebben ooit in den chalief iets anders gezien dan den rechtmatigen aanvoerder en beheerscher aller geloovigen.

Nadat gedurende eeuwen de feitelijke onmacht der latere Abbasidische chaliefen de aanmatigende leer van het chalifaat te schande scheen te hebben gemaakt, wisten de Turken in de zestiende eeuw de eenheid van naam en werkelijkheid op dit gebied te herstellen. Sterk door de kracht hunner wapenen, dwongen zij hunne erkenning als chaliefen van de meerderheid der rechtzinnige Mohammedanen af, en verstonden zij het, de hun niet passende eischen, die de wet en de publieke opinie voorheen aan den chalief hadden gesteld, zooals de afstamming van Qoeraisj, om niet meer te noemen, te doen vergeten. In zake staatsleer steeds meer dan op eenig ander gebied gewoon, zich voor de macht der feiten te buigen, aanvaardde de Moslimsche wereld de verandering zonder veel protest, zelfs in die landen, die nooit met het Turksche staatsbestuur in aanraking kwamen. Tot in het Verre Oosten, waartoe onze Indische Archipel behoort, werd de Turksche Soeltan onder den naam van Radja Roem of ook van Soeltan Istamboel, de vereerde held der populaire chalifaatslegende, en verbreidde zich onder de Mohammedaansche schriftgeleerden de meening dat de vorsten van Constantinopel de wettige wereldbeheerschers waren, terwijl de overige koningen en keizers der aarde òf hunne vasallen òf hunne vijanden moesten zijn.

Het is waar, de overgroote meerderheid der Inlandsche Mohammedanen vindt geene aanleiding om zich met zulke vragen van hoogere politiek het hoofd te breken; zij hebben al genoeg te stellen met hunne eigene dorpsautoriteiten, districtshoofden, regenten of vorsten en met hunne Europeesche bestuurders om voor de verdeeling der macht in de grootere wereld onverschillig te blijven. Dit neemt niet weg, dat bij intellectueel hooger ontwikkelde Indonesische Moslims, die wél belang stellen in de bepaling der plaats van hun volk in de internationale samenleving, somtijds eene bedenkelijke neiging bestaat om hunne verhouding tot ons bestuur als een in wezen abnormaal, tijdelijk overgangsstadium te beschouwen, in welke opvatting zij door geloofsgenooten uit andere landen nu en dan worden versterkt.

Geen vorm van panislamisme aannemelijk voor eene Europeesche mogendheid met Mohammedaansche onderdanen.

Gedachten zijn tolvrij. De Regeering zou echter roekeloos handelen door tegenover uitingen van deze soort gedachten onverschillig te zijn. Wie in Haren dienst zijn, behooren te weten, dat elke vorm van panislamisme met eene eerlijke opvatting van hun ambt of hunne bediening onvereenigbaar is. Van het klassieke panislamisme, dat de onderwerping der geheele wereld aan het gezag van den Islâm als een doel voorstelt, hetwelk de geloovigen nooit uit het oog mogen verliezen, en in welks richting zij bij elke gunstige gelegenheid stappen moeten doen, spreekt dit zoo geheel vanzelf, dat elk betoog overbodig mag worden geacht. Maar ook in den vorm, waarin min of meer gemoderniseerde Mohammedanen het omzetten, dien van onderlinge aaneensluiting aller Moslims om onder leiding van het chalifaat, dat wil zeggen van den invloedrijksten Mohammedaanschen vorst, te bevorderen al hetgeen zij in hun gemeenschappelijk belang achten, ook in dien vorm is het voor eene niet-Mohammedaansche regeering volstrekt onaannemelijk, en verdient het onvoorwaardelijke bestrijding. Iedere transactie met zulk een streven zou beteekenen het dulden van vreemde inmenging in de verhouding van den staat tot zijne onderdanen, en dat niet van eene vreemde geestelijke macht, die opkwam voor de godsdienstige belangen der geloofsgenooten, maar van een vreemden staat, die verouderde, met den Mohammedaanschen godsdienst samenhangende aspiraties van politieken aard niet vermocht los te laten.

De groote mogendheden, die Mohammedaansche onderdanen hebben, spraken zich, zoover ik weet, nooit scherp en klaar over dit vraagstuk uit. Wanneer men let op hare houding in bijzondere gevallen, dan zou men zeggen, dat de Engelsche Regeering meestal geneigd is om tegen de erkenning van het chalifaat door hare onderdanen niet veel bezwaar te maken, ja, dat zij bij hare Moslimsche onderdanen gaarne den naam heeft van met hunnen chalief bijzonder bevriend te zijn; natuurlijk stelt zij zich daarbij dan op het historisch zoowel als systematisch onjuiste standpunt, dat diens waardigheid slechts eene soort van oppertoezicht over de Mohammedaansche kerk zou beteekenen. De Fransche regeering schijnt te dezen opzichte beter ingelicht te zijn, en, waar het pas geeft, elke inmenging van dien kant, ook al stelt zij zich, pour le besoin de la cause, met den naam van geestelijk toezicht tevreden, beslist af te wijzen. Hoe dit ook zij, de Nederlandsche regeering mag in eene zaak als deze niet schromen, den weg te bewandelen, dien haar belang en dat harer onderdanen haar wijzen.

Vrijheid van godsdienst voor Mohammedaansche onderdanen met afwijzing van elke vreemde inmenging.

De meest volledige vrijheid van uitoefening van hunnen godsdienst kan zij aan hare Mohammedaansche onderdanen schenken en tevens aan Turksche of andere bemoeiing met hetgeen die onderdanen betreft op besliste wijze weerstand bieden. Wat de Islâm ooit aan centrale organisatie bezeten heeft of nog bezit, dat is van staatkundigen aard; iets, dat zich met het pausdom of algemeene kerkvergaderingen laat vergelijken, heeft hij niet gekend. De zuiver geestelijke zaken van den Islâm worden sinds dertien eeuwen behandeld door de schriftgeleerden van de verschillende landen, die van het door hunne confraters in andere landen ontstoken licht alle partij kunnen trekken, die zij wenschen, maar door geene oecumenische vertegenwoordiging aller Moslims tot iets verplicht kunnen worden.

Wie de geestelijke leidslieden der Indonesische Moslims waren.

De keuze der landen, van waar onze Indische Moslims hunne wijsheid ontvingen, werd vanzelf bepaald door de rechtsschool, waarbij zij zich onder leiding der eerste Voor-Indische predikers van den Islâm in den Archipel aansloten: de Sjafi'itische. Hunne handboeken der wet zijn dus de meest bekende van dien ritus, geschreven meestal door auteurs, die in West-Arabië, in Egypte, in Hadhramaut, eene enkele maal door schrijvers, die in Voor-Indië gevestigd waren, of wel zij zijn uit die hoofdwerken gecompileerd of samengetrokken. Voor hetgeen buiten de studie der wet valt, voorzagen zij zich van leerboeken op diezelfde markten, die hun hunne litteratuur over de wet leverden. Waar het mondeling onderricht, dat het eigen land hun bood, naar hunne schatting tekortschoot, vulden degenen, die zich die weelde konden veroorloven, dit in den regel te Mekka, bij uitzondering ook wel te Caïro, aan. De in Indië gevestigde Hadhramitische deskundigen hielpen mede aan de vraag naar buitenlandsche voorlichting voldoen. Wij kunnen het betreuren, dat tegenover al dien vreemden invloed geen krachtiger nationaal geestelijk leven zich bij de Inlanders deed gelden of wist te handhaven; veranderen of voor de toekomst verhinderen kunnen wij dat niet. Maar tegen elken invloed met rechtstreeksche of zijdelingsche politieke strekking behooren wij ons zoo schrap mogelijk te zetten.

Dus: uitsluiting van elke soort van meegaandheid tegenover het optreden van Turksche consuls als agenten van het chalifaat en beschermers der belangen van Mohammedaansche Inlanders; nalating aller officieuze begunstiging van geldinzamelingen voor spoorwegaanleg in den Hidjâz, voor door een of anderen Turkschen oorlog verarmde soldaten of voor de weduwen en weezen van gesneuvelden; tegengang van de gebeden voor de Turksche soeltans in de Vrijdagsdiensten, althans zoodra die niet te beschouwen zijn als het gevolg der gedachtelooze voorlezing van onbegrepen formulieren, maar als uiting eener politieke geloofsbelijdenis. Verder bij het toezicht op het Inlandsch-Mohammedaansche godsdienstonderwijs waakzaamheid tegen alle propaganda voor panislamitische denkbeelden. De leer betreffende den heiligen oorlog en hetgeen daarmede samenhangt, mag in pesantrèns en soerau's evenmin behandeld worden als die betreffende het chalifaat; trouwens de meeste goeroe's zijn uit eigen beweging zoo verstandig, dit na te laten.

Bestrijding der kunstmatige verlevendiging van eschatologische verwachtingen.

Het in abnormale beweging brengen van de gemoederen der lichtgeloovige massa door verspreiding van verhalen of voorspellingen, die de eschatologie betreffen, worde bijtijds voorkomen. Is de emotie eenmaal gewekt en grijpt zij om zich heen, dan loopt het gewoonlijk uit op woelingen, die met geweld onderdrukt moeten worden en waarbij misleide onnoozelen het gelag met hun leven of hunne vrijheid betalen. Het bestuur late zich dus niet bedriegen door de schijnbare onbeduidendheid van den inhoud der chronisch onder de bevolking verspreide, in een droomgezicht te Medina medegedeelde vermaningen van Mohammed, of van vraagboekjes in verband met de verschijning van den Mahdî, of van personen, die als wegbereiders van dezen Mohammedaanschen messias willen gelden. Voor het naieve verstand der gewone Inlandsche Moslims hebben al deze dingen en menschen groote beteekenis, en zij richten onder hen dezelfde soort van onrust en verwarring aan als die het gevolg is van propaganda voor een of anderen vorm van de panislamitische gedachte.

Vermijding van al hetgeen naar inbreuk op de godsdienstvrijheid zweemt.

Met hoe meer klem nu echter de Regeering Hare autonomie in het bestuur harer Inlandsche onderdanen handhaaft tegenover pogingen tot inmenging van buitenaf, des te ernstiger behoort zij te waken tegen al wat zweemt naar inbreuk op de godsdienstvrijheid ook van hare Mohammedaansche onderdanen. Het kan vreemd schijnen, hierop aan te dringen, waar juist dikwijls in meer of minder verwijtenden toon van Haar beweerd wordt, dat Zij den Islâm veel meer dan noodig of wenschelijk was beschermd en zelfs vertroeteld heeft, om nu maar niet meer te spreken van de onzinnige beschuldiging, dat Zij eene bevolking van twijfelachtig Mohammedaansche belijdenis naar Mohammedaansche rechtsbeginselen zou hebben bestuurd. Toch is dat zoo vreemd niet, gelijk reeds hieruit blijken kan, dat in Mohammedaansche landen buiten Oost-Indië de Nederlandsch-Indische Regeering den naam heeft van op fanatieke wijze den Islâm te vervolgen en te onderdrukken. Beide beschouwingen berusten op onkundige overdrijving.

Ongunstige beoordeling der Nederlandsche Islâmpolitiek in de panislamitische pers.

Hoe komt het, dat in de Mohammedaansche dagbladpers onze Regeering vaak gehoond is als de vijandin der Moslims, en in geographische leerboekjes, die op Turksch-Arabische scholen gebruikt worden, Nederland kort aangeduid wordt, als eene met het beginsel der verdraagzaamheid onbekende mogendheid, onder welks juk millioenen van Mohammedanen zuchten? Voornamelijk uit tweeërlei oorzaak is dit verschijnsel te verklaren.

Telkens wanneer in Nederlandsch-Indië woelingen plaats grepen, die door opruiers met behulp van aan den Islâm ontleende motieven waren gewekt, dan bleek achteraf, dat vele bestuursambtenaren door onbekendheid met deze factoren van het volksleven tekortgeschoten waren in waakzaamheid ten aanzien van verschijnselen, die toch wel binnen den kring hunner waarneming gevallen waren. Dan werd men onzacht wakker geschud, met het gevolg, dat door onkundige en onbezadigde bestuurders plotseling allerlei overdreven maatregelen werden genomen onder den invloed van eene zeer slechte raadgeefster, domme vrees. De meest onschuldige Mohammedaansche godsdienstleeraars, leerlingen aan pesantrèns, bedienaren van den eeredienst werden dan na eene periode van verwaarloozing met een dwaselijk generaliseerend wantrouwen bejegend, vaak gesteld onder een toezicht, dat zich het best laat vergelijken met hetgeen men in Rusland zou doen ten opzichte van iemand, dien men verdacht, een anarchist van de daad te zijn. In zulke tijden huldigde menig bestuurder de onlangs door het meermalen aangehaalde parlementslid verkondigde zotheid, dat de Mekkagangers als het ware met dynamietbommen gewapend in hun land terugkeeren, dat iedere hadji een opruier is.

Te Mekka, waar Mohammedanen uit verschillende deelen van den Archipel elkaar ontmoeten, vernamen dezen van elkander het relaas van leed en onrecht, dat men hier en daar in zulke schrikperioden geleden had, en van daaruit werden die geruchten tevens over andere landen van den Islâm verbreid. Dat men in die kringen de tijdelijke uitspattingen van een aantal ambtenaren verwarde met beginselen van regeeringsbeleid, is noch te verwonderen noch kwalijk te nemen.

Klachten der in Oost-Indië gevestigde Arabieren.

Een ander feit, waaraan de bijzonder ongunstige beoordeeling van ons koloniaal bestuur in vele Mohammedaansche landen zich vastknoopte, was de, om een zacht woord te gebruiken, beginsellooze politiek, die wij gedurende tientallen van jaren volgden, en ook nu, na de zoogenaamde hervorming, nog niet geheel hebben losgelaten tegenover de Vreemde Oosterlingen, van welke natuurlijk voor ons geval hoofdzakelijk de Arabieren in aanmerking komen. De in Nederlandsch-Indië verkeerende of zich vestigende Arabieren zijn voor de overgroote meerderheid afkomstig uit Hadhramaut, een doodarm land met onderling door eindelooze bloedveeten verdeelde roofridders en in hunnen dienst vechtende slaven, met meerendeels fanatieke afstammelingen van den Profeet, met verdrukte burgers; een gebied zonder regelmatig bestuur, zonder eenheid of orde, zonder welvaart. De menschen, die van daar naar Oost-Indië emigreeren, brengen noch kapitaal noch bepaalde vaardigheden of andere gewenschte eigenschappen mede, behalve deze ééne, dat zij zich aan de hier heerschende ordelijke toestanden wonderwel weten aan te passen en aan politie of justitie geene bijzondere moeite geven.

Indien onze Regeering overwoog, dat deze zonen van het dorre land voor Indië op geene enkele wijze nuttig, in sommige opzichten daarentegen schadelijk zijn, zou niemand Haar euvel kunnen duiden, dat zij de verdere immigratie dezer Arabieren verbood, alleen uitzonderingen toelatende, die billijkerwijze voortvloeiden uit verkregen rechten en aanspraken. Allerminst zou Hadhramaut zelf zich hierover kunnen beklagen, daar dit land zich hardnekkig sluit voor alle niet-Mohammedanen, terwijl de politieke toestand er elke normale betrekking met andere natiën uitsluit.

Dezen voor een oogenblik harden, maar verstandigen en rechtvaardigen maatregel heeft de Regeering niet genomen; wat erger is, steeds heeft Zij de Hadhramieten noch buitengesloten noch flinkweg toegelaten. In naam hadden zij toegang, maar eenmaal binnengetreden, werden zij op vaak ondragelijke wijze in de vrijheid hunner beweging belemmerd, onderworpen aan allerlei bepalingen, die, al waren zij zoo kwaad niet bedoeld, in de uitvoering werkelijk vexatoir werden, te meer, daar veel overgelaten bleef aan het inzicht der verschillende plaatselijke ambtenaren, die telkens wisselen. Zelfs op regelmatigheid in hetgeen hij als plagerij ondervond, kon de Arabier in Indië niet rekenen.

De invloedrijke Arabieren hebben dientengevolge sinds vele jaren achtereenvolgens alle wegen bewandeld, waarvan goede vrienden hun verzekerden, dat zij konden leiden tot het doel: hunne emancipatie van de bepalingen, die hunnen handel en verkeer belemmerden in een land, waar zij toch theoretisch tot handel en verkeer waren toegelaten. Ten slotte kwamen zij bij het chalifaat en de Mohammedaansche dagbladpers terecht en vervulden de lucht met hunne jammerklachten. Overdreven waren deze dikwijls, maar men zegt, dat het niet alleen de Hadhramieten zijn, die, als zij eenmaal diep gevoelde en lang verkropte grieven uiten, wel eens meer beweren dan zij strikt genomen kunnen verantwoorden.

Ongunstig oordeel van sommige zendingsvrienden over de Islâmpolitiek der Regeering.

Ziedaar de twee hoofdoorzaken van het in zeer wijden kring verbreide oordeel, dat onze Regeering de Mohammedanen onverdraagzaam en onbillijk bejegent. Van waar nu echter die lijnrecht tegenovergestelde opinie, die men alleen in Nederland nu en dan hoort uiten, volgens welke de Regeering den Islâm op in het oog vallende wijze begunstigt, zooals men het nu en dan uitdrukt, met hem coquetteert?

Het was, men weet het, steeds uit sommige kringen van zendingsvrienden, dat deze klacht vernomen werd. Allen, die zich actief op het terrein der zending bewogen, ondervonden het, dat het Christendom in zijn pogen om zielen te winnen nergens op ernstiger bezwaren stuit dan daar, waar het achter den Islâm aankomt. Verschillende oorzaken van dit verschijnsel werden in onze eerste voordracht aangeduid. Niet slechts in Nederlandsch-Indië, over de geheele wereld brengt de Islâm de Christelijke missie bijna tot vertwijfeling. Nu ziet de zendingsvriend in Indië bijv., dat de Islâm een deel zijner kracht ontleent aan zijn internationaal karakter, aan de aanrakingen met geloofsgenooten uit de overige wereld, waartoe in het bijzonder de bedevaart naar Mekka aanleiding geeft, en zoo komt hij tot de vraag: zou de Regeering tegen dat euvel niets kunnen doen door het deelnemen aan die bedevaart te bemoeielijken? Hij ziet verder, dat de kleine man, die overigens toch zoo gemakkelijk te leiden is, juist op het punt van zijnen door hem toch zoo gebrekkig gekenden godsdienst onhandelbaar blijft, omdat zoogenaamde geestelijken of godsdienstleeraars hem drijven of intimideeren, en wederom vraagt hij zich af: ligt het niet in de macht der Regeering, den invloed dier leiders en leeraars wat te breidelen? Dit zijn slechts een paar gevallen van vele, waarin mannen der missie, zoekende naar middelen om de Evangelieprediking ook in den onvruchtbaarsten bodem te doen gedijen, in arren moede wel eens aankloppen daar, waar die niet te vinden zijn, en de onmogelijkheid der bevrediging hunner wenschen in hunnen vurigen ijver voorbijzien. Dat onze Mohammedanen, ook zonder de willekeurige maatregelen, waartoe die ijveraars de Regeering zouden willen verleiden, reeds grieven hebben, die, al overdrijven zij ze soms, toch verre van denkbeeldig zijn, ontsnapt aan hunne eenzijdige waarneming.

Verstandige zendingsvrienden zouden bovendien van ongeestelijken steun, zooals de daareven bedoelde ijveraars dien wenschen, niet gediend zijn, al ware het slechts omdat zij te goed weten, dat de antipathie tegen het Evangelie erdoor versterkt zou worden.

Slotsom.

Van welken kant wij de zaak ook bezien, de slotsom blijft, dat de eenige wijze en rechtvaardige houding, die aan de Regeering tegenover den Islâm past, bestaat in de meest strikte en oprechte handhaving der vrijheid van godsdienst, zij het dan met belangrijk voorbehoud ten aanzien van de staatkundige zijde van het Moslimsche stelsel en met openhouding van alle wegen, die de Mohammedanen kunnen leiden tot maatschappelijke evolutie, ook boven het stelsel van hunnen godsdienst uit.

De Mohammedanen zelve kunnen daarmede vrede hebben, want zóóveel rekening houden hunne leer en wet wel met de werkelijkheid, dat zij hun den weg wijzen om ook onder een vreemd régime hunnen godsdienst te belijden en te beoefenen. De "noodzakelijkheid", mits van buiten hun opgelegd, heft voor hen vele bezwaren op, zoolang zij maar hun intiemste leven naar hunne godsdienstige wetten mogen inrichten, en dan billijken zij het ook, dat de vreemde macht, die Allah over hen gesteld heeft, de regelen stelt, die hare eigene natuur haar voorschrijft. In de geheele Mohammedaansche wereld kent men gezag toe aan de uitspraak: "Een koninkrijk kan wel van duur zijn bij ongeloof, maar niet bij ongerechtigheid".

IV.

NEDERLAND EN ZIJNE MOHAMMEDANEN.

De dusver bereikte slotsom leidt niet tot positieve resultaten.

De echte voorstanders eener ethische koloniale politiek, zullen, naar ik mij vlei, geene ernstige bedenkingen hebben tegen de door mij voorgedragen beschouwingen over onze Nederlandsche Islâmquaestie en hare oplossing; toch zullen zij denkelijk met de slotsommen, waartoe wij tot dusver kwamen, niet tevreden zijn. Ook mijzelf voldoen zij volstrekt niet. Immers, in het leven der Nederlandsch-Indische Mohammedanen, zoover dat aan den invloed van het stelsel van den Islâm onderworpen of blootgesteld is, bakenden wij één gebied, het zuiver godsdienstige, af, waarop de Regeering en Hare ambtenaren volstrekte vrijheid moeten handhaven; een ander, het politieke, waarop die vrijheid in aller belang zeer beperkt behoort te worden; weder een ander, dat van het met de religie op het innigste verbonden gedeelte van het Mohammedaansche recht, waarin allerminst willekeurig mag worden ingegrepen, maar waarbij toch de weg der evolutie zoo wijd opengehouden dient te blijven als de omstandigheden het maar veroorlooven. De modus vivendi, die door dit alles bereikt wordt, heeft evenwel voornamelijk negatieve verdiensten: het kwade wordt vermeden, zonder dat men zeker is, het goede te naderen.

Wij kunnen het echter niet laten bij maatregelen, die dienen om ontevredenheid en verzet bij de bevolking te voorkomen en zoo ons gezag te bevestigen. Niet de voorheen zoo geprezen rust is ons doel, maar beweging. Ons gezag zal zijne rechtvaardiging moeten vinden in de opheffing der Inlanders tot een hooger peil; onder onze leiding moeten zij onder de volken de plaats gaan innemen, waartoe hun aanleg hen in staat stelt.

Opvoeding en onderwijs zijn in staat, de Moslims van het Islâmstelsel te emancipeeren.

Opvoeding en onderwijs zijn de middelen, waarmede dat doel kan worden bereikt. Zelfs in landen van veel oudere Moslimsche cultuur dan onze Archipel zien wij die met goeden uitslag aan het werk om de Mohammedanen te verlossen van een deel van den middeleeuwschen rommel, dien de Islâm reeds al te lang achter zich aan sleept. Wel blijft dan het stelsel op de vroeger ontwikkelde historische gronden onvatbaar voor eene afdoende hervorming, hetzij door moderniseering der wet, hetzij door populariseering der mystiek; maar de Moslimsche maatschappij schrijdt nochtans voort in de richting der moderne cultuur, buiten het systeem om, doodzwijgend hetgeen zij niet durft aantasten. Zoo gaat het in Turkije, in Egypte, in Syrië.